Ministerie van Financien

Titel: Belastingherziening 2001

De voorzitter van de Vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

AFP 2000-00029 M

18 januari 2000

Onderwerp

Belastingherziening 2001; Ondernemerspakket, veegwet en regulier belastingplan 2001


1. Aanleiding

Gisteren heb ik in het overleg met uw commissie over de wetsvoorstellen in het kader van de belastingherziening 2001 een brief toegezegd inzake een aantal nauw met het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 en het wetsvoorstel Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 samenhangende wetsvoorstellen die nog dit jaar ter behandeling naar het parlement worden gestuurd. Naast de Aanpassingswet die op dit moment voor advies bij de Raad van State ligt, gaat het hierbij om het wetsvoorstel Ondernemerspakket 21e eeuw, een veegwet belastingherziening 2001 waarin onder meer wetswijzigingen worden opgenomen die al in het belastingplan 2000 zijn verwerkt, maar door de samenloop met het wetsvoorstel Wet IB 2001 niet in dat wetsvoorstel zijn opgenomen en het reguliere belastingplan 2001.


2. Ondernemerspakket 21e eeuw

Algemeen

Tijdens het overleg van gisteren bleek er nog onduidelijkheid te bestaan over de relatie tussen het Ondernemerspakket 21e eeuw en de wetsvoorstellen Wet IB 2001 en Invoeringswet Wet IB 2001.

Achtergrond en uitwerking Onderrnemerspakket 21e eeuw

Het Ondernemerspakket 21e eeuw is een uitvloeisel van de afspraak in het regeerakkoord dat de belastingen voor het bedrijfsleven in samenhang met de bevindingen van de commissie Oort-II

zullen worden bezien. Deze afspraak is gecombineerd met een andere afspraak in het regeerakkoord, namelijk dat deze kabinetsperiode maatregelen zullen worden getroffen om misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving tegen te gaan die structureel een bedrag van 500 miljoen moeten opbrengen.

De reden om beide afspraken te combineren was dat de onderliggende maatregelen ter invulling van de taakstelling misbruik en oneigenlijk gebruik bijna allemaal in de winstsfeer lagen. Bovendien geldt voor veel van deze maatregelen dat niet precies kan worden becijferd welk deel van de opbrengst van de maatregel samenhangt met misbruik en/of oneigenlijk gebruik. Een voorbeeld daarvan is de afschaffing van de assurantiereserve eigen risico.

Voor de uitwerking van de hiervoor aangegeven afspraken uit het regeerakkoord is in het voorjaar van 1999 een werkgroep in het leven geroepen waarin, naast de ministeries van EZ , LNV en Financiën, ook VNO/NCW, MKB Nederland en LTO Nederland waren vertegenwoordigd. De werkgroep heeft op 25 juni 1999 aan ondergetekende en de staatssecretaris van Economische Zaken het rapport Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw aangeboden.

Het kabinet heeft in de zomer van 1999 ingestemd met het integraal invoeren van de maatregelen die in dit rapport worden voorgesteld. Het rapport Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw is op 29 september 1999, als bijlage bij het wetsvoorstel belastingplan 2000 (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 820, nrs. 1-3) aan de Tweede Kamer aangeboden. Wellicht ten overvloede voeg ik het rapport nogmaals toe.

Deels om beleidsmatige en deels om wetgevingstechnische redenen is een aantal van de maatregelen uit het rapport Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw opgenomen in het wetsvoorstel Wet IB 2001, respectievelijk het belastingplan 2000. De overige maatregelen zullen worden opgenomen in een apart wetsvoorstel dat zo spoedig mogelijk via de Ministerraad voor advies naar de Raad van State zal worden gezonden. In dit wetsvoorstel zal ook de doorwerking van de maatregelen van het Ondernemerspakket 21e eeuw die, als onderdeel van het belastingplan 2000, op 1 januari 2000 al in werking zijn getreden worden geregeld. Het gaat hierbij onder meer om de afschaffing van de assurantiereserve eigen risico. Deze regeling is in de Wet IB 1964 formeel afgeschaft, maar in het wetsvoorstel Wet IB 2001 nog niet. De bedoeling is dat ook de maatregelen opgenomen in het wetsvoorstel Ondernemerspakket 21e eeuw per 1 januari 2001 in werking treden.

Voor een overzicht van de verdeling van de maatregelen die onderdeel uitmaken van het Ondernemerspakket 21e eeuw over de verschillende wetsvoorstellen zij verwezen naar de bijlage bij deze brief. Dit is een actualisering van het overzicht dat is opgenomen in de nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel Wet IB 2000 (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 727, nr. 7, blz. 116 e.v.).

Budgettaire aspecten

Voor de afspraak dat de belastingen van het bedrijfsleven in samenhang met de bevindingen van de commissie Oort-II worden bezien, zijn in het regeerakkoord geen budgettaire middelen gereserveerd. Het uitgangspunt voor de uitvoering van deze afspraak was en is namelijk een budgettair neutrale operatie waarbij het bestaande pakket fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers effectiever, efficiënter en tegen lagere administratieve lasten wordt ge(her)structureerd. Het combineren van deze afspraak met de invulling van de in het regeerakkoord opgenomen budgettaire taakstelling voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving betekent derhalve dat het integrale Ondernemerspakket 21e eeuw structureel een bedrag van 500 miljoen dient op te leveren. Het pakket maatregelen dat in het rapport Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw is voorgesteld voldoet aan deze budgettaire randvoorwaarde (zie de bijlage).

De maatregelen uit het ondernemerspakket die in belastingplan 2000 zijn meegenomen (verlaging Vpb-tarief van 35% naar 30% over winst tot f 50.000,-, verlaging van de kapitaalsbelasting naar 0,9%, afschaffing assurantiereserve eigen risico en reparaties in de ondernemerssfeer) genereren - conform het tijdpad voor de invulling van de taakstelling tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik - een structurele opbrengst van 100 miljoen.

De maatregelen uit het ondernemerspakket die zijn opgenomen in het thans aanhangige wetsvoorstel Wet IB 2001 zijn de aanpassing van de anti misbruik bepaling bij de fiscale begeleiding van aandelenfusie (kosten structureel 10 miljoen), aanpassing van het ondernemersbegrip (opbrengst structureel 50 miljoen), een wijziging in de behandeling van (onder)maatschappen (opbrengst structureel 10 miljoen), het vervallen van de bijzondere tarieven (opbrengst structureel 300 miljoen) en beperking van de stakingsvrijstelling (opbrengst structureel 115 miljoen).

Met het totaal van de maatregelen uit het Ondernemerspakket dat thans is opgenomen in het wetsvoorstel Wet IB 2001 is naar de huidige inzichten derhalve een structurele opbrengst gemoeid van 465 miljoen. Deze opbrengst is volledig geoormerkt voor het thans in voorbereiding zijnde wetsvoorstel Ondernemerspakket dat onder meer voorziet in omvorming van de vervangingsreserve in een herinvesteringsreserve , verruiming van de doorschuifregeling en een verdere verlaging van de kapitaalsbelasting.

De per saldo 100 miljoen opbrengst uit het belastingplan 2000 en de 465 miljoen uit het wetsvoorstel Wet IB 2001, zal - tezamen met de derving en opbrengst van de maatregelen die in het wetsvoorstel Ondernemerspakket worden opgenomen (o.a. de bestrijding van ongewenste handel in verliezen en vervangingsreserves) - uiteindelijk totaal per saldo een structurele budgettaire opbrengst van 500 miljoen moeten opleveren ter invulling van de in het regeerakkoord opgenomen taakstelling tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Het feit dat met het totaal van de maatregelen uit het ondernemerspakket 21e eeuw per saldo een budgettaire opbrengst is gemoeid van 500 miljoen betekent overigens niet dat de lasten van het bedrijfsleven met dat bedrag worden verzwaard. De opbrengst van maatregelen die (mede) beogen misbruik en oneigenlijk gebruik tegen te gaan dienen immers niet als lastenverzwaring voor het bedrijfsleven te worden aangemerkt Het Ondernemerspakket 21e eeuw is voor het bedrijfsleven derhalve per saldo lastenneutraal.

Het Ondernemerspakket 21e eeuw levert voor de invulling van de taakstelling in het regeerakkoord structureel een bedrag op van 500 miljoen. Omdat de opbrengst en derving van maatregelen in de tijd echter niet synchroon lopen met het tijdpad in het regeerakkoord, zullen de kaseffecten temporeel nog binnen de budgettaire kaders van het regeerakkoord moeten worden ingepast. Een belangrijke maatregel die geld oplevert (300 miljoen), maar niet eerder dan 3 jaar na invoering, is het niet meer toestaan van commerciële herwaardering.

Het kabinet zal eind maart, in het licht van het dan voorliggende geactualiseerde budgettaire en lastenbeeld voor 2001 bezien, hoe de nog in te voeren maatregelen van het Ondernemerspakket 21e eeuw worden gefaseerd, zodat deze ook temporeel kunnen worden ingepast binnen de budgettaire kaders van het regeerakkoord. Dat geldt ook voor de in de tweede nota van wijziging voorgestelde (overgangs)regeling voor de stakingsvrijstelling. Voor de goede orde: het gaat hierbij niet om het aangeven van structurele dekking (de maatregel is structureel gedekt), maar om de intertemporele inpassing van het overgangsregime.

Een ander budgettair aspect in het kader van het Ondernemerspakket 21e eeuw is de invulling van de 50 miljoen extra voor verbetering van de positie van zelfstandigen waartoe het kabinet recent heeft besloten. In de tweede nota van wijziging is ervoor gekozen om deze 50 miljoen aan te wenden voor de zelfstandigenaftrek die zonder deze extra 50 miljoen zou zijn verlaagd in verband met de voorgestelde verruiming van de arbeidskorting.

Veegwet belastingherziening 2001

Naast de maatregelen die onderdeel uitmaken van het Ondernemerspakket, zijn er ook nog andere beleidsvoornemens op fiscaal gebied die in wezen niet los kunnen worden gezien van de belastingherziening, maar die om uiteenlopende redenen niet zijn opgenomen in de thans bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstellen. Het betreft onder meer de fiscale begeleiding van zorgverlof. Voorgesteld wordt om deze maatregelen - naar voorbeeld van het ministerie van SZW - op te nemen in een zogenoemde veegwet.

Het reguliere belastingplan 2001

Met de veegwet kan het reguliere belastingplan 2001 in belangrijke mate worden beperkt tot tariefmaatregelen in het licht van het deze zomer voorliggende koopkrachtbeeld 2001. Een belangrijke en noodzakelijke operatie die in het reguliere belastingplan 2001 moet plaatsvinden is de koopkrachtneutrale vertaling van de tarieven, schijflengten en heffingskortingen zoals opgenomen in het wetsvoorstel 2001 (die - noodgedwongen - zijn gebaseerd op het niveau 1999) naar 2001, waarin ook de doorwerking van de koopkrachtmaatregelen in het belastingplan 2000 zal worden meegenomen.

De Staatssecretaris van Financiën,

Bijlage

Budgettair overzicht Ondernemerspakket 21e eeuw (structurele bedragen)

Maatregelen met een budgettaire opbrengst 1.345 miljoen

Maatregelen met een budgettaire derving 845 miljoen

Opbrengst 500 miljoen

Overeenkomstig het regeerakkoord vloeit deze opbrengst van 500 miljoen als taakstelling tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van belastingwetgeving naar de algemene middelen.

Invulling maatregelen met een budgettaire opbrengst (structurele bedragen)

waarvan verwerkt in belastingplan 1999

* provianderingsregeling in de accijnssfeer 20 miljoen

waarvan verwerkt in belastingplan 2000
intermediair afvalstoffenbelasting 5 miljoen
reparaties in de BTW-sfeer 30 miljoen
bestrijding katvangersconstructie 25 miljoen
vervallen assurantiereserve eigen risico 225 miljoen vervallen exportrisicoreserve 5 miljoen

waarvan verwerkt in wetsvoorstel Wet IB 2001
vervallen bijzondere tarieven 300 miljoen
beperken stakingsvrijstelling 115 miljoen
aanpassen ondernemersbegrip 50 miljoen
zelfstandigenaftrek; ondermaatschappen 10 miljoen

waarvan te verwerken in wetsvoorstel Ondernemerspakket 21e eeuw bestrijding ongewenste handel in verliezen 200 miljoen niet meer toestaan commerciële herwaardering 300 miljoen reparatie landbouwvrijstelling 50 miljoen
reparaties in de Vpb-sfeer 10 miljoen

Totaal 1.345 miljoen

Invulling maatregelen met een budgettaire derving (structurele bedragen)

waarvan verwerkt in het belastingplan 2000

* verlaging Vpb-tarief naar 30% over winst tot f 50.000,- 100 miljoen1

* verlaging kapitaalsbelasting naar 0,9% 65 miljoen
* niet doorgaan ombuiging WBSO en investeringsaftrek 100 miljoen2

waarvan verwerkt in het wetsvoorstel Wet IB 2001
* fusie en splitsing: aanpassing n.a.v. Leur-Bloem arrest 10 miljoen

waarvan te verwerken in wetsvoorstel Ondernemerspakket 21e eeuw
* omvorming vervangingsreserve in herinvesteringsreserve 250 miljoen
* verlaging kapitaalsbelasting naar 0,7% 135 miljoen
* verruiming doorschuifregeling 55 miljoen
* verruiming investeringsaftrek 25 miljoen
* herstructurering land- en tuinbouw 50 miljoen
* regeling terugkeer uit de BV 5 miljoen

* venture capital (o.a. regeling t.b.v. zeescheepvaart en filmsector) 50 miljoen

Totaal 845 miljoen


-o-

Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw

Versterking en dynamisering van het ondernemerschap

Den Haag, 25 juni 1999
Inhoudsopgave

1. Inleiding 3


2. Uitgangspunten ondernemerspakket 21e eeuw 5


3. Maatregelen ondernemerspakket 21e eeuw

4. Versterking en dynamisering van het ondernemerschap 6
5. Financiering van het ondernemerspakket 12


6. Conclusie 18

Bijlage 1. Geruisloze doorschuiving onderneming 19

Bijlage 2. Verliescompensatie in de Vpb 21

Bijlage 3. Samenstelling werkgroep Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw 24


1. Inleiding

Op 6 april 1999 heeft de staatssecretaris van Financiën mede op initiatief van de bewindslieden van Economische Zaken en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een werkgroep3 in het leven geroepen voor de nadere uitwerking van een integraal ondernemerspakket 21e eeuw. Deze werkgroep heeft zich - binnen de aangegeven randvoorwaarden - ten doel gesteld maatregelen uit te werken gericht op versterking alsmede verbetering van de concurrentiepositie van de Nederlandse economie. De bouwstenen daarvoor zijn aangedragen door de werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers onder leiding van prof. dr. C.J. Oort4 (in het vervolg aangeduid als de werkgroep Oort-II). De werkgroep Oort-II heeft bekeken of het hele pakket aan fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers mogelijk effectiever, efficiënter en tegen lagere administratieve lasten zou kunnen worden gestructureerd.

De leden van de werkgroep Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw zijn van mening, dat de invoering van het door hen voorgestelde pakket maatregelen in het belang is van continuering, versterking en vooral dynamisering van het ondernemerschap in brede zin. In de binnenkort te verschijnen notitie over dit onderwerp van de staatssecretaris van Economische Zaken wordt benadrukt dat de uitgangspunten voor ondernemerschap in zijn algemeenheid goed zijn - Nederland herwint zijn ondernemingsgeest - maar dat de turbulente economische omgeving in steeds sterkere mate voortdurende verandering en vernieuwing eist. Met het oog hierop stelt de werkgroep voor een aantal maatregelen te treffen die de continuïteit van de onderneming, juist in die turbulente omgeving, ten goede komen.

De werkgroep stelt voor de vervangingsreserve voorzover het gaat om roerende zaken, om te vormen tot een herinvesteringsreserve. Ook de bestaande doorschuiffaciliteit bij overdracht van een onderneming in de inkomstenbelasting wordt uitgebreid. Daarmee wordt voor een belangrijk deel tegemoet gekomen aan de belangrijkste prioriteiten van de werkgroep Oort-II. Daarnaast komen in het voorstel van de werkgroep middelen vrij voor fiscale ondersteuning van de herstructurering van land- en tuinbouw. De werkgroep Fiscale opties bij herstructurering op bedrijfsniveau in de land- en tuinbouw kan zich het beste over de invulling daarvan buigen. Voorts wordt een tariefsverlaging in de sfeer van de vennootschapsbelasting en de kapitaalsbelasting voorgesteld. Zoals in de nota Belastingen in de 21e eeuw: een verkenning is aangegeven, blijkt de kapitaalsbelasting in de praktijk een nadelig effect te hebben op het vestigingsklimaat van Nederland. De werkgroep stelt dan ook voor om 200 miljoen in te zetten in de sfeer van de kapitaalsbelasting. In de ogen van de werkgroep is dit een eerste stap om te komen tot een volledige afschaffing van de kapitaalsbelasting.

De werkgroep is van oordeel dat het pakket maatregelen integraal dient te worden ingevoerd en dat het onwenselijk is hieruit maatregelen te selecteren. Zo kan de voorgestelde beperking van de stakingsvrijstelling alsmede de afschaffing van de bijzondere tarieven niet los worden gezien van de voorgestelde verruiming van de geruisloze doorschuiving van ondernemingen en de in het regeerakkoord opgenomen verlaging van de normale tarieven in de loon- en inkomstenbelasting.


2. Uitgangspunten ondernemerspakket 21e eeuw

Het hierna te presenteren voorstel voor een integraal ondernemerspakket 21e eeuw is een uitvloeisel van de afspraak in het Regeerakkoord dat de belastingen van het bedrijfsleven in samenhang met de bevindingen van de commissie Oort-II zullen worden bezien. Daarbij is tevens de invulling van de taakstelling tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving aan de orde. Voor het kabinet dient het ondernemerspakket in ieder geval aan de volgende voorwaarden te voldoen:

* het pakket dient budgettair neutraal te worden gefinancierd (door beperking of afschaffing van bestaande fiscale regelingen voor het bedrijfsleven alsmede het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving);

* de taakstelling tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving dient te worden gehaald (structureel 500 miljoen vanaf 2002);

* de voorgestelde maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de doelstellingen die met het nieuwe belastingstelsel worden nagestreefd;

* de fasering van de onderscheiden maatregelen moet zodanig zijn, dat de effecten ook temporeel kunnen worden ingepast binnen de budgettaire kaders van het Regeerakkoord.

De werkgroep heeft deze voorwaarden als uitgangspunt gehanteerd bij haar voorstel voor een integraal ondernemerspakket 21e eeuw. Daarnaast heeft zij zo goed mogelijk rekening gehouden met de aangekondigde belastingherziening 21e eeuw.

3 Maatregelen ondernemerspakket 21e eeuw


3.1 Versterking en dynamisering van het ondernemerschap

Het voorgestelde ondernemerspakket 21e eeuw bestaat uit een herkenbaar pakket maatregelen ter versterking van het ondernemerschap in brede zin (zie tabel 3.1) en maatregelen ter financiering (zie tabel 3.2). De opbrengst van de maatregelen ter financiering, verminderd met de taakstelling van

500 miljoen, wordt aangewend ten behoeve van het bedrijfsleven.

Tabel 3.1 Versterking en dynamisering van het ondernemerschap

Maatregel

Budgettair beslag

(x 1 mln.)


1. Verlaging Vpb-tarief van 35% naar 30% over winst tot 50.000,-

1005


2. Omvorming vervangingsreserve in een herinvesteringsreserve

250


3. Aanpassing kapitaalsbelasting

200


4. Verruiming doorschuifregeling

55


5. WBSO

50


6. Investeringsaftrek

75


7. Herstructurering land- en tuinbouw

50


8. Regeling terugkeer uit de BV

5


9. Fusie en splitsing: aanpassing regelgeving n.a.v. Leur-Bloem arrest

10

10. Venture capital

50

Totaal

845

Alle bedragen in dit rapport geven, als rekentechnische veronderstelling, de effecten bij invoering in 1999 weer. Opgemerkt moet worden dat sommige posten het karakter van een stelpost hebben die kunnen worden bijgesteld bij de concrete uitwerking van maatregelen. De werkgroep is van oordeel dat mocht in de structurele situatie blijken dat het saldo van de opbrengst van de maatregelen ter financiering en de aanwending voor maatregelen ter versterking van het ondernemerschap in brede zin meer bedraagt dan de taakstelling van 500 miljoen, dit meerdere dient te worden aangewend

ten behoeve van het bedrijfsleven.

Verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting van 35% naar 30% over winst tot
50.000,-

Voorgesteld wordt het tarief van de vennootschapsbelasting te verlagen van 35% naar 30% over winst tot 50.000,- . Dit komt vooral ten goede aan het midden- en kleinbedrijf en verbetert internationaal de fiscale concurrentiepositie. Zo wordt bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk vanaf 1 april 2000 de winst tot £ 10.000 belast tegen 10% en de winst van £ 10.000 tot £ 50.000 tegen een tarief van 22,5%. Voor het overige geldt daar het gewone tarief van 30%. De werkgroep is van oordeel dat verdere verlaging van het Vpb-tarief over de gehele linie in lijn met internationale ontwikkelingen moet worden nagestreefd. Omvorming vervangingsreserve in een herinvesteringsreserve

Door de werkgroep Oort-II is omvorming van de huidige vervangingsreserve in een herinvesteringsreserve genoemd als één van de (twee) voorstellen met de hoogste prioriteit.

Door invoering van de herinvesteringsreserve zal de flexibiliteit van de ondernemer aanzienlijk worden bevorderd omdat hij makkelijker zijn investeringen kan aanpassen aan gewijzigde marktomstandigheden. Ook wordt het gemakkelijker activiteiten te verleggen. Gegeven de doelstelling van het ondernemerspakket ligt invoering van een herinvesteringsreserve dan ook in de rede. Voorgesteld wordt een herinvesteringsreserve voor bedrijfsmiddelen, uitgezonderd onroerende zaken, met een herinvesteringstermijn van drie jaar in te voeren. Afhankelijk van de budgettaire situatie ten tijde van de invoering van de herinvesteringsreserve kan deze termijn tot 4 jaar worden verlengd. Voor onroerende zaken kan gebruik worden gemaakt van de beperkte mogelijkheden die de zogeheten ruilarresten6 bieden. Kapitaalsbelasting

In de nota Belastingen in de 21e eeuw: een verkenning wordt geconstateerd, dat de kapitaalsbelasting zowel vanuit internationale als nationale optiek eigenlijk niet meer in het Nederlandse belastingstelsel past. Was de kapitaalsbelasting tot 30 jaar geleden een wijd verbreid verschijnsel, thans ondervindt Nederland in Europees verband concurrentie van onder meer de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken die de kapitaalsbelasting hebben afgeschaft. Naast Nederland blijkt nog slechts een klein aantal andere EU-lidstaten waaronder Ierland en Oostenrijk, een kapitaalsbelasting te heffen. Een aantal andere landen kent slechts een beperkt

registratierecht. In dit verband is mede van belang dat de te betalen kapitaalsbelasting in mindering komt op de voor investeringen beschikbare middelen. De kapitaalsbelasting bedraagt 1% over het door bedrijven bijeengebracht kapitaal. In het geval van een miljoenen vergende investering in een nieuwe vestiging of uitbreiding van reeds bestaande activiteiten, kan het hierbij dus om substantiële bedragen gaan.

Voorgesteld wordt binnen het ondernemerspakket 200 miljoen vrij te maken in de sfeer van de kapitaalsbelasting. Een verlaging van de kapitaalsbelasting heeft een positief effect op het (fiscale) vestigingsklimaat. De voorkeur gaat uit naar aftopping van de kapitaalsbelasting, maar de werkgroep ziet onoverkomelijke juridische bezwaren opdoemen op grond van de bestaande richtlijn kapitaalsbelasting. Met het oog op deze richtlijn wordt dan ook voorgesteld de 200 miljoen aan te wenden voor een verlaging van het tarief van de kapitaalsbelasting tot 0,7%.
Geruisloze doorschuiving van een IB-onderneming naar mede-ondernemers

Invoering van een generieke doorschuiffaciliteit voor ondernemingen in de inkomstenbelasting was de tweede prioritaire aanbeveling van de werkgroep Oort-II. Voordeel van een doorschuiffaciliteit is dat de prijs van de onderneming bij overdracht aan derden wordt verlaagd doordat degene die de onderneming verkoopt, niet hoeft af te rekenen over de belastingclaims op stille reserves en fiscale reserves. Invoering van een algehele doorschuiffaciliteit kent echter een aantal inhoudelijke bezwaren7, nog afgezien van het punt dat invoering van zon regeling naast invoering van een herinvesteringsreserve budgettair niet haalbaar is.

Wat wel haalbaar wordt geacht is invoering van een doorschuiffaciliteit voor mede-ondernemers. Dit betekent een aanzienlijke verruiming in de kring van personen ten opzichte van de bestaande doorschuiffaciliteit binnen familieverband8. Uitgangspunt voor de doorschuifregeling naar mede-ondernemers is dat de overnemer gedurende ten minste drie jaar als mede-ondernemer toetreedt. De geruisloze doorschuiving kan ten tijde van de uittreding9 van de overdrager plaatsvinden. De overnemende mede-ondernemer kan een familielid zijn, een werknemer of een willekeurige derde die de onderneming wil overnemen.

Met de invoering van deze regeling is er eigenlijk geen reden meer om een afzonderlijke faciliteit voor doorschuiving binnen de familiekring te handhaven. Een onderscheid tussen beide regelingen zou niet goed te beargumenteren zijn. Daarom wordt voorgesteld om de bestaande regeling te

vervangen door een meer algemene regeling voor doorschuiving naar mede-ondernemers.

Voordeel van deze opzet is dat er sprake is van een begeleide bedrijfsopvolging; door de driejaarstermijn zal kennis niet verloren gaan. De driejaarstermijn voorkomt ook dat een rechtstreekse verkoop van de onderneming wordt gefacilieerd. Denkbaar is dat er zich onvoorziene omstandigheden (bij voorbeeld overlijden van de overdrager) voordoen waardoor niet langer aan de driejaarstermijn kan worden voldaan. Daarvoor zal een regeling worden getroffen. In bijlage 1 wordt meer en detail ingegaan op de voorgestelde uitbreiding van de geruisloze doorschuiving en de achtergronden.

Naar schatting gaat met de invoering van de voorgestelde regeling een derving van 55 miljoen gepaard.
WBSO

Technologische vernieuwing leidt tot een betere concurrentiepositie hetgeen noodzakelijk is voor verdere economische groei. Daarnaast leidt technologische vernieuwing tot hoogwaardige werkgelegenheid. Tevens kan technologische vernieuwing bijdragen aan het oplossen van ecologische vraagstukken zodat een meer duurzame economische groei resulteert. Het Regeerakkoord voorziet in een beperking van de faciliteit afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk door deze een scherpere degressieve lijn te geven. Gelet evenwel op het belang van speur- en ontwikkelingswerk, ook bij middelgrote ondernemingen, voor de Nederlandse economie en in het licht van de Nederlandse achterstandspositie op dit vlak wordt voorgesteld de huidige regeling ten minste te handhaven. Hiervoor is een bedrag van 50 miljoen uitgetrokken.
Investeringsaftrek

In het Regeerakkoord is een opbrengst van 50 miljoen ingeboekt voor beperking van de huidige investeringsaftrek door deze een scherpere degressieve lijn te geven. Gelet evenwel op het belang van vernieuwing, continuering en dynamisering van ondernemingen wordt voorgesteld deze ombuiging achterwege te laten en tevens 25 miljoen extra in te zetten voor intensivering van de investeringsaftrek, vooral gericht op het midden- en kleinbedrijf.
Herstructurering land- en tuinbouw

In het Regeerakkoord is aangegeven dat de overheid de herstructurering van de land- en tuinbouw zowel financieel als beleidsmatig zal ondersteunen. Dit betekent ook dat fiscale knelpunten voor land- en tuinbouwers die bestaan bij de herstructurering zoveel mogelijk weggenomen zullen worden. In dit kader is thans een werkgroep bezig die zich richt op de reële fiscale knelpunten, met name bij bedrijfsverplaatsing en verandering van bedrijfsactiviteiten. Voor die knelpunten worden oplossingen gerealiseerd, die recht doen aan de sociale positie van ook de kleinere boeren. Daarnaast wordt gekeken naar de (Europese) mogelijkheden om dierwelzijns- en milieuvriendelijke investeringen fiscaal verder te stimuleren, dit alles ter bevordering van de herstructurering.
Voorgesteld wordt binnen het ondernemerspakket 50 miljoen vrij te maken voor de herstructurering van de land- en tuinbouw. De werkgroep Fiscale opties bij herstructurering op bedrijfsniveau in de land- en tuinbouw kan zich het beste over de invulling van dit pakket buigen. Deze werkgroep zal binnenkort rapporteren.


8. Regeling terugkeer uit de BV

Het is mogelijk een eenmanszaak geruisloos8 om te zetten in een BV. Het is thans echter niet mogelijk om vanuit de BV terug te keren naar de eenmanszaak zonder de BV te staken en af te rekenen met de fiscus over de stille en fiscale reserves en de goodwill alsmede de aanmerkelijk-belangclaim. Ook in de werkgroep Oort-II is dit onderwerp aan de orde geweest. Voorgesteld wordt een regeling voor geruisloze terugkeer in te voeren. Bezien wordt nog hoe een dergelijke regeling op zodanige wijze vormgegeven kan worden dat de fiscale claims niet verloren gaan. Voor deze regeling is 5 miljoen gereserveerd. Fusie en splitsing: aanpassing regelgeving n.a.v. Leur-Bloem arrest

In het zogeheten Leur-Bloemarrest dat betrekking had op een aandelenfusie, heeft het Europese Hof van Justitie bepaald dat de in de Nederlandse wetgeving opgenomen anti misbruik bepaling bij de fiscale begeleiding van een aandelenfusie niet geheel in overeenstemming met de fusierichtlijn op dit punt was. In verband daarmee worden tevens de overige fusievormen aangepast. Hiermee is circa 10 miljoen gemoeid.
Venture capital

Venture capital (zogenoemd waag- of durfkapitaal) betreft het verstrekken van vermogen aan ondernemingen of projecten met een meer dan gemiddeld risico. Dit risico hangt vaak samen met het ontbreken van zekerheden voor de kapitaalverschaffers. Anderzijds kan ook sprake zijn van een verondersteld risico waardoor de financiering moeizaam verloopt. Met name jonge, risicovolle ondernemingen hebben moeite met het verkrijgen van voldoende (start)kapitaal. Bijzondere aandacht is op zijn plaats voor de eerste kapitaalbehoefte van startende ondernemers -natuurlijke personen - die vernieuwende activiteiten verrichten. Een faciliteit voor een achtergestelde lening in de orde van grootte van ongeveer 50.000 zou uitkomst kunnen bieden voor de eerste kapitaalbehoefte. Te denken is hier aan toetsbaar innovatieve activiteiten dan wel aan vernieuwende activiteiten binnen de onderneming. Afhankelijk van de uitkomst van nader onderzoek naar de omvang van de vraag naar dit soort van kapitaal zal aan deze faciliteit vorm gegeven kunnen

worden met inachtneming van de onderstaande randvoorwaarden. Voorts betreft het het ter beschikking stellen van venture capital aan startende ondernemers (natuurlijke en rechtspersonen) die activiteiten ontwikkelen in de sfeer van speur- en ontwikkelingswerk. Deze doelgroep is kenbaar door het bezit van een zogeheten WBSO-verklaring. Gezien de relatief beperkte omvang van deze groep is een fiscale faciliteit voor een achtergestelde lening van enkele honderdduizenden guldens denkbaar. Daarnaast gaat het om risicovolle projecten. Om deze ondernemingen en projecten ook onder het belastingstelsel 21e eeuw blijvend te stimuleren, wordt invoering van een aantal maatregelen overwogen. Daarbij wordt gedacht aan fiscale begeleiding van achtergestelde leningen die aan deze ondernemingen en projecten worden verstrekt.

De fiscale begeleiding van deze vormen van achtergestelde leningen kan conform het bekende Tante Agaath regime worden opgezet (vrijstelling van het rendement en verrekenbaarheid van eventuele verliezen). Bezien wordt of een aftrek van een deel van het ter beschikking gestelde vermogen wenselijk is. Een en ander wordt vormgegeven binnen de beschikbaar gestelde budgettaire middelen ad 50 miljoen waarbij tevens de uitvoerbaarheid en consistentie met Europese regelgeving belangrijke voorwaarden vormen.


3.2. Financiering van het ondernemerspakket

Tabel 3.2 Financiering ondernemerspakket

Maatregel

Budgettaire opbrengst

(x 1 mln.)


1. Bestrijding ongewenste handel in verliezen en vervangingsreserves

200


2. Niet meer toestaan commerciële herwaardering

3009


3. Aanpassing ondernemersbegrip IB

50


4. Zelfstandigenaftrek: wijziging behandeling ondermaatschappen

10


5. Reparatie landbouwvrijstelling (bestemmingswijzigingswinst)

50


6. Reparaties in de Vpb-sfeer

10


7. Provianderingsregeling in de accijnssfeer (al gerealiseerd)

20


8. Intermediair bij de afvalstoffenbelasting

5


9. Reparaties in de BTW-sfeer

30

10. Bestrijding katvangerconstructie

25

11. Vervallen bijzondere tarieven

300

12. Beperking stakingsvrijstelling

115

13. Vervallen assurantiereserve eigen risico

225

14. Vervallen exportrisicoreserve

5

Totaal


1.345
Bestrijding ongewenste handel in verliezen en vervangingsreserve

Onder ongewenste handel in verliezen wordt verstaan de aan- en verkoop van aandelen in vennootschappen waarbij niet de activa of de activiteiten centraal staan, maar de potentiële belastingbesparing die kan worden bereikt met de nog verrekenbare verliezen. Bij handel in vervangingsreserve BVs doet zich een soortgelijke problematiek voor, waarbij niet de in de vennootschap aanwezige activa of de activiteiten centraal staan, maar de potentiële belastingbesparing die kan worden bereikt met de aanwezige vervangingsreserves.

In de praktijk schiet de huidige antimisbruikbepaling (artikel 20 lid 5 Vpb) op de volgende punten tekort:

1. Mutaties tussen de oorspronkelijke aandeelhouders onderling hebben geen gevolgen voor de verliescompensatie.

2. De huidige bepaling heeft geen betrekking op een lichaam dat geen materiële onderneming heeft gedreven. Verliezen uit hoofde van beleggingen zijn daardoor ook na aandeelhouderswisseling verrekenbaar met winsten uit latere, nieuwe activiteiten.
3. Doordat de huidige bepaling aanknoopt bij de staking van de onderneming, is zij niet of moeilijk toepasbaar in situaties waarin de aard of de omvang van de onderneming rond de aandeelhouderswisseling substantieel verandert.

In de werkgroep bestaat overeenstemming over een reparatiemaatregel om handel in verliezen en vervangingsreserve tegen te gaan, en over een maatregel die dubbele verliesneming tegengaat. Deze maatregelen voldoen aan de randvoorwaarde dat verliescompensatie en de vervangingsreserve (straks de herinvesteringsreserve) behouden blijft in het geval van reële saneringsoperaties. De reparatie moet er immers niet toe leiden dat verliesgevende, maar in potentie rendabele bedrijven niet meer worden overgenomen en zo gedwongen worden te staken. In bijlage 2 wordt nader ingegaan op de uitwerking van deze reparatiemaatregel.

Niet meer toestaan commerciële herwaardering

Onder de huidige wetgeving kan omzetting van een IB-onderneming (een onderneming die wordt gedreven door een ondernemer/natuurlijk persoon) in een BV plaatsvinden zonder dat er heffing van inkomstenbelasting over de aanwezige stille en fiscale reserves en goodwill plaatsvindt. Voor deze geruisloze omzetting geldt de voorwaarde dat de op te richten BV op de fiscale balans de oude boekwaarden overneemt. Dit betekent dat de IB-claim wordt omgezet in een Vpb-claim. Over de stille reserves die in de commerciële balans terugkomen (eigen goodwill, onroerende zaken) wordt te zijner tijd Vpb geheven10. Bij een dergelijke inbreng in een BV geldt echter dat bij de bepaling van het nominaal geplaatste aandelenkapitaal niet wordt uitgegaan van de fiscale boekwaarde van de onderneming maar van de commerciële waarde van de onderneming. Dit leidt er onder meer toe dat terugbetaling van aandelenkapitaal of verkoop van aandelen kan plaatsvinden zonder aanmerkelijk belang heffing.

Voorgesteld wordt dat bij een dergelijke inbreng in een BV bij de bepaling van het nominaal geplaatste aandelenkapitaal voortaan wordt uitgegaan van de fiscale boekwaarde van de onderneming. De opbrengst hiervan bedraagt naar verwachting 300 miljoen.
en 4. Aanpassing ondernemersbegrip en wijziging van de behandeling van

ondermaatschappen voor de zelfstandigenaftrek

Zoals in de nota Belastingen in de 21e eeuw: een verkenning is aangegeven, blijkt het ondernemerschap met het oog op de investeringsaftrek, verliescompensatie en stakingsvrijstelling te worden opgezocht door personen die feitelijk als belegger zijn aan te merken. Daarnaast leidt de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de ondermaatschap voor een beperkte groep van belastingplichtigen tot een dubbel voordeel van een aantal ondernemingsfaciliteiten.

Het ondernemersbegrip moet worden beperkt tot personen voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven. Personen die uitsluitend medegerechtigd zijn tot het ondernemingsvermogen (vooral commanditaire vennoten), worden niet langer als ondernemer aangemerkt. Deze personen zullen in de regel voortaan voor hun deelgerechtigdheid in een onderneming onder de forfaitaire rendementsheffing vallen.

Daarnaast wordt een aanpassing voorgesteld van een aantal stimuleringsmaatregelen die in het bijzonder zijn gericht op het midden- en kleinbedrijf (investeringsaftrek,
energie-investeringsaftrek, scholingsaftrek). Doordat onder het huidige regime wordt uitgegaan van de grondslag per ondernemer, worden samenwerkingsverbanden bevoordeeld ten opzichte van eenmanszaken en BVs. Teneinde dit effect te voorkomen, wordt voorgesteld om voortaan voor de hoogte van de aftrek uit te gaan van het investeringsbedrag/scholingskosten per samenwerkingsverband.

Voorts wordt voorgesteld om, indien sprake is van een samenwerkingsverband (bij voorbeeld maatschap) met een verbonden persoon/personen - bij voorbeeld de partner of kind - een aanvullende eis te stellen met betrekking tot het urencriterium. Als de werkzaamheden van de ondernemer en van de verbonden persoon zodanig verschillen dat het samenwerkingsverband ongebruikelijk zou zijn in derden-verhoudingen, tellen de werkzaamheden11 voor het samenwerkingsverband niet mee voor het urencriterium van de zelfstandigenaftrek en de oudedagsreserve.

De gezamenlijke opbrengst van genoemde aanpassingen bedraagt naar schatting 60 miljoen.
Reparatie landbouwvrijstelling (bestemmingswijzigingswinst)

Onder het huidige regime valt een waardeverandering van de grond die verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan, of waarschijnlijk binnenkort zal worden aangewend buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf, niet onder de landbouwvrijstelling. Onder waarschijnlijk binnenkort wordt in dat verband verstaan: 6 jaar. In de praktijk wordt veelvuldig ingespeeld op deze termijn van 6 jaar (door verkoop met bestemmingswijziging buiten de landbouw op een termijn van iets meer dan 6 jaar). Deze vorm van onbedoeld gebruik kan worden bestreden door de termijn te laten vervallen en vrijstelling te beperken tot het verschil tussen de waarde in het economische verkeer bij agrarisch gebruik (de zogeheten WEVAB) en de boekwaarde van de grond.

De opbrengst van deze voorgestelde aanpassing bedraagt naar schatting 50 miljoen.

Reparaties in de Vpb-sfeer

Voorts wordt voorgesteld ook een aantal reparaties in de Vpb-sfeer te doen plaatsvinden. Het gaat hierbij onder meer om aanpassing van artikel 13g, in die zin dat het voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling niet meer relevant is of een passieve financieringsmaatschappij binnen of buiten de Europese Unie is gevestigd. Dit houdt per saldo in dat ook op binnen Europa gevestigde passieve financieringsmaatschappijen de deelnemingsvrijstelling niet meer van toepassing is, doch de mogelijkheid wordt geboden om buitenlandse belasting (gedeeltelijk) te verrekenen. Op deze wijze wordt de bestaande ongelijke behandeling weggenomen. Voorts betreft het bij voorbeeld reparatie van artikel 13c. Het gaat hier om de situatie dat de deelneming waarop de sanctie van toepassing is, wordt vervreemd aan een lichaam dat naar Nederlands recht is opgericht doch vanuit het buitenland feitelijk wordt geleid. Door deze constructie wordt de sanctie van artikel 13c vermeden. Als stelpost is hiervoor een bedrag ingeboekt van 10 miljoen.
Provianderingsregeling in de accijnssfeer (al gerealiseerd)

De vrijstelling voor accijns voor alcoholhoudende producten en tabaksproducten, bestemd om te worden gebruikt aan boord van schepen (bevoorrading) in het kader van de binnenvaart, is erg fraudegevoelig gebleken. Deze vrijstelling is inmiddels afgeschaft.

Intermediair in de afvalstoffenbelasting

Over het storten van afvalstoffen op een stortplaats is in beginsel afvalstoffenbelasting verschuldigd. Sommige afvalstoffen zijn echter bruikbaar als secundaire bouwstof, bijvoorbeeld voor de aanleg van wegen of van tussenlagen. In voorkomende gevallen is de stortplaatshouder bereid te betalen voor die afvalstoffen; op grond van de wetsgeschiedenis is er, indien er een reële positieve prijs wordt betaald, geen afvalstoffenbelasting verschuldigd. Indien een afvalproducent een intermediair betaalt voor het overnemen van zijn afval, kan deze intermediair het afval 'verkopen' aan de stortplaats. De producent betaalt dan geen afvalstoffenbelasting. Zo wordt door het tussenschuiven van een intermediair de heffing ontgaan, ook ingeval het om afvalstoffen gaat die uitsluitend op een stortplaats mogen worden verwerkt. De opbrengst van een reparatie in deze sfeer wordt geschat op circa 5 miljoen.
Reparaties in de BTW-sfeer

Op wetgevend gebied wordt gedacht aan het tegengaan van oneigenlijk gebruik van de regelgeving met betrekking tot roerende zaken door vrijgestelde ondernemers (door het tussenschuiven van een belaste ondernemer wordt bereikt dat de BTW-voordruk toch in aftrek kan worden gebracht). Voor een regeling is echter wel een EU-machtiging nodig. De opbrengst van deze maatregelen bedraagt naar schatting 30 miljoen. Katvangerconstructie

Katvangers zijn veelal insolvabele personen die tegen betaling een kenteken op hun naam laten zetten. Degene die gebruik maakt van de katvanger, de verschuiler, kan daardoor niet worden aangesproken op de betaling van motorrijtuigenbelasting, verkeersboetes, WAM-verzekering
e.d. De rekeningen daarvoor komen namelijk terecht bij de als houder van het motorrijtuig geregistreerde katvanger. Dit leidt tot een derving motorrijtuigenbelasting van ongeveer 25 miljoen per jaar.

Inmiddels wordt een aantal maatregelen ingevoerd voor het in kaart brengen en opsporen van katvangers (katvangersregister, afspraken over samenwerking politie/justitie/belastingdienst/douane). Daarnaast zal er vervolgens een wettelijk geregeld uitgebreid bijzonder verhaalsrecht moeten komen om de verschuiler daadwerkelijk aan te kunnen pakken. De opbrengst van deze maatregelen bedraagt naar schatting 25 miljoen.
en 12. Vervallen bijzondere tarieven en beperking stakingsvrijstelling

De bijzondere tarieven hebben als doel een tegemoetkoming te bieden voor het progressienadeel dat ontstaat doordat winst technisch aan een bepaald jaar wordt toegerekend terwijl deze eigenlijk op meerdere jaren betrekking heeft. Gelet op de in het regeerakkoord aangekondigde nieuwe tarieflijn van de loon- en inkomstenbelasting neemt het progressienadeel af. Gelet op het voorgaande en in samenhang met de uitbreiding van de doorschuiffaciliteit wordt voorgesteld de bijzondere tarieven in de winstsfeer te laten vervallen. In dit perspectief acht de werkgroep wel een ratio aanwezig voor handhaving van een beperkte stakingsvrijstelling.

In historische context heeft de stakingsvrijstelling primair een sociale en pragmatische achtergrond in die zin dat de belastingheffing bij beëindiging van ondernemersactiviteiten wordt verzacht en dat geschillen over niet al te grote stakingswinsten worden voorkomen. De doelstelling om geschillen over kleinigheden te voorkomen heeft echter aan betekenis ingeboet doordat het niet benutte deel van de stakingsvrijstelling belastingvrij afgeboekt mag worden van de stand van de fiscale oudedagsreserve.

Mede in samenhang met een pakket maatregelen om bedrijfsopvolging en het starten van nieuwe ondernemingen fiscaal te stimuleren wordt voorgesteld een beperkte stakingsvrijstelling één keer per leven te geven bij staking van alle ondernemersactiviteiten. Hiervoor is 35 miljoen gereserveerd waardoor een stakingsvrijstelling van 8.000 mogelijk blijft.
Vervallen assurantiereserve eigen risico

De werkgroep Oort-II is van mening dat de assurantiereserve eigen risico - op termijn - zou kunnen worden afgeschaft. Volgens de werkgroep is er twijfel over het nut van de regeling, aangezien het bestaan van de reserve niets zegt over de aanwezigheid van liquide middelen om de kosten van een calamiteit op te vangen. Voorts blinkt de toepassing van de regeling niet uit in eenvoud. Bovendien geeft de regeling - aldus de werkgroep Oort-II - thans ruimte voor ongewenst gebruik; doordat de regeling geen plafond kent, kan de reserve vele malen de waarde van het onverzekerde object bedragen. Volgens de werkgroep Oort-II zou afschaffing van de assurantiereserve eigen risico relatief eenvoudig kunnen worden bewerkstelligd door niet langer toe te staan dat de bespaarde verzekeringspremies aan de reserve worden toegevoegd.

De aanbeveling van de werkgroep Oort-II wordt overgenomen waarbij de bestaande assurantiereserve in hooguit 10 jaar wordt afgebouwd. De opbrengst van deze maatregel is naar schatting 225 miljoen. Vervallen exportrisicoreserve

Bij het laten vervallen van de assurantiereserve ligt het in de rede de exportrisicoreserve die een aanvulling hierop vormde en waarvan naar de huidige inzichten het gebruik gering is, nader te bezien. Voor betalingsrisicos kan reeds op grond van goed koopmansgebruik worden gereserveerd. Ook de werkgroep Oort-II12 meent dat deze reserve in het kader van de vereenvoudiging zou kunnen worden afgeschaft. Overigens kan nog worden opgemerkt dat over deze regeling discussie in het kader van de Wereld Handels Organisatie (WTO) is ontstaan.

Voorgesteld wordt deze aanbeveling van de werkgroep Oort-II over te nemen.


4. Conclusie

De werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers heeft onder leiding van prof. dr. C.J. Oort bekeken of het hele pakket aan fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers mogelijk effectiever, efficiënter en tegen lagere administratieve lasten zou kunnen worden gestructureerd. Het rapport van deze werkgroep Oort-II vormde het uitgangspunt bij de uitwerking van een concreet pakket van maatregelen door de werkgroep Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw. Centraal daarbij stond versterking en verbetering van de concurrentiepositie van de Nederlandse economie, in het bijzonder van het ondernemerschap, een en ander binnen de gegeven randvoorwaarden.

De werkgroep Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw zag zich geenszins voor een eenvoudige opdracht gesteld. De leden van de werkgroep zijn dan ook verheugd overeenstemming te hebben bereikt over een pakket maatregelen en concluderen dat met de hiervoor gepresenteerde en toegelichte maatregelen sprake is van een samenhangend pakket maatregelen gericht op continuering, versterking en dynamisering van het ondernemerschap. Daarnaast leveren de maatregelen een bijdrage aan het (fiscale) vestigingsklimaat van Nederland. De werkgroep is van oordeel dat het pakket maatregelen integraal dient te worden ingevoerd en dat het onwenselijk is hieruit maatregelen te selecteren.

BIJLAGE 1. GERUISLOZE DOORSCHUIVING ONDERNEMING

In de rapportage van de werkgroep Oort-II (blz. 16,17) is ingegaan op de doorschuiffaciliteit van artikel 17 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Deze doorschuiffaciliteit houdt in dat bij overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming de fiscale claim op de stille en fiscale reserves op verzoek wordt doorgeschoven indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:


1. de ondernemer is 55 jaar of ouder of voor ten minste 45% arbeidsongeschikt en overdracht vindt plaats aan de kinderen, kleinkinderen of hun echtgenoten; of.


2. er is sprake van overdracht aan de echtgenoot/partner indien deze jonger is dan 55 jaar.

De regeling is destijds ingevoerd met als motief dat de fiscale afrekening bij traditionele bedrijfsopvolgingen (bedrijfsopvolgingen van ouders op kinderen) meer dan eens niet gelegen zal komen en de continuïteit van de onderneming in gevaar zou kunnen brengen. Bovendien kan zo de overdracht van een onderneming op een passender tijdstip (dan het overlijden van de ondernemer) worden bevorderd (bij overlijden was er reeds de mogelijkheid van geruisloze doorschuiving). Daarbij zij bedacht dat in veel gevallen van bedrijfsopvolging in de familiesfeer de overdracht van een onderneming niet plaatsvindt tegen contanten.

De werkgroep Oort-II heeft de beperking van de faciliteit tot de kring van (directe) verwanten aan de orde gesteld. Naar het oordeel van een groot deel van de werkgroep zou de faciliteit een generiek karakter moeten krijgen. Dat wil zeggen dat er niet langer eisen worden gesteld ten aanzien van de ondernemer of ten aanzien van de koper; voldoende is dat sprake is van overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming. Voordeel van een doorschuiffaciliteit is dat de prijs van de onderneming bij overdracht aan derden wordt verlaagd doordat degene die de onderneming verkoopt, niet hoeft af te rekenen over de belastingclaims op stille reserves en fiscale reserves. Ervan uitgaande dat de verkoper dit financiële voordeel (deels) doorgeeft aan de koper zullen diens financieringslasten lager uitvallen. Er treedt dus een rente- en liquiditeitsvoordeel13 voor de koper op. Dit kan in het belang zijn van het voortbestaan van de onderneming.

Teneinde de verschillende faciliteiten voor de bedrijfsopvolging op elkaar te laten aansluiten, kan voor verruiming van de doorschuiffaciliteit in de IB worden gekeken naar de mogelijkheden in de vennootschapsbelasting. Naar analogie daarvan zou een doorschuiffaciliteit in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kunnen worden geboden als de overdrager nog enige tijd betrokken blijft bij de onderneming. Dit is het geval als de overnemer als mede ondernemer toetreedt. Dit kan op zodanige wijze plaatsvinden (voorbehoud stille reserves) dat er dan geen IB-heffing plaatsvindt. Na een periode van ten minste 3 jaar kan de overnemer het aandeel van de overdrager in de door hen samen gedreven onderneming zonder enige heffing van inkomstenbelasting overnemen met gebruikmaking van de geruisloze doorschuiffaciliteit. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat de periode van 3 jaar ook al verstreken kan zijn als de overnemer al mede-ondernemer14 was. Voordeel van deze opzet is dat er sprake is van een begeleide bedrijfsopvolging.

De overnemer kan een familielid zijn maar ook een werknemer of een willekeurige derde zijn. De enige eis die wordt gesteld, is dat de onderneming die door middel van het samenwerkingsverband wordt gedreven voor een periode van ten minste 3 jaar voor hun rekening en risico blijft komen. In de praktijk komt dit, ook binnen de familiekring, al voor. Daarnaast ligt het voor de hand dat de praktijk zich aanpast aan de nieuwe regeling. Met de invoering van deze faciliteit is er dan geen reden meer om een afzonderlijke doorschuiffaciliteit voor de familiekring te handhaven. Een onderscheid tussen beide doorschuiffaciliteiten zou niet goed te beargumenteren zijn. Daarom wordt voorgesteld de bestaande doorschuiffaciliteit binnen de familiekring te vervangen door de meer algemene faciliteit voor doorschuiving naar mede-ondernemers.

Wel moet worden onderkend dat zich omstandigheden kunnen voordoen die ten tijde van de toetreding van de mede-ondernemer niet konden worden voorzien en die ertoe leiden dat het onredelijk zou zijn aan de driejaarstermijn vast te houden.. In dergelijke l situaties kan op verzoek ontheffing worden gekregen van deze termijn. Te denken valt aan de situatie dat de overdrager of overnemer overlijdt. Indien de toetreder erfgenaam is, is er overigens geen probleem aangezien artikel 15 Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing is. Voorts kan worden gedacht aan het ontstaan van een zodanige arbeidsongeschiktheid van één van beide ondernemers (bij voorbeeld een ernstige ziekte of coma) dat het voor één van beide niet meer wenselijk is dat de onderneming voor rekening en risico van de arbeidsongeschikte komt. In dit verband kan ook worden gedacht aan handelingsonkwaamheid. Daarnaast kan worden gedacht aan de situatie dat de onderneming door twee echtgenoten/partners wordt gedreven en deze relatie niet alleen privé maar ook zakelijk wordt verbroken. Ook dan zou het onredelijk kunnen zijn om aan de driejaarstermijn vast te houden.

BIJLAGE 2. VERLIESCOMPENSATIE IN DE VPB

Huidige wetgeving

Teneinde handel in - lege - vennootschappen met verliezen tegen te gaan, is een anti-misbruikbepaling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 opgenomen. Kort gezegd houdt deze bepaling in dat het recht op verliescompensatie vervalt voor een lichaam dat na staking van zijn onderneming een nieuwe onderneming begint waarvan de winsten hoofdzakelijk ten goede komen aan andere aandeelhouders dan de aandeelhouders op het moment van staking van de onderneming.

Handel in verliezen

In de praktijk is gesignaleerd dat de anti-misbruik bepaling (artikel 20, vijfde lid, Wet Vpb) op een aantal punten tekort schiet:
1. Mutaties tussen de oorspronkelijke aandeelhouders onderling hebben geen gevolgen voor de verliescompensatie. Dit betekent dat een aandeelhouder die slechts een zeer gering percentage van de aandelen in een verlieslijdend lichaam bezit, en die na de staking van de onderneming de overige aandelen verkrijgt, het recht verwerft op verrekening van alle verliezen. Het ligt voor de hand dit punt op te lossen door in de toekomst ook interne aandeelhouderswisselingen in de beschouwing te betrekken. Uiteraard gaat het daarbij alleen om een substantiële aandeelhouderswisseling, waarbij wisselingen tussen aandeelhouders die kunnen worden aangemerkt als verbonden lichamen buiten beschouwing blijven.

2. De huidige bepaling heeft geen betrekking op een lichaam dat geen materiële onderneming heeft gedreven. Verliezen uit hoofde van beleggingen zijn daardoor ook na aandeelhouderswisseling verrekenbaar met winsten uit latere, nieuwe activiteiten. Het ligt voor de hand dit punt op te lossen door bij een vennootschap die zich (hoofdzakelijk) bezighoudt met beleggen, het recht op verrekening van nog openstaande verliezen te laten vervallen indien zich een substantiële aandeelhouderswisseling voordoet.
3. Doordat de huidige bepaling aanknoopt bij de staking van de onderneming, is zij niet of moeilijk toepasbaar in situaties waarin de aard of de omvang van de onderneming rond de aandeelhouderswisseling substantieel verandert. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een lichaam met grote verliezen, waarvan de onderneming is gestaakt, en waarin vóór de aandeelhouderswisseling een nieuwe activiteit wordt gestart of beleggingen worden ingebracht. De verliezen van de oude activiteit worden dan onder nieuwe aandeelhouders verrekend met de winsten van de nieuwe activiteit of met de winsten uit de beleggingen. Een oplossing hiervoor kan worden gevonden door bij een substantiële aandeelhouderswisseling voor het vervallen van het recht op verliesverrekening het criterium staking van de onderneming te vervangen door een ander criterium. Te denken valt aan het criterium verandering van de identiteit van de vennootschap. Met een dergelijk criterium kan handel in verliezen worden voorkomen zonder dat vanuit economisch opzicht wenselijke overdrachten (aandeelhouderswisseling die gepaard gaat met voortzetting, reorganisatie of modernisering) in de weg worden gestaan. Bij de identiteit van de vennootschap speelt een aantal aspecten een rol, zoals de bedrijfsmiddelen en personeel waarmee de onderneming wordt gedreven, de klantenkring, het soort product dat wordt gemaakt, de relatieve omvang van de verlieslijdende activiteit etc. Indien een aantal van deze aspecten in stand blijft is er geen sprake van een ongewenste verliesverrekening. Een wijziging van de identiteit behoeft voorts niet aanwezig te zijn ingeval de producten die door de onderneming worden gemaakt, worden aangepast aan nieuwe economische omstandigheden (wijziging van de markt), of de activiteiten worden gemoderniseerd dan wel gereorganiseerd. Voorts speelt het tijdselement een rol. Een wijziging van identiteit zal minder snel aanwezig worden geacht naarmate de termijn die sinds de aandeelhouderswisseling is verstreken langer is; een onderneming moet zich immers kunnen aanpassen aan de maatschappelijke ontwikkelingen.

Of er sprake is van een substantiële aandeelhouderswisseling en een voortzetting van activiteiten zal moeten worden getoetst. Deze toetsing vindt plaats op het moment dat de vennootschap de verliezen feitelijk wil verrekenen. Het toetsen van de aandeelhouderswisseling is - behalve bij beursfondsen - eenvoudig. Dit is minder eenvoudig ten aanzien van de vraag of de identiteit gelijk is gebleven. Teneinde belastingplichtigen zekerheid te geven omtrent de verliesverrekening wordt belastingplichtigen de mogelijkheid geboden om op het moment dat de aandeelhouderswisseling plaatsvindt, door de fiscus te laten toetsen of de verlieslijdende activiteit nog in voldoende mate aanwezig is. Bij de feitelijke verliesverrekening wordt de identiteit vergeleken met de identiteit van de onderneming op het moment van aandelenoverdracht.

Dubbele verliesneming

Daarnaast is een knelpunt gesignaleerd bij vorderingen die zijn afgewaardeerd. In een dergelijke situatie is het mogelijk dat een verlies als het ware dubbel wordt genomen, wanneer de vordering wordt omgezet in aandelenkapitaal. Is schuldeiser op het moment van de afwaardering niet verbonden met het lichaam waarop de vordering bestaat, dan kan de latere waardeaangroei van de aandelen onbelast worden genoten. De schuldeiser kan als het ware een belaste waardeaangroei van de vordering omzetten in een onbelaste waardeaangroei van de aandelen.

Om deze dubbele verliesneming tegen te gaan staan er kortweg twee wegen open. Reparatie bij de schuldeiser of reparatie bij de schuldenaar. Allereerst kan er worden gezocht naar een oplossing bij de schuldeiser. Deze weg is al eerder gekozen, namelijk bij de reparatie van de deelnemingsvrijstelling. Ingeval een vordering op een lichaam dat met de schuldeiser is verbonden wordt afgewaardeerd en vervolgens wordt omgezet in aandelenkapitaal wordt het verschil tussen de nominale waarde van de vordering en de boekwaarde tot de winst gerekend. Een dergelijke reparatie heeft als nadeel dat deze kan leiden tot overkilll in de situatie dat een derde zowel de vordering als de

aandelen koopt15

Een andere mogelijkheid is om de oplossing bij de schuldenaar te zoeken. De schuldenaar wordt bevrijd van een aflossingsverplichting door uitgifte van aandelen die minder waard zijn dan de nominale waarde van de schuldvordering. De schuldeiser heeft op het moment van de omzetting het op de vordering geleden verlies definitief gedragen. Vanaf dat moment heeft de schuldeiser immers niet meer de kans dat de vordering in waarde toeneemt. De schuldenaar wordt als het ware bevoordeeld. Hierbij past het dat hij het verschil tussen de nominale waarde van de schuld en de werkelijke waarde daarvan tot de winst rekent. In het algemeen zal de schuldenaar over voldoende verliescompensatie beschikken, zodat het nemen van winst niet leidt tot het feitelijk betalen van belasting. Het op deze wijze van voorkomen van dubbele verliesneming is bekend bij de kwijtschelding van schulden. Ook bij een kwijtschelding wordt de schuldenaar bevrijd van een aflossingsverplichting. In de situatie dat degene die de vordering omzet tevens enig aandeelhouder is, is de rechtsfiguur van de kwijtschelding dan ook vergelijkbaar met die van de omzetting. Door de voorkoming van dubbele verliesneming op te lossen aan de kant van de schuldenaar wordt dan ook bereikt dat deze twee rechtsfiguren, de omzetting en de kwijtschelding, waarbij per saldo economisch hetzelfde resultaat kan worden bereikt, fiscaal hetzelfde worden behandeld. Deze fiscaal gelijke behandeling zal eveneens met zich brengen dat de winst die als gevolg van de omzetting wordt geconstateerd vrij wordt gesteld indien en voorzover deze uitgaat boven de nog aanwezige verliescompensatie. Voorts zal net als bij de kwijtschelding bij de deelnemingsvrijstelling een bepaling moeten worden opgenomen voor de situatie dat de schuldenaar in het buitenland is gevestigd en in dat land van vestiging geen winst wordt geconstateerd bij de omzetting van schulden.

BIJLAGE 3. SAMENSTELLING WERKGROEP BELASTINGEN BEDRIJFSLEVEN 21E EEUW

Voorzitter :

drs. W.J. Vossers (Ministerie van Financiën)

Leden van de werkgroep:

drs. P.G.M. Adriaansen (Ministerie van Financiën)

mr. J.R. Borst (Ministerie van Economische Zaken)

ir. F.H. Germs (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij)

mr. H.J. van den Kerkhof (LTO-Nederland)

drs. R.M. Koning (Ministerie van Financiën)

drs. J. Kruithof (Ministerie van Financiën)

ir. L.S. Rietema (LTO-Nederland)

mw. mr. J.M.C.W. Schattenberg (Vereniging VNO-NCW)

mr. A.J.M. Timmermans (Vereniging VNO-NCW)

drs. J.J. Urselmann (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij)

mw. drs. J.S. de Visser (Ministerie van Financiën)

mr. J.G.S. Warmerdam (MKB-Nederland)

Uitgave:

Ministerie van Financiën

Postbus 20201

2500 EE Den Haag

Het rapport is ook in te zien op de internetsite van het Ministerie van Financiën: http:\www. minfin.nl

Voor eventuele vragen kunt u terecht bij de afdeling Bedrijfs- en Publieksvoorlichting van het Ministerie van Financiën: 070 - 342 75 42

Deel: ' Belastingherziening 2001 ondernemerspakket en veegwet '




Lees ook