Ministerie van Financien

Titel: Fiscale behandeling van reserve convertible notes

Besluit van 18 februari 1999, nr. DB 98/4355 M.

De plv. Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de staatssecretaris het volgende besloten.

1. Inleiding

Mij is de vraag voorgelegd wat de fiscaalrechtelijke behandeling is van de zogenoemde reverse convertible notes (hierna: RCN) zoals deze recent door een aantal banken zijn uitgegeven.

Onder een RCN wordt verstaan een lening waarvan de debiteur bij de (vervroegde) aflossing kan kiezen tussen een aantal mogelijkheden: * betaling van de pariwaarde van de RCN; * betaling van de tegenwaarde van een mandje van vermogenstitels (doorgaans (certificaten van) aandelen, vandaar dat hierna steeds van aandelen wordt gesproken); * bijschrijving van de aandelen zelf op een effectenrekening van de crediteur (hierna: participant).

De aandelen zijn geen aandelen van de debiteur of een met de debiteur verbonden lichaam.

Op de RCN wordt rente vergoed. De rente is relatief hoog omdat daarin in economische zin mede een vergoeding voor een geschreven optie is begrepen. Het komt voor - zo is gebleken uit een aan de Kennisgroep Bancaire producten van de Belastingdienst voorgelegd product - dat de vergoeding voor de geschreven optie afzonderlijk wordt vormgegeven; die (eenmalige) vergoeding is dan overigens wel onverbrekelijk met de lening verbonden.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat ingeval de rente over de totale looptijd in één bedrag aan de crediteur uit de geldlening wordt voldaan (te denken valt aan een rentespaarbrief of zerobond) het hiervoor en hierna gestelde van overeenkomstige toepassing is. Eenvoudshalve wordt uitgegaan van een (half)jaarlijkse betaling van de rente in de vorm van betaalbaarstelling van een rentecoupon.

2. Belastingheffing bij de participant

Naar mijn oordeel kan de RCN in al zijn varianten niet anders worden gekenschetst dan als een hoogrentende risicovolle lening. De belastingheffing bij de participant geschiedt als volgt.

a. Tijdens de looptijd

De betalingen die tijdens de looptijd van de lening op de rentecoupons worden voldaan dienen bij de particuliere belegger voor het volle bedrag als rente in de heffing van inkomstenbelasting te worden betrokken. Naar mijn oordeel vormt het volledige bedrag een vergoeding voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom. Een eventuele splitsing in een deel 'rente' en een deel niet als inkomsten uit vermogen te duiden 'optiepremie' is niet aan de orde. De hoogte van de rente wordt naast een vergoeding voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom in 'enge' zin tevens bepaald door een vergoeding voor kosten- en winstopslag, het risico dat de crediteur loopt ter zake van het risico van non-betaling, valuta-schommelingen en andere risico's. Het onder deze omstandigheden afzonderen van een vergoeding ter zake van het risico aangaande de omvang van de terugbetaling van de hoofdsom miskent het fiscale rentebegrip. Daarbij bepaalt het risico dat de crediteur loopt mede de hoogte van de door de debiteur te vergoeden rente.

Het hiervoor vermelde inzake het rentebegrip lijdt slechts uitzondering indien sprake is van een afzonderlijke vergoeding voor de optie en dit vergoedingsrecht is belichaamd in een waardepapier dat - los van het waardepapier waarin het recht op aflossing van de hoofdsom is belichaamd - kan worden vervreemd.

b. Bij tussentijdse verkoop

De lopende rente wordt op de voet van artikel 27, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) op reguliere wijze bij de verkopende belastingplichtige in de belastingheffing betrokken.

Ik wijs er nog op dat bij een tussentijdse verkoop een lagere opbrengst kan worden gerealiseerd ten gevolge van de waardedaling van het mandje aandelen ten opzichte van de beurskoers van de aandelen ten tijde van de emissie dan wel de latere verwerving van de obligaties. Voorts kan een waardedaling voortvloeien uit een ontwikkeling van de rentestand. Waardedalingen van de RCN liggen in de vermogenssfeer en kunnen dus niet leiden tot een aftrekpost of een correctie op de te belasten rente.

c. Aflossing tegen een lagere dan de pariwaarde

In de mij bekende gevallen heeft de debiteur de keuze de aflossing te laten plaatsvinden tegen de pariwaarde van de RCN dan wel tegen de (lagere) waarde van het pakket aandelen dat in de emissieprospectus is vermeld. De (vervroegde) aflossing tegen de (lagere) waarde van het aandelenpakket leidt in het jaar van aflossing niet tot een post die het inkomen raakt van de belastingplichtige die de RCN tot zijn privé-vermogen moet rekenen. Het resultaat ligt immers in de vermogenssfeer.

Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat in sommige gevallen de aflossing - indien gekozen wordt voor de aflossing anders dan tegen de pariwaarde van de lening - in aandelen en/of in contanten tot het bedrag van de tegenwaarde van de aandelen kan plaatsvinden. Naar mijn oordeel is de vormgeving van de aflossing - bijschrijving van de aandelen op een effectenrekening dan wel de uitbetaling van de tegenwaarde van de aandelen in contanten - voor de fiscaalrechtelijke beoordeling van de RCN niet relevant.

3. Belastingheffing bij de debiteur

Bij de debiteur kan het gehele bedrag dat als rente in fiscale zin bij de particuliere belegger in aanmerking moet worden genomen ten laste van de winst worden gebracht. Het verschil tussen de pariwaarde en de aflossing is uiteraard tot de winst te rekenen.

4. Renterenseignering

In het voorgaande ligt besloten dat het volledige bedrag van de vergoeding op de RCN, hoe ook genoemd, in de renterenseignering moet worden meegenomen.

5. Bijzondere gevallen

Gevallen waarin de RCN wordt uitgegeven door fondsen met een bijzonder karakter of waarin de toepassing van artikel 25a van de Wet IB 1964 wordt overwogen, moeten worden voorgelegd aan de Kennisgroep Bancaire Producten, door tussenkomst van de Portefeuillehouder IB-niet winst van de Belastingdienst/Directie Particulieren te Utrecht. Hetzelfde geldt voor gevallen waarin de toepassing van dit Besluit anderszins vragen oproept. Afschrift van het Besluit met floppy te zenden aan Belastingdienst/Centrum voor kennis en communicatie, Sector Bedrijfscommunicatie, Afdeling Beheer digitale producten, Postbus

18200, 3501 CE Utrecht.

Voor gelijkluidend afschrift,

HET HOOFD VAN DE AFDELING INKOMSTENBELASTNG NIET-WINST, Een afschrift van deze brief en de bijlage te zenden aan de Belastingdienst/Particulieren Leiden t.a.v. de heer W. Versluis, met het verzoek het bijgevoegde Besluit van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 18 februari 1999, nr. DB98/4355M zo spoedig mogelijk in het Boekwerk Inkomstenbelasting 1965 op te nemen.

Voor gelijkluidend afschrift,

HET HOOFD VAN DE AFDELING INKOMSTENBELASTING NIET-WINST

Deel: ' Besluit fiscale behandeling van reserve convertible notes '




Lees ook