Ministerie van Financien

Titel: Afdoening VPB-verzoeken door de inspecteur.



Besluit van 20 juli 1990, nr. DB90/328, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 april 1999, nr. DB99/437M.

De plaatsvervangend directeur-generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Deze herdruk is noodzakelijk omdat het aantal gevallen waarin een aanwijzing wordt gegeven met betrekking tot de toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt uitgebreid. Deze uitbreiding betreft de afdoening van verzoeken om fiscale eenheid met bepaalde buitenlandse rechtsvormen en verzoeken met in het buitenland gevestigde, naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Tevens worden aanwijzingen gegeven voor de gevallen waarbij sprake is van twee korte opeenvolgende boekjaren. Tot slot kunnen verzoeken om verbreking van een fiscale eenheid voortaan door de inspecteur worden afgedaan.

Hierbij deel ik u over de afdoening van verzoeken om toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) het volgende mede.


1. ALGEMEEN


1.1 Indeling

In dit besluit worden de volgende punten behandeld:


1. Algemeen

Dit hoofdstuk bevat de achtergrond van de afhandeling van de verzoeken om

fiscale eenheid bij voor bezwaar vatbare beschikking door de inspecteur en de gang van zaken met betrekking tot de indiening en behandeling van deze verzoeken.


2. Administratieve behandeling van de verzoeken

Dit hoofdstuk bevat een uiteenzetting over de administratieve behandeling van de verzoeken door de inspecteur, inclusief het inwinnen van ambtsberichten bij andere inspecteurs.


3. Beoordeling van het verzoek

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten waarop de inspecteur het verzoek beoordeelt alvorens hij op het verzoek beschikt dan wel nadere aanwijzingen vraagt aan het ministerie alvorens een beschikking te nemen.


4. Door de inspecteur te nemen beschikking

In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze de inspecteur beschikt op het verzoek.


5. Te stellen voorwaarden

In dit hoofdstuk is vermeld welke (aanvullende) voorwaarden in welke situatie worden gesteld.


6. Afwerking beschikkingen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op o.a. het verzenden van afschriften van de beschikking van de inspecteur.


7. Overgangsregeling

Dit hoofdstuk bevat een overgangsregeling met betrekking tot verzoeken die voor de dagtekening van dit besluit zijn ingediend.


8. Aandachtspunten

In dit hoofdstuk wordt aandacht gevraagd voor enkele onderwerpen, waaron-

der de zogenaamde doorlopende fiscale eenheid.


9. Diversen

Dit hoofdstuk bevat onder meer een opsomming van het aan de inspecteurs te

verstrekken materiaal.


1.2 Inleiding

Ingevolge artikel 15 van de Wet kan, zolang alle aandelen van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (de dochtermaatschappij), die aan de in dat artikel vermelde vereisten voldoet, in bezit zijn van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij (de moedermaatschappij), de vennootschapsbelasting worden geheven alsof de dochtermaatschappij in de moedermaatschappij is opgegaan (de zogenaamde fiscale eenheid), mits de door de Staatssecretaris van Financiën nader te stellen voorwaarden zijn vervuld.

In de situatie van vóór 1 juli 1997 was de beschikking fiscale eenheid een ministeriële beschikking. Voor een groot aantal verzoeken was de bevoegdheid via eerdere drukken van dit besluit gemandateerd aan de inspecteur. De verzoeken waarvoor de inspecteur geen mandaat was verleend, werden afgedaan door het ministerie.

In de nieuwe situatie is de beschikking fiscale eenheid een beschikking van de inspecteur. De inspecteur geeft een voor bezwaar vatbare beschikking af in overeenstemming met de door mij gegeven aanwijzingen.

Voor een aantal gevallen zijn deze aanwijzingen vastgelegd in hoofdstuk 5 van dit besluit.

Voor een aantal gevallen moet om nadere aanwijzingen gevraagd worden aan het Ministerie van Financiën, Directie Directe Belastingen, Sector Rechtstoepassing, Afdeling Vennootschapsbelasting. De verzoeken waarvoor het vragen van nadere aanwijzingen verplicht is, zijn omschreven in punt 1.3 van dit besluit.

De in dit besluit vastgelegde aanwijzingen zien op de volgende gevallen:


- fiscale eenheid met ingang van de oprichtingsdatum van de dochtermaatschappij(en);


- fiscale eenheid met een naamloze of besloten vennootschap als moedermaatschappij en één of meer op het verenigingstijdstip reeds langer bestaande dochtermaatschappij(en) en waarbij zich geen bijzondere omstandigheden voordoen;


- aansluitende fiscale eenheid;


- nieuw opgerichte moedermaatschappij;


- aansluitende fiscale eenheid met een nieuw opgerichte moedermaatschappij;


- de aandelen in de dochtermaatschappij zijn gecertificeerd en zijn op het gewenste verenigingstijdstip nog niet gedecertificeerd;


- aanpassing boekjaren


- één of meer van de in het verzoek genoemde maatschappijen valt (vallen) op het verenigingstijdstip onder het bijzondere fiscale regime van het Besluit reserves verzekeraars;


- onderlinge waarborgmaatschappij als moedermaatschappij;


- coöperatie als moedermaatschappij;


- de moedermaatschappij van een bestaande fiscale eenheid is verdwenen bij een juridische fusie en aansluitend aan de daarmee gepaard gaande verbreking van die fiscale eenheid wordt om een (nieuwe) fiscale eenheid verzocht met de verkrijgende rechtspersoon als moedermaatschappij en één of meer dochtermaatschappijen van de verdwijner (zie de regeling in de besluiten van 5 september 1995, DB95/1225M, Vpb'69, nr. 1.02.14, BNB 1995/331, 8 juli 1998, nr. DB98/1508M, BNB 1998/297 en 9 oktober 1998, nr. DB98/3494M, BNB 1998/403);


- de in bijlage X genoemde naar buitenlands recht opgerichte vennootschappen, welke feitelijk in Nederland zijn gevestigd;


- de naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, welke feitelijk in het buitenland zijn gevestigd.

Om redenen van doelmatigheid acht ik het gewenst dat alle verzoeken om fiscale eenheid met gebruikmaking van het formulier VPB 0622V*1PL (Vpb.53a) -zie bijlage I- worden ingediend bij de eenheid van de Belastingdienst waaronder de moedermaatschappij ressorteert (zie punt
1.4, alsook punt 1.6).

Omdat het hiernavolgende zich voornamelijk beperkt tot naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid is in dit besluit zoveel mogelijk de term vennootschap(pen) gebruikt.


1.3 Nadere aanwijzingen

In de hieronder omschreven verzoeken om fiscale eenheid is de inspecteur, alvorens hij een beschikking neemt, verplicht nadere aanwijzingen te vragen aan het ministerie.


a. Op het verzochte verenigingstijdstip is niet voldaan aan het in punt 3.2, onderdeel II, vermelde punt met betrekking tot de rechtsvorm. Dit geldt zowel voor de moeder- en
dochtermaatschappij(-en) van het verzoek om fiscale eenheid als voor een reeds eerder met de dochtermaatschappij gevoegd lichaam.


b. Een in het verzoek genoemde dochtermaatschappij heeft oprichtersbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid, winstbewijzen of dergelijke aan anderen dan de moedermaatschappij uitgegeven.


c. Eén (of meer van de) in het verzoek genoemde maatschappij(en) valt (vallen) op het verenigingstijdstip of in het jaar daaraan voorafgaand onder een bijzonder fiscaal regime, niet zijnde het regime van het Besluit reserves verzekeraars of het regime voor coöperaties, (hierbij valt te denken aan beleggingsinstellingen).
Hierbij merk ik nog op dat een zeescheepvaartonderneming die heeft geopteerd voor het tonnageregime niet kan worden gevoegd met een zeescheepvaartonderneming die niet hiervoor heeft geopteerd (Tweede Kamer, 1995-1996, 24 482, NnavhV, blz. 7).


d. Voor één (of meer van de) in het verzoek genoemde maatschappij(en) geldt een overgangstarief.


e. De inspecteur is van mening dat het verzoek per het verzochte verenigingstijdstip:


1. slechts kan worden ingewilligd onder het stellen van één of meer andere bijzondere voorwaarden dan die, welke onder de punten 5.2 tot en met 5.11 zijn vermeld; of


2. wellicht kan worden ingewilligd met toepassing van de zogenaamde hardheidsclausule (artikel 63 AWR), omdat sprake is van een bijzondere omstandigheid.


f. De inspecteur is van mening dat het verzoek zou moeten worden afgewezen om andere dan de in deze instructie genoemde redenen.


1.4 Indiening verzoeken

Alle verzoeken om fiscale eenheid worden rechtstreeks ingediend bij de inspecteur onder wie de moedermaatschappij ressorteert.

Wanneer een moedermaatschappij op het verzochte verenigingstijdstip zelf een gevoegde dochtermaatschappij is of zal zijn van een ander lichaam, wordt in dit verband dat andere lichaam als moedermaatschappij aangemerkt.

De indiening en afdoening van verzoeken om een fiscale eenheid met een verzekeraar zal, in beginsel, slechts plaatsvinden op de eenheid Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam, waar de aanslagregeling van verzekeraars is geconcentreerd. Indien echter met inachtneming van hetgeen aan het begin van punt 1.4 is vermeld, op een andere eenheid een verzoek om een fiscale eenheid met een verzekeraar wordt ingediend, dan vindt de afdoening van het verzoek aldaar plaats, waarbij zo nodig in overleg wordt getreden met de eenheid Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam.

Voor een doelmatige afhandeling van de verzoeken om fiscale eenheid dient gebruik te worden gemaakt van het formulier VPB 0622V*1PL (Vpb. 53a) -zie bijlage I- en dient een kopie van de akte(n), waarbij de aandelen zijn verkregen, te worden meegezonden.

De formulieren VPB 0622V*1PL (Vpb. 53a) zijn verkrijgbaar bij de eenheden (Grote) ondernemingen.


1.5 Afhandeling verzoeken door de inspecteur

De afhandeling van de verzoeken om fiscale eenheid door de inspecteur zal plaatsvinden overeenkomstig het bepaalde in de hoofdstukken 4, 5 en 6.


1.6 Nadere aanwijzingen vragen aan het ministerie

De inspecteur vraagt alvorens de verzoeken die genoemd zijn in punt
1.3 af te handelen, nadere aanwijzingen met betrekking tot de afhandeling van het verzoek aan het Ministerie van Financiën, Directie Directe Belastingen, Sector Rechtstoepassing, Afdeling Vennootschapsbelasting. Hij voorziet het verzoek van zijn ambtsbericht en hierbij kan hij gebruik maken van de vraagstelling van het formulier VPB 0632Z*1PL (Vpb.54); zie bijlage IV.


1.7 Te stellen voorwaarden

De bij inwilliging van het verzoek te stellen voorwaarden zijn opgenomen in de boekjes:

A, nummer VPB 0661Z*2FD (Vpb. 55),

B, nummer VPB 0681Z*2FD (Vpb. 56),

C, nummer VPB 0691Z*2FD (Vpb. 57) en

D, nummer VPB 0701Z*2FD (Vpb. 58).

Deze boekjes bevatten de voorwaarden welke voor de verschillende situaties zijn afgeleid uit de gepubliceerde standaardvoorwaarden.

In een aantal gevallen worden deze voorwaarden gewijzigd c.q. aangevuld. In hoofdstuk 5. wordt nader op de te stellen voorwaarden ingegaan.

Ik merk hierbij op dat de tekst van de standaardvoorwaarden met de toelichting daarop voor belanghebbenden verkrijgbaar is bij de eenheden (Grote) ondernemingen.


1.8 Formele aspecten

Naar aanleiding van de wijziging van artikel 15, eerste lid van de Wet worden verzoeken om fiscale eenheid voortaan afgehandeld door de inspecteur. Hij beslist op deze verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De wetgever heeft hiermee gekozen voor een wijze van afdoening waarbij tegen de beschikking fiscale eenheid en de daarbij gestelde voorwaarden zelf bezwaar en beroep ingesteld kan worden. Als de beschikking onherroepelijk is geworden, kan deze beschikking - en de daarin gestelde voorwaarden - niet meer aan de orde worden gesteld bij de aanslagregeling. De aanvraag voor fiscale eenheid kan worden ingetrokken tot het moment waarop de beschikking onherroepelijk is geworden.

In een aantal gevallen zijn nadere aanwijzingen van het ministerie omtrent de afhandeling van verzoeken noodzakelijk. In de onder punt
1.3 genoemde gevallen is de inspecteur verplicht het ministerie om nadere aanwijzingen omtrent de afhandeling van het verzoek te vragen.


1.9 Verzoeken om verbreking fiscale eenheid

Ingevolge punt 3.2 van het toelichtende besluit (boekwerk Vpb.'69, nr.
1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr. DB97/118M (BNB 1997/125), kunnen belanghebbenden een verzoek doen om verbreking van de fiscale eenheid. Dergelijke verzoeken werden afgedaan door het ministerie. Ik heb besloten dat deze verzoeken nu zelfstandig door de inspecteur met inachtneming van het hiervoor vermelde punt 3.2 kunnen worden afgedaan.

Verzoeken om verbreking van de fiscale eenheid worden ingediend bij de inspecteur onder wie de moedermaatschappij ressorteert. Indien het verzoek wordt ingewilligd, keurt de inspecteur goed dat, in afwijking van hetgeen in de bij de fiscale eenheid afgegeven beschikking is vermeld, het splitsingstijdstip wordt gesteld op de aanvang van het jaar waarin het verzoek is gedaan. De bestuurders van de betrokken vennootschappen moeten instemmen met deze afwijking van de standaardvoorwaarden. Voor de wijze van afdoening wordt verder verwezen naar bijlage IX.


2. ADMINISTRATIEVE BEHANDELING VAN DE VERZOEKEN


2.1 Bijhouden kaartregister

Deze paragraaf heeft zijn belang verloren.


2.2 Ontvangstbevestiging

Aan de indiener(s) van het verzoek wordt een ontvangstbevestiging (bijlage II, tevens als formulier FE 019201 opgenomen in het Modellenboek Ondernemingen) gezonden onder opgave van het nummer waaronder het verzoek op de eenheid is geregistreerd.

Indien met betrekking tot een verzoek nadere aanwijzingen gevraagd worden aan het ministerie, stelt de inspecteur de indiener(s) van deze aanvraag in kennis. In deze kennisgeving deelt hij mee dat ten gevolge van deze aanvraag de termijn waarbinnen op het verzoek wordt beslist met 8 weken wordt verlengd.


2.3 Verzoeken met hetzelfde verenigingstijdstip

Indien door middel van verscheidene, voor inwilliging vatbare, verzoeken een fiscale eenheid wordt verzocht tussen een moedermaatschappij en twee of meer dochtermaatschappijen met ingang van hetzelfde verenigingstijdstip, worden deze verzoeken, indien nog mogelijk, samengevoegd en als één verzoek aangemerkt.


2.4 Nadere aanwijzing voor gedeelte van verzoek

Indien de inspecteur (met inachtneming van punt 2.3) tot de conclusie komt dat voor de afdoening van een deel van het verzoek nadere aanwijzingen van het ministerie noodzakelijk zijn, zendt hij het gehele verzoek, voorzien van zijn ambtsbericht, naar het ministerie.


2.5 Verzoek met verschillende verenigingstijdstippen

Indien in één verzoek een fiscale eenheid wordt verzocht tussen een moedermaatschappij en verscheidene dochtermaatschappijen met ingang van verschillende verenigingstijdstippen, wordt het verzoek behandeld alsof voor elk in aanmerking komend verenigingstijdstip een afzonderlijk verzoek is ingediend.


2.6 Inwinnen ambtsberichten

De inspecteur gaat eerst na onder welke eenheden de in de fiscale eenheid op te nemen lichamen ressorteren. Met inachtneming van hetgeen is opgenomen onder de punten 1.4, tweede volzin, 2.3 en 2.5 zijn daarbij de volgende gevallen te onderscheiden:

a) Alle bij de tot stand te brengen fiscale eenheid betrokken lichamen ressorteren onder de inspecteur bij wie het verzoek is ingediend. In dit geval handelt de inspecteur -na de in hoofdstuk 3 beschreven beoordeling- overeenkomstig hetgeen is opgenomen onder punt 1.6 dan wel de hoofdstukken 4, 5 en 6.

b) De bij de tot stand te brengen fiscale eenheid betrokken moedermaatschappij ressorteert onder de inspecteur bij wie het verzoek is ingediend, maar één of meer dochtermaatschappijen ressorteren onder een andere inspecteur. In dit geval wint de inspecteur bij wie het verzoek is ingediend eerst ambtsbericht in bij (elk van) de andere inspecteur(s). Hij doet dat rechtstreeks en met gebruikmaking van het formulier VPB 0632Z*1PL (Vpb. 54) zie bijlage IV, onder bijvoeging van een fotokopie van het verzoek.

c) De bij de tot stand te brengen fiscale eenheid betrokken moedermaatschappij ressorteert onder een andere inspecteur dan die bij wie het verzoek is ingediend. In dit geval draagt de inspecteur het verzoek ter behandeling over aan die ambtgenoot. Indien een in het verzoek genoemde dochtermaatschappij wel ressorteert onder de inspecteur bij wie het verzoek is ingediend, brengt deze gelijktijdig ambtsbericht uit ten aanzien van deze dochtermaatschappij. Hiervoor gebruikt hij eveneens het formulier VPB 0632Z*1PL (Vpb. 54). De inspecteur die het verzoek heeft overgedragen stelt de indiener(s) daarvan in kennis.


2.7 Volgorde afdoening verzoeken met verschillende verenigingstijdstippen

Indien ten aanzien van dezelfde moedermaatschappij (met inachtneming van punt 1.4, tweede volzin) gelijktijdig diverse verzoeken in behandeling zijn met verschillende verenigingstijdstippen, vindt de afdoening van deze verzoeken in beginsel plaats in de volgorde van verenigingstijdstip, waarbij het verzoek met het oudste verenigingstijdstip het eerst wordt afgedaan. Evenwel behoeft de inspecteur met de afdoening van een verzoek niet te wachten op de nadere aanwijzingen van het ministerie met betrekking tot een verzoek om fiscale eenheid met ingang van een vroeger tijdstip; evenzo indien het omgekeerde zich voordoet.

In bepaalde situaties stelt de inspecteur alsdan een aanvullende voorwaarde. Zie de punten 3.3 en 5.3.


3. BEOORDELING VAN HET VERZOEK

De inspecteur beoordeelt na ontvangst van een verzoek of hij op grond van punt 1.3 van dit besluit nadere aanwijzingen moet vragen aan het ministerie. Als dit het geval is, zendt hij het verzoek met zijn ambtsbericht door naar het ministerie (zie punt 1.6 van dit besluit).

De inspecteur die het verzoek, met inachtneming van hetgeen hiervoor is opgenomen, in behandeling heeft genomen, beoordeelt het verzoek in ieder geval op de volgende aspecten.


3.1 Tijdige indiening

Is het verzoek tijdig ingediend?

Zie voor dit vereiste de punten 2.1 ad c) en 7.2 van het toelichtende besluit (Vpb.'69, nr. 1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr. DB97/118M (BNB 1997/125).

Ingeval sprake is van een fiscale eenheid met de verkrijger bij juridische fusie als moedermaatschappij aansluitend aan de verbreking van de fiscale eenheid met de verdwijner als moedermaatschappij: zie voorts punt 6. van het besluit van 5 september 1995, DB95/1225M (Vpb'69, nr. 1.02.14, BNB 1995/331) en de besluiten van 8 juli 1998, nr. DB98/1508M (BNB 1998/297) en 9 oktober 1998, nr. DB98/3494M (BNB 1998/403).


3.2 Rechtsvorm en vestigingsplaats

I) Zijn de te voegen maatschappijen naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschappen en/of besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en/of (alleen als moedermaatschappij:) een onderlinge waarborgmaatschappij en/of een coöperatie?

Opgemerkt wordt dat voor deze lichamen de vestigingsplaats niet relevant is;

verwezen wordt in dit verband naar het bepaalde in punt 5.12.

II.a) Zijn de te voegen maatschappijen naar buitenlands recht opgericht en komen ze voor op bijlage X?

II.b) Zijn de onder II.a bedoelde maatschappijen feitelijk in Nederland gevestigd?

In Infobulletin 94/644 is aangegeven dat een niet naar Nederlands recht opgericht, doch feitelijk in Nederland gevestigd lichaam voor de toepassing van artikel 15 van de Wet in aanmerking kan komen, indien dat lichaam een rechtsvorm heeft dat qua aard en inrichting vergelijkbaar is met de naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, dan wel, doch uitsluitend als moedermaatschappij, met de naar Nederlands recht opgerichte coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. In voormelde publicatie zijn de criteria weergegeven waaraan een naar buitenlands recht opgericht lichaam in elk geval moet voldoen wil dit lichaam vergelijkbaar zijn met de naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Verzoeken om toepassing van artikel 15 van de Wet in de hiervoor bedoelde gevallen werden tot nu toe voor nadere aanwijzingen doorgestuurd naar het ministerie. Inmiddels is ervaring opgedaan met het afdoen van dergelijke verzoeken. Voor een aantal buitenlandse rechtsvormen is een nadere aanwijzing niet meer nodig en kan de inspecteur dergelijke verzoeken met inachtneming van het bepaalde in punt 5.11 zelfstandig afdoen. In bijlage X is vermeld voor welke rechtsvormen geen nadere aanwijzingen meer nodig zijn. Voor rechtsvormen die niet op deze bijlage zijn vermeld, blijft een verzoek om nadere aanwijzingen noodzakelijk.


3.3 Bezitseis

Is de moedermaatschappij op het verzochte verenigingstijdstip in het bezit van alle aandelen in de dochtermaatschappij(en)?

Zie voor dit vereiste de punten 2.1 ad a) en 7.3 van het toelichtende besluit (Vpb.'69, nr. 1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr. DB97/118M (BNB 1997/125).

In voormeld punt 2.1 ad a) is vermeld dat het "bezit" van een met de moedermaatschappij verenigde dochtermaatschappij voor de toepassing van artikel 15 als "bezit" van de moedermaatschappij wordt aangemerkt.

In verband hiermee en gelet op hetgeen in de punten 1.4, tweede volzin, en 2.7 hiervoor is opgemerkt kan er voorts van worden uitgegaan dat aan dit vereiste wordt voldaan indien de aandelen in een dochtermaatschappij in het bezit zijn van een andere vennootschap die per hetzelfde of een vroeger verenigingstijdstip gaat behoren tot dezelfde fiscale eenheid. Het gaat hierbij zowel om het geval dat het verzoek met betrekking tot die andere vennootschap reeds is ingewilligd, doch één van de daarbij gestelde voorwaarden, zie punt
5.2, nog niet is aanvaard, als om het geval dat op het verzoek met betrekking tot die andere vennootschap nog niet is beslist. In deze gevallen stelt de inspecteur een aanvullende voorwaarde. Hierop wordt nader ingegaan in punt 5.3.

In het hiervoor genoemde punt 2.1 ad a) is omschreven dat een fiscale eenheid met een dochtermaatschappij waarvan de aandelen zijn gecertificeerd, niet mogelijk is. Er is evenwel goedgekeurd dat in bepaalde gevallen toch een fiscale eenheid kan worden verleend, indien uiterlijk drie maanden na het verzochte verenigingstijdstip de certificaten zijn omgewisseld in aandelen alsmede zijn ingetrokken en vernietigd.

In alle gevallen waarin aan voormelde eis is of kan worden voldaan, stelt de inspecteur een aanvullende voorwaarde. Hierop wordt nader ingegaan in punt 5.4.

Indien aan voormelde eis niet kan worden voldaan, komt als verenigingstijdstip geen eerder tijdstip in aanmerking dan de aanvang van een volgend boekjaar waarin uiterlijk drie maanden na de aanvang daarvan wèl aan voormelde eis kan worden voldaan. Zie ook het vermelde in punt 4.1.

Als de decertificering nog moet plaatsvinden stelt de inspecteur in deze gevallen eveneens de in punt 5.4 omschreven aanvullende voorwaarde.

Voor gevallen waarin niet aan de bezitseis wordt voldaan omdat sprake is van een aansluitende fiscale eenheid, een nieuw opgerichte moedermaatschappij of een aansluitende fiscale eenheid met een nieuw opgerichte moedermaatschappij, wordt verwezen naar de punten 3.5, 3.6 resp. 3.7.


3.4 Boekjaren

I. Vallen de boekjaren van de maatschappijen samen?

Zie voor dit vereiste punt 2.1 ad b) van het toelichtende besluit (Vpb.'69, nr. 1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr. DB97/118M (BNB 1997/125).

In genoemd punt zijn reeds enkele situaties beschreven waarin aan dit vereiste geacht wordt te zijn voldaan. Daarnaast kan zich nog het (waarschijnlijk zeldzame) geval voordoen dat het boekjaar van een met ingang van de oprichtingsdatum te voegen dochtermaatschappij statutair niet samenvalt met dat van de moedermaatschappij. Alsdan wordt eveneens geacht aan bedoeld vereiste te zijn voldaan mits:


- die dochtermaatschappij feitelijk haar eerste boekjaar afsluit op dezelfde datum waarop de moedermaatschappij het op het verenigingstijdstip lopende boekjaar afsluit;

en


- vóór deze datum van feitelijke afsluiting door de algemene vergadering van aandeelhouders van de desbetreffende dochtermaatschappij het besluit is genomen tot wijziging van haar boekjaar in die zin dat dit samenvalt met dat van de moedermaatschappij;

en


- (indien voor de wijziging van het boekjaar een statutenwijziging noodzakelijk is) deze uiterlijk twee maanden na de datum van feitelijke afsluiting heeft plaatsgevonden.

Zowel in dit geval als bij de situaties beschreven in voormeld punt
2.1 ad b) stelt de inspecteur een aanvullende voorwaarde. Hierop wordt nader ingegaan in punt 5.5.

II. Doet zich de situatie voor dat het boekjaar van de moeder- en/of dochtermaatschappij is gewijzigd om de fiscale eenheid eerder te kunnen laten ingaan én worden door een volgende statutenwijziging binnen 12 maanden twee korte opeenvolgende boekjaren afgesloten?

In dergelijke gevallen kan worden gesteld dat geen sprake is van geregelde jaarlijkse afsluitingen in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet, zodat het kalenderjaar als boekjaar geldt. Hierdoor zou een fiscale eenheid met ingang van het gewenste verenigingstijdstip niet mogelijk zijn. De inspecteur verleent in een dergelijke situatie onder het stellen van een aanvullende voorwaarde toch een fiscale eenheid. Met deze voorwaarde wordt bewerkstelligd dat wordt afgezien van het mogelijk extra fiscale voordeel, dat zou ontstaan door invoering van de korte boekjaren. Zie verder punt 5.5, onderdeel IV.


3.5 Aansluitende fiscale eenheid

Is sprake van een aansluitende fiscale eenheid ?

Een in het verzoek genoemde dochtermaatschappij was in het jaar voorafgaand aan het verzochte verenigingstijdstip gevoegd met een andere moedermaatschappij en er wordt een beroep gedaan op punt 2.2 van het toelichtende besluit (Vpb.'69, nr. 1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr. DB97/118M (BNB 1997/125).

Een aansluitende fiscale eenheid kan worden verleend, indien is voldaan aan alle in voormeld punt 2.2 vermelde eisen.

In deze gevallen stelt de inspecteur een aanvullende voorwaarde. Hierop wordt nader ingegaan in punt 5.6.

Voor het geval waarin sprake is van een aansluitende fiscale eenheid met een nieuw opgerichte moedermaatschappij wordt verwezen naar punt
3.7.


3.6 Nieuw opgerichte moedermaatschappij

Is sprake van een nieuw opgerichte moedermaatschappij?

Dit doet zich voor als het verzochte verenigingstijdstip is gelegen vóór het tijdstip waarop de moedermaatschappij is opgericht en een beroep wordt gedaan op punt 2.3 van het toelichtende besluit (Vpb.'69, nr. 1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr. DB97/118M (BNB 1997/125).

De fiscale eenheid kan ingaan bij de aanvang van het jaar waarin de moedermaatschappij is opgericht, indien is voldaan aan alle in voormeld punt 2.3, letters a) t/m f), gestelde eisen, alsook aan hetgeen in de daaropvolgende alinea is vermeld voor de situatie waarin de inbreng in de moedermaatschappij fiscaal geruisloos heeft plaatsgevonden.

In deze gevallen stelt de inspecteur een aanvullende voorwaarde. Hierop wordt nader ingegaan in punt 5.7.

Voor het geval waarin sprake is van een aansluitende fiscale eenheid met een nieuw opgerichte moedermaatschappij wordt verwezen naar punt
3.7.


3.7 Aansluitende fiscale eenheid met een nieuw opgerichte moedermaatschappij

Is sprake van een aansluitende fiscale eenheid met een nieuw opgerichte moedermaatschappij?

Dit doet zich voor als het gewenste verenigingstijdstip is gelegen vóór het tijdstip waarop de moedermaatschappij is opgericht en de dochtermaatschappij in het jaar voorafgaand aan dat tijdstip was gevoegd met een andere moedermaatschappij, terwijl voorts een beroep wordt gedaan op punt 2.4 van het toelichtende besluit (Vpb.'69, nr.
1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr. DB97/118M (BNB 1997/125).

De fiscale eenheid kan ingaan bij de aanvang van het jaar waarin de moedermaatschappij is opgericht, indien is voldaan aan alle in voormeld punt 2.4 vermelde eisen.

In deze gevallen stelt de inspecteur een aanvullende voorwaarde. Hierop wordt nader ingegaan in punt 5.7.


3.8 Verzekeraars

Is op één of meer van de in het verzoek genoemde maatschappij(en) het Besluit reserves verzekeraars van toepassing?

Indien op één (of meer van de) in het verzoek genoemde maatschappij(en) op het verenigingstijdstip het Besluit reserves verzekeraars van toepassing is, dient aan de hand van het beleid dat is gepubliceerd in de punten 1 t/m 4 van het besluit van 30 november 1993, nr. DB 93/2073 (Vpb.'69, nr. 1.01.81, BNB 1994/62) te worden beoordeeld of het verzoek kan worden ingewilligd met behoud van het bijzondere fiscale regime voor verzekeraars uit dat besluit.

In zo'n geval stelt de inspecteur een aanvullende voorwaarde. Hierop wordt nader ingegaan in punt 5.8.

In een geval, bedoeld in punt 4. van het besluit van 30 november 1993, nr. DB 93/2073 (Vpb'69, nr. 1.01.81, BNB 1994/62), waarin de moedermaatschappij geen verzekeraar is en de dochtermaatschappij wel, doet de inspecteur alvorens te beslissen een verzoek om nadere aanwijzingen aan het Ministerie, Directie Directe Belastingen, Sector Rechtstoepassing, Afdeling Vennootschapsbelasting. Daarbij handelt hij overeenkomstig het bepaalde in punt 1.6.

Indien de beoordeling ertoe leidt dat het bijzondere fiscale regime van verzekeraars niet op de combinatie van toepassing zal zijn, wijst de inspecteur in de overige gevallen het verzoek af.

Met betrekking tot de mogelijkheid om met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, op schriftelijk verzoek van belanghebbende, het vermogen van de combinatie (fictief) te verhogen voor de toepassing van artikel 6, derde lid, van het Besluit reserves verzekeraars, verwijs ik naar de punten 5 t/m 9 van het besluit van 30 november 1993, nr. DB 93/2073 (Vpb.'69, nr. 1.01.81, BNB 1994/62).


3.9 Coöperatie als moedermaatschappij

Is sprake van een fiscale eenheid met een coöperatie als moedermaatschappij?

Bij een fiscale eenheid tussen een coöperatie als moedermaatschappij en één of meer naamloze en/of besloten vennootschappen als dochtermaatschappij(en), bestaat de mogelijkheid dat door middel van transacties binnen de fiscale eenheid de mogelijkheden tot aftrek van zgn. verlengstukwinst (artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de Wet) worden vergroot.

Zie hiervoor punt 8.7 van het toelichtende besluit (Vpb.'69, nr.
1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr. DB97/118M (BNB 1997/125).

Teneinde bedoeld gebruik van het coöperatieregime te voorkomen, stelt de inspecteur een aanvullende voorwaarde.

Hierop wordt nader ingegaan in punt 5.9.


3.10 Hetzelfde regime en tarief (overige gevallen)

Is/was ten aanzien van geen van de in het verzoek genoemde maatschappijen een bijzonder fiscaal regime -anders dan het Besluit reserves verzekeraars of het coöperatieregime- of een bijzonder (overgangs) tarief van toepassing?

Indien één (of meer van de) in het verzoek genoemde maatschappij(en) op het verenigingstijdstip of in het jaar daaraan voorafgaand onder een bijzonder fiscaal regime valt, anders dan het regime van het Besluit reserves verzekeraars of het coöperatieregime (te denken is aan beleggingsinstellingen), vraagt de inspecteur nadere aanwijzingen overeenkomstig het bepaalde in punt 1.6.

Dit laatste is ook het geval indien op het verzochte verenigingstijdstip een bijzonder (overgangs)tarief van toepassing is ten aanzien van één (of meer van de) in het verzoek genoemde maatschappij(en).


3.11 Fiscale eenheid met de verkrijger bij juridische fusie als moedermaatschappij aansluitend aan de verbreking van de fiscale eenheid met de verdwijner als moedermaatschappij

a) Is sprake van een verzoek om fiscale eenheid met de verkrijger als moedermaatschappij aansluitend aan verbreking (als gevolg van juridische fusie) van de fiscale eenheid met de verdwijner als moedermaatschappij?

Zie het besluit van 5 september 1995, DB95/1225M (Vpb'69, nr. 1.02.14, BNB 1995/331) en de besluiten van 8 juli 1998, nr. DB98/1508M (BNB 1998/297) en 9 oktober 1998, nr. DB98/3494M (BNB 1998/403).

b) Is bij de juridische fusie het fusietijdstip, met inachtneming van het bepaalde in punt 4.2 van het besluit van 1 augustus 1994, nr. DB94/2107M (Vpb'69, nr. 1.01.96, BNB 1994/284), dan wel het bepaalde in punt 4 van het besluit van 8 juli 1998, nr. DB98/1507M (BNB 1998/296), gesteld op de aanvang van het boekjaar met ingang waarvan de verkrijger om fiscale eenheid verzoekt? Zo niet, dan is een fiscale eenheid met ingang van het fusietijdstip niet mogelijk. Zie ook punt 1 van het besluit van 5 september 1995, DB95/1225M (Vpb, nr. 1.02.14, BNB 1995/331).

c) Is voldaan aan de (overige) voorwaarden voor toepassing van artikel 15 van de Wet?

d) Maakten alle te voegen dochtermaatschappijen tot de juridische fusie deel uit van de fiscale eenheid met de verdwijner als moedermaatschappij?

Zo niet, dan stelt de inspecteur de aanvullende voorwaarde van punt
5.10 van dit besluit uitsluitend ten aanzien van de dochtermaatschappijen die wel tot de juridische fusie deel uitmaakten van de fiscale eenheid met de verdwijner als moedermaatschappij.


3.12 Afdoeningsbevoegdheid

Komt de inspecteur, met inachtneming van het vorenstaande tot de conclusie dat sprake is van één of meer situaties als vermeld onder punt 1.3, letters a. tot en met f., dan vraagt hij binnen vier weken na ontvangst nadere aanwijzingen aan het ministerie voordat hij het verzoek afdoet. Bij het bepalen van de termijn van vier weken telt de periode gedurende welke de afdoeningstermijn ingevolge artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geschorst, niet mee.


4. DOOR DE INSPECTEUR TE NEMEN BESCHIKKING

De inspecteur geeft de beschikking af binnen acht weken na ontvangst van het verzoek. Als voor een verzoek nadere aanwijzingen worden gevraagd aan het ministerie, wordt deze termijn verlengd met 8 weken.

Na de beoordeling zoals beschreven in hoofdstuk 3 beslist de inspecteur als volgt:


4.1 Inwilliging verzoek

I De inspecteur willigt het verzoek in met ingang van het verzochte verenigingstijdstip indien op dat tijdstip wordt voldaan aan de onder de punten 3.1 t/m 3.11 vermelde vereisten.

II Indien op het verenigingstijdstip niet voldaan wordt aan één of meer van de onder de punten 3.1, 3.3 en 3.4 vermelde vereisten, doch op een later mogelijk verenigingstijdstip wel, dan deelt de inspecteur alvorens een beschikking af te geven de indiener(s) mee dat en waarom afgeweken zal worden van het verzoek. Indien de indiener(s) daarmee instemt, zal de beschikking alsnog afgegeven worden. Indien de indiener(s) daarmee niet instemt/instemmen, zal de inspecteur het verzoek afwijzen.

Voor de door de inspecteur bij inwilliging van het verzoek te gebruiken vorm en formulering wordt verwezen naar bijlage VI (tevens als formulier FE 039201 opgenomen in het Modellenboek Ondernemingen).

Afwijken van het verzoek kan zich onder meer voordoen in de volgende gevallen:


- het verzoek is te laat ingediend;


- op het verzochte verenigingstijdstip zijn nog niet alle aandelen in het bezit van de moedermaatschappij;


- er is niet tijdig voldaan aan de eis met betrekking tot decertificering;


- de boekjaren vallen op het verzochte verenigingstijdstip nog niet samen;


- er is niet voldaan aan de eisen voor een aansluitende fiscale eenheid;


- er is niet voldaan aan de eisen voor een fiscale eenheid met een nieuw opgerichte moedermaatschappij;


- er is niet voldaan aan de eisen voor een aansluitende fiscale eenheid met een nieuw opgerichte moedermaatschappij;


- het verzochte verenigingstijdstip ligt vóór de oprichting van de dochtermaatschappij;


- de fiscale eenheid is gevraagd met een moedermaatschappij die zelf een

gevoegde dochtermaatschappij is of zal zijn;


- de moedermaatschappij van een bestaande fiscale eenheid met één of

meerdere dochtermaatschappijen is verdwenen bij een juridische fusie en

aansluitend wordt om een nieuwe fiscale eenheid verzocht tussen de verkrijger

en die dochtermaatschappij(-en).


4.2 Afwijzing verzoek

De inspecteur wijst het niet voor inwilliging vatbare verzoek af onder mededeling van de reden(en). Indien de inspecteur voornemens is een beschikking te nemen die geheel of gedeeltelijk afwijkt van hetgeen belanghebbende heeft verzocht, stelt hij belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord.

Voor de door de inspecteur bij de afwijzing van het verzoek te gebruiken vorm en formulering wordt verwezen naar bijlage VII (tevens opgenomen als formulier FE 049201 in het Modellenboek Ondernemingen).


4.3 Buiten behandeling stellen verzoek

Een verzoek om fiscale eenheid wordt buiten behandeling gesteld indien de

inspecteur om gegevens heeft verzocht die voor de beoordeling nodig zijn, en de belanghebbende deze, ondanks herhaald verzoek niet heeft verstrekt. De inspecteur stelt de indiener van het verzoek, binnen de termijn welke daartoe is gesteld in artikel 4:5, vierde lid, van de Awb, schriftelijk in kennis van zijn beslissing het verzoek niet te behandelen.


5. TE STELLEN VOORWAARDEN


5.1 Standaardvoorwaarden

De door de inspecteur te stellen voorwaarden staan vermeld in de boekjes:


- A6, nummer VPB 0661Z*2FD (Vpb. 55):

voeging van twee of meer dochtermaatschappijen die op het verenigingstijdstip reeds bestaan;


- B6, nummer VPB 0681Z*2FD (Vpb. 56):

voeging van één dochtermaatschappij die op het verenigingstijdstip reeds bestaat;


- C6, nummer VPB 0691Z*2FD (Vpb. 57):

voeging van één dochtermaatschappij die op het verenigingstijdstip is opgericht;


- D6, nummer VPB 0701Z*2FD (Vpb. 58):

voeging van twee of meer dochtermaatschappijen welke op het verenigingstijdstip zijn opgericht.

In alle gevallen moet in de beschikking vermeld worden dat voorwaarde 19 (aanvaarden van de voorwaarden) als niet gesteld beschouwd moet worden.

De voorwaarden worden in de volgende gevallen door de inspecteur gewijzigd en/of aangevuld.


5.2 Dochtermaatschappij reeds als moedermaatschappij gevoegd met één of meer dochtermaatschappijen

Een dochtermaatschappij vormt reeds als moedermaatschappij een fiscale eenheid met één of meer dochtermaatschappijen, waardoor het splitsingstijdstip voor de tot die fiscale eenheid behorende dochtermaatschappijen moet worden aangepast (zie ook het vermelde in punt 8.1).

Als aanvulling op de standaardvoorwaarden neemt de inspecteur als voorwaarde 20. de volgende voorwaarde op:

"Ten aanzien van het lichaam/de lichamen *) dat/die *) op het verenigingstijdstip met de dochtermaatschappijen 1) . . . . . . .2) voor de heffing van de vennootschapsbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet is/zijn *) verenigd, zal met ingang van het verenigingstijdstip -in afwijking van de destijds voor de toepassing van genoemd artikel gestelde voorwaarden- als splitsingstijdstip worden aangemerkt de aanvang van het boekjaar waarin voor de moedermaatschappij en voor ieder van *) het/de *) vorenbedoelde lichaam/lichamen afzonderlijk *) niet langer aan de in artikel 15, eerste lid, van de Wet omschreven vereisten is voldaan. De bestuurders van het vorenbedoelde lichaam/de lichamen dienen deze voorwaarde binnen 6 weken na dagtekening van deze beschikking te aanvaarden."

Indien een dochtermaatschappij reeds als moedermaatschappij een fiscale eenheid vormt met één of meer naar buitenlands recht opgerichte dochtermaatschappijen, waardoor het splitsingstijdstip voor de tot die fiscale eenheid behorende dochtermaatschappijen moet worden aangepast, neemt de inspecteur -in aanvulling op de standaardvoorwaarden- als voorwaarde 20 de volgende voorwaarde op:

Ten aanzien van het lichaam/de lichamen*) dat/die*) op het verenigingstijdstip met de dochtermaatschappijen1) 2) voor de heffing van de vennootschapsbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet is/zijn*) verenigd, zal met ingang van het verenigingstijdstip -in afwijking van de destijds voor de toepassing van genoemd artikel gestelde voorwaarden- als splitsingstijdstip worden aangemerkt de aanvang van het boekjaar waarin voor de moedermaatschappij en voor ieder van*) het/de*) vorenbedoelde lichaam/lichamen afzonderlijk*) niet langer is voldaan aan elk van de volgende eisen:


a. alle aandelen in het vorenbedoelde lichaam zijn in het bezit van de moedermaatschappij;


b. de tijdvakken waarover de vennootschapsbelasting wordt geheven vallen voor

de moedermaatschappij en het vorenbedoelde lichaam samen;


c. zowel de moedermaatschappij als het vorenbedoelde lichaam

zijn in Nederland gevestigd in de zin van de voor de bepaling van de

vestigingsplaats van deze lichamen relevante bepalingen;

De bestuurders van het vorenbedoelde lichaam/de vorenbedoelde lichamen dienen deze voorwaarde binnen 6 weken na dagtekening van deze beschikking te aanvaarden.


*) De onderstreepte gedeelten doorhalen indien één lichaam is gevoegd met (één van) de dochtermaatschappij(en).

1) De onderstreepte letters doorhalen indien slechts één dochtermaatschappij reeds als moedermaatschappij een fiscale eenheid vormt met één of meer andere lichamen.

2) Indien er meerdere dochtermaatschappijen worden gevoegd die niet alle reeds als moedermaatschappij een fiscale eenheid vormden, wordt/worden de desbetreffende dochtermaatschappij(en) aangeduid door: "genoemd onder 2a en/of 2b" enz.


5.3 Aandelen dochtermaatschappij in het bezit van een nog niet gevoegd lichaam

De aandelen in een dochtermaatschappij zijn in het bezit van een andere vennootschap die gaat behoren tot dezelfde fiscale eenheid per hetzelfde of een vroeger verenigingstijdstip.

Zowel in het geval dat er reeds een beschikking voor die andere vennootschap is afgegeven, als in het geval dat het verzoek met betrekking tot die andere vennootschap nog in behandeling is, neemt de inspecteur als voorwaarde 20. het volgende op:

"Deze beschikking vervalt indien . . . . . . . . 1) niet op het verenigingstijdstip op de voet van artikel 15 van de Wet fiscaal verenigd zal zijn met de moedermaatschappij."

1) Hier worden naam en vestigingsplaats van dat andere lichaam vermeld.


5.4 Moedermaatschappij bezit certificaten van aandelen in dochtermaatschappij

De moedermaatschappij bezit op het verenigingstijdstip nog slechts certificaten van aandelen in een dochtermaatschappij (zie ook het vermelde in punt 3.3).

Als voorwaarden 20. en 21. neemt de inspecteur de volgende voorwaarden op:

"20. De moedermaatschappij wordt voor de heffing van de vennootschapsbelasting geacht op het verenigingstijdstip in het bezit te zijn van alle aandelen in de dochtermaatschappijen 1)....2)."

"21. Deze beschikking vervalt indien uiterlijk drie maanden na het verenigingstijdstip:


a. de moedermaatschappij niet in het bezit is van alle aandelen in de dochtermaatschappijen 1)............... 2)

én


b. de certificaten van de aandelen in deze dochtermaatschappijen 1) niet zijn ingetrokken en vernietigd.

De verkrijging van de aandelen in de dochtermaatschappijen 1)noch de intrekking en het vernietigen van de certificaten van de aandelen in deze maatschappijen 1) zijn van invloed op de winst van de combinatie."

1) De onderstreepte letters doorhalen indien de aandelen in slechts één dochtermaatschappij zijn gecertificeerd.

2) Indien er meerdere dochtermaatschappijen bij dezelfde beschikking worden gevoegd wordt/worden de desbetreffende dochtermaatschappij(en) aangeduid door: "genoemd onder 2a en/of 2b" enz.


5.5 Aanpassing boekjaren

I) De met ingang van de oprichtingsdatum te voegen dochtermaatschappij heeft statutair een lang eerste boekjaar, maar zal feitelijk haar eerste boekjaar afsluiten op hetzelfde tijdstip waarop de moedermaatschappij haar op het verenigingstijdstip lopende boekjaar afsluit, waarna de boekjaren van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij feitelijk en statutair samenvallen; zie punt 2.1 ad b I) van het toelichtende besluit (Vpb.'69, nr. 1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr. DB97/118M (BNB 1997/125).

De inspecteur neemt als voorwaarde 20. het volgende op:

"Deze beschikking vervalt indien de dochtermaatschappij niet per . . .1)

daadwerkelijk een boekjaar heeft afgesloten."

1) Hier wordt het tijdstip vermeld waarop de moedermaatschappij haar op het verenigingstijdstip lopende boekjaar afsluit.

II) Het boekjaar van een op het verenigingstijdstip reeds langer bestaande doch-

termaatschappij valt op dat tijdstip statutair (nog) niet samen met dat van de

moedermaatschappij, maar zal feitelijk wel daarmee samenvallen; tevens is voldaan

aan het gestelde in punt 2.1 ad b II) van het toelichtende besluit (Vpb.'69, nr.


1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997, nr.

DB97/118M (BNB 1997/125).

De inspecteur neemt als voorwaarde 20. het volgende op:

"Deze beschikking vervalt indien de
moedermaatschappij/dochtermaatschappij(en) *) . . . . .. . 1) niet per . . . . . . . 2) daadwerkelijk een boekjaar heeft/hebben *) afgesloten."


*) Doorhalen hetgeen niet van toepassing is.

1) Indien er meerdere dochtermaatschappijen bij dezelfde beschikking worden

gevoegd, wordt/worden de desbetreffende dochtermaatschappij(en) aangeduid

door: "genoemd onder 2a en/of 2b" enz.

2) Hier wordt de datum vermeld waarop het aan het verenigingstijdstip voorafgaande

boekjaar moet worden afgesloten.

III) Het boekjaar van een met ingang van de oprichtingsdatum te voegen dochter-

maatschappij valt statutair niet samen met dat van de moedermaatschappij, maar

zal feitelijk wel daarmee samenvallen (zie het vermelde onder punt
3.4).

De inspecteur neemt als voorwaarde 20. de volgende voorwaarde op:

"Deze beschikking vervalt indien niet aan elk van de volgende eisen is voldaan:


-de dochtermaatschappij sluit feitelijk haar eerste boekjaar af op dezelfde datum

waarop de moedermaatschappij het op het verenigingstijdstip lopende boekjaar

afsluit;


-vóór die datum is door de algemene vergadering van aandeelhouders van de

desbetreffende dochtermaatschappij het besluit genomen tot wijziging van haar

boekjaar in die zin dat dit samenvalt met dat van de moedermaatschappij;


-een voor de wijziging van het boekjaar noodzakelijke statutenwijziging heeft uiterlijk

twee maanden na de hiervoor bedoelde datum plaatsgevonden".

IV. Het boekjaar van de moeder- en/of dochtermaatschappij is gewijzigd om

de fiscale eenheid eerder te kunnen laten ingaan én door een volgende

wijziging worden binnen twaalf maanden twee boekjaren afgesloten (zie

het vermelde onder punt 3.4.II).

De inspecteur neemt als voorwaarde 20 de volgende voorwaarde op:

Voor de toepassing van de artikelen 11, 11c en 13, lid 1, sub c, van de

Wet op de inkomstenbelasting 1964, juncto artikel 8, eerste lid, van de

Wet worden de investeringen die door de moedermaatschappij en/of

dochtermaatschappij(en) *) zijn verricht in haar/hun *) aan het vereni-

gingstijdstip voorafgaande (korte) boekjaar geacht te zijn verricht in het

eerste boekjaar van de combinatie.


*) Doorhalen hetgeen niet van toepassing is.


5.6 Aansluitende fiscale eenheid

Een dochtermaatschappij was in het jaar voorafgaand aan het verenigingstijdstip fiscaal verenigd met een andere moedermaatschappij (zie het vermelde in punt 3.5).

De inspecteur neemt als voorwaarde 20. de volgende voorwaarde op:

"De moedermaatschappij wordt voor de heffing van de vennootschapsbelasting geacht op het verenigingstijdstip in het bezit te zijn van alle aandelen in de dochtermaatschappijen 1) . . . . . . . . . . 2)

De na het verenigingstijdstip voor of in verband met de verwerving van deze aandelen daadwerkelijk betaalde of te betalen bedragen worden in de vermogensopstelling, als bedoeld in voorwaarde 1., als schuld opgenomen."

1) De onderstreepte letters doorhalen indien slechts één dochtermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het verenigingstijdstip met een andere moedermaatschappij was gevoegd.

2) Indien er meerdere dochtermaatschappijen worden gevoegd die niet alle reeds als dochtermaatschappij waren gevoegd in het jaar voorafgaande aan het verenigingstijdstip, wordt/worden de desbetreffende dochtermaatschappij(en) aangeduid door: "genoemd onder 2a en/of 2b" enz.


5.7 (Aansluitende fiscale eenheid met) nieuw opgerichte moedermaatschappij

Het verenigingstijdstip ligt vóór het tijdstip waarop de

moedermaatschappij is opgericht (zie ook het vermelde in punt 3.6).

Als voorwaarde 20. neemt de inspecteur de volgende voorwaarde op:

"De moedermaatschappij wordt voor de heffing van de vennootschapsbelasting geacht op het verenigingstijdstip te bestaan en in het bezit te zijn van alle aandelen in de dochtermaatschappijen 1).

De na het verenigingstijdstip voor of in verband met de verwerving van deze aandelen daadwerkelijk betaalde of te betalen bedragen worden in de vermogensopstelling, bedoeld in voorwaarde 1., als schuld opgenomen."

1) De onderstreepte letters doorhalen indien slechts één dochtermaatschappij wordt gevoegd.


5.8 Verzekeraars

Op één (of meer van de) in het verzoek genoemde maatschappij(en) is op het verenigingstijdstip het Besluit reserves verzekeraars van toepassing, welk Besluit na voeging op de combinatie van toepassing is (zie ook het vermelde in punt 3.8).

De inspecteur neemt als voorwaarde 20. de volgende voorwaarde op:

" a. De egalisatiereserve als bedoeld in artikel 2 van het Besluit reserves verzekeraars van de combinatie wordt op het verenigingstijdstip gesteld op de som van die eventueel aanwezige reserves bij de moedermaatschappij en de dochtermaatschappijen. **)


b. De egalisatiereserve van de op het splitsingstijdstip wederom afzonderlijk belastingplichtig geworden moedermaatschappij en dochtermaatschappijen **) zal -voor iedere maatschappij afzonderlijk- per dat tijdstip niet hoger zijn dan het laagste van de twee volgende maxima:


1. Het voor de desbetreffende maatschappij in artikel 3 of in artikel 14, letter a, van het Besluit reserves verzekeraars gestelde maximum. Dit maximum wordt eventueel verhoogd met een evenredig gedeelte van het bedrag waarmede ingevolge het bepaalde in artikel 15, tweede lid, de egalisatiereserve van de combinatie per het einde van het jaar dat onmiddellijk aan het splitsingstijdstip voorafgaat het in artikel 3 of artikel 14, letter a, gestelde maximum te boven gaat.


2. Het vermogen verminderd met het gestorte kapitaal en de overige toelaatbare reserves. Voor het bepalen van het vermogen worden mede als schulden aangemerkt de bij het bepalen van de winst niet in aftrek komende uitdelingen en daarmede gelijkgestelde betalingen die na het splitsingstijdstip plaatsvinden doch betrekking hebben op jaren welke op dat tijdstip reeds waren geëindigd.


c. De egalisatiereserve van de combinatie zal per het einde van het jaar dat onmiddellijk aan het splitsingstijdstip voorafgaat niet hoger zijn dan de som van de met inachtneming van de onder b gegeven regels bepaalde egalisatiereserve van de moedermaatschappij en die van de dochtermaatschappijen **).


d. De egalisatiereserve van de combinatie wordt op het splitsingstijdstip over de moedermaatschappij en de dochtermaatschappijen **) verdeeld naar verhouding van de laagste maxima bedoeld onder b."


**) De onderstreepte letters doorhalen indien het slechts één dochtermaatschappij betreft.


5.9 Coöperatie als moedermaatschappij

Er wordt een fiscale eenheid gevraagd met een coöperatie als moedermaatschappij en één of meer naamloze en/of besloten vennootschappen als dochtermaatschappij(en) (zie ook het vermelde in punt 3.9).

De inspecteur neemt als voorwaarde 20. het volgende op:

"Na beëindiging van de toepassing van artikel 15 van de Wet vindt artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van die Wet geen toepassing op winst ontstaan uit realisatie van stille reserves, inclusief goodwill, die tijdens het bestaan van de fiscale eenheid door een dochtermaatschappij aan de moedermaatschappij zijn overgedragen en evenmin op winsten uit fiscale reserves welke betrekking hadden op de bedrijfsuitoefening van een dochtermaatschappij, en wel tot ten hoogste het bedrag van de stille respectievelijk fiscale reserves op het tijdstip waarop de moedermaatschappij in het bezit is gekomen van de aandelen in de dochtermaatschappij tot wier vermogen die stille of fiscale reserves behoorden."


5.10 Fiscale eenheid met de verkrijger bij juridische fusie als moedermaatschappij aansluitend aan de verbreking van de fiscale eenheid met de verdwijner als moedermaatschappij

Ingeval van inwilliging van een verzoek om fiscale eenheid met de verkrijger als moedermaatschappij, aansluitend aan verbreking van de fiscale eenheid (als gevolg van een juridische fusie) met de verdwijner als moedermaatschappij, worden de te stellen standaardvoorwaarden fiscale eenheid als volgt gewijzigd en aangevuld:

Na voorwaarde 4. wordt de volgende wijziging/aanvulling opgenomen:

"In afwijking in zoverre van, respectievelijk in aanvulling in zoverre op zowel het vorenstaande als de daaromtrent gestelde voorwaarden bij de toepassing van artikel 14b (voorheen: 29a) van de Wet op als verdwijnende rechtspersoon en als verkrijgende rechtspersoon vindt:


- de voorwaartse verrekening van een vóór het verenigingstijdstip door een van de dochtermaatschappijen geleden verlies, alsook van het verlies waarvan de aanspraak op verrekening is overgegaan op de hiervoor genoemde verkrijgende rechtspersoon,

zowel als


- de achterwaartse verrekening van een na dat tijdstip door de combinatie geleden verlies, voor zover dat verlies is toe te rekenen aan de onderneming van de verkrijgende rechtspersoon alsmede aan de onder 2 genoemde dochtermaatschappijen,

slechts plaats overeenkomstig de regeling die, mede gezien de voorwaarden die zijn gesteld bij de toepassing van artikel 15 van de Wet op als moedermaatschappij en de onder 2 genoemde rechtspersonen als dochtermaatschappijen, voor deze verrekening zou hebben gegolden.

Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op de verrekening van voor dat tijdstip ontstane, te verrekenen investeringsbijdragen, alsmede voor de overbrenging respectievelijk verrekening van de voor dat tijdstip, ontstane over te brengen positieve dan wel te verrekenen negatieve buitenlandse winsten."

Indien niet alle te voegen dochtervennootschappen tot aan de juridische fusie als dochtermaatschappij deel uitmaakten van de oude fiscale eenheid stelt de inspecteur deze extra voorwaarde alleen ten aanzien van die dochtermaatschappij(en) die wel tot aan de juridische fusie als dochtermaatschappij tot de oude fiscale eenheid behoorde(n).


5.11. Naar buitenlands recht opgerichte vennootschappen, die feitelijk in Nederland zijn gevestigd

Er wordt een fiscale eenheid gevraagd met een naar buitenlands recht opgericht lichaam, dat feitelijk in Nederland is gevestigd.

Als het betreffende naar buitenlands recht opgerichte lichaam voorkomt op de lijst in Bijlage X, dan wordt een beschikking afgegeven, waarin de inspecteur de volgende wijzigingen aanbrengt:


a. Bij de vestigingsplaats van het naar buitenlands recht opgerichte lichaam moet

worden toegevoegd naar omstandigheden beoordeeld gevestigd te.


b. In de beschikking moet worden vermeld dat de fiscale eenheid wordt verleend op

grond van het bepaalde in artikel 15 van de Wet én de non-discriminatiebepaling uit het verdrag dat geldt met het land van oprichting van de betreffende

buitenlandse vennootschap.


c. Standaardvoorwaarde 10 wordt vervangen door de volgende voorwaarde:

het splitsingstijdstip wordt voor de moedermaatschappij en de dochtermaatschap-pijen*) gesteld op de aanvang van het jaar waarin voor de moedermaatschappij en voor de/elke*) dochtermaatschappij afzonderlijk*) niet langer aan elk van de volgende eisen is voldaan:


a. alle aandelen in de dochtermaatschappij zijn in het bezit van de moedermaat-

schappij;


b. de tijdvakken waarover de vennootschapsbelasting wordt geheven vallen voor de

moedermaatschappij en de dochtermaatschappij samen;


c. zowel de moedermaatschappij als de dochtermaatschappij zijn in Nederland

gevestigd in de zin van de voor de bepaling van de vestigingsplaats van deze

lichamen relevante bepalingen.


*) De onderstreepte gedeelten doorhalen indien één dochtermaatschappij wordt gevoegd.

Zie bijlage XI voor een voorbeeld van een beschikking van een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap.


5.12. In het buitenland gevestigde naar Nederlands recht opgerichte naamloze en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

In het buitenland gevestigde, naar Nederlands recht opgerichte naamloze en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid komen op grond van het arrest van de Hoge Raad 29 juni 1988, rolnummer 24 738, BNB1988/331, in aanmerking voor de toepassing van artikel 15 van de Wet. Voor deze gevallen hoeft in de beschikking geen aanvullende voorwaarde te worden opgenomen. Wel dient er in de begeleidende brief op te worden gewezen dat de herziening van de fiscale eenheid te zijner tijd van invloed kan zijn op de desbetreffende fiscale eenheid, hetgeen onder omstandigheden kan betekenen dat de fiscale eenheid wordt verbroken.


6. AFWERKING BESCHIKKINGEN

Nadat de beschikking overeenkomstig vorm en formulering zoals opgenomen in bijlage VI of VII (tevens opgenomen als model FE 039201 resp. FE 049201 in het Modellenboek Ondernemingen) is opgemaakt en de minute van de beschikking met de bijbehorende stukken in de legger van de moedermaatschappij is gedeponeerd, handelt de inspecteur als volgt:


6.1 Verzoek ingewilligd

Indien het verzoek om toepassing van artikel 15 is ingewilligd:

a) zendt hij aan de indiener(s) van het verzoek


-voor elke in de beschikking genoemde maatschappij een ondertekend afschrift van de beschikking (met een boekje met bijbehorende voorwaarden)

alsmede


-een formulier accoordverklaring art. 15 Wet Vpb '69 als het een verzoek betreft als onder punt 5.2. Hij maakt hiervoor gebruik van het formulier VPB 64 -2Z*1PL (Vpb. 54a); zie bijlage VIII.

b) deponeert hij een ondertekend afschrift van de beschikking (zonder boekje met bijbehorende standaardvoorwaarden) na aanvaarding van de voorwaarde in de leggers van de moedermaatschappij en de onder hem ressorterende dochtermaatschappij(en) als het een verzoek als bedoeld in punt 5.2 betreft.

c) zendt hij vervolgens, indien ten aanzien van een dochtermaatschappij door een andere inspecteur ambtsbericht is uitgebracht, rechtstreeks aan deze inspecteur een ondertekend afschrift van de genomen beschikking (zonder boekje met bijbehorende standaardvoorwaarden) dat bestemd is voor de legger van die dochtermaatschappij en nodigt hem daarbij zo nodig uit de legger(s) van de onder hem ressorterende dochtermaatschappij(en) op te zenden.


6.2 Verzoek niet ingewilligd

Indien het verzoek om toepassing van artikel 15 niet is ingewilligd:

a) zendt hij aan de indiener(s) van het verzoek voor elke in de beschikking genoemde maatschappij een ondertekend afschrift van de afwijzende beschikking;

b) deponeert hij vervolgens een ondertekend afschrift van de afwijzende beschikking in de leggers van de moedermaatschappij en de onder hem ressorterende dochtermaatschappij(en).

Is ten aanzien van een dochtermaatschappij door een andere inspecteur ambtsbericht uitgebracht dan zendt hij vervolgens aan deze rechtstreeks een ondertekend afschrift van de genomen beschikking.


7. OVERGANGSREGELING


7.1 Reeds ingediende verzoeken

Alle reeds ingediende verzoeken, welke bij het verschijnen van deze herdruk nog niet zijn afgehandeld, kunnen door de inspecteurs met inachtneming van het vorenstaande worden afgedaan.


8. AANDACHTSPUNTEN

Tenslotte vraag ik de inspecteurs om aandacht voor de volgende punten.


8.1 Dochter- gaat met kleindochtermaatschappij uit de fiscale eenheid

Indien een moedermaatschappij wordt gevoegd met een dochtermaatschappij die reeds zelf als moedermaatschappij is gevoegd met een of meer dochtermaatschappijen, wordt ingevolge punt 5.2 een aanvullende voorwaarde gesteld. Deze voorwaarde beoogt een aanpassing van het splitsingstijdstip voor de reeds op het verenigingstijdstip met de dochtermaatschappij gevoegde (kleindochter-)maatschappijen.

Indien op een later tijdstip de fiscale eenheid tussen de (nieuwe) moedermaatschappij en de dochtermaatschappij verbroken wordt, vindt, op grond van vorenvermelde voorwaarde, eveneens ontvoeging plaats van de met de dochtermaatschappij gevoegde (kleindochter-)maatschappijen. Een eerdere beschikking herleeft dus niet.

Uiteraard staat het belanghebbenden vrij aansluitend aan de verbreking een nieuwe

fiscale eenheid te verzoeken (zie ook punt 2.1 ad c) van het toelichtende besluit

(Vpb.'69, nr. 1.01.34, BNB 1991/329) zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 1997,

nr. DB97/118M (BNB 1997/125); de zgn. doorlopende fiscale eenheid).


8.2 Uitsluiting van renteaftrek

De per 24 december 1996 ingevoerde regeling van artikel 15 lid 4 Wet Vpb'69 ziet op de situatie dat ter zake van de verwerving van de aandelen van een te voegen lichaam een lening wordt opgenomen bij een verbonden lichaam, terwijl dat lichaam of een daarmee verbonden lichaam met het oog op de verwerving niet of niet in dezelfde mate vreemd vermogen heeft aangetrokken. In dat geval wordt de renteaftrek (tijdelijk) beperkt tot het bedrag van de winst van de maatschappij die de geldlening heeft opgenomen. De strekking van de regeling is om te voorkomen dat de winst van een overgenomen werkmaatschappij wordt aangewend voor de financiering van haar eigen overname.

Het vierde lid ziet in de eerste plaats op rente van geldleningen die verband houden met de verwerving van aandelen in niet verbonden lichamen. De regeling is echter mede van toepassing op rente die verband houdt met de verwerving van aandelen in een verbonden lichaam. Laatstgenoemde situatie wordt tevens - door (volledige) uitsluiting van renteaftrek - bestreden door artikel 10a, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb'69 jo artikel 10a derde lid Wet Vpb '69.

Overigens kan ook in situaties dat aandelen worden verworven in niet-verbonden lichamen mogelijk de (volledige) renteaftrek door de inspecteur worden geweigerd in geval rente ter zake van geldleningen die verband houden met deze verwerving, is verschuldigd aan een verbonden lichaam, bij welk lichaam de corresponderende rentebate per saldo niet is onderworpen aan een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing. Hierbij valt onder andere te denken aan rente verschuldigd aan een in Nederland gevestigd verbonden lichaam dat niet belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting of aan een in een taxhaven gevestigd verbonden lichaam. Oneigenlijk gebruik zal, waar mogelijk, bestreden worden (Kamerstukken 24 696, nr. 5, pag. 42/43). De inspecteurs wordt dan ook verzocht aan deze kwestie aandacht te besteden en situaties waarin zich mogelijk oneigenlijk gebruik voordoet te melden aan de Coördinatiegroep Taxhavens (secretariaat: Belastingdienst/Grote ondernemingen Maastricht, Postbus 5740, 6202 MD Maastricht).


9. DIVERSEN


9.1 Materiaalvoorziening

Het volgende materiaal zal door de inspecteur worden gebruikt:


-formulier VPB 0622V*1PL (Vpb. 53a)


-formulier VPB 0632Z*1PL (Vpb. 54)


-formulier VPB 64 - 2Z*1PL (Vpb. 54a)


-boekjes:

A, VPB 0661Z*2FD (Vpb. 55),

B, VPB 0681Z*2FD (Vpb. 56),

C, VPB 0691Z*2FD (Vpb. 57),

D, VPB 0701Z*2FD (Vpb. 58).


-toelichting VPB 0671Z*2FD (Vpb. 55a).

Het formulier VPB 0622V*1PL (Vpb. 53a) is 1989 herzien, het formulier VPB 0632Z*1PL (Vpb. 54) in 1992 en het formulier VPB 64 - 2Z*1PL (Vpb. 54a) in 1997. De modellen FE 019210, FE 029201, en FE 059201 zijn in 1993 herzien. De modellen FE039201 en FE049201 zijn in 1997 herzien.

Er dient van deze versies gebruik te worden gemaakt.


9.2 Boekwerk vennootschapsbelasting

Het ligt in de bedoeling om te zijner tijd zowel de onderhavige instructie als alle tot dusver gebruikte versies van de standaardvoorwaarden gelijktijdig in het Boekwerk Vennootschapsbelasting 1969 op te nemen.

Voor de goede orde volgt hier een opsomming van de boekjes waarin de voorwaarden zijn vermeld overeenkomstig de publikatie in de Nederlandse Staatscourant van


- 5 december 1972, nr. 237, waarbij de letteraanduiding wordt gevolgd door het cijfer 1;


- 27 februari 1976, nr. 41, waarbij de letteraanduiding wordt gevolgd door het cijfer 2;


- 22 augustus 1978, nr. 162, waarbij de letteraanduiding wordt gevolgd door het cijfer 3;


- 28 april 1983, nr. 82, waarbij de letteraanduiding wordt gevolgd door het cijfer 4;


- 20 november 1986, nr. 225, waarbij de letteraanduiding wordt gevolgd door het cijfer 5;


- 30 september 1991, nr. 189, waarbij de letteraanduiding wordt gevolgd door het cijfer 6.


9.3 Vervallen besluit

Het besluit van 1 september 1987, nr. 287-2878 (boekwerk Vpb. '69-396) heeft in verband met het vorenstaande haar belang verloren.


9.4 Opsomming bijlagen

Bijlage

I. Bijlage bij verzoek om fiscale eenheid, VPB 0622V*1PL (Vpb. 53a)

II. Ontvangstbevestiging (FE 019201)

III. (Model)kaart t.b.v. registratie ingekomen verzoeken, VPB 61-6Z*2PL (Vpb. 53)

IV. Vraagstelling in te winnen c.q. uit te brengen ambtsbericht, VPB 0632Z*1PL (Vpb. 54)
V. Verzoek om nadere informatie (FE 029201)
VI. VIa: Vorm van de beschikking bij inwilliging van het verzoek

(FE 039201)

VIb: Aanbiedingsbrief bij de beschikking

VII. Vorm van de beschikking bij afwijzing van het verzoek (FE 049201)

VIII. Formulier akkoordverklaring bij beschikking van de inspecteur voor de kleindochter(s) (zie punt 5.2), VPB 64-2Z*1PL (Vpb. 54a)

IX. Modelbrief verbreking op verzoek

X. Overzicht van buitenlandse rechtsvormen die wat rechtsvorm betreft

kwalificeren voor de fiscale eenheid

XI. Modelbeschikking voeging van naar buitenlands recht opgericht,

doch feitelijk in Nederland gevestigd, lichaam


9.5 Inlichtingen

Voor inlichtingen kunnen belanghebbenden contact opnemen met de competente inspecteur van de Belastingdienst, die zich zonodig verstaat met de portefeuillehouder vennootschapsbelasting.

BIJLAGE VIa; INWILLIGING Vpb. '69-466

Beschikking fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Belastingdienst/ Beschikking

Datum:

De Inspecteur van de Belastingdienst/ ,

Beschikkende op het verzoek van te van , kenmerk , inzake de toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op de moedermaatschappij:


1. te

en de dochtermaatschappij(en):

2a te ;

2b te :

Gelet op artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

BESLUIT:

Het verzoek van de hiervoor genoemde lichamen in te willigen met ingang van , onder de volgende voorwaarden.

VOORWAARDEN:

Aan de inwilliging van het verzoek zijn voorwaarden verbonden. Deze zijn vermeld in bijlage die deel uitmaakt van deze beschikking, met dien verstande dat deze voorwaarden zijn gewijzigd en aangevuld als volgt:


- voorwaarde 19. in bijlage vervalt;


- .

Belastingdienst/

De Inspecteur,

namens deze

.............

Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met deze beschikking kunt u binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking een bezwaarschrift indienen bij de Belastingdienst. Het postadres staat op deze beschikking.

Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het binnen de bezwaartermijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan één week na afloop van de termijn is ontvangen.

Bijlagen:

voorwaarden


FE039201

4e herdruk d.d. 23-7-1997, nr. DB96/4950M

BIJLAGE VIb; AANBIEDINGSBRIEF

Vpb. '69-466

Aanbiedingsbrief bij de beschikking

Belastingdienst/

Uw brief van: Datum:

Uw kenmerk: Ons kenmerk:



Onderwerp: Beschikking op grond van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Geachte ,

Naar aanleiding van uw bovenvermelde brief waarin u verzoekt om toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op en haar dochtermaatschappij(en) , zend ik u hierbij afschriften van de beschikking.

Hoogachtend,

Belastingdienst/

De inspecteur,

namens deze

.............

Bijlage:

beschikking

4e herdruk d.d. 23-7-1997, nr. DB96/4950M

BIJLAGE VII; AFWIJZING Vpb. '69-466

Beschikking afwijzing verzoek om fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Belastingdienst/ Beschikking

Datum:

De Inspecteur van de Belastingdienst/ ,

Beschikkende op het verzoek van te van , kenmerk , inzake de toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op de moedermaatschappij:


1. te

en de dochtermaatschappij(en):

2a te ;

2b te :

Gelet op artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

overwegende dat


BESLUIT:

Het verzoek van de hiervoor genoemde lichamen af te wijzen.

Belastingdienst/

De Inspecteur,

namens deze

.............

Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met deze beschikking kunt u binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking een bezwaarschrift indienen bij de Belastingdienst. Het postadres staat op deze beschikking.

Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het binnen de bezwaartermijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan één week na afloop van de termijn is ontvangen.

FE049201

4e herdruk d.d. 23-7-1997, nr. DB96/4950M

BIJLAGE VIII; AKKOORDVERKLARING Vpb. '69-466

Akkoordverklaring inzake fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Terugzenden aan:

Belastingdienst/


De ondergetekende(n), bestuurder(s) van:

te

verklaart/verklaren hierbij akkoord te gaan met de gestelde voorwaarde 20.in de beschikking van de inspecteur van de
Belastingdienst/ van , kenmerk inzake toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Datum:

De kleindochtermaatschappij(en):

NB: Indienen binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking

064.2Z*1PL

4e herdruk d.d. 23-7-1997, nr. DB96/4950M

BIJLAGE IX; MODELBRIEF

Verbreking op verzoek

Belastingdienst/


Uw brief van: Datum:

Uw kenmerk: Ons kenmerk:



Onderwerp: Artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Verzoek om verbreking fiscale eenheid.

Geachte ,

Naar aanleiding van uw brief van waarin u verzoekt om verbreking van de fiscale eenheid tussen en , deel ik het volgende mee.

Ik keur goed dat, in afwijking van de gestelde voorwaarden voor de toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, het splitsingstijdstip ten aanzien van wordt gesteld op .

Aan deze goedkeuring verbind ik de voorwaarde dat binnen zes weken na dagtekening van deze brief bij mij schriftelijk bericht dient te zijn ingekomen van de bestuurders van en dat zij instemmen met deze afwijking van de voorwaarden.

Hoogachtend,

Belastingdienst/

De inspecteur,

namens deze

....................

BIJLAGE X;

Overzicht van buitenlandse rechtsvormen die wat rechtsvorm betreft kwalificeren voor de fiscale eenheid


a. de naar Antilliaans recht opgerichte naamloze vennootschap;


b. de naar Belgisch recht opgerichte naamloze vennootschap en besloten

vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;


c. de naar Brits recht opgerichte private company limited by shares en public

limited company;


d. de naar Duits recht opgerichte Gesellschaft mit beschränkter Haftung;


e. de naar Frans recht opgerichte société à responsabilité limitée;


f. de naar Iers recht opgerichte private company limited by shares;


g. de naar Noors recht opgerichte aksjeselskap;


h. de naar Spaans recht opgerichte sociedad anónima;


i. de naar het recht van de State of Delaware opgerichte Inc.;

j. de naar Zuid-Afrikaans recht opgerichte (proprietary) limited.

Van toepassing zijnde Verdragsbepalingen:

ad a) artikel 1 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk;

ad b) artikel 25 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, ondertekend te Brussel op 19 oktober 1970;

ad c) artikel 23 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, ondertekend te 's-Gravenhage op 7 november 1980, zoals gewijzigd bij de Protocollen van 12 juli 1983 en 24 augustus 1989;

ad d) artikel 24 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, ondertekend te 's-Gravenhage op 16 juni 1959, zoals aangevuld en gewijzigd bij de Protocollen van 13 maart 1980 en 21 mei 1991;

ad e) artikel 25 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Parijs op 16 maart 1973;

ad f) artikel 24 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen met Protocol; ondertekend te s-Gravenhage op 11 februari 1969;

ad g) artikel 25 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol, gesloten te Oslo op 12 januari 1990;

ad h) artikel 26 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol, ondertekend te Madrid op 16 juni 1971;

ad i) artikel 28 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, ondertekend te Washington op 18 december 1992, zoals gewijzigd bij Protocol van 13 oktober 1993;

ad j) artikel 25 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek van Zuid-Afrika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, met Protokol, ondertekend te Kaapstad op 15 maart 1971.

BIJLAGE XIa; MODELBESCHIKKING

Voeging van een naar buitenlands recht opgericht, doch feitelijk in Nederland gevestigd lichaam

Belastingdienst/ Beschikking

Datum:

De inspecteur van de Belastingdienst/,

Beschikkende op het verzoek van te van , kenmerk , inzake de toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op de moedermaatschappij:


1. *) te ,

en de dochtermaatschappij:


2. *) te ;


*) indien sprake is van een naar buitenlands recht opgericht lichaam, dient hier nog te worden toegevoegd: naar omstandigheden beoordeeld gevestigd

Gelet op en artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

BESLUIT:

Het verzoek van de hiervoor genoemde lichamen in te willigen met ingang van , onder de volgende voorwaarden,

VOORWAARDEN:

Aan de inwilliging van het verzoek zijn voorwaarden verbonden. Deze zijn vermeld in bijlage die deel uitmaakt van deze beschikking, met dien verstande dat deze voorwaarden zijn gewijzigd en aangevuld als volgt:


- voorwaarde 19. in bijlage vervalt;


- de voorwaarde 10. wordt vervangen door de volgende voorwaarde:

het splitsingstijdstip wordt voor de moedermaatschappij en de dochtermaatschappijen*) gesteld op de aanvang van het jaar waarin voor de moedermaatschappij en voor de/elke*) dochtermaatschappij afzonderlijk*) niet langer aan elk van de volgende eisen is voldaan:


a. alle aandelen in de dochtermaatschappij zijn in het bezit van de moedermaatschappij;


b. de tijdvakken waarover de vennootschapsbelasting wordt geheven vallen voor de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij samen;


c. zowel de moedermaatschappij als de dochtermaatschappij zijn in Nederland gevestigd in de zin van de voor de bepaling van de vestigingsplaats van deze lichamen relevante bepalingen.


- .

Belastingdienst/

De inspecteur,

....................

Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met deze beschikking kunt u binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking een bezwaarschrift indienen bij de Belastingdienst. Het postadres staat op deze beschikking.

Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het binnen de bezwaartermijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan één week na afloop van de termijn is ontvangen.

Bijlagen:

voorwaarden


*) De onderstreepte gedeelten doorhalen indien één dochtermaatschappij wordt gevoegd.

Deel: ' Besluit Afdoening VPB-verzoeken door de inspecteur '




Lees ook