Ministerie van Financien

Aan: de voorzitter van de Commissie voor de Rijksuitgaven,

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Den Haag 23-12-1998

PFC98/ 1350 I

Onderwerp Beantwoording vragen Commissie voor de Rijksuitgaven

Geachte heer Van Walsem,

Bijgaand ontvangt u de antwoorden op de vragen die zijn gesteld naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer betreffende het M en O-beleid vennootschapsbelasting.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN, W.A. Vermeend

Vraag 1 Waarom is na 1996 geen Fiscale Monitor verschenen? De Monitor van 1996 bevatte een duidelijk overzicht van de klachten van de fiscale dienstverleners. Het zou in het kader van het kwaliteitsbeleid een beeld te krijgen van de gevolgen van eventuele maatregelen, die erop gericht zijn de klachten te verminderen. (blz. 9)

Vraag 2 Is er verbetering opgetreden in het oordeel van fiscale dienstverleners over de afhandeling van bezwaar en beroep sinds de Fiscale Monitor 1996? (blz. 9)

Dat er na 1996 geen Fiscale Monitor verschenen zou zijn, berust op een misverstand. In maart 1998 is de Fiscale Monitor 1997 verschenen. Hierin is niet gerapporteerd over de afhandeling van bezwaar en beroep, omdat hierover dat jaar geen vragen zijn gesteld. Over een aantal zaken, waaronder dit onderwerp, worden om de drie jaar vragen opgenomen. Wat (enigszins in verband hiermee) wél in de Fiscale Monitor 1997 aan de orde is gekomen, is de handelwijze rondom afwijkingen van aangiften. Adviseurs geven aan dat meer cliënten vooraf van de Belastingdienst bericht hebben gekregen over voorgenomen correcties op aangiften en dat deze afwijkingen beter waren gemotiveerd.

In het kader van kwaliteitsbeleid is vermeldenswaard dat, hoewel de AWB op dit punt niet geldt voor de Belastingdienst, binnen de Belastingdienst sinds 1 januari 1997 conform de termijnen in de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) wordt gewerkt. Dit betekent onder meer dat uitgangspunt is dat de inspecteur binnen zes weken een besluit neemt over het bezwaarschrift en dat, alvorens hij beslist, belanghebbende steeds en expliciet wordt uitgenodigd om het bezwaarschrift toe te komen lichten. In 1997 is zon 80 % van de ontvangen bezwaarschriften tijdig afgehandeld. Naar verwachting zal in 1998 rond de 90% tijdig zijn afgedaan.

Dit AWB-conform werken past in het beleid dienstverlening aan en communicatie met belastingplichtigen te verbeteren en daarmee het aantal klachten te verminderen. Het aantal klachten dat (onder meer van fiscaal adviseurs) wordt ontvangen, is relatief zeer gering en vertoont een dalende lijn (naar verwachting over 1998 totaal zon 2000 klachten). Overigens ben ik me ervan bewust dat het werkelijk aantal mensen dat niet tevreden is over de dienstverlening van de Belastingdienst hoger kan zijn. Het werken aan het (verder) terugbrengen van het aantal klachten heeft dan ook voortdurend mijn aandacht.

Vraag 3 Waarom wordt nog in onvoldoende mate gebruik gemaakt van de segment-behandelplannen en waarom geschiedt dit wel in bevredigende mate bij de eenheden Grote Ondernemingen? (blz. 10)

Vraag 4 Waarom is er bij de invoering van de segmentbehandelplannen vertraging ontstaan? (blz. 10)

Op dit moment wordt gewerkt aan het ontwikkelen van de plannen. Op den duur zal sprake zijn van een redelijk dekkend systeem van segmentbehandelplannen; het uitbouwen daarvan zal nog een aantal jaren vergen. Een aantal plannen biedt nu al wel toegevoegde waarde en daarvan is afgesproken dat die in 1999 gehanteerd zullen worden. Totdat alle plannen verder ontwikkeld zijn, is de wetenschap van belang dat door de gekozen doelgroepgerichte benadering binnen de teams al een behoorlijk kennisniveau aanwezig is van de segmenten en branches waarin de klanten werkzaam zijn.

Dat bij eenheden Grote Ondernemingen meer gebruik wordt gemaakt van de segmentbehandelplannen dan bij eenheden Ondernemingen houdt verband met accentverschillen in de klantbehandeling; bij eenheden Grote Ondernemingen ligt het accent wat meer op de klantbehandeling van individuele gevallen, bij eenheden Ondernemingen gaat het om veel grotere aantallen. Dat biedt minder mogelijkheden voor individueel maatwerk en leent zich meer voor algemene vormen van dienstverlening, toezicht en preventie.

Vraag 5 Wordt bij de verbeteracties een uniform model van het klantbehandelplan geïntroduceerd? (blz. 10)

Hoewel we werken aan het aanreiken van instrumenten voor de klantbehandeling en daaraan een zekere vorm van standaardisering verbonden is, betekent dit niet dat er een uniform klantbehandelplan zal worden geintroduceerd.

Vraag 6 Kan de regering een verklaring geven van de in paragraaf 2.6.3.1. geconstateerde grote variëteit van selectiemethoden, aanslagregelingen en kwaliteitssystemen? Waarom ontbreken vooral bij de eenheden Grote Ondernemingen verslagen van de heffingen en waarom is dit bij andere ondernemingen in mindere mate het geval? (blz. 11)

Dat vooral bij de eenheden Grote Ondernemingen verslagen van de heffingen ontbreken zal een verschrijving zijn; bij eenheden Ondernemingen is in mindere mate sprake van het voorkomen van verslagen van heffing dan bij eenheden Grote Ondernemingen.

Dat houdt verband met het feit dat binnen eenheden Grote ondernemingen aan het maken van verslagen van heffing meer aandacht is gegeven gelet op de belangen waarom het gaat en de complexiteit van de posten (vergelijk het slot van het antwoord op vraag 3 en 4).

De vraag over de variëteit van selectiemethoden en aanslagregelingen impliceert dat een veelheid van methoden niet op zijn plaats zou kunnen zijn. Uniformiteit heeft voor mij echter geen waarde in zichzelf. Variëteit kan nuttig en nodig zijn gelet op de verschillen die er zijn in het klantenpakket per team.

Vraag 7 Welke consequenties heeft het niet-voorhanden hebben van verslagen van de heffing, terwijl dat wel wordt voorgeschreven? (blz. 11)

Het gaan werken met verslagen van heffing is niet een verandering waarvan ik verwacht dat daarvan direct en bij alle eenheden sprake kan zijn. Ook hierbij gaat het om een ingeslagen koers. Er was een groot aantal verslagen van heffing in 1996 bij eenheden Grote Ondernemingen beschikbaar. Ik zie hierin een voorbeeld dat de aanpak om veranderingen in het werken prioriteit te geven bij die eenheden waarbinnen het grootste deel van de belastingopbrengsten worden gerealiseerd, succesvol is.

Het niet voorhanden hebben van verslagen van heffing heeft op zichzelf geen consequenties. Verslagen van heffing konden in sommige situaties van betekenis zijn voor de heffing in latere jaren. Inmiddels is voor de klantbehandeling het meest belangrijk dat signalen die bij de regeling worden opgemerkt in het geautomatiseerde systeem IKB (Informatiesysteem Klantbehandeling) worden opgenomen als behandelvoornemen. Behandelvoornemens worden -automatisch- betrokken bij de behandeling van komende aangiften. IKB ziet op de (automatische selectie voor) toekomstige behandeling; verslagen van heffing dienen ter verantwoording en zijn gericht op het verleden. Dus in de huidige situatie zijn verslagen van heffing met name nog van betekenis als onderdeel van de kwaliteitsborging en niet zozeer voor het feitelijke heffingsproces. Als er geen verslag van heffing is opgemaakt, betekent dat niet dat de kwaliteit van de aanslagregeling slecht is.

Vraag 8 Is er een intern controle- en sanctiesysteem op de naleving van de voorschriften/procedures van de belastingdienst? Zo ja, werkt het? (blz. 11)

De naleving van de voorschriften/procedures van de Belastingdienst is gewaarborgd door een geheel van beheersmaatregelen op het gebied van de administratieve organisatie en interne controle, zoals toetsingen op eenheidsniveau op basis van de vastleggingen in de dossiers. Het toezicht op de naleving gebeurt door het lokale management en de accountantsdiensten.

Om de kwaliteitsborging transparanter te maken is het instrument KIEK (Kortstondig Kwaliteitborgingsonderzoek) ontwikkeld, dat zich richt op het systeem van kwaliteitsborging. Ook wordt onderzocht of voor de belangrijkste belastingmiddelen waaronder de vennootschapsbelasting, kan worden gekomen tot een landelijke fiscaal-technische kwaliteitsindex (afgekort tot FIX). Deze index zal gebaseerd zijn op een steekproefsgewijze inhoudelijke toetsing van de behandeling. Daarmee wordt de kwaliteit van de rechtstoepassing systematisch gemeten. Deze fiscaal-technische kwaliteitsindex zal daarmee een aanvulling op het instrument KIEK zijn.

Vraag 9 Waarom bestaat er voor de belastingdienst als geheel geen inzicht in de aard en de omvang van de afspraken die in het kader van het vooroverleg met de belastingplichtigen werden gemaakt? (blz 12)

Afspraken kunnen op een veelheid van belastingmiddelen en onderwerpen betrekking hebben (ondernemerschap, verliescompensatie, wijze van aangifte doen, woonplaats, pensioenproblematiek, goed koopmansgebruik, pc-privé-regelingen, werkkleding, etcetera). Voor de Belastingdienst is het niet noodzakelijk om over een totaaloverzicht hiervan te beschikken: het betreft immers afspraken in individuele gevallen. Een overzicht zou waarde kunnen hebben om bijvoorbeeld invulling te kunnen geven aan de soort en omvang van de fiscale dienstverlening.

Vraag 10 Kan de regering een overzicht verschaffen in welke gevallen gebruik wordt gemaakt van ruling-afspraken? (blz. 12)

Een overzicht van de gevallen waarbij gebruik wordt gemaakt van ruling-afspraken is opgenomen in het Beheersverslag 1997 op de blz. 40 en 41.

Vraag 11 Hoe wordt de rechtsgelijkheid gewaarborgd van de afspraken in het kader van vooroverleg en de rulingspraktijk? (blz. 12)

De rechtsgelijkheid bij het vooroverleg is gewaarborgd met collegiale toetsing en met accordering door de vakgroepcoördinator; dit voorkomt dat er verschillen in rechtstoepassing ontstaan. Ook het raadplegen door de eenheden van de kennisgroepen welke werken (onder meer) onder de portefeuille vennootschapsbelasting bevordert de rechtsgelijkheid.

De rechtsgelijkheid bij rulings is gewaarborgd met de accordering door of namens de vakgroepcoördinator Rulings en door de rulingpraktijk te concentreren bij de eenheid Grote ondernemingen in Rotterdam. Door concentratie op één adres is de eenheid van beleid en de coördinatie van het afgeven van rulings beter gewaarborgd en is voor de betrokkenen duideljkheid geschapen tot wie zij zich moeten wenden voor het verkrijgen van een ruling.

Vraag 12 Werkt de standaardaanpak van de klantbehandeling? Is de opnieuw vastgestelde formatie adequaat? (blz. 12)

Vastgesteld is dat het rulingteam per 1-1-1999 zijn werkzaamheden zal organiseren volgens de overigens in de Belastingdienst geldende regels van analyse naar risico en fiscaal belang, dit uiteraard met inachtneming van karakteristieken van het werkpakket van het rulingteam. De formatie is zodanig vastgesteld dat verwacht wordt dat het rulingteam deze taak kan uitvoeren. Er zijn geen signalen dat het werken met deze formatie niet zal lukken.

Vraag 13 Waarom was er in slechts 42% van de gevallen een controleprogramma beschikbaar? (blz. 12)

Ook ten aanzien van het uitwerken en in het dossier opnemen van controleprogrammas geldt dat het hierbij gaat om een ingeslagen koers. Het is een verandering waarvan ik niet verwacht dat alle medewerkers daar direct en in alle situaties in voorzien. Het is de bedoeling dat het aantal programmas jaarlijks zal stijgen.

Vraag 14 Welke verklaring is er voor het verschijnsel dat de opzet van het controle-proces, zoals vastgelegd in het Handboek Controle (1996) en het rapport Vaktechnische Kwaliteit II (1995) in de praktijk zo slecht wordt uitgevoerd? Ligt dit aan de voorschriften, aan de bereidheid deze op te volgen of aan andere oorzaken? (blz. 12)

Vraag 15 Welke concrete maatregelen zijn getroffen om te kunnen nagaan of interne controle daadwerkelijk heeft plaatsgevonden? (blz. 12)

Het Handboek Controle (1996) en het rapport Vaktechnische Kwaliteit II hebben niet het karakter van voorschriften maar zijn bedoeld als hulpmiddel voor de professionals die de onderzoeken uitvoeren. Bij de jaarlijkse controle-cyclus door de de interne accountantsdienst IAB wordt nagegaan of de kwaliteit van de onderzoeken en van de daarop toegepaste interne controle voldeed aan de daaraan gestelde eisen.

Vraag 16 Welke repercussies heeft het gebrek aan kwaliteit van de dossiervorming op het vervolgtraject?(blz. 12)

Ik ga er van uit dat met het vervolgtraject bedoeld is de aangiftebehandeling. De kwaliteit van de dossiervorming heeft in het algemeen geen consequenties voor de aangiftebehandeling omdat degene die de aanslag vaststelt ook bij het onderzoek betrokken is geweest. Waar overleg noodzakelijk is, geldt dat in de behandelteams intensief wordt samengewerkt tussen de verschillende medewerkers met elk hun specifieke kennis en ervaring.

Vraag 17 Welke concrete maatregelen zijn genomen ter verbetering van de kwaliteit van de dossiervorming? (blz. 12)

Een goede dossiervorming is nodig voor, onder andere, de behandeling van klachten en herzieningen en in verband met de mogelijkheid dat de dossiers worden overgedragen naar een nieuwe contactpersoon -mogelijk in een ander team (of) bij een andere eenheid- en in verband met interne controle. Hiervoor is aandacht gevraagd aan het management en dit aspect komt in de audits en interne controles aan de orde.

Vraag 18 Wat zijn de (voorlopige) conclusies van het vervolgonderzoek naar de naleving van de procedures en voorschriften op het terrein van controle? (blz. 13)

De start van het vervolgonderzoek naar de naleving van de procedures en voorschriften op het terrein van de controle is in gang gezet en het onderzoek zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 1999 plaatsvinden.

Vraag 19 In hoeverre kan met het boetebeleid de kosten van onderzoek en opsporing worden gedekt? (blz. 13 en 14)

De kosten van onderzoek en opsporing (activiteiten die niet alleen bij de FIOD, maar binnen de gehele Belastingdienst worden verricht) zijn niet separaat zichtbaar te maken. Het doel van het opleggen van boetes is ook niet het dekken van de kosten van onderzoek en opsporing. Onderzoek en opsporing zijn stappen die (uiteindelijk) in het rechtshandhavingsproces worden gezet naast stappen als wegnemen irritaties, bevestigen maatschappelijk gedrag, wegnemen redenen en kansen voor niet-compliant gedrag en preventief toezicht.

Vraag 20 Welke concrete verbeteracties zijn er gehouden om te komen tot een uniforme rechtsgelijke klantbehandeling? (blz. 14)

Het rapport maakt beperkt melding van de stappen die vanaf 1997 zijn gezet in dit ontwikkelproces. Ik constateer dat de door de Belastingdienst reeds ingezette maatregelen met name op het gebied van de vernieuwde klantbehandeling al in ruime mate zijn gericht op een uniforme en rechtsgelijke klantbehandeling. Een belangrijke aanvulling is bijvoorbeeld, dat met de invoering van IKB vanaf 1 januari 1998 het werken met de zogeheten aandachtscategorieën (belastingplichtigen met een overeenkomstig fiscaal belang en fiscaal risico) op alle eenheden operationeel is. Een andere aanvulling is dat selectiecriteria voor de afdoening van aangiften IB en Vpb inmiddels landelijk worden vastgesteld. Verder noem ik de kennisgroepen die op een groot aantal onderwerpen zijn ingesteld en het raadplegen door de eenheden van een landelijk bestand van praktijkgevallen ter bevordering van de rechtsgelijkheid. Tot slot noem ik het werken met segmentbehandelplannen.

Vraag 21 Zal KIEK er naar verwachting toe bijdragen dat een betere verantwoording kan worden afgelegd over het gevoerde klantmanagement, alsmede voor een meer uniforme en rechtsgelijke klantbehandeling? (blz. 14 en 25)

Het meetinstrument KIEK is een systeem van kwaliteitsborging. Verwacht mag worden dat KIEK een bijdrage kan leveren aan een adequate klantbehandeling.

Vraag 22 Bestaan er plannen om in de toekomst uniforme eisen te stellen aan de kwartaalrapportages en wordt daarin informatie verlangd over enerzijds de mate waarin de (controle-)capaciteit daadwerkelijk wordt ingezet op de meest prioritaire zaken en anderzijds over de correctieresultaten? (blz. 16)

Door middel van het project MIRABEL (ManagementInformatie- en RApportage BELastingdienst) wordt gewerkt aan het verbeteren van de bestuurlijke informatie van de Belastingdienst. Het oogmerk is die informatie beter te doen aansluiten op de belangrijkste strategische doelstellingen met als uitgangspunt de wenselijkheid en relevantie van de bestuurlijke informatie. Op enkele eenheden is begonnen met het rapporteren overeenkomstig de uitgangspunten van MIRABEL. De managementrapportage van deze eenheden geeft naast de stand van zaken (commentaar en analyse) zoveel mogelijk aan welke acties zijn of worden ondernomen en wat de beoogde resultaten en effecten van de getroffen maatregelen zijn. Recent is op eenheden het geautomatiseerde systeem bestuurlijke informatie klantbehandeling in gebruik genomen. Daarmee wordt een actueler en meer betrouwbaar beeld van de prestaties op eenheidsniveau gegeven. Hiermee wordt al voor een deel tegemoet gekomen aan het in het Rekenkamerrapport gesignaleerde knelpunt ten aanzien van de tijdigheid van informatie.

Het verder verbeteren van de kwaliteit van de bestuurlijke informatie is voor de komende jaren een belangrijk aandachtspunt. Het recent instellen van een functie Informatiemanagement Bedrijfsvoering en de thans lopende inrichting van een centrale beheerorganisatie voor b.i. toepassingen passen in dit kader.

Vraag 23 In welke mate heeft de (ophoging van ) het onderzoek op lokatie geleid tot een meer effectieve M&O-output? (blz. 18)

De cijfers tot en met het derde kwartaal van 1998 geven aan dat de verbetering zich heeft voortgezet.

Vraag 24 Waarom was als doel geformuleerd het aantal boekenonderzoeken zonder resultaat te beperken tot maximaal 40%? Waarom is niet gekozen voor een kwalitatieve doelstelling? (blz. 18)

De 40% doelstelling heeft als oogmerk dat de beschikbare tijd wordt besteed aan die posten waar daadwerkelijk risicos worden gelopen. Oogmerk is om door de focus op resultaat veel aandacht te richten naar een juiste selectie van ondernemingen. Het accent ligt dus op het rendement van de bestede tijd. De doelstelling is daarmee een kwalitatieve doelstelling die zich richt op de selectie van de in de controle te betrekken ondernemingen. In samenhang met andere doelstellingen leidt dit tot meer aandacht aan risicovolle posten en daarmee tot verbetering van de controleresultaten.

Vraag 25 Waarom was de informatie over de raking VPB in 1997 niet meer centraal beschikbaar? (blz. 18)

Met betrekking tot de boekenonderzoeken werden tot en met 1997 de controleresultaten (waaronder de raking van de vennootschapsbelasting) verstrekt, via het kantoorsysteem Smile op de eenheden, uit het landelijk informatiesysteem boekenonderzoek (LIB). In de loop van 1998 is overgegaan naar een nieuw bronsysteem: het Informatiesysteem Klantbehandeling (IKB). Vanwege aanloopproblemen heeft de omschakeling van de systemen tot tijdelijke vertraging van de gegevensverstrekking geleid.

Vraag 26 Komen er eenduidige definities en kwaliteitsnormen om de betrouwbaarheid van de bestuurlijke informatievoorziening te verbeteren? (blz. 18)

Sedert het onderzoek van de Rekenkamer zijn de definities in 1997 al eenduidig gemaakt. De resultaten zijn neergelegd in mijn brief d.d. 15 mei 1997 (kenmerk PFC97 / 399 M) aan de Voorzitter van de Vaste Kamercommissie Financiën.

Vraag 27 Hoe komt het dat in 1997 in 60% van de gevallen controles betrekking hadden op de belastingplichtigen uit de minst risicovolle aandachtscategorie terwijl juist als doelstelling was geformuleerd dat met name risicovolle posten zouden moeten worden onderzocht? Wat is de huidige stand van zaken? (blz. 19/20)

Vraag 30 Welke concrete maatregelen leiden tot het verbeteren van het inzicht en bereiken van de belangrijkste strategische doelstelling van de Belastingdienst dat de beschikbare capaciteit wordt ingezet op de uit het oogpunt van financieel belang en fiscaal risico op de meest prioritaire categorie belastingplichtige? (blz. 21)

Vraag 31 Kan er een tijdpad voor invoering van de reeds genomen maatregelen om de kwaliteit van het handelen van de belastingdienst te vergroten worden gegeven? (blz. 25)

Concretisering van maatregelen met een tijdpad voor de invoering wordt telkenjare vastgelegd in het Bedrijfsplan van de Belastingdienst. Op 4 juni 1998 (kenmerk PFC98 / 646) is aan u het Bedrijfsplan 1999-2003 met bijbehorende Sectorplannen Klantbehandeling en Rechtstoepassing toegezonden.

Bij de uitvoering van het Rekenkameronderzoek is gebruik gemaakt van een in 1996 in opdracht van de leiding van de Belastingdienst uitgevoerd onderzoek door de portefeuillehouder vennootschapsbelasting, gericht op de kwaliteit van de aanslagregeling vennootschapsbelasting. De Directieraad van de Belastingdienst heeft indertijd op basis van de uitkomsten van dit onderzoek maatregelen genomen om een kwaliteitsverbetering tot stand te brengen.

Het behandelproces binnen de Belastingdienst is gericht op het geven van aandacht op maat, waarbij het financieel belang en het fiscaal risico bepalend zijn voor de wijze van behandeling. Op die wijze kan de beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk worden ingezet. Immers een 100% controle van alle belastingplichtigen is, zoals de Rekenkamer opmerkt, niet mogelijk. Het inrichten van de uitvoering overeenkomstig dit uitgangspunt is een traject dat zich over meer jaren uitstrekt. De in het Rekenkamerrapport beschreven bevindingen geven een momentopname in deze ontwikkeling.

Mede als gevolg van de invoering van IKB is de selectie van vennootschapsbelastingposten verbeterd en wordt meer aandacht besteed aan risicovolle posten. Uit een medio 1998 gedane steekproef binnen de doelgroepen (grote) ondernemingen blijkt, dat bij de tot de risicoklassen C ("midden") en D ("hoog risico") behorende ondernemingen 88 % van de ingestelde veldtoetsingen tot dezelfde klassen behoren, terwijl deze posten 68 % van het totale bestand omvatten. Bij de grote ondernemingen zijn de uitkomsten van het onderzoek ook duidelijk. Indien de categorie van financiële ondernemingen en rulings buiten beschouwing wordt gelaten blijkt dat bij 91 % van de verrichte VpB-onderzoeken er sprake is van midden dan wel hoog risicovolle entiteiten, hetgeen een belangrijke indicatie is voor de selectie van de in de controle betrokken posten.

Door de urenverantwoording en de splitsing daarvan naar de verschillende aandachtscategorieën is het vanaf medio 1999 mogelijk meer zicht te krijgen op de bestede tijd per aandachtscategorie.

Vraag 28 Waarom is in het beheersverslag de doelstelling raking VpB te rooskleurig is voorgesteld.(blz. 19)

Er is geen sprake van dat de raking te rooskleurig is voorgesteld. In het Beheersverslag 1997 is inzake de doelstelling bij de controle op de vennootschapsbelasting (raking VpB) vermeld dat de aandacht voor de vennootschapsbelasting sterk is toegenomen. Bij de materiële (heffings)onderzoeken is de vennootschapsbelasting voor 14,7% betrokken. Uit interne notas van de Belastingdienst blijkt dat de oorspronkelijke doelstelling van 20% raking vennootschapsbelasting bij de controle voor de korte termijn niet haalbaar wordt geacht. Gevreesd wordt dat een dergelijke inspanning leidt tot een onevenwichtigheid ten opzichte van de andere middelen. Daarnaast bestaat het risico dat bij deze doelstelling ook minder risicovolle posten voor boekenonderzoek in aanmerking komen. Naar aanleiding daarvan heeft de Belastingdienst in november 1997 besloten de doelstelling voorshands te verlagen naar 12%, waarbij is aangegeven dat de selectie van te onderzoeken posten meer aandacht moet hebben. In de managementcontracten voor 1998 is de bijgestelde norm opgenomen. Feitelijk is vanaf dat moment dezelfde norm voor 1997 toegepast.

Vraag 29 Wat was de reden dat in 1996 de doelstelling bedrijfsgesprekken bij lange na niet gehaald zijn? (blz. 20)

Zoals in het Rekenkamerrapport op blz. 20 is aangegeven zijn van de geplande 3750 bedrijfsgesprekken er 3046 gehouden; dat is 81% van de doelstelling. In dat jaar heeft deze doelstelling niet steeds (en) overal prioriteit gekregen. In 1997 zijn 3500 gesprekken gepland en hebben 3381 bedrijfsgesprekken plaatsgevonden. Dat is 97% van de doelstelling.Overigens zijn dit slechts de aantallen bedrijfsbezoeken die bij klanten van eenheden Grote ondernemingen zijn afgelegd.

Deze doelstelling is van een geheel andere orde dan de doelstelling die bij vraag 24 naar voren wordt gebracht. Daar gaat het om een kwalititatieve, hier om een kwantitatieve doelstelling. Als het houden van een bedrijfsgesprek niet zinvol is, moet het niet worden gevoerd. De cijfers over de realisatie geven mij aan dat de richting om bedrijfsgesprekken te gaan voeren sterk is ingezet en dat hiermee goed wordt omgegaan.

Deel: ' Antwoorden Vermeend aan Commissie voor de Rijksuitgaven '




Lees ook