Ministerie van Financien

Titel: Fiscale behandeling van pensioenen



Besluit van 18 mei 1999, houdende wijziging van het

Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 in verband met de inwerkingtreding van de Wet fiscale behandeling van pensioenen

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 22 februari 1999, nr. WDB98/424M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Gelet op de artikelen 18g, 18h, en 19e van de Wet op de loonbelasting 1964;

De Raad van State gehoord (advies van 30 maart 1999 nr. W06.99.0086/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 29 april 1999, nr. WDB99/74U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

In het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 19651.1Stb. 1965, 202, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 22 december 1998, Stb. 731.

1 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A. In artikel 1, eerste lid, wordt na artikelen 4, 7, ingevoegd: 18g, 18h, 19e,.

B. Na artikel 10 wordt ingevoegd:

Artikel 10a. 1. Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als diensttijd, als bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18e, 18i en 38a van de wet, worden in aanmerking genomen:
a. de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd, daaronder begrepen perioden van - al dan niet in deeltijd -:

1º. ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 644 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

2º. sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige gedurende ten hoogste twaalf maanden;

3º. studieverlof voor cursussen, voor opleidingen of studie voor een beroep, voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen, opleidingen of studie die door de inhoudingsplichtige worden gefinancierd;

4º. verlof als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering loopbaanonderbreking gedurende ten hoogste achttien maanden;

met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.


b. perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd, voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling;


c. perioden gedurende welke, in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden, na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen;


d. perioden gedurende welke, in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden, uitkeringen worden ontvangen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i van de wet;


e. perioden gedurende welke, in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden, uitkeringen worden ontvangen ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a van de wet;


f. dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld in de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige, voor zover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld;
g. perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt, meetellen voor de helft. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.


2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is met betrekking tot perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot vorige inhoudingsplichtigen, inkoop van ontbrekende dienstjaren tot 8 juli 1994 toegestaan indien de werknemer aannemelijk kan maken dat er, gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige, als gevolg van het ontbreken van die dienstjaren sprake is van een pensioentekort, daaronder begrepen perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke in het buitenland werkzaamheden zijn verricht voor een met een vorige inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd.

Artikel 10b. 1. Als loonbestanddelen, als bedoeld in artikel 18g, tweede lid, onderdeel a, van de wet komen in aanmerking alle loonbestanddelen, met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto. Voorzover over loonbestanddelen pensioen wordt opgebouwd volgens een eindloonstelsel komen loonstijgingen gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum in aanmerking tot ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor de CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek, met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of gangbare leeftijdsperiodieken.

2. Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel b, van de wet komen niet tot het regelmatig genoten loon behorende loonbestanddelen slechts in aanmerking voorzover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel plaatsvindt.


3. Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel c, van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voorzover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie die ten minste 50% van een voltijdfunctie beloopt, dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode van tien jaren direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum.

Artikel 10c. Voor de toepassing van artikel 18h, tweede lid, van de wet is een regeling een pensioenregeling indien zij voldoet aan hoofdstuk IIA van de wet, mits:


a. loonbestanddelen in natura niet tot het pensioengevend loon worden gerekend;


b. de bedragen die op de voet van de regeling op het loon van de werknemer worden ingehouden niet meer bedragen dan hetgeen door de inhoudingsplichtige wordt bijgedragen;


c. de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met de vakantie-uitkering;


d. indien de werknemer geen mogelijke nabestaande of wees kan aanwijzen als waarop artikel 18b onderscheidenlijk 18c, van de wet betrekking heeft, de regeling geen nabestaandenpensioen onderscheidenlijk wezenpensioen omvat;


e. een overbruggingspensioen voorzover dat dient ter overbrugging van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op het op grond van artikel 18a, achtste lid, in de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag.

Artikel 10d. 1. De Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en zes andere leden.


2. De leden van de commissie zijn ten minste afkomstig uit kringen van:


a. werkgevers;


b. werknemers;


c. pensioenfondsen;


d. levensverzekeringsmaatschappijen;


e. de wetenschap.


3. De voorzitter en de andere leden van de commissie worden in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benoemd door Onze Minister. Zij worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaren. Zij zijn te allen tijde herbenoembaar.


4. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. In het secretariaat wordt voorzien door Onze Minister.


5. De kosten van de commissie komen ten laste van Onze Minister.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet fiscale behandeling van pensioenen in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën

Nota van toelichting

ARTIKEL I

De wijzigingen in dit besluit strekken ertoe uitvoering te geven aan de ingevolge de Wet fiscale behandeling van pensioenen in de Wet op de loonbelasting 1964 geïntroduceerde delegatiebepalingen (artikelen 18g, 18h en 19e). In dit besluit wordt in de eerste plaats aangegeven welke perioden als dienstjaren dan wel als diensttijd worden aangemerkt. In de tweede plaats wordt invulling gegeven aan het begrip pensioengevend loon. In de derde plaats wordt voor geheel of gedeeltelijk in eigen beheer gehouden pensioenen invulling gegeven aan het gangbaarheidscriterium voor collectieve regelingen. Tenslotte worden in dit besluit regels gesteld voor de samenstelling en werkwijze van de Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen. Deze wijzigingen worden hierna toegelicht.

Onderdeel A (artikel 1 Besluit LB 1965)

Deze wijziging strekt ertoe aan artikel 1 een drietal delegatiebepalingen toe te voegen.

Onderdeel B (artikelen 10a, 10b, 10c en 10d Besluit LB 1965)

Ingevolge deze wijziging worden na artikel 10, de nieuwe artikelen 10a, 10b, 10c en 10d ingevoegd.

In het nieuwe artikel 10a, dat uitvoering geeft aan artikel 18g, eerste lid, van de wet, worden de perioden die meetellen als dienstjaren voor het begrip diensttijd, zoals bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18e, 18i en 38a van de wet, nader ingevuld.

In het eerste lid, onderdeel a, is geregeld dat de periode gedurende welke de actuele dienstbetrekking heeft geduurd bepalend is voor de vaststelling van de diensttijd. Daarbij is van belang dat de diensttijd die voor de pensioenregeling mee kan tellen zowel voor de inhoudingsplichtige als de werknemer als zodanig kenbaar moet zijn. Voor de diensttijd waarin geen of ten opzichte van de actuele pensioenregeling onvoldoende pensioenrechten zijn opgebouwd, kunnen door de inhoudingsplichtige dan wel de werknemer aanvullende pensioenaanspraken worden ingekocht. Dat wil zeggen dat in een pensioenregeling met een opbouwpercentage van 1,75% over jaren waarover minder dan die 1,75% pensioenopbouw heeft plaatsgevonden, alsnog de ruimte tot 1,75% per dienstjaar kan worden ingekocht. Behoudens de uitzondering in onderdeel f kunnen jaren vanaf 8 juli 1994 doorgebracht in dienstbetrekking bij vorige inhoudingsplichtigen niet worden ingekocht. Voor deze tekorten uit dienstbetrekkingen bij vorige werkgevers is men, behoudens de in het tweede lid opgenomen uitzondering, aangewezen op het lijfrenteregime.

Onder diensttijd worden tevens begrepen de hierna genoemde perioden van verlof - al dan niet in deeltijd - waarbij het dienstverband in stand wordt gehouden:


- perioden van ouderschapsverlof voor zover wordt voldaan aan de in artikel 644 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek gestelde voorwaarden;


- perioden van sabbatsverlof voor zover dit verlof een periode van 12 maanden niet overschrijdt en de inhoudingsplichtige hiervoor een schriftelijk vastgelegde regeling heeft getroffen;


- perioden ter zake van studieverlof voor cursussen, voor opleidingen of studie voor een beroep, voor het op peil houden van de vakkennis en cursussen voor opleidingen of studie die door de inhoudingsplichtige worden gefinancierd. Deze perioden worden in aanmerking genomen voorzover gedurende die perioden een opleiding, studie of cursus wordt gevolgd die door de inhoudingsplichtige wordt gefinancierd, dat wil zeggen door de inhoudingsplichtige wordt vergoed of door hem rechtstreeks aan de onderwijsinstelling wordt betaald, of waarvoor de werknemer kosten maakt als bedoeld in de artikelen 35, 36 en 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.


- verlof als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering loopbaanonderbreking, dat wil zeggen een gehele of gedeeltelijke onderbreking van de arbeid gedurende een periode van ten hoogste achttien maanden ten behoeve van zorg of educatie waaronder mede wordt verstaan het vergroten van de arbeidskwalificatie.

De mate waarin de verlofperioden als diensttijd meetellen hangt af van de omvang van het dienstverband en de omvang van het verlof. Zo zal een periode van volledig verlof gedurende een voltijds dienstverband voor de volledige duur meetellen, terwijl een periode van verlof gedurende een deeltijd dienstverband evenredig met de deeltijdfactor moet worden herrekend. Daarnaast kan bijvoorbeeld vanuit een voltijddienstverband tijdelijk in deeltijd worden gewerkt en het overige deel worden ingevuld door een van de genoemde verlofvormen. Ook in die situatie wordt een voltijddienstverband in aanmerking genomen.

In het eerste lid, onderdeel b, is geregeld dat als diensttijd tevens wordt aangemerkt de periode waarin de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat in het buitenland is gevestigd, voorzover de werknemer aldaar niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling. Voorzover bij het in het buitenland gevestigde verbonden lichaam wordt deelgenomen aan een pensioenregeling, maar desalniettemin sprake is van een pensioentekort kan het pensioentekort met ingang van 8 juli 1994 worden ingehaald via de in onderdeel f geboden mogelijkheid van waardeoverdracht. Pensioentekorten die in het buitenland zijn ontstaan in jaren vóór 8 juli 1994 kunnen worden gerepareerd via de in het tweede lid geboden mogelijkheid tot inkoop. De datum 8 juli 1994 is gekozen omdat op dat moment artikel 32b van de Pensioen en spaarfondsenwet in werking is getreden, waardoor de werknemers een wettelijk recht op waardeoverdracht hebben verkregen. Voor de buitenlandse concerndiensttijd waarin ten opzichte van de actuele pensioenregeling onvoldoende pensioenrechten zijn opgebouwd en in het buitenland niet de mogelijkheid bestaat tot waardeoverdracht, kunnen door de inhoudingsplichtige dan wel de werknemer aanvullende pensioenaanspraken worden ingekocht.

In het eerste lid, onderdeel c, is geregeld dat pensioenopbouw kan worden voortgezet over perioden na onvrijwillig ontslag, voorzover een (gedeeltelijk) inkomensvervangende loongerelateerde uitkering wordt ontvangen. Met name bij de uitvoering van een sociaal plan of afvloeiingsregeling wordt hier de mogelijkheid gecreëerd om pensioenopbouw voort te zetten over perioden tussen het moment van onvrijwillig ontslag en een nieuw te aanvaarden dienstbetrekking of het moment van pensioeningang. Van onvrijwillig ontslag is sprake indien dat ontslag plaatsvindt op initiatief van de werkgever. Indien werkgever en werknemer in één persoon zijn verenigd, zoals in de situatie van een directeur-grootaandeelhouder, zal een ontslagaanzegging door de werkgever in beginsel niet kunnen worden beschouwd als onvrijwillig ontslag.

In het eerste lid, onderdeel d, is geregeld dat de pensioenopbouw ook kan worden voortgezet gedurende de periode dat de werknemer van de inhoudingsplichtige die de pensioentoezegging heeft gedaan, in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden een VUT-uitkering ontvangt. Hetzelfde geldt met betrekking tot prepensioen (onderdeel e).

In het eerste lid, onderdeel f, is aangegeven dat in geval van waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b, van de Pensioen- en spaarfondsenwet naar de (pensioenuitvoerder van de) huidige inhoudingsplichtige, de daarbij behorende dienstjaren die ontstaan ten gevolge van die waardeoverdracht mogen meetellen als diensttijd voor de huidige pensioenregeling (fictieve dienstjaren). Daarnaast biedt de tekst van onderdeel f de mogelijkheid in plaats van de fictieve dienstjaren, de werkelijk bij de overdragende inhoudingsplichtige doorgebrachte diensttijd in aanmerking te nemen voorzover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld. Als in die jaren in deeltijd is gewerkt moet uiteraard de deeltijdfactor op de dienstjaren worden toegepast. Een en ander betekent dat zowel de diensttijd zelf als de omvang van de dienstbetrekking vast moeten staan. In beginsel behoeft bij wisseling van dienstbetrekkingen binnen concernverhoudingen geen waardeoverdracht plaats te vinden omdat de pensioenopbouw bij dezelfde pensioenuitvoerder wordt voortgezet. Bij deze interne waardeoverdracht is onderdeel f van overeenkomstige toepassing.

Tenslotte is in het eerste lid, onderdeel g, geregeld dat ook de jaren waarin men kinderen tot twaalf jaar heeft verzorgd geheel (bij verzorging van kinderen waarvan er tenminste een beneden zes jaar is) of voor de helft (bij verzorging van kinderen van zes tot 12 jaar) als diensttijd mogen worden beschouwd. Daarbij wordt verondersteld dat de werknemer de kinderen heeft verzorgd indien hij, gerelateerd aan de bestaande dienstbetrekking, geen of minder arbeidsuren heeft gewerkt gedurende een periode waarin één of meer kinderen jonger dan zes jaar, respectievelijk 12 jaar tot zijn huishouden hebben behoord. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Het is daarbij niet noodzakelijk dat de periode van verzorgen aansluit bij de bestaande dienstbetrekking.

In het tweede lid is de mogelijkheid geopend om dienstjaren die vóór 8 juli 1994 bij vorige inhoudingsplichtigen in dienstbetrekking zijn doorgebracht in te kopen. Vanzelfsprekend kunnen alleen werkelijke dienstjaren worden ingekocht, voorzover er feitelijk een pensioentekort aanwezig is, afgemeten aan de actuele pensioenregeling. De bewijslast voor de inkoop van dienstjaren bij een vorige inhoudingsplichtige ligt bij de werknemer. Dienstjaren in het buitenland tellen, behoudens de vóór 8 juli 1994 in het buitenland doorgebrachte dienstjaren als gevolg van uitzending naar een met de vorige inhoudingsplichtige verbonden lichaam, niet mee. Het begrip verbonden lichaam wordt op de voor de vennootschapsbelasting gebruikelijke wijze ingevuld, vergelijk artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

In het nieuwe artikel 10b worden nadere regels gegeven met betrekking tot de elementen van het loon die niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de vaststelling van het pensioengevend loon indien een pensioenregeling is gebaseerd op het laatstgenoten loon (eindloonstelsel). Tevens worden nadere regels gegeven met betrekking tot het vaststellen van het pensioengevend loon in situaties van demotie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 18g, tweede lid, van de wet.

In het eerste lid van artikel 10b is geregeld dat voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel a, van de wet in het algemeen onder pensioengevend loon mag worden begrepen alle (bruto) loonbestanddelen in geld en in natura, met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto. Voorzover over loonbestanddelen wordt opgebouwd volgens een eindloonstelsel mag met loonstijgingen vijf jaar voorafgaande aan de pensioeningangsdatum alleen rekening worden gehouden voor zover deze niet meer bedragen dan 2 % boven de gemiddelde loonindex voor alle CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze loonindex is gebaseerd op het gemiddelde van de loonindexen voor alle bedrijfstakken gezamenlijk. Ingeval de loonindex per maand, inclusief bijzondere beloningen, voor een bepaalde bedrijfstak hoger is dan de gemiddelde loonindex kan worden uitgegaan van die hogere loonindex.

Met loonstijgingen die passen binnen het normale carrièrepatroon mag in elk geval rekening worden gehouden. Ten overvloede wordt opgemerkt dat ingeval een wijziging plaatsvindt van een
beschikbare-premiestelsel of middelloonstelsel naar een eindloonstelsel de voorgestelde beperking voor loonstijgingen in de vijf jaar voorafgaande aan de pensioeningangsdatum eveneens van toepassing is.

In het tweede lid, dat uitvoering geeft aan artikel 18g, tweede lid, onderdeel b, van de wet, is in overeenstemming met de bestaande praktijk op dit punt aangegeven dat variabele loonbestanddelen slechts als pensioengevend loon kunnen worden aangemerkt met toepassing van een ander stelsel dan het eindloonstelsel. Het betreft niet-structurele variabele loonbestanddelen in geld of in natura (met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto). Structureel genoten toeslagen waardoor, bezien over de jaren, de pensioengrondslag marginaal in hoogte fluctueert, kunnen in een eindloonregeling slechts tot het pensioengevend loon worden gerekend indien de fluctuaties beperkt doorwerken naar verstreken en toekomstige dienstjaren. In een pensioenregeling die is gebaseerd op het eindloonstelsel - en al dan niet elementen kent van andere pensioenstelsels - mogen meer dan marginaal fluctuerende variabele loonbestanddelen slechts tot het pensioengevend loon worden gerekend indien de pensioenopbouw over die variabele loonbestanddelen volgens de systematiek van een middelloon- of beschikbare-premiestelsel plaatsvindt.

In het derde lid is aangegeven dat voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel c, van de wet met loondalingen geen rekening hoeft te worden gehouden voorzover sprake is van een daling ten gevolge van het aanvaarden van een deeltijdfunctie van minimaal 50% van een voltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie (demotie) in een periode van ten hoogste tien jaar voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum.

In het nieuwe artikel 10c wordt uitvoering gegeven aan de in artikel 18h, tweede lid, van de wet opgenomen delegatiebepaling. Aan pensioenen als bedoeld in artikel 18h, eerste lid, van de wet (waarbij het pensioen geheel of gedeeltelijk in eigen beheer wordt opgebouwd) behoort niet meer fiscale ruimte te worden geboden dan pleegt te worden genomen door pensioenen van werknemers in de collectieve sector en werknemers van wie de pensioenrechten zijn verzekerd bij een pensioenfonds of verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b of c. Voor de in eigen beheer gehouden regelingen bepalen de collectieve regelingen de trend met betrekking tot een maatschappelijk redelijk pensioen en zijn de geheel of gedeeltelijk in eigen beheer opgebouwde regelingen trendvolgend. Daarom is in artikel 18h, tweede lid, van de wet een toetsingkader voor geheel of gedeeltelijk in eigen beheer opgebouwde (trendvolgende) pensioenregelingen voorzien.

Loonbestanddelen in natura behoren ingevolge onderdeel a niet tot de pensioengrondslag. Deze uitsluiting is niet beperkt tot de pensioengrondslag in een eindloonstelsel, doch strekt zich tevens uit tot de pensioengrondslag in een ander dan het eindloonstelsel (middelloonsysteem of beschikbare premieregeling). Deze beperking is opgenomen omdat het in bestaande pensioenregelingen niet of bijna niet voor komt dat loon in natura tot de pensioengrondslag wordt gerekend.

Onderdeel b bepaalt dat een eventuele eigen bijdrage van de werknemer tot een bepaald maximum, te weten ten hoogste het bedrag dat de inhoudingsplichtige heeft bijgedragen, tot het pensioengevend loon behoort. Met deze beperking wordt bereikt dat de pensioentoezegging niet afwijkt van hetgeen in andere regelingen gebruikelijk is. In extern verzekerde regelingen is de pensioenlast van het collectief toegekende pensioen in het algemeen verdeeld tussen werkgever en werknemer. Zou deze beperking niet worden aangelegd dan zou het werkgeversdeel kunnen worden omgezet in gewoon loon, waarbij het werknemersdeel met een zelfde bedrag zou worden verhoogd. Indien dan dit bedrag tot de pensioengrondslag zou mogen worden gerekend, zou dit tot gevolg hebben dat de pensioengrondslag hoger wordt, waardoor de pensioenlast evenredig zou toenemen.

Onderdeel c schrijft voor welke AOW-uitkering dient te worden ingebouwd. Bij de in artikel 18h, eerste lid, van de wet omschreven toezeggingen dient uit te worden gegaan van ten minste de uitkering voor een ongehuwde persoon, met inbegrip van het vakantiegeld. Deze beperking sluit zoveel mogelijk aan bij hetgeen thans gebruikelijk is in de collectieve sector, waar ten minste de AOW-uitkering voor een ongehuwde persoon pleegt te worden ingebouwd, maar vaak ook meer. Ook hier bestaat niet de verwachting dat de AOW-inbouw zal worden verlaagd, omdat de pensioenlasten daardoor sterk zouden toenemen.

In onderdeel d wordt bepaald dat voor pensioentoezeggingen als bedoeld in artikel 18h, slechts een nabestaanden- of een wezenpensioen kan worden toegekend indien de werknemer een mogelijke nabestaande of een wees kan aanwijzen als bedoeld in de artikelen 18b en 18c van de wet. Met betrekking tot het nabestaandenpensioen betekent dit dat ten minste één van de volgende personen aanwezig moet zijn: de echtgenoot of een gewezen echtgenoot van de werknemer, iemand met wie hij een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en waarmee geen bloed- of aanverwantschap in de rechte lijn bestaat. Voor het wezenpensioen moeten er kinderen of pleegkinderen zijn die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt. Deze beperking is opgenomen omdat het in collectieve regelingen weliswaar voor kan komen dat nabestaanden- en wezenpensioen wordt opgebouwd terwijl er geen nabestaanden of wezen zijn, maar het premiedeel voor het nabestaanden- en wezenpensioen voor werknemers die uiteindelijk geen nabestaanden zullen hebben slechts ten dele aan die werknemers ten goede zal komen. Dit premiedeel wordt behandeld als een solidariteitsheffing voor de overige nabestaanden en zal door een werknemer zonder partner slechts op basis van een sekseneutrale ruilvoet kunnen worden omgezet in ouderdomspensioen. Mede doordat deze op artikel 2b van de Pensioen en spaarfondsenwet gebaseerde ruilmogelijkheid tot een lastenverhoging zal kunnen leiden, wordt door veel fondsen het risico van vooroverlijden slechts op risicobasis verzekerd, waardoor er geen uit te ruilen waarde zal zijn voor het nabestaandenpensioen. De premie voor nabestaandenpensioen kan daardoor in collectieve regelingen laag worden gehouden. In de eigen beheer-situatie kan van een dergelijke solidariteitsheffing geen sprake zijn, zodat het voor de hand ligt aan te sluiten bij de werkelijke samenlevingssituatie van de werknemer. In dit verband dient tevens bedacht te worden dat ingeval een directeur-grootaandeelhouder zijn pensioenregeling niet in eigen beheer, maar elders, bijvoorbeeld bij een levensverzekeringsmaatschappij onderbrengt, hij ook geen premie voor een nabestaandenpensioen zal betalen indien hij geen potentiële nabestaanden heeft. Ten overvloede zij hier nog aan toegevoegd dat indien de directeur-grootaandeelhouder op enig moment alsnog een partner of kinderen krijgt, hij alsnog, in wezen met terugwerkende kracht, een nabestaandenpensioen kan opbouwen waarmee fiscaal ten volle rekening zal worden gehouden.

In onderdeel e tenslotte is opgenomen dat de AOW-uitkering waarmee in het tijdelijk overbruggingspensioen rekening wordt gehouden, dezelfde AOW moet zijn waarmee bij de opbouw van het ouderdomspensioen rekening wordt gehouden. Op grond van onderdeel c zal dat minimaal de AOW voor een ongehuwde persoon zijn.

In het nieuwe artikel 10d wordt aangegeven dat de Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen bestaat uit een voorzitter en zes andere leden. Deze leden, die door de ministers van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden benoemd, dienen tenminste afkomstig te zijn uit of worden voorgedragen door de in het tweede lid omschreven kringen. Gedacht kan worden aan deskundigen uit werkgevers- en werknemersorganisaties, representanten van pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen en een wetenschappelijke autoriteit op pensioengebied. Het zesde lid kan maar behoeft niet afkomstig te zijn uit genoemde kringen

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet fiscale behandeling van pensioenen in werking treedt.

De Staatssecretaris van Financiën,

Deel: ' Besluit fiscale behandeling van pensioenen '




Lees ook