Ministerie van Financien

Titel: HEFFING VAN OMZETBELASTING

HEFFING VAN OMZETBELASTING TEN AANZIEN VAN AMATEURSPORTVERENIGINGEN

Besluit van 12 oktober 1982, nr. 282-12955,

zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 29 december 1998, nr. VB 98/2719, en het Besluit van 28 januari 1999, nr. VB 99/4 1)

1) Deze herdruk heeft uitsluitend ten doel om de tekst van het besluit aan te passen aan wijzigingen in de wetgeving en eerder ingenomen standpunten; in de tekst is verwerkt

- het vervallen van punt 1;

- de thans geldende omzetgrenzen voor fondswervende activiteiten zoals genoemd in artikel 11, lid 1, onderdeel v, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (punt 2); en

- het vervallen van de vrijstelling voor "niet-winstbeogend onderwijs" (punt 6).

1. (Vervallen) 1)

1) Dit punt had betrekking op toepassing van een forfaitair percentage op kantine-activiteiten van sportverenigingen; deze faciliteit is thans opgenomen in punt 10 van het in onderdeel 2.00.27 opgenomen besluit.

2. Voor andere nevenactiviteiten van sportverenigingen zijn regelingen opgenomen in de aanschrijving van 16 april 1969, nr. D69/3461 (OB/BTW-100, boekwerk Omzetbelasting 1968 Besluiten, onderdeel 1.01.00), aangevuld bij de aanschrijving van 12 januari 1970, nr. B70/615 (OB/BTW-206, boekwerk Omzetbelasting 1968 Besluiten, onderdeel 1.02.06) en van 28 april 1977, nr. 27-617099 (OB/BTW-649, boekwerk Omzetbelasting 1968 Besluiten, onderdeel 1.06.49). Sinds 1 januari 1979 is echter in artikel 11, eerste lid, onderdeel v, van de Wet op de omzetbelasting 1968 voor de bijkomstige activiteiten van onder meer sportverenigingen, die dienen ter verkrijging van financiële steun, een vrijstelling opgenomen. Deze vrijstelling bedraagt f 150.000 (tot 1 januari 1996: f 125.000) per jaar voor leveringen en f 70.000 (tot 1 januari 1996: f 25.000) per jaar voor diensten door sportverenigingen.

Voor de levering van goederen, zoals speldjes, lepeltjes en glazen, kan thans gebruik worden gemaakt van de grens van f 150.000 van genoemd artikel 11, lid 1, onderdeel v.

Voor diensten (b.v. fancy-fairs en bingo-avonden) kan gebruik worden gemaakt van de in dat artikel vermelde grens van f 70.000 1). Ook entreegelden en sport-sponsoring (waaronder begrepen het gelegenheid geven tot het plaatsen van reclameborden en shirtreclame) kunnen hieronder worden gerangschikt.

1) Op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel v, van de Wet, bedroeg de omzetgrens voor vrijgestelde "fondswervende" diensten tot 1 januari 1996 f 25.000; goedgekeurd was dat deze grens voor sportverenigingen met ingang van 1 juli 1980 werd gesteld op f 45.000.

Voor zover nodig, wordt er nog de aandacht op gevestigd dat het verstrekken van goederen door de sponsor, zoals schoenen en trainingspakken, in beginsel ook (mede) leidt (en leidde) tot heffing van omzetbelasting over de daaraan toe te kennen waarde.

3. Het in enig jaar overschrijden van de in punt 2 genoemde grenzen brengt met zich dat de vereniging voor de desbetreffende prestaties in de heffing van omzetbelasting dient te worden betrokken. Indien men echter als gevolg van bijzondere eenmalige omstandigheden één of meer van die grenzen overschrijdt, dan kan daarin aanleiding worden gevonden de heffing in dat jaar achterwege te laten. In andere gevallen van overschrijding kan de heffing van omzetbelasting in het desbetreffende jaar eveneens achterwege blijven indien de overschrijding redelijkerwijs niet te voorzien was. Indien in een dergelijk geval echter het volgende jaar zich opnieuw een overschrijding voordoet, dan dient in dat jaar in elk geval heffing plaats te vinden.

Indien achteraf blijkt dat prestaties ten onrechte in de heffing zijn betrokken, omdat de meerbedoelde grenzen niet werden overschreden, kan een verzoek om teruggaaf worden gedaan bij de inspecteur. Als facturen met berekening van omzetbelasting zijn uitgereikt, dan dienen er verbeterde facturen te worden uitgereikt alvorens daarvoor teruggaaf wordt verleend.

4. Veel van de hierbedoelde sportverenigingen verstrekken ook bladen aan de leden met informatie over de activiteiten van de vereniging. Ten aanzien van ledenbladen, waarvan de informatieverstrekking een bijkomstige activiteit is in de totaliteit van het verlenen van diensten aan leden, kan heffing van omzetbelasting achterwege blijven. Dit geldt ook voor incidentele losse verkoop aan niet-leden. Voorwaarde hiervoor is, dat wordt afgezien van aftrek van de terzake betrekking hebbende voorbelasting. Eenzelfde standpunt kan worden ingenomen ten aanzien van het opnemen van advertenties in die bladen.

5. Een aantal van de vorenbedoelde sportverenigingen en de afdelingen van de KNVB verrichten tevens prestaties met betrekking tot de sporttotalisator. Ten aanzien van die prestaties kan, evenals in het verleden geschiedde, heffing van omzetbelasting achterwege blijven. Voor die prestaties kan dan uiteraard ook geen aanspraak op aftrek van voorbelasting worden gemaakt.

6. Binnen de georganiseerde sportwereld (d.w.z. de in verenigingsverband georganiseerde takken van sport) worden sportcursussen verzorgd. Het gaat hierbij om de door (regionale afdelingen van) sportbonden jegens de bij hen aangesloten sportverenigingen en de door sportverenigingen jegens hun leden verzorgde sportcursussen. Deze cursussen zijn onder te verdelen in sporttechnische en niet-sporttechnische cursussen.

Sporttechnische cursussen zijn gericht op het bijbrengen of het op peil houden van kennis en vaardigheden met betrekking tot het lesgeven en leidinggeven aan sportbeoefenaren in de functie van trainer, coach, leraar of instructeur. Afhankelijk van het niveau van deze cursussen kan het hierbij gaan om cursussen voor in de sportwereld werkzame vrijwilligers en (semi-)professionals.

De niet-sporttechnische cursussen zijn gericht op het bijbrengen of het op peil houden van kennis en vaardigheden betreffende de vervulling van de overige met sportbeoefening verband houdende functies, zoals scheidsrechter, jurylid, wedstrijdorganisator, materiaalbeheerder, bestuurslid van een sportvereniging e.d. Deze cursussen kunnen een specifiek karakter dragen, d.w.z. dat de inhoud van deze cursussen betrekking heeft op de uitoefening van een specifieke functie binnen een bepaalde tak van sport. Het is echter ook mogelijk dat deze cursussen ten doel hebben meer algemene (d.w.z. ook buiten de sportwereld aan te wenden) kennis en vaardigheden bij te brengen c.q. op peil te houden; dit is het geval bij managements-, marketing-, bestuurderskader-, sponsoring- en dergelijke cursussen. De niet-sporttechnische cursussen worden zowel aan vrijwilligers als aan (semi-)professionals gegeven.

De provinciale sportraden en de zogenoemde sportstimuleringsorganisaties, alsmede de NFWS (de Nationale Federatie van Werkers in de Sport) verzorgen ten behoeve van de in de georganiseerde sportwereld werkzame vrijwilligers en (semi) professionals vergelijkbare cursussen.

Een deel van de onderhavige cursussen is als een kortdurende beroepsopleiding in de zin van artikel 8, lid 1, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 te beschouwen en is als zodanig vrijgesteld van omzetbelasting. Het gaat hier om de opleidingen voor binnen de sportwereld werkzame professionals, zoals de opleiding tot golf-, tennis- en zwemleraar, en tot coach betaald voetbal.

De cursussen voor de binnen de sportwereld werkzame vrijwilligers zijn in principe niet als een beroepsopleiding te beschouwen. Ten aanzien van de aan semi-professionele functionarissen gegeven cursussen is in een aantal gevallen eveneens twijfel mogelijk. Gelet op de binnen de georganiseerde sportwereld bestaande situatie, wordt vooralsnog goedgekeurd dat zowel de sporttechnische als de niet-sporttechnische cursussen die worden gegeven aan de binnen de georganiseerde sportwereld werkzame vrijwilligers en semi-professionals buiten de heffing blijven, op voorwaarde dat wordt afgezien van aftrek van de terzake betrekking hebbende voorbelasting. Deze goedkeuring geldt zowel voor de door de sportbonden en -verenigingen verzorgde cursussen als voor de door de provinciale sportraden, de sportstimuleringsorganisaties en de NFWS aangeboden cursussen.

Tot 1 juli 1993 werden conferenties en andere bijeenkomsten, die door vorenbedoelde sportverenigingen werden georganiseerd voor de opleiding en de vorming van deelnemers, gerangschikt onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel o, van de Wet, juncto artikel 8, lid 1, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit, indien aan de voorwaarde was voldaan dat daarmee geen winst werd beoogd of gemaakt.

7. De aanschrijving van 16 april 1969, nr. D69/3462 (OB/BTW-100, boekwerk Omzetbelasting 1968 Besluiten, onderdeel 1.01.00) komt in verband met het vorenstaande voor vorenbedoelde sportverenigingen te vervallen. Wellicht ten overvloede zij vermeld dat ook de aanschrijving van 12 januari 1970, nr. B70/615 (OB/BTW-206, boekwerk Omzetbelasting 1968 Besluiten, onderdeel 1.02.06) ten aanzien van deze verenigingen geen toepassing meer kan vinden.

De Minister van Financiën,

namens deze,

De Plv. Directeur-Generaal der Belastingen,

Deel: ' Besluit heffing omzetbelasting amateursportverenigingen '




Lees ook