21501006.037 vao verslag onderwijsraad 7 juni 1999 Gemaakt: 14-12-1999 tijd: 14:27 RTF

21501-06 Onderwijsraad

Nr. 37 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 december 1999

De algemene commissie voor Europese Zaken<1> en de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen<2> hebben op 25 november 1999 overleg gevoerd met minister Hermans van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over:

- het verslag van de Onderwijsraad van 7 juni 1999 (21501-6, nr. 34);

- het verslag van de informele Onderwijsraad van 24 en 25 september 1999 te Tampere;

- de agenda voor de Onderwijsraad van 26 november 1999;

- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 23 juli 1999 inzake de voortgang van de initiatieven Stimulating language learning, Safety at school en Quality evaluation in school education (21501-6, nr. 33).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Dijksma (PvdA) vond het belangrijk om in de Europese Onderwijsraad verdergaande afspraken te maken over de erkenning van diploma's, de uitwisseling van studenten en een gezamenlijke strategie om de aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren. Uit de stukken blijkt niet goed of deze onderwerpen in de Raad ter sprake komen op een manier die kansen biedt. Er is in het verslag van de Onderwijsraad van 7 juni jl. sprake van een werkgelegenheidspact, in welk verband interessante opmerkingen over alfabetisering en het leerlingwezen worden gemaakt. Kan de minister hieruit lessen trekken voor bijvoorbeeld het Nederlandse beleid? Verder schijnt de Europese Commissie voorstellen te willen indienen over de mobiliteit van leraren en opleiders. Kan dit consequenties hebben voor het tekort aan leraren in Nederland?

Ook de kwaliteitszorg, besproken in de informele Onderwijsraad van 24 en 25 september jl., is een belangrijk onderwerp in de discussie over het Nederlandse onderwijs. Nederland heeft in deze informele raad een systeem bepleit waarbij instellingen zelf evaluaties uitvoeren, terwijl de overheid als toezichthouder fungeert. Hoe hebben de andere deelnemers zich in deze discussie opgesteld en welke conclusie is eruit getrokken?

Er zal in de Onderwijsraad van aanstaande vrijdag gesproken worden over de tweede fase van het EU-programma Socrates en de nieuwe werkwijze bij de Europese samenwerking op het gebied van onderwijs. Wat gaat Nederland daarbij precies voorstellen? Verder gaat het om permanente opleiding in de informatiemaatschappij en er zal ook gesproken worden over het Europese jaar voor de talen, 2001. Wat Socrates betreft heeft Nederland bij de onderhandelingen gewezen op het belang van voldoende financiële ruimte voor onvoorziene omstandigheden en nieuwe programma's. Waar denkt de minister hierbij aan? In verband met het Europese jaar voor de talen denkt men aan het vroegtijdig leren van vreemde talen en aan het onderwijs van andere vakken in een vreemde taal. Wat betekent dit voor het Nederlandse basisonderwijs?

Ten slotte vroeg mevrouw Dijksma in hoeverre de ervaring met de initiatieven, genoemd in de brief van de staatssecretaris in Nederland bruikbaar is.

De heer Cherribi (VVD) was er dankbaar voor dat de minister de twee onderwerpen op zijn agenda heeft gezet die voor de VVD het belangrijkste zijn, namelijk ICT en het beleid inzake leraren. Hij was het er ook mee eens dat de minister bij de tweede fase van Socrates pleit voor een evenwicht tussen financiële verantwoording en het vereenvoudigen van procedures. Waarom is er nog geen overeenstemming over het budget van dit programma bereikt? En kan de minister een overzicht verschaffen van de mobiliteit van studenten en leraren binnen Europa?

Verder vond de heer Cherribi dat instemming van Nederland met het streven naar bevordering van meertaligheid in beroepsopleidingen consequenties zal moeten hebben voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld door meer lesuren aan taalonderwijs in het MBO te besteden.

Naar aanleiding van het Europese jaar voor de talen drong de heer Cherribi erop aan het Nederlands in Europa beter zichtbaar te maken, vooral met het oog op de mobiliteit in de grensgebieden. In verband met de mobiliteit vroeg hij ook Engelstalige cursussen in de onderwijsgidsen op te nemen. En hoeveel Nederlandse studenten volgen een stage in het buitenland, een "Europese stage"? Ten slotte vroeg de heer Cherribi zich naar aanleiding van opmerkingen uit het veld nog af of de vertaling in het Engels van "voortijdig schoolverlaten" als "early school leaving" wel juist is.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA) vond het goed dat er in het verslag van de Onderwijsraad een lijst met best practices was opgenomen, opdat men van elkaars ervaring kan leren, maar zij voorzag problemen met het subsidiariteitsbeginsel als deze het beleid zouden bepalen. Wordt dit in ieder geval goed in de gaten gehouden?

Naar aanleiding van het verslag van de informele Onderwijsraad zag mevrouw Van der Hoeven op het punt van het bevorderen van de mobiliteit mogelijkheden om Belgische leraren in het Nederlandse onderwijs aan de slag te laten gaan. Verder zei zij in aanvulling op een opmerking van mevrouw Dijksma dat instellingen weliswaar zelf evaluaties uitvoeren, maar dat er voor deze evaluaties wel een kader is waarbij een deel ervan extern beoordeeld wordt. Het leek haar wezenlijk deze informatie door te geven aan de Onderwijsraad, opdat niet de indruk ontstaat dat instellingen zichzelf zouden kunnen beoordelen.

Volgens de aanbiedingsbrief bij de agenda voor de aanstaande Onderwijsraad moest het definitieve Nederlandse standpunt nog in de ministerraad besproken worden. Heeft dit nog tot veranderingen geleid? Het leek mevrouw Van der Hoeven overigens lastig om met een "rollende" agenda de beslismomenten aan te geven. Zij vond het dienstig, de flexibele stappen te voorzien van beslismomenten, opdat de Kamer zo nodig nog voor die momenten over allerlei onderwerpen zou kunnen praten. Wat houdt het genoemde openbare debat over het thema van nieuwe wetgevende initiatieven van de Europese Commissie op het gebied van onderwijs in?

Wat gaat de minister doen om in Nederland invulling te geven aan het Europese jaar van de talen? Het leek mevrouw Van der Hoeven goed om hierbij nauw samen te werken met Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Wallonië, opdat zowel het Duits als het Frans aan bod zal komen. Hoe ver zijn de experimenten met drietalig onderwijs, onder andere in Eupen? Ook de andere initiatieven in het grensgebied leken haar van belang om het Europese jaar van de talen een zetje te geven.

Mevrouw van der Hoeven was het eens met de regionale inkleuring van de regionale opleidingscentra, maar als deze niet voldoende terug te vinden is in de nationale waarde van een diploma, zal het nog veel moeilijker worden om de internationale waarde daarvan en daarmee de mobiliteit te bevorderen. Hoe verhoudt dit zich tot de wetgevingsinitiatieven van de Europese Commissie om de hindernissen voor mobiliteit weg te nemen? Er zijn twee Europese richtlijnen voor het erkennen van diploma's; wanneer worden deze geëvalueerd? Er zijn nog heel wat belemmeringen.

Ten slotte vroeg mevrouw Van der Hoeven nog aandacht voor de Europese scholen. Wat gaat Nederland op dit punt doen?

Het antwoord van de regering

De minister wees erop dat de onderwijssystemen in de Europese landen grote verschillen vertonen. Er is nu met moeite een intentieverklaring van 29 landen, de verklaring van Bologna, over de structuur van het hoger onderwijs en de mobiliteit van studenten en docenten in het hoger onderwijs totstandgekomen. Als er bepaald was dat de Europese Commissie hierbij een specifieke rol zou moeten spelen, zou Engeland de verklaring absoluut afgewezen hebben. Er is dus zeker nog geen sprake van een uitgekristalliseerd Europees model dat nagestreefd zou kunnen worden. Er komt een evaluatie van het onderzoek naar de mogelijkheden van het erkennen van diploma's, maar de minister verwachtte op dit punt geen enorme vooruitgang, omdat vrijwel alle landen hun eigen systeem nog steeds als het allerbeste zien en op onderwijsgebied nadrukkelijk een eigen rol opeisen voor hun eigen regering. Daarom had de minister in Tampere het initiatief genomen om met een "rolling agenda" te gaan werken om onderwerpen telkens weer op de agenda te kunnen zetten en uiteindelijk via besluitvormingsmomenten een stapje verder te kunnen komen. Hij zou de Kamer van die momenten op de hoogte houden, als ze zich tenminste zullen voordoen.

Bij de kernpunten die Nederland naar voren heeft gebracht, namelijk ICT in het onderwijs en het beleid inzake leraren, doen zich in heel Europa twee problemen voor. Nederland loopt op het gebied van ICT in het onderwijs vrijwel voorop. Er worden vele initiatieven genomen in Europa, maar niet op de schaal en op de manier van die in Nederland. De Nederlandse aanpak geniet dan ook grote interesse, maar de minister zag het nog niet zo gauw komen tot een voorstel van de Europese Commissie terzake. Er zijn wel bilaterale contacten met Duitsland en België die tot goed uitvoerbare initiatieven kunnen leiden om de mobiliteit van leraren te bevorderen, maar deze zaken komen niet specifiek in de Europese Onderwijsraad aan de orde, terwijl het aantal leraren toch in vrijwel alle Europese landen afneemt. De minister was het van harte met mevrouw Dijksma eens dat de mobiliteit van leraren in een specifiek vak zoveel mogelijk bevorderd zou kunnen worden, als er in het ene land te veel zijn en in het andere te weinig. Hij steunde initiatieven op dit punt ook al, maar hij waarschuwde wel voor de reciprociteit dat men in Duitsland probeert om Nederlandse leraren aan te trekken. Hij zegde toe dat hij het verslag van de monitoring van de mobiliteit van studenten en docenten, dat in december zal verschijnen, aan de Kamer zal toesturen.

In verband met Socrates hebben de Europese ministers in de afgelopen weken enorm veel onderling contact gehad om te bepalen wat er op dit terrein gedaan moet worden. Het Europees Parlement wilde hiervoor 2500 mln. euro beschikbaar stellen en inmiddels is bekend geworden dat het 1850 mln. euro geworden is, terwijl het aanvankelijk volgens het gemeenschappelijke standpunt van Raad en Commissie van december 1998 maar 1550 mln. euro was. Nu is het zaak dit programma in Nederland zo goed mogelijk in te vullen.

De minister zegde toe dat hij in het voorjaar van 2000 initiatieven zal presenteren in verband met het Europese jaar van de talen, opdat er nog ruim de tijd zal zijn om deze met de Kamer te bespreken. Hij wilde de zaak fors aanpakken, ook in samenwerking met het bedrijfsleven. Er zal ook in de Onderwijsraad over gesproken worden, om ideeën te kunnen uitwisselen. Hij was daarnaast zeer geïnteresseerd in de initiatieven van de Beneluxraad op dit vlak.

Alleen met gelijke kwaliteitszorg zal vergelijkbaarheid van diploma's en uitwisselbaarheid daarvan mogelijk zijn, maar er blijken in Europa enorme verschillen in aansturing van het onderwijs te zijn. In Frankrijk wordt het hoger onderwijs bijvoorbeeld volledig centraal aangestuurd, in Nederland zou dit systeem volstrekt ondenkbaar zijn. De minister zou zijn Franse collega dus al duidelijk moeten zien te maken dat de minister van onderwijs, ondanks de autonome positie van de universiteiten, met het systeem van visitatiecommissies, waarvan het werk mede beoordeeld wordt door de inspectie en de minister, toch een kwalificatie kan geven. Ook Engeland en Italië hebben een sterk afwijkend hogeronderwijssysteem, maar er zijn ook landen met een systeem dat meer op het Nederlandse lijkt. De minister zag ook niets in een Europees orgaan dat de waarde en uitwisselbaarheid van diploma's zou moeten beoordelen, omdat het geheel dan niet te hanteren zou zijn en de minister van Onderwijs te ver verwijderd zou raken van zijn verantwoordelijkheid voor het hoger onderwijs. Hij zag dan ook slechts mogelijkheden om stapje voor stapje verder te komen op dit terrein, vooral bilateraal.

Ook de opbouw van het Nederlandse systeem van beroepsopleidingen verschilt wezenlijk van dat van andere landen. In de nota over internationalisering van het beleid zijn wel initiatieven vermeld om vanuit Nederlandse ROC's bijvoorbeeld in Duitsland een opleiding te volgen.

De Engelstalige opleidingen in Nederland zijn niet specifiek vermeld in de studiegids voor het hoger onderwijs, maar wel in de NUFFIC-gids. Het komt steeds meer voor dat colleges in de aanloop naar het doctoraal examen in het Engels worden gegeven.

De minister ontkende dat de vertaling in het Engels van voortijdig schoolverlaten onjuist zou zijn. Hij zei in dit verband dat er nergens in Europa eenzelfde systeem met ROC's en educatie is als in Nederland. Het zou al een heel eind in de goede richting gaan als er met Duitsland en België op dit punt akkoorden konden worden gesloten.

Verder gaf de minister aan dat er in die zin in Brussel in de Europese ministerraad een openbaar debat zal plaatsvinden geregistreerd met videocamera's. Hij waarschuwde wel voor te hoge verwachtingen, omdat zulke discussies vaak oeverloos zijn en omdat er meestal weinig lijn in zit. Na dit openbare deel gaat de discussie overigens weer besloten verder. Overigens is het geen nieuw fenomeen; het is bij elk voorzitterschap wel een keer gebeurd. De minister was bereid, te bevorderen dat hierbij ook gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden die internet biedt.

Ten slotte antwoordde de minister dat hij had aangedrongen op spoedige afronding van het advies van de raad van bestuur van de Europese scholen. Hij verwachtte het resultaat daarvan binnenkort en hij zal het regeringsstandpunt terzake aan de Kamer toesturen.

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Patijn

De voorzitter van de vaste commissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Van der Hoeven

De griffier van de vaste commissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Mattijssen

1 Samenstelling:

Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Patijn (VVD), voorzitter, Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Van Baalen (VVD)

Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Voorhoeve (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Verbugt (VVD), Balkenende (CDA), Mosterd (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Crone (PvdA), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Örgü (VVD), Gortzak (PvdA)

2 Samenstelling:

Leden: Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), De Vries (VVD), Dijksma (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter, Passtoors (VVD), Van Bommel (SP), Belinfante (PvdA), Kortram (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Hamer (PvdA), Nicolaï (VVD), Barth (PvdA), Halsema (GroenLinks), Örgü (VVD), Wijn (CDA), Eurlings (CDA)

Plv. leden: Stellingwerf (RPF), Schimmel (D66), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Van Baalen (VVD), Valk (PvdA), De Cloe (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Poppe (SP), Gortzak (PvdA), Middel (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Spoelman (PvdA), Brood (VVD), Arib (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Verhagen (CDA), Visser-van Doorn (CDA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Beknopt verslag Onderwijsraad '




Lees ook