Ministerie van Financien

Titel: stamrechten

Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 september 1999 nr. DB99/2343M (herdruk van het besluit van 9 september 1998, nr. DB98/1229M )

De plv Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Inleiding

Onder het vóór 1 januari 1992 geldende wettelijke regime was het mogelijk een verzoek om termijnverlenging in te dienen inzake stamrechten als bedoeld in artikel 44j, derde lid (oud) en artikel 19 (oud) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Bij besluit van 13 augustus 1987, nr. DB87/1758, was de inspecteur in bepaalde gevallen gemachtigd aan dergelijke verzoeken - onder voorwaarden - tegemoet te komen. Bij mijn besluit van 10 juni 1993, nr. DB93/2467M, V-N 1993, blz 1898, punt 16, heb ik aangegeven dat met ingang van het belastingjaar 1992 niet meer tegemoet wordt gekomen aan verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule de na de kritieke datum

(de zesmaandstermijn van artikel 45b, tweede lid van de Wet) betaalde lijfrentepremies alsnog in aanmerking te nemen als waren deze betaald vóór die datum.

Mij is echter gebleken dat dit standpunt in bepaalde gevallen kan leiden tot ongewenste gevolgen, met name in gevallen waarbij de inspecteur een aanzienlijke correctie aanbrengt op de aangegeven stakingswinst, alsmede in gevallen waarbij de termijnoverschrijding het gevolg is van (zeer) bijzondere omstandigheden terwijl daarmee de mogelijkheid tot een eenmalig verhoogde aftrek definitief verloren gaat.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de termijn van artikel 45b, tweede lid, van de Wet (de zogenoemde zesmaands-termijn) kan worden verlengd ingeval:
a. de termijnoverschrijding wordt veroorzaakt door een omstandigheid die de belastingplichtige redelijkerwijs niet kan worden aangerekend, zulks aannemelijk te maken door de belastingplichtige. Hierbij kan aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie inzake artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht of - indien genoemde jurisprudentie (nog) geen uitsluitsel biedt - de jurisprudentie inzake artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

b. de inspecteur brengt bij de vaststelling van de definitieve aanslag dan wel een navorderingsaanslag een zodanige correctie aan waardoor de te betalen inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen met ten minste f 1 200,- toeneemt. De correcties mogen niet het gevolg zijn van grove schuld of opzet als bedoeld in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, zulks ter beoordeling van de bevoegde inspecteur. Bij grove schuld kan tevens worden gedacht aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid.

De goedkeuring is beperkt tot de lijfrente die kan worden bedongen ingevolge artikel 45a, vierde en vijfde lid, van de Wet. In het besluit van 30 maart 1998, nr. DB98/1230M, antwoord op vraag E. 5, heb ik aangegeven dat het mogelijk is bij de overnemer van een onderneming een lijfrente te bedingen terwijl gebruik wordt gemaakt van de aftrekruimte die beschikbaar is op basis van de eerste, tweede en derde tranche. Het betreft de situatie waarin de stakingswinst de maximaal beschikbare aftrekruimte op basis van de vijfde tranche overtreft. Indien de inspecteur bij de vaststelling van de definitieve aanslag dan wel een navorderingsaanslag een zodanige correctie aanbrengt op de stakingswinst dat daarmee de maximale aftrekruimte op basis van de vijfde tranche (verder) wordt overschreden keur ik goed dat de termijnverlenging eveneens wordt toegestaan voor de lijfrente die kan worden bedongen met toepassing van de eerste, tweede en/of derde tranche nu de behoefte aan het (alsnog) benutten van die (extra) aftrekruimte is ingegeven door die correctie.

Ik heb hierbij overwogen dat dergelijke (vaak aanzienlijke) correcties plaatsvinden op onderdelen van de stakingswinst waarvan de exacte hoogte een discussiepunt kan zijn (bijvoorbeeld de goodwill), in tegenstelling tot relatief eenvoudiger vast te stellen onderdelen van het inkomen, zoals loon. Gelet op het voorgaande, acht ik het tevens redelijk ook een termijnverlenging toe te staan voor de het geval een lijfrente met toepassing van de vijfde tranche is bedongen bij een zogenoemde professionele verzekeraar, terwijl door de correctie op de stakingswinst behoefte bestaat aan het alsnog benutten van de niet (volledig) gebruikte ruimte van de eerste, tweede en/of derde tranche. Wellicht ten overvloede merk ik op dat uiteraard dient te zijn voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de eerste, tweede en/of derde tranche.

Ik merk nog op dat de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het benutten van de extra aftrekruimte op basis van de derde tranche, meebrengt dat de eerste tranche al benut is (Hoge Raad, 15 april 1998, nr. 32 235, BNB 1998/175c*). Onlangs heeft de Hoge Raad een gelijkluidend standpunt ingenomen ten aanzien van de vermeerdering op basis van de vijfde tranche ( Hoge Raad, 23 juni 1999, nr. 34 629 ).

Voorbeeld

X , ongehuwd en 61 jaar oud, staakt zijn onderneming door de inbreng in BV X. Aangegeven stakingswinst na aftrek stakingswinstvrijstelling f 600 000. Beschikbare aftrekruimte 2e en 3e tranche (stel) f 70.000. Er is geen FOR.

Op basis van artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de wet kan bij de BV een lijfrente worden bedongen tot maximaal de stakingswinst; f 600 000. Op basis van artikel 45a, van de wet bedraagt de maximale aftrekruimte f 6.075 (1e tranche ) + f 70.000 (2e +3e tranche) + f 600.000 (5e tranche) = 676.075. Hij bedingt bij de BV voor f 600.000 een van het inkomen aftrekbare lijfrente; van de aftrekruimte op basis van de 2e en 3e tranche maakt hij dus in feite geen gebruik.

Na correctie door de inspecteur bedraagt de stakingswinst f 900.000. X had - indien de stakingswinst direct juist was aangegeven - een van het inkomen aftrekbare lijfrente kunnen bedingen van:

f 6.075 + f 70. 000 + f 770.761 (maximum 45a, vijfde lid wet) = f 846.836. De aftrekruimte kon dan, op basis van artikel 45, zevende lid van de wet, geheel worden benut door een lijfrente te bedingen bij de vennootschap. Indien sprake is van een situatie als bedoeld onder punt b hiervoor, kan alsnog een van het inkomen aftrekbare (aanvullende) lijfrente bij de BV worden bedongen voor f 246. 836.

Een verzoek om termijnverlenging dient te worden gericht aan de bevoegde inspecteur. De inspecteur is gemachtigd een dergelijk verzoek in te willigen, ook voordat de desbetreffende (navorderings) aanslag onherroepelijk vaststaat. Het verzoek dient evenwel uiterlijk zes weken na onherroepelijk vaststaan van voornoemde aanslag te zijn ingediend. De inspecteur stelt bij inwilliging van het verzoek als voorwaarde dat binnen een door hem te stellen termijn zowel de lijfrente wordt bedongen als de desbetreffende premie wordt betaald of verrekend.

In andere dan de onder a en b genoemde gevallen van termijnoverschrijding of wanneer het verzoek

te laat is ingediend, wordt geen termijnverlenging toegestaan.

Deel: ' Besluit Financien inzake stamrechten '




Lees ook