Gerechtshof Amsterdam


rolnummer 860/99 SKG


18 november 1999 (bij vervroeging)

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE UTRECHT
zetelend te Utrecht,
APPELLANTE,
procureur: mr. C.Ch. Mout,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KERCKEBOSCH BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Maarssen,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. A.P.H. Wárlám.


1. Het geding in hoger beroep


1.1 Apellante wordt hierna aangeduid als de gemeente, geïntimeerde als Kerckebosch.


1.2 Bij dagvaarding van 10 augustus 1999 is de gemeente in hoger beroep gekomen van een vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 29 juli 1999, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 101641/KGZA 99-651 gewezen tussen Kerckebosch als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en de gemeente als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.


1.3 In de appèldagvaarding heeft de gemeente negen grieven voorgesteld en geconcludeerd, dat het hof, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, de vordering van Kerckebosch in conventie zal afwijzen en in reconventie primair Kerckebosch zal veroordelen dat zij zal gehengen en gedogen dat de gemeente overgaat tot het beoogde gebruik en de daarvoor noodzakelijke bouwkundige aanpassingen van de inrichting van het op de als productie 20 in geding gebrachte tekening aangeduide gedeelte van het gehuurde ten behoeve van het onderzoek voor de duur van twee jaar, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,- voor iedere dag dat Kerckebosch na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft aan het arrest te voldoen, subsidiair het primair gevorderde zal toewijzen onder daaraan door het hof of partijen in goed overleg te verbinden voorwaarden en/of met daarbij door het hof of partijen in goed overleg op te leggen lasten en meer subsidiair een beslissing zal nemen als het hof in goede justitie meent te behoren, met veroordeling van Kerckebosch in de kosten van beide instanties.


1.4 In haar memorie van grieven heeft de gemeente verwezen naar de appèldagvaarding en heeft zij bescheiden in het geding gebracht.


1.5 Daarop heeft Kerckebosch geantwoord, heeft zij van haar kant bescheiden in het geding gebracht, en geconcludeerd, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen en de gemeente zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.


1.6 Ter terechtzitting van 3 november 1999 hebben partijen haar standpunten doen bepleiten. De gemeente heeft haar standpunt doen bepleiten door mr. B.E.J.M. Tomlow, advocaat te Utrecht, en Kerckebosch door mr. R. Stekelenburg, advocaat te Maarssenbroek, beiden aan de hand van nadien overgelegde pleitnotities. Bij die gelegenheid heeft Kerckebosch bewijs aangeboden.


1.7 Ter gelegenheid van de pleidooien hebben de aanwezige vertegenwoordigers van partijen antwoord gegeven op vragen van het hof.


1.8 Ten slotte hebben partijen de stukken van beide instanties - waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd - overgelegd en hebben zij arrest gevraagd.


2. Grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de appèldagvaarding.


3. Feiten

De president heeft in het bestreden vonnis in overweging 2, onder 2.1 tot en met 2.5, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Met grief I en grief II komt de gemeente op tegen de in
2.5 respectievelijk 2.3 genoemde feiten. Die feiten zal het hof niet tot uitgangspunt nemen. Nu omtrent de overige feiten geen geschil bestaat, zal ook het hof van die feiten uitgaan.


4. Beoordeling


4.1 Het gaat in dit geding om het volgende.


4.1.1 Met ingang van 1 januari 1998 heeft de gemeente van Kerckebosch bedrijfsruimte gehuurd aan de Kaatstraat 1-65 in Utrecht. In totaal huurt de gemeente aldaar thans ongeveer 10.000 m2 van het totale pand. Op deze bedrijfsruimte is niet het wettelijk regime van de artikelen
7A:1624 e.v. BW van toepassing.


4.1.2 In het gehuurde is de afdeling Sport en Recreatie, Onderwijs en Cultuur van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting gevestigd. Ter zitting van het hof is naar voren gekomen dat de in het pand gevestigde gemeentelijke instanties mede een loketfunctie hebben, in die zin dat op werkdagen burgers het gehuurde bezoeken.


4.1.3 De gemeente wenst een gedeelte van de gehuurde bedrijfsruimte aan de Kaatstraat voor een periode van twee jaar in gebruik nemen als ruimte ten behoeve van een landelijk medisch-wetenschappelijk experiment heroïneverstrekking aan verslaafden. Het daartoe benodigde te gebruiken oppervlakte van het gehuurde bedraagt ongeveer 3% van de totale aldaar door de gemeente gehuurde oppervlakte.


4.1.4 Met betrekking tot het experiment geldt, zakelijk weergegeven, het volgende:

(a) In september 1997 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingestemd met het besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) een begin te maken met een onderzoek om aan bepaalde drugsverslaafden heroïne op medisch voorschrift te verstrekken onder de voorwaarde dat in de eerste fase van het experiment (de zogenaamde 'pilot') blijkt dat het onderzoek zelf geen overlast veroorzaakt.

(b) Doel van het onderzoek is om te bezien of verstrekking van heroïne in combinatie met methadon een betere medische behandeling is voor langdurige druggebruikers dan methadon alleen.

(c) De minister heeft bij besluit van 19 december 1996 voor de opzet en uitvoering van het onderzoek de Centrale Commissie Behandeling Heroïneverslaafden (CCBH) ingesteld. De CCBH heeft de taak om op basis van uit te voeren wetenschappelijk onderzoek aan de minister te rapporteren over de gewenste en ongewenste effecten van de verstrekking van heroïne.

(d) De eerste fase van het onderzoek, de 'pilot', is in Amsterdam op 6 juli 1998 van start gegaan en in Rotterdam op 3 augustus 1998. Doel van de pilot is, zoals gezegd, om te onderzoeken of het experiment zelf overlast veroorzaakt. In Amsterdam is in het kader van de pilot aan 24 gebruikers heroïne verstrekt, in Rotterdam aan 21 gebruikers. Het CCBH heeft naar aanleiding van de ervaringen in Amsterdam en Rotterdam een voortgangsrapportage opgesteld (productie 1 conclusie van eis in reconventie). De conclusie daarvan luidt:

"(...) dat er geen belemmeringen zijn om het onderzoek uit te breiden naar de beoogde steden en tot de wetenschappelijk noodzakelijk geachte omvang. In verband met de tijdrovende voorbereidingen, dringt de CCBH aan op een snelle besluitvorming om vertraging in de uitvoering van het onderzoek te voorkomen."

(e) De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft op 3 februari 1999 besloten dat het onderzoek door mag gaan en wordt uitgebreid naar Den Haag, Heerlen/Maastricht, Groningen en Utrecht.

(f) De gemeente is bereid mee te werken aan de uitvoering van het onderzoek.

(g) Op 22 december 1998 heeft de gemeente, vooruitlopend op de landelijke besluitvorming, met de minister een overeenkomst gesloten getiteld 'Convenant tot uitvoering van heroïne
verstrekkingsexperiment', dat in werking treedt met ingang van de dag na ondertekening en eindigt 18 maanden na aanvang van de daadwerkelijke verstrekking van de onderzoeksmedicatie (artikel
14)(productie 2 conclusie van eis).

(h) Overleg tussen de gemeente, de GG&GD, het Openbaar Ministerie, de politie en het Centrum Maliebaan heeft geleid tot de totstandkoming van de (concept) 'Richtlijnen uitvoering landelijk experiment heroïneverstrekking in Utrecht' van 18 november 1998 (productie 3 conclusie van eis)(hierna: de richtlijnen). De richtlijnen zijn een aanvulling op de landelijke richtlijnen van het Openbaar Ministerie en het CCBH.


4.1.5 Die richtlijnen houden, zakelijk samengevat, het volgende in:

(i) Het onderzoek zal 18 maanden gaan duren en zal worden verricht onder drie groepen van 25 personen. De eerste groep krijgt heroïne in combinatie met methadon. De tweede en derde groep krijgen in het eerste halfjaar alleen methadon. De tweede groep begint na een half jaar met de combinatie heroïne-methadon. Het laatste half jaar wordt de verstrekking van heroïne aan de eerste twee groepen gestopt en krijgen zij - in beginsel - alleen nog maar methadon. De derde groep (de controlegroep) krijgt in dat laatste half jaar heroïne in combinatie met methadon (richtlijnen, p. 6, sub 2.1). De heroïne zal drie maal daags op vaste tijden worden verstrekt (naar verwachting van
8.30-10.30, van 13.30-15.30 en van 17.30-20.30 uur). De methadon wordt elders in de stad verstrekt.

(ii) Aan de deelnemers aan het experiment worden eisen gesteld. Zo moet hij of zij onder meer tenminste 25 jaar oud zijn, de Nederlandse nationaliteit hebben of legaal in Nederland verblijven, ten minste drie jaar geregistreerd zijn als inwoner van Utrecht, een vast woonadres hebben en hij of zij mag geen ernstige psychiatrische of psychosociale problemen hebben, noch een andere verslaving die de heroïneverslaving domineert (richtlijnen, p. 6 onder 2.2). Hiermee wordt beoogd deelnemers te selecteren die in staat zijn de nodige structuur aan hun leven te geven en ten aanzien van wie het mogelijk moet zijn om daarmee tot goede afspraken te komen (richtlijnen, p. 7, sub 2.3). In de richtlijnen wordt de verwachting uitgesproken dat aldus, in combinatie met een strikt sanctiebeleid, overlast in de omgeving van de voorziening kan worden voorkomen.

(iii) De richtlijnen houden voorts regels in met betrekking tot de volgende aandachtsgebieden: - de wijze van heroïneverstrekking; - veiligheid van het personeel; - criminaliteit; - locatie; - monitoring verandering van overlast en criminaliteitsbeeld; - inrichting van het pand.

(iv) Onder het hoofd 'criminaliteit' staat onder meer vermeld dat het volgende dient te gebeuren: - afspraken met de politie en overige toezichthouders omtrent het regelmatig surveilleren in de buurt van de behandeleenheid; - gerichte controle op in de buurt van de behandeleenheid rondhangende dealers; - gerichte controle op in de buurt van de behandeleenheid rondhangende gebruikers, met name op diegenen die niet aan het experiment deelnemen; - een gescheiden in- en (na verstrekking en gebruik) uitgang voor de deelnemende gebruikers; - aanwijzen van een contactpunt waaraan klachten kunnen worden doorgegeven, waarna actie wordt ondernomen; - instelling van een speciale begeleidingscommissie, waarin onder andere vertegenwoordigers zitting nemen vanuit de gemeente, het openbaar ministerie, de politie, de bewoners in de buurt van de behandeleenheid en de hulpverleningsinstellingen. De afspraken die de begeleidingscommissie maakt worden vastgelegd in een convenant; - aanwijzing van een lokaal meldpunt, waar meldingen gedeponeerd kunnen worden op het gebied van openbare orde, criminaliteit en veiligheid. In het meldpunt is expertise aanwezig om de meldingen naar aard en ernst te beoordelen. Er is tevens kennis beschikbaar betreffende de openbare orde en veiligheid in en rond de behandeleenheid; - bekendheid vooraf van het criminaliteitsbeeld van de betreffende buurt, over een aantal aan het experiment voorafgaande perioden.

(v) Onder het hoofd 'deelnemers' staat in de richtlijnen onder meer vermeld: - controle op crimineel gedrag; - afspraken met deelnemers over behandeling op vaste tijden; - deelnemers wachten in de wachtkamer van de behandeleenheid en niet op straat; - deelnemers mogen zich, zowel binnen als buiten de openingstijden, niet ophouden binnen een straal van 200 meter rondom de behandeleenheid; - er moet een speciaal sanctiebeleid worden ontwikkeld ten aanzien van deelnemers die overlast veroorzaken.

(vi) Ten aanzien van het laatstgenoemde punt heeft de gemeente aangegeven dat met de deelnemers een overeenkomst wordt gesloten. Daarin zal (onder meer) worden vastgelegd dat de deelnemer niet in de directe omgeving van het pand mag rondhangen, dat hij alleen tijdens de openingstijden het pand mag bezoeken en dergelijke en dat overtreding van de afspraken kan leiden tot uitsluiting van het experiment.

(vii) Tenslotte is de gemeente voornemens om, tezamen met de politie, met de omwonenden een 'convenant' te sluiten waarin de met de buurt gemaakte afspraken worden opgenomen en waarin wordt overeengekomen dat bij onduldbare overlast veroorzaakt door het onderzoek, het onderzoek wordt gestopt.


4.1.6 De huurovereenkomst houdt, voor zover van belang, de navolgende bepalingen in:

"1.2 Het gehuurde mag uitsluitend worden gebruikt als kantoor en aanverwante administratieve dienstverlening c.q. parkeergelegenheid/ fietsenstalling.


1.3 Het is huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in 1.2."


4.1.7 Kerckebosch weigert om de gemeente desverzocht de ingevolge artikel 1.3 van de huurovereenkomst voor een bestemmingswijziging vereiste schriftelijke toestemming te geven.


4.2 In eerste aanleg heeft Kerckebosch in conventie, op straffe van verbeurte van een dwangsom, gevorderd, kort gezegd, dat het de gemeente verboden zal worden een deel van de gehuurde bedrijfsruimte aan de Kaatstraat te gebruiken ten behoeve van het experiment heroïneverstrekking. In reconventie heeft de gemeente, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en eventueel onder nader te bepalen voorwaarden, gevorderd, kort gezegd, Kerckebosch te veroordelen te gehengen en te gedogen dat de gemeente een deel van de bedrijfsruimte aan de Kaatstraat gebruikt ten behoeve van genoemd experiment. De president heeft, zakelijk weergegeven, de vordering van Kerckebosch in conventie toegewezen en die van de gemeente in reconventie afgewezen.


4.3 Hiertegen richt zich het hoger beroep van de gemeente.


4.4 De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.


4.5 De tussen partijen overeengekomen bestemming van het gehuurde is - voor zover van belang - kantoor en andere administratieve dienstverlening. De door de gemeente gewenste bestemming van een gedeelte van het gehuurde voor een periode van twee jaar is het gebruik ten behoeve van een medisch-wetenschappelijk experiment waarbij heroïne wordt verstrekt aan verslaafden.


4.6 Het hof zal bezien of - wat de kern van het geschil is - het aannemelijk is dat de bodemrechter de weigering van Kerckebosch om de gemeente schriftelijk toestemming te verlenen om een gedeelte van het gehuurde voor een bepaalde periode de gewenste bestemming te geven - hetgeen, naar Kerckebosch stelt, een andere bestemming is dan is overeengekomen -, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal oordelen (artikel 6:248 lid 2 BW).


4.7 Aangenomen dat voor de door de gemeente beoogde bestemming van een deel van het pand toestemming van Kerckebosch nodig is - hetgeen de gemeente overigens gemotiveerd heeft betwist met de redenering dat het experiment als 'dienstverlening' kan worden aangemerkt - moet worden vooropgesteld dat een verhuurder, als Kerckebosch, niet spoedig naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar handelt door te weigeren een huurder, als de gemeente, toestemming te geven om een uitdrukkelijk overeengekomen gebruiksbestemming van het gehuurde te wijzigen. Het beginsel van de contractuele gebondenheid brengt dat reeds met zich. Niettemin zijn huurder en verhuurder gehouden zich jegens elkaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te gedragen. Of de weigering van Kerkebosch om de gemeente toestemming te verlenen tot bestemmingswijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval.


4.8 Het hof betrekt in deze toets de volgende omstandigheden.


4.9.1 Kerckebosch, als wederpartij van de gemeente, moet er redelijkerwijs rechtens op bedacht zijn dat ook in haar vermogensrechtelijke rechtsverhouding met de overheid publieke belangen in aanmerking moeten worden genomen. Onder omstandigheden kan een voldoende zwaarwegend algemeen belang met zich brengen dat Kerckebosch gedragingen van de gemeente ter uitvoering van dat publieke belang, die strijdig zijn met haar oorspronkelijke jegens de wederpartij bestaande verbintenissen, moet dulden. Waar het om een overeenkomst met een overheidslichaam gaat, kan en dient de wederpartij daar reeds bij het aangaan van de overeenkomst rekening mee te houden. Niet is gesteld of gebleken dat Kerckebosch als professionele verhuurder daarmee geen rekening behoefde te houden.


4.9.2 In het onderhavige geding heeft de gemeente gesteld, hetgeen Kerckebosch niet voldoende gemotiveerd heeft bestreden, dat zij een zwaarwegend publiek belang heeft bij een wijziging van de bestemming van het gehuurde. De gemeente wenst tijdelijk een gedeelte van het gehuurde te gebruiken om deel te nemen aan een landelijk medisch-wetenschappelijk experiment om heroïne te verstrekken aan verslaafden. De resultaten van dit landelijke onderzoek zullen naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren aan de behandeling van (hard)drugsverslaafden met als doel de problemen die gepaard gaat met het gebruik van harddrugs tegen te gaan of te beperken.


4.10 Aannemelijk is dat de door de gemeente beoogde bestemmingswijziging in zijn feitelijke uitwerking een relatief beperkte verandering van de overeengekomen bestemming met zich brengt.


4.10.1 De huidige bestemming is kantoorruimte en administratieve dienstverlening. De gemeente heeft zonder bezwaar van Kerckebosch in het pand een gemeentelijke dienst gevestigd met een loketfunctie. Op werkdagen zorgt die dienst, naar bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep naar voren is gekomen, reeds voor een toestroom van publiek. Het beoogde nieuwe gebruik van een deel van het gehuurde ligt in belangrijke mate in het verlengde van deze publieksfunctie en zal, naar voorshands aannemelijk is, een relatief beperkte extra toeloop naar het gehuurde tot gevolg hebben. Uit 4.1.5 onder (i) kan worden afgeleid, hetgeen Kerkebosch onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, dat, indien het experiment doorgang vindt, in het eerste half jaar (telkens ten hoogste) 25 personen, in het tweede half jaar 50 personen en in het derde half jaar wederom 25 personen een deel van het gehuurde maximaal drie maal daags zullen bezoeken.


4.10.2 De door de gemeente benodigde oppervlakte voor het experiment bedraagt slechts een zeer klein gedeelte (3%) van de totale oppervlakte van de door de gemeente ter plaatse gehuurde bedrijfsruimte.


4.11 De door de gemeente beoogde bestemmingswijziging is van tijdelijke aard. Het experiment neemt een periode van 18 maanden in beslag. Ter zitting is namens de gemeente uitdrukkelijk toegezegd dat het omstreden voorgenomen gebruik niet langer dan twee jaar zal duren.


4.12 Een verhuurder kan onder omstandigheden de plicht hebben om zich de belangen van anderen (waaronder in het bijzonder die van zijn overige huurders) aan te trekken, in die zin dat hij gehouden kan zijn te voorkomen dat een huurder anderen overlast bezorgt. Voorshands is - anders dan Kerckebosch stelt - niet aannemelijk dat de beoogde bestemmingswijziging van het gehuurde zal leiden tot zodanige extra overlast of nadeel voor de verhuurder of diens huurders van nabijgelegen woon- of bedrijfsruimte, dat de verhuurder deze, met het oog op de bedoelde belangen, niet behoeft te dulden.


4.12.1 Dat berust op het volgende. In de eerste plaats gaat het - zoals uit 4.10.1 volgt - om een relatief beperkte extra toeloop van personen. In de tweede plaats bergen de zorgvuldig opgestelde richtlijnen, de selectiecriteria ten aanzien van de deelnemers alsmede de met de deelnemers en met de omwonenden te maken afspraken voldoende waarborgen in zich om voorshands aannemelijk te achten dat de deelnemers zich drie maal daags direct naar het desbetreffende deel van het gehuurde zullen begeven om heroïne verstrekt te krijgen en aldaar in het pand te gebruiken en dat zij zich daarvoor of daarna niet in de buurt zullen ophouden. Niet-naleving van deze voorschriften zal bovendien voor de deelnemers - op grond van hun overeenkomst met de gemeente - uitsluiting van verdere deelname kunnen betekenen en voor de gemeente - op grond van het beoogde met de buurt te sluiten convenant - stopzetting van het experiment met zich kunnen brengen. Hierbij verdient ook vermelding dat, zoals ter terechtzitting van het hof naar voren is gekomen, zich ook thans in de buurt drugsverslaafden bevinden die bij tijd en wijle overlast veroorzaken. Voorts blijkt uit de in Amsterdam en Rotterdam uitgevoerde pilot van het experiment dat wezenlijke extra overlast door uitvoering van het experiment voor de buurt niet is te verwachten. Kerckebosch wijst op de Rapportage Landelijke Commissie Beheersaspecten waarin vier incidenten van overlast tijdens de pilot worden genoemd. Het betreft blijkens het rapport (bl.z 5 en 6) vier meldingen op een populatie van in totaal
141 deelnemers in een periode van ruim vier maanden (6 juli 1998 tot en met 15 november 1998), die als mild of matig moeten worden geclassificeerd. Voorshands is derhalve niet aannemelijk geworden dat vestiging van het verstrekkingspunt in een deel van het gehuurde de normale maatschappelijke overlast, die in een grote stad als Utrecht door - voor zover van belang - huurders en verhuurder moet worden geduld, te boven gaat.


4.12.2 In deze omstandigheden is daarom niet op voorhand aannemelijk dat de door de omwonenden geuite bezwaren tegen het door de gemeente voorgenomen gebruik van het gehuurde, waarvan blijkt uit de door Kerckebosch overgelegde handtekeningen van haar huurders in de nabijheid van het door de gemeente gehuurde, kunnen leiden tot aansprakelijkheid van Kerckebosch jegens die omwonenden (onder wie haar overige huurders). Evenmin is voorshands aannemelijk dat het andere huurders zonder meer rechtens zal zijn toegestaan om Kerckebosch de huur op te zeggen als gevolg van het feit dat in het gehuurde het door de gemeente beoogde experiment zal plaatsvinden.


4.12.3 Kerckebosch heeft zich voorts beroepen op door haar te lijden schade als gevolg van aantasting van haar overige investerings- en beleggingsbelangen, alsmede op haar te lijden imago-schade. De gemeente heeft deze schaden gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof heeft Kerckebosch, op wier weg zulks ligt, voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt dat en waarom de vrees voor dergelijke schade reëel is. Daaraan doet niet af dat een zakelijke huurder haar reeds aansprakelijk heeft gesteld voor (mogelijk) te lijden schade. Voor zover Kerckebosch heeft beoogd te stellen dat haar betrouwbaarheid als verhuurder om te waken voor belangen van andere huurders door de door de gemeente beoogde bestemming van het gehuurde in het gedrang komt, komt daaraan onvoldoende gewicht toe. De te verwachten extra overlast overstijgt immers niet hetgeen in de buurt redelijkerwijs moet worden geduld en, indien de door de gemeente gewenste bestemming wordt toegestaan, kan Kerckebosch zich jegens de huurders er op beroepen dat zij daartoe niet vrijwillig is overgegaan, maar eerst na een (onherroepelijke) rechterlijke uitspraak.


4.13 De gemeente heeft zich ter zitting van het hof, evenals in eerste aanleg, uitdrukkelijk bereid verklaard om in geval van overlast het experiment onmiddellijk stop te zetten. De gemeente heeft eveneens toegezegd alle eventueel door Kerckebosch te lijden schade (onder meer door leegstand) die het redelijk gevolg is van de vestiging van het experiment in het gehuurde voor haar rekening te nemen.


4.14.1 Kerckebosch heeft zich er voorts op beroepen dat de gemeente is gehouden om eerst te trachten het experiment te doen plaatsvinden in het door haar reeds (ten behoeve daarvan) gehuurde pand aan de Lange Smeestraat en dat zij verplicht is daartoe de benodigde bestuursrechtelijke procedures te volgen.


4.14.2 Dat beroep gaat niet op. Behoudens bijzondere omstandigheden, die door Kerckebosch niet zijn gesteld en waarvan ook niet is gebleken, staat het de gemeente vrij om als locatie voor het experiment de Kaatstraat te kiezen in plaats van de Lange Smeestraat. Zij mag daarbij, anders dan Kerckebosch stelt, rekening houden met politieke belangen en/of de felle protesten van bewoners van de Lange Smeestraat en in haar overwegingen betrekken dat de gemeente het pand in de Kaatstraat meer geschikt acht dan dat in de Lange Smeestraat. In verband met dit laatste heeft de gemeente gesteld, hetgeen Kerckebosch onvoldoende heeft betwist, dat het experiment in de Kaatstraat minder zal domineren dan in de Lange Smeestraat, omdat in de Kaatstraat meer verkeer aanwezig is alsmede grootschaliger en bedrijfsmatiger bebouwing. Kerckebosch heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gemeente in redelijkheid niet van oordeel heeft kunnen zijn dat het experiment in de Kaatstraat dient plaats te vinden.


4.15 Voorts heeft Kerckebosch gesteld dat het beoogde gebruik van het gehuurde door de gemeente niet rechtmatig zal kunnen plaatsvinden, omdat het in strijd is met het vigerende bestemmingsplan (Stadsvernieuwingsplan Pijlsweerd). De gemeente heeft dat gemotiveerd betwist. Zij wijst er op dat dat bestemmingsplan gebruik toestaat ten behoeve van 'maatschappelijke doeleinden'. Kerckebosch heeft op haar beurt betwist dat het beoogde experiment onder die bestemming valt. Voorshands is echter niet aannemelijk dat, gelet op het onmiskenbaar maatschappelijke doel van het experiment, de bestuursrechter van oordeel zal zijn dat het door de gemeente beoogde gebruik van het gehuurde op grond van het bestaande bestemmingsplan thans niet is toegelaten, noch - na bijvoorbeeld een te verlenen vrijstelling daartoe - nimmer zal mogen plaatsvinden.


4.16 Kerckebosch heeft aangevoerd dat de handelwijze van de gemeente, in het bijzonder door Kerckebosch ertoe te dwingen een kort geding te voeren, in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat betoog gaat niet op. De gemeente handelt niet reeds onzorgvuldig door het te laten aankomen op een gerechtelijke procedure, nu partijen buiten rechte geen overeenstemming hebben bereikt.


4.17 De vorenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband bezien brengen met zich dat aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat Kerckebosch naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar handelt door de gemeente toestemming te weigeren voor het door de gemeente beoogde tijdelijke gebruik van een gedeelte van het gehuurde.


4.18 Hetgeen Kerckebosch overigens nog heeft aangevoerd brengt in het vorenstaande geen verandering. Voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats.


4.19 Uit het vorenstaande volgt dat de grieven doel treffen en dat de door de gemeente in reconventie primair gevorderde voorziening als overigens niet (gemotiveerd) bestreden zal worden toegewezen als in het dictum nader zal worden omschreven.


5. Slotsom


5.1 De grieven treffen doel. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Kerckebosch zal op straffe van verbeurte van een dwangsom worden bevolen om voor een periode van twee jaar het door de gemeente beoogde gebruik van het gedeelte van het gehuurde te gehengen en te gedogen alsmede om voor die periode de daartoe aan te brengen bouwkundige voorzieningen toe te staan, een en ander zoals nader omschreven in het dictum.


5.2 Kerckebosch zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de gemeente in beide instanties.


6. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, zo in conventie als in reconventie gewezen;

en opnieuw rechtdoende:

in conventie

wijst het door Kerckebosch gevorderde af;

in reconventie

veroordeelt Kerckebosch te gehengen en gedogen dat de gemeente het ten processe bedoelde gedeelte van het gehuurde, gelegen aan de Kaatstraat te Utrecht, zoals weergegeven op de als productie 20 bij conclusie van eis in het geding gebrachte tekening, gebruikt voor het ten processe bedoelde experiment voor een periode van twee jaar vanaf het moment van de eerste verstrekking van heroïne aan een deelnemer daarvan, alsmede dat de gemeente voor die periode de daarvoor noodzakelijke bouwkundige aanpassingen van de inrichting van het bedoelde gedeelte van het gehuurde, zoals weergegeven in de zojuist genoemde productie
20, verricht;

veroordeelt Kerckebosch tot betaling van een dwangsom van ƒ
5.000,- voor iedere dag dat Kerckebosch, na betekening van het in deze te wijzen arrest, in gebreke blijft geheel of gedeeltelijk aan de vorenstaande veroordeling te voldoen;

veroordeelt Kerckebosch in de proceskosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van appellant tot op heden begroot op ƒ in eerste aanleg en ƒ in hoger beroep;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schendel, Frijda en Tjittes en in het openbaar uitgesproken op 18 november 1999.

Deel: ' Arrest zaak gemeente Utrecht v.s. Kerckebosch '




Lees ook