Sociaal Cultureel Planbureau


Keywords: Sociale Zekerheid; Armoede

Armoedemonitor 1999


* In de jaren 1990-1997 was het armoedepercentage stabiel. Jaarlijks had ruim 10% van de huishoudens een minimuminkomen, bijna 16% had een laag inkomen. In deze periode zijn de vaste lasten echter zwaarder gaan drukken, en geven steeds meer huishoudens aan dat ze moeite hebben om rond te komen. Ook is de vermogensgroei voorbijgegaan aan de huishoudens met een laag inkomen.
* In 1998 en 1999 is de armoede naar verwachting echter afgenomen. Dit is vooral bij alleenstaande AOW'ers het geval: zij profiteren het meest van het gevoerde inkomensbeleid.

* Een minderheid (40%) van de armen die werk vinden komt structureel uit armoede. Beleidsmatig is het niet alleen van belang armen aan de slag te krijgen, maar ook om hen aan het werk te houden.
* Concentraties van langdurig arme huishoudens komen relatief vaak voor in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Groningen, Leeuwarden en Arnhem.

Dit zijn enkele conclusies uit de vandaag gepubliceerde Armoedemonitor
1999, een samenwerkingsproject van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Wat is armoede?

In de Armoedemonitor, die ieder jaar verschijnt, worden twee inkomensgrenzen gebruikt. De laagste grens bedraagt 105% van het sociaal minimum dat geldt in de bijstand, de AOW, en de kinderbijslag (1997: 16.700 gulden voor een alleenstaande tot 65 jaar). Deze norm wordt in het politieke debat het meest gehanteerd. Iets hoger ligt de lage-inkomensgrens, die in 1997 voor een alleenstaande 19.450 gulden bedroeg. Deze norm is beter geschikt voor vergelijkingen in de tijd, omdat zij volledig wordt gecorrigeerd voor de inflatie.

Omdat armoede meer is dan een slechte inkomenspositie, is ook gekeken hoe lang men al van een gering inkomen moet rondkomen, of er sprake is van schulden of hoge vaste lasten, en of men zelf ook het gevoel heeft moeilijk rond te komen. De gegevens die voor de Armoedemonitor beschikbaar zijn lopen meestal tot 1998.

Armoede tot en met 1997 niet verminderd

Veel indicatoren duiden erop, dat de armoede in de periode 1990-1997 niet is afgenomen. Het armoedepercentage bleef stabiel. In 1997 had ruim 10% van de huishoudens een inkomen onder of rond het sociaal minimum (665.000 huishoudens, waarin 1,3 miljoen personen). Bijna 16% had een laag inkomen (in 1997 betrof dit 983.000 huishoudens, waarin
1,9 miljoen personen).

Het absolute aantal arme huishoudens is in de periode 1990-1997 wèl gestegen, met 59.000 volgens de grens van het sociaal minimum, en met
126.000 volgens de lage-inkomensgrens. Deze stijging loopt gelijk op met de toename van het totale aantal huishoudens.

Ook volgens een aantal alternatieve maatstaven, waarin bij arme huishoudens rekening wordt gehouden met het inkomenstekort en de ongelijkheid, is de armoede in de loop van de jaren negentig niet verminderd*.

Hogere vaste lasten, meer moeite met rondkomen

De vaste lasten slokken een steeds groter deel van het budget van de huishoudens met een laag inkomen op: van 40% in 1990, tot 47% in 1996. Dit komt vooral door de huurstijgingen in deze periode. Daarnaast speelt ook de toename van het aantal alleenstaanden een rol: zij missen sommige schaalvoordelen, en hebben daardoor gemiddeld hogere vaste lasten.

In 1991 gaf 31% van de huishoudens met een laag inkomen aan dat men moeilijk rondkomt, in 1996 is dit opgelopen tot 36%.

Huishoudens met een laag inkomen hebben geen deel gehad aan de vermogensgroei van de laatste jaren. Hun vermogen bleef in doorsnee constant, terwijl dat van welvarender huishoudens tussen 1993 en 1997 met 30.000 gulden toenam.

De laatste 2 jaar gunstige ontwikkelingen

Vooral in 1998 is de koopkracht van de uitkeringen verbeterd. Hierdoor komt de AOW-uitkering iets boven het peil van 1990 uit, terwijl de bijstandsuitkering daar nog net onder bleef. Ramingen van het SCP laten zien dat het aantal lage inkomens door het gevoerde inkomensbeleid in 1998 en 1999 naar verwachting in totaal met ongeveer
130.000 huishoudens zal afnemen. Deze daling komt voor het grootste deel (driekwart) tot stand bij 65-plussers - en dan met name bij de alleenstaanden onder hen -, die onder meer baat hebben bij de hogere ouderenaftrek. Het aandeel lage inkomens daalt bij 65-plussers naar verwachting van 20% naar 13%. Bij werklozen, bijstandontvangers en arbeidsongeschikten is de geraamde afname in 1998 en 1999 veel kleiner.

Langdurige armoede

Armoede is voor veel huishoudens een langdurige situatie. In 1997 had bijna 4% van alle huishoudens (een kwart miljoen) al minstens vier jaar een inkomen onder of rond het sociale minimum; 7% van alle huishoudens (442.000) verkeerde langdurig beneden de lage-inkomensgrens. Het percentage langdurig arme huishoudens is tot en met 1997 vrijwel niet veranderd.

Van de mensen die in 1989-1997 in Nederland woonden had 3% (220.000 personen) onafgebroken, dus negen jaar lang, een laag inkomen. Hun inkomen lag in deze periode per jaar gemiddeld 13% onder de lage-inkomensgrens, wat voor een alleenstaande neerkomt op 2.600 gulden. Alleenstaande vrouwen van 65 jaar en ouder vormen een groot deel (80.000) van deze groep.

Concentraties in zes grote gemeenten

In 50 onderzochte grote gemeenten komen huishoudens met een langdurig laag inkomen relatief vaak voor in de drie grote steden en in acht grote gemeenten buiten de Randstad. Van deze groep hebben Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Groningen, Leeuwarden en Arnhem relatief veel concentratiegebieden (postcodes waar 15% of meer van de huishoudens minstens drie jaar een laag inkomen heeft). In Enschede, Almelo, Nijmegen, Helmond en Maastricht is de concentratie minder uitgesproken. De sociale status van veel concentratiegebieden is de afgelopen 25 jaar sterk gedaald.

Ex-studenten: een kleine groep is langdurig arm

Bij ex-studenten ligt het beschikbare budget tijdens de studie veelal onder het sociaal minimum; zij worden in die periode gewoonlijk niet tot de armen gerekend. Voor veel van hen blijkt dit ook een tijdelijke situatie. Drie jaar na afronding van de studie slaat de gemiddelde inkomensachterstand op leeftijdgenoten die niet studeerden om in een voorsprong.

Eén op de twintig ex-studenten is echter afkomstig uit een arm gezin. Zij worden vaak langdurig met armoede geconfronteerd, doordat hun budget ook tijdens de studie veelal beperkt is, en hun eigen huishouden na afronding van de studie relatief vaak een laag inkomen heeft. Drie jaar na dato geldt dit voor 30%.

Risicogroepen

Een op de negen kinderen (364.000) leefde in 1997 in een gezin met een inkomen onder of rond het sociale minimum. Driekwart van hen behoort tot een eenoudergezin of tot een gezin dat van een uitkering leeft.

Van alle huishoudenstypen staan de eenoudergezinnen er het meest ongunstig voor. Zes van de tien eenoudergezinnen hadden in 1997 een laag inkomen. Zij hadden het vaakst moeite om rond te komen, en ook veelvuldiger schulden dan de andere typen huishoudens. Alleenstaande moeders van Creools-Surinaamse herkomst hebben beduidend minder vaak een laag inkomen dan autochtone eenoudergezinnen.

Niet-westerse allochtone huishoudens hebben drie maal zo vaak (43%) een inkomen onder de lage-inkomensgrens als autochtonen. Ook als de kostwinner werkt is het armoedepercentage van niet-westerse allochtonen driemaal zo hoog als bij de autochtonen.

Arme alleenstaanden ouder dan 45 jaar hebben relatief vaak langdurig een laag inkomen en hoge vaste lasten.

Feminisering van armoede vooral in jaren tachtig

In 1977 had 35% van de huishoudens met een laag inkomen een vrouwelijke hoofdkostwinner. In 1989 was dit opgelopen tot 52%, daarna is het nog iets toegenomen, tot 56% in 1997. Deze 'feminisering van armoede', die zich vooral in de tweede helft van de jaren tachtig voordeed, heeft twee oorzaken. Het aandeel alleenstaande vrouwen in de bevolking is toegenomen, en gezinnen met een mannelijke hoofdkostwinner hebben tussen 1985 en 1990 meer geprofiteerd van de economische opleving. De toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen heeft de feminisering van armoede niet kunnen compenseren.

Geringe invloed van werkgelegenheidsontwikkeling

De gunstige werkgelegenheidsontwikkeling sinds het midden van de jaren tachtig heeft het armoedepercentage nauwelijks gedrukt. De stijgende werkgelegenheid ging gepaard met een toename van het percentage tweeverdieners en een daling van het aandeel van paren met één inkomen uit arbeid. Echter, sinds 1985 is de groep met het grootste armoederisico -uitkeringsontvangers jonger dan 65 jaar-, naar verhouding slechts iets kleiner geworden (van 20% naar 17%).

Werk en armoede

Van de armen die tussen 1989 en 1997 werk vonden, kwam een minderheid (40%) structureel uit armoede. Werk vinden leidt wel tot inkomensverbetering, maar dit gaat geleidelijk.

Pas na vier jaar ligt het gemiddelde brutoloon van armen die werk vinden èn behouden boven het minimumloon. Eén op de tien arme werkvinders verdiende echter ook na acht jaar onafgebroken werken minder dan de lage inkomensgrens.

Daarnaast verloren veel werkvinders hun baan, waardoor het inkomen soms weer beneden de grens belandde. Van de werkvinders is 20% de baan na een jaar weer kwijt, en na acht jaar heeft ruim de helft van de werkvinders minstens één jaar niet gewerkt.

Beleidsmatig is het niet alleen belangrijk arme mensen aan de slag te krijgen, maar ook om hen aan het werk te houden.

Pendelarmoede

Van de mensen die een armoedeperiode beëindigen, valt 25% vervolgens binnen twee jaar weer terug in armoede. Deze groep 'pendelarmen' telde in de periode 1989-1997 175.000 personen. Het grootste deel van deze groep (56%) bestaat uit mensen in huishoudens met een werkend hoofd. De groep inactieven jonger dan 65 is minder omvangrijk (29%), maar wel het meest kwetsbaar. Zij hebben de laagste kans op uitstroom (0.53), en de hoogste kans op terugval (0.29). Onder gepensioneerden komt pendelarmoede niet veel voor: omdat zij niet vaak uitstromen, kunnen zij ook niet terugvallen in armoede.

Opeenstapeling van ongunstige leefomstandigheden

De leefsituatie van mensen met een laag inkomen is minder gunstig: ze wonen in kwalitatief minder goede woningen, hun woonomgeving is onaantrekkelijker, ze voelen zich minder veilig en hun gezondheid is slechter. Toch zijn de verschillen met mensen boven de lage-inkomensgrens bij de meeste aspecten van de leefsituatie niet zo groot. Wel is er sprake van een opeenstapeling van ongunstige leefomstandigheden bij lage inkomens. Bijna de helft van de mensen met een laag inkomen heeft een achterstand op drie of meer leefsituatieaspecten. Dat is bijna tweemaal zoveel als bij de meer welvarende huishoudens.

Naar bovenkant

Deel: ' Armoedemonitor 1999 '




Lees ook