Ministerie van Financien

Titel: Heffing over uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet

Staatssecretaris heeft het volgende besloten.

Besluit van 16 september 1999, nr. DB99/2991M.
Inleiding

Het ministerie van Financiën geeft in circulaires aan de burgemeesters en wethouders der gemeenten uiteenzettingen inzake de heffing van loon- en inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet. De laatste circulaire is die van 2 september 1997, nummer DB97/1429M (zie de bijlage bij het besluit van gelijke datum en nummer, LB65-716). Sinds het verschijnen van die circulaire hebben zich verschillende ontwikkelingen voorgedaan in de bijstands- en belastingregelgeving. Als voorbeelden hiervan zijn te noemen de mogelijkheid om bijzondere bijstand ook categoriaal te verstrekken en de introductie van tariefgroep 0. Dit heeft mij aanleiding gegeven de hiervoor bedoelde circulaire op verschillende onderdelen aan te passen.
Nieuwe circulaire

De nadere uiteenzetting is door middel van een nieuwe circulaire ter kennis van de burgemeesters en wethouders der gemeenten gebracht. De tekst van deze nieuwe circulaire is als bijlage bij dit besluit gevoegd.
Oude circulaires

De circulaire van 2 september 1997 wordt hierbij ingetrokken. Datzelfde geldt voor onderdeel 3 van de circulaire van 20 november 1990, nummer DB90/4393 (zie de bijlage bij het besluit van gelijke datum en nummer, LB65-608, van toepassing gebleven tot uiterlijk 1 april 1997).

Aan burgemeester en wethouders der gemeenten

Heffing van belasting/premie volksverzekeringen ter zake van bijstandsuitkeringen.


1. Inleiding

In de tot u gerichte circulaire van het ministerie van Financiën van 2 september 1997, nummer DB97/1429M, heb ik een uiteenzetting gegeven inzake de heffing van loon- en inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet. Sinds het verschijnen van deze circulaire hebben zich verschillende ontwikkelingen voorgedaan in de bijstands- en belastingregelgeving. Als voorbeelden hiervan zijn te noemen de mogelijkheid om bijzondere bijstand ook categoriaal te verstrekken en de introductie van tariefgroep 0. Dit heeft mij aanleiding gegeven de hiervoor bedoelde circulaire op verschillende onderdelen aan te passen.

De circulaire van 2 september 1997 heeft hiermee haar belang verloren en wordt ingetrokken.

Voor de fiscale behandeling van uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet zijn algemeen geldende voorschriften en specifieke richtlijnen van belang. De "Handleiding voor loonbelasting, premie volksverzekeringen en premie werknemersverzekeringen" geeft jaarlijks voorlichting over de algemeen geldende voorschriften. Deze circulaire voorziet in een aantal specifieke richtlijnen voor zover deze afwijken van de algemene voorschriften. Daarnaast stelt de Belastingdienst jaarlijks de tabel en het rekenvoorschrift voor de berekening van loonbelasting/premie volksverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet ter beschikking.


2. Wettelijke voorschriften

Uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet zijn aan de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen onderworpen ingevolge het bepaalde bij artikel 34, aanhef en letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964, juncto artikel 3a en artikel 11, lid 1 aanhef, onderdeel k, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

De vereenvoudigde regeling inzake de heffing van de loonbelasting, de inkomstenbelasting en de premieheffing volksverzekeringen, is neergelegd in de artikelen 7 en 12 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, de artikelen 1, 2 en 5 van de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990, artikel 33 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 en artikel 19 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990.


3. Belaste en onbelaste uitkeringen

Belaste uitkeringen

Aan de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) zijn onderworpen de periodieke uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet, welke behoren tot het belastbare inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

In verband hiermee dienen voor de loonheffing als belaste uitkeringen te worden aangemerkt periodieke bijstandsuitkeringen welke voorzien in de algemene kosten van het bestaan.

Tot de belaste uitkeringen behoren, naast de landelijke normbijstand en de gemeentelijke toeslag voor algemeen noodzakelijke kosten, in ieder geval een tegemoetkoming in de door de bijstandsgerechtigde verschuldigde premie ziekenfondsverzekering/ziektekostenverzekering en een aanspraak op uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Ziekenfondswet.

Onbelaste uitkeringen

In mijn besluit van 27 februari 1998, nr. DB98/733M (dat op 4 maart 1998 aan u is toegezonden), heb ik onder meer uitgebreid uiteengezet welke (categoriale) bijzondere bijstand onbelast is. Ik geef hier nogmaals de hoofdlijnen van dit besluit weer.

Bijzondere bijstandsuitkeringen zijn onbelast als de uitkering eenmalig is. Een uitkering is eenmalig als de uitkering geen deel uitmaakt en geen deel kan uitmaken van een reeks uitkeringen. Hierbij is bepalend wat de ontstaansgrond is van de uitkering en of op grond van die ontstaansgrond al eerdere uitkeringen zijn gedaan of nog kunnen worden gedaan.

Als een bijzondere bijstandsuitkering niet eenmalig is, kan deze toch onbelast zijn als de uitkering geacht kan worden te strekken ter bestrijding van bepaalde noodzakelijke kosten. Het gaat dan om uitkeringen die niet draagkrachtverhogend - niet inkomensvervangend of inkomensaanvullend - zijn omdat zij bestedingsgebonden zijn. De ontvanger van de uitkering heeft in feite geen mogelijkheid die uitkering vrij te besteden, aangezien hij primair bepaalde noodzakelijke kosten moet betalen.

Van categoriale bijzondere bijstand kan worden aangenomen dat die op de bovengenoemde manier gekoppeld is aan bepaalde noodzakelijke kosten als de categorie is gedefinieerd naar kostensoort - m.a.w. er is sprake van een groep personen die dezelfde soort noodzakelijke kosten maakt - en de hoogte van de uitkeringen is gerelateerd aan de te bestrijden kosten.

Ik wijs er op dat het fiscale begrip "bepaalde noodzakelijke kosten" niet parallel loopt met het in de bijstandswetgeving gehanteerde begrip "bijzondere bijstand". Zo voorziet bijvoorbeeld de bijzondere bijstand van artikel 10 Abw (voor personen van 18, 19 en 20 jaar) doorgaans in de algemene kosten van het bestaan; die bijstand is belast.

Bijstandsuitkeringen die in de vorm van een geldlening worden verstrekt, zijn onbelast. Uit administratieve bescheiden moet blijken dat het om een lening gaat.

Overzichttabellen

In de navolgende tabellen is aan de hand van de artikelen uit de Algemene bijstandswet (in de tabel: Abw) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (in de tabel: Bbz) aangegeven welke uitkeringen belast dan wel onbelast zijn. Tabel 1 ziet op de uitkeringen en verstrekkingen aan niet-zelfstandigen en tabel 2 op die aan zelfstandigen.

Tabel 1. Abw-uitkeringen en verstrekkingen aan niet-zelfstandigen:

uitk./verstr. Abw

op grond van:

toelichting:

belast

onbelast

art. 10

art. 11 en 17.4

voor zover de uitkering niet uitgaat boven de normbijstand voor personen van 21 jaar en ouder als bedoeld in hfdst. IV, afdeling 1 Abw

het meerdere

voor zover de uitkering niet uitgaat boven de normbijstand als bedoeld in hfdst. IV, afdeling 1 Abw

het meerdere

x

x

x

x

art. 15.2. a en b

bijstand ter aflossing van een schuldenlast

x

art. 20.2

alg.bijstand; krediethypotheek

x

art. 20.4

bijz.bijstand; krediethypotheek

x

art. 20.5

geldlening of borgtocht

x

art. 20.5

bijstand om niet

x

art. 21.1

bijz.bijstand voor kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen

x

art. 24

geldlening of borgtocht

x

art. 25

voorschot in de vorm van een renteloze lening

x

art. 26 j° 43 l en m1, 29, 30 en 32

algemene bijstand

x

art. 31

norm bij verblijf in een inrichting

x

art. 33

gemeentelijke toeslag voor algemene kosten van bestaan

x

art. 39

bijzondere bijstand v.z.v. eenmalig en/of gekoppeld aan bepaalde noodzakelijke kosten

overige bijzondere bijstand

x

x

art. 74

voorschot in de vorm van een renteloze lening

x

art. 75.3

verrekening met voorschot v. art. 74

x

art. 76

de normbijstand en evt. toeslag, waar de nabestaande zelf recht op heeft

het meerdere bij toepassing van art. 76 Abw (de overlijdensuitkering)

x

x

Tabel 2. Abw/Bbz-uitkeringen en verstrekkingen aan zelfstandigen:

uitk./verstr. Abw/Bbz

op grond van:

toelichting:

belast voor de loonbelasting

belast voor de inkomstenbelasting

art. 8.1, 8.2, en 8.3 Abw

alg. bijstand in de vorm van renteloze lening

neen

neen

art. 22.1 Abw/5 en 6 Bbz

geldlening of borgtocht i.v.m. bedrijfskapitaal

neen

neen

art. 23.1 Abw

zie art. 8.1, 8.2 en 8.3 Abw

neen

neen

art. 23.2 Abw

omzetting lening in bedrag om niet

ja

ja

art. 23.3 Abw

alg. bijstand om niet

ja

ja

art. 39 Abw

premie arbeidsongeschiktheids- en/of ziektekostenverzekering

overige: zie tabel 1 hiervoor

ja

ja

art. 5 en 6 Bbz

(art. 8.5 en 22.1 Abw)

bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht voor bedrijfskapitaal

neen

neen

art. 7 Bbz

(art. 22.2.a Abw)

bijstand om niet voor bedrijfskapitaal

neen

ja

art. 8.1 Bbz

(art. 22.2.b Abw)

omzetting leenbijstand in een bedrag om niet

ja

ja

art. 8.2 Bbz

kwijtschelding rente

neen

neen *)

art. 8.2 Bbz

terugbetaling rente

neen

neen *)

art. 8.3 Bbz

rentevergoeding als gevolg van borgstelling

neen

neen *)

art. 10.2 Bbz

(art. 23.2 Abw)

leenbijstand indien en voor-zover omgezet in of aangevuld met een bedrag om niet

ja

ja

art. 11 Bbz

handhaving geldlening

neen

neen

art. 12.1 Bbz

geldlening of borgtocht aan beginnende zelfstandige

neen

neen

art. 12.2 Bbz

verlenging

neen

neen

art. 13.1 Bbz

bijstand oudere zelfstandige

neen

neen

art. 13.3 Bbz

bijstand voor bedrijfskapitaal aan oudere zelfstandige

om niet

in de vorm van renteloze lening

neen

neen

ja

neen


*) De uitkering of verstrekking op grond van de artikelen 8.2 en 8.3 Bbz is volgens de tabel niet aan loonbelasting of inkomstenbelasting onderworpen. Voor wat betreft de heffing van de inkomstenbelasting dient vermeld te worden dat in bepaalde gevallen wel heffing van inkomstenbelasting kan plaatsvinden, en wel binnen de categorie 'winst uit onderneming'. Dit is het geval indien de kwijtgescholden rente, de terugbetaalde rente of de rentevergoeding als gevolg van borgstelling reeds ten laste van de winst is gebracht. Aangezien deze rente (achteraf) niet verschuldigd is dient een winstcorrectie voor het reeds in aftrek gebrachte rentebedrag plaats te vinden. Voor de bijstandsverlening heeft dit geen consequenties.

De verstrekking van bedrijfskapitaal om niet op grond van de artikelen 7 en 13.3 Bbz is niet aan loonheffing onderworpen. Omdat over een dergelijke verstrekking wel inkomstenbelasting is verschuldigd, mag ter zake van deze verstrekkingen loonheffing worden ingehouden.

De bijstand op grond van de artikelen 8.1, 8.2, 8.3 Abw en 12.2, 13.1 Bbz (bijstand aan zelfstandigen anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal) wordt ingevolge het bepaalde in artikel 23.1 Abw verstrekt in de vorm van een renteloze lening. Op het moment dat die lening op grond van artikel 10.2 Bbz wordt omgezet in een bedrag om niet is de uitkering belast en dient loonheffing te worden berekend.


4. Vaststelling verschuldigde loonheffing

Voor het berekenen van de verschuldigde loonheffing ter zake van belaste bijstandsuitkeringen zijn twee fasen te onderscheiden.

De eerste fase wordt bepaald door het tijdstip waarop de uitkering wordt uitbetaald of verrekend. De verschuldigde loonheffing wordt vastgesteld met toepassing van het zgn. bijstandspercentagetarief. De uitkomst van deze berekening draagt een voorlopig karakter. Op basis van deze berekeningen worden de periodieke afdrachten bepaald.

De tweede fase wordt bepaald door het einde van het kalenderjaar. Aan de hand van het rekenvoorschrift voor de berekening van loonheffing ter zake van uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet wordt vastgesteld welk bedrag definitief over het kalenderjaar dient te worden afgedragen.

De Belastingdienst stelt jaarlijks de tabel met het bijstandspercentagetarief en het hiervoor genoemde rekenvoorschrift ter beschikking.


4.1. Berekening van de loonheffing over de netto bijstand in de loop van het kalenderjaar

Algemeen

De percentages van het bijstandspercentagetarief worden toegepast op de zgn. belastbare netto bijstand. Deze netto bijstand bestaat over het algemeen uit het uitbetaalde of verrekende bedrag van de uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet, exclusief de loonheffing die over de uitkeringen verschuldigd is.

Voor de gevallen waarin de bijstandsgerechtigde aanvullende bijstand ontvangt naast belaste inkomsten geldt het volgende. Als die belaste inkomsten bestaan uit periodieke uitkeringen (bijv. een AOW-uitkering), is het mogelijk dat de gemeente aan de bijstandsgerechtigde de volledige bijstandsuitkering uitbetaalt en de gemeente namens de bijstandsgerechtigde de netto periodieke uitkering in ontvangst neemt. Dan bestaat de netto bijstand van die bijstandsgerechtigde uit het totaalbedrag van de in het kalenderjaar uitbetaalde bijstandsuitkeringen verminderd met de in dat jaar in ontvangst genomen periodieke uitkeringen (de zgn. fiscale ontvangsten). Het resultaat mag niet negatief zijn.

Alimentatie

Indien een bijstandsgerechtigde naast alimentatie van de (gewezen) echtgenoot aanvullende bijstand geniet, wordt het bijstandspercentagetarief toegepast op het gezamenlijke bedrag van alimentatie, exclusief de eventuele alimentatie ten behoeve van de kinderen, en aanvullende bijstand. Dit gebeurt zowel in het geval dat de gemeente de alimentatie namens de bijstandsgerechtigde int en doorbetaalt, als in het geval dat de alimentatie rechtstreeks door de (gewezen) echtgenoot aan de bijstandsgerechtigde wordt voldaan. In beide gevallen wordt namelijk bij het vaststellen van de aanvullende bijstand rekening gehouden met de alimentatie.

Indien de gemeente, uitsluitend op grond van de in de Algemene bijstandswet neergelegde bevoegdheid, de verstrekte bijstand op de onderhoudsplichtige verhaalt, is er geen sprake van doorbetaalde alimentatie. In dat geval verstrekt de gemeente (bij het ontbreken van overig inkomen) de bijstand, waarop het bijstandspercentagetarief wordt toegepast.

Aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Ziekenfondswet

Het bijstandspercentagetarief wordt toegepast op het loon in geld. Tot het loon in geld behoort een voor rekening van de gemeente komend werknemersaandeel in de ziekenfondspremie. Het werkgeversaandeel in de premie Ziekenfondswet maakt geen deel uit van het loon in geld. Voor toepassing van het bijstandspercentagetarief blijft bijtelling van het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie daarom achterwege.

Vermindering van loonheffing en Voorlopige teruggaaf

Vanaf 1 januari 1999 kan een bijstandsgerechtigde gebruik maken van een Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De Voorlopige teruggaaf is in de plaats gekomen van de vermindering van loonheffing in verband wegens aftrekposten waarvoor degene die een uitkering ontving waarop het bijstandspercentagetarief van toepassing was niet in aanmerking kon komen. De Voorlopige teruggaaf wordt rechtstreeks door de Belastingdienst uitbetaald en gaat dus geheel buiten de werkgever om. Ook een bijstandsgerechtigde kan daardoor in beginsel in aanmerking komen voor een Voorlopige teruggaaf. Zie hiervoor ook onderdeel 9. waar verder wordt ingegaan op aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.


4.2. Berekening van de loonheffing over de netto bijstand na afloop van het kalenderjaar

Algemeen

Na afloop van het kalenderjaar dient aan de hand van het in onderdeel
4. bedoelde rekenvoorschrift de loonheffing over de in het kalenderjaar uitgekeerde netto bijstand definitief te worden vastgesteld. Dit rekenvoorschrift bevat onder meer een aantal schema's. Aan de hand van deze schema's wordt de verschuldigde loonheffing, de verschuldigde ziekenfondspremie en het loon voor de loonbelastingkaart berekend.

In het rekenvoorschrift wordt onder andere - naar rato van de periode waarover bijstand is verleend - rekening gehouden met de belastingvrije som en de vaste kostenaftrek van de bijstandsontvanger. Ook in de gevallen dat de bijstand wordt verleend als aanvulling op eigen inkomsten, wordt een bedrag aan belastingvrije som en vaste kostenaftrek in aanmerking genomen. In die gevallen kan het dus voorkomen dat twee maal rekening wordt gehouden met de belastingvrije som, namelijk zowel bij de bijstand als bij de andere inkomsten. Zoals in onderdeel 9. van deze circulaire is te lezen, is dit op zich geen reden voor het opleggen van een verplichte aanslag inkomstenbelasting.

In verband met de verschillen in belastingvrije som worden de bijstandsontvangers van jonger dan 65 jaar onderscheiden in twee categorieën, te weten: éénoudergezinnen (tariefgroep 4) en "overigen" (tariefgroep 2).

Personen van 65 jaar en ouder

Vanaf 1 januari 1999 wordt ook voor personen van 65 jaar en ouder rekening gehouden met de belastingvrije som en de vaste kostenaftrek. In verband met de verschillen in belastingvrije som worden de bijstandsontvangers van 65 jaar en ouder onderscheiden in drie categorieën, te weten: alleenstaande ouders, alleenstaanden en overigen. De extra categorie is nodig vanwege de aanvullende ouderenaftrek die alleen geldt voor alleenstaanden en alleenstaande ouders.

Als de bijstandsgerechtigde in het kalenderjaar 65 jaar wordt, dient het rekenvoorschrift (ook vanaf 1 januari 1999) afzonderlijk te worden toegepast voor de periode vóór en de periode ná het bereiken van de 65-jarige leeftijd; dit in verband met het afwijkende percentage van de loonheffing en een ander regime met betrekking tot de ziekenfondspremie.

Gevolgen voor de premie Ziekenfondswet

De over de bijstandsuitkering te berekenen loonheffing behoort tot de grondslag voor de berekening van de ziekenfondspremie. Als gevolg daarvan heeft ook de afdracht van ziekenfondspremie in de loop van het jaar een voorlopig karakter. Wanneer na afloop van het kalenderjaar het bedrag van de loonheffing definitief wordt vastgesteld dient daarom ook de definitief verschuldigde ziekenfondspremie te worden vastgesteld.

Benodigde gegevens voor het toepassen van het rekenvoorschrift

Voor het toepassen van het rekenvoorschrift na afloop van het jaar dienen de volgende gegevens beschikbaar te zijn:


a. het bedrag aan belaste netto bijstand, op dezelfde wijze vast te stellen als bij de toepassing van het bijstandspercentagetarief (alleen uitgezonderd het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie), dus met saldering van fiscale ontvangsten, netto terugvordering binnen het kalenderjaar, enz. De fiscale ontvangsten worden daarbij in aanmerking genomen op het tijdstip van ontvangst door de gemeente.


b. de categorie waartoe de bijstandsontvanger behoort:


* voor personen tot 65 jaar: * voor personen van 65 jaar of ouder:


- éénoudergezin; - éénoudergezin;


- overige. - alleenstaande;

- overige.

Dit gegeven is benodigd voor de bepaling van de belastingvrije som, de vaste kostenaftrek en de toe te passen percentages.


c. de tijdvakken waarover bijstand werd uitbetaald of verrekend.


d. het bedrag van de belaste alimentatie.

De bedragen bedoeld onder a. (en in voorkomende gevallen ook die onder
d.) dienen te worden gesplitst over de perioden vóór en ná het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

Voor wat betreft de gegevens onder b. moeten de wijzigingen in de loop van het kalenderjaar worden vastgelegd. Bij overgang in de loop van het kalenderjaar van de categorie éénoudergezinnen naar de categorie "overige" of omgekeerd dient namelijk de belastingvrije som waarmee in het rekenvoorschrift rekening wordt gehouden tijdsevenredig te worden gemiddeld. Als de overgang van de ene naar de andere categorie plaatsvond in de loop van een tijdvak, dan is voor de vaststelling van de categorie over dat tijdvak beslissend de situatie op het moment dat de uitkering over dat tijdvak wordt uitbetaald. Het tarief voor personen van 65 jaar en ouder geldt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.

Toepassing belastingvrije som en vaste kostenaftrek als over een tijdvak per saldo geen bijstand is uitbetaald

De belastingvrije som en de vaste kostenaftrek worden toegepast naar rato van de periode waarover belastbare bijstand werd uitbetaald of verrekend. Ingeval over een tijdvak geen (aanvullende) bijstand werd betaald als gevolg van verrekening van inkomen, wordt over dat tijdvak geen rekening gehouden met een bedrag aan belastingvrije som en vaste kostenaftrek. Ook als over een tijdvak bijstand werd uitbetaald die in hetzelfde kalenderjaar geheel werd terugbetaald, telt dat tijdvak niet mee voor het vaststellen van de hoogte van de belastingvrije som en de vaste kostenaftrek.

Alleen ingeval over een tijdvak geen bijstand werd uitbetaald als gevolg van verrekening van elementen die de hoogte van de bijstand als bedoeld in hoofdstuk IV van de Algemene bijstandswet niet beïnvloeden, wordt over dat tijdvak toch de belastingvrije som en de vaste kostenaftrek in aanmerking genomen. Een voorbeeld is de verrekening van een verleend voorschot.

Toepassing belastingvrije som en vaste kostenaftrek wanneer bijstand betrekking heeft op een vroeger kalenderjaar

De belastbare bijstand kan geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op tijdvakken uit een vroeger kalenderjaar. Voor zover het daarbij gaat om periodieke bijstand over tijdvakken waarover nog niet eerder belastbare bijstand werd uitbetaald, moet ook over die tijdvakken rekening worden gehouden met het bedrag aan belastingvrije som en vaste kostenaftrek zoals dat geldt in het jaar waarin de bijstand wordt belast. Dit kan ertoe leiden dat in een bepaald jaar over meer dan 12 maanden rekening wordt gehouden met een bedrag aan belastingvrije som en vaste kostenaftrek.

Wanneer de uitbetaling over een vroeger kalenderjaar betrekking heeft op niet-periodieke bijstand (bijvoorbeeld uitbetaling van opgebouwd vakantiegeld aan een persoon die geen bijstand meer ontvangt) of betrekking heeft op tijdvakken waarover al eerder belastbare bijstand is uitbetaald (suppletie-betalingen) mag geen rekening worden gehouden met een bedrag aan belastingvrije som en vaste kostenaftrek. Ditzelfde geldt bij dergelijke betalingen binnen het kalenderjaar.

Voor bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen aanvankelijk wordt verleend in de vorm van een renteloze lening en later wordt omgezet in een bedrag om niet, wordt voor elke maand waarop de omgezette lening betrekking heeft rekening gehouden met een bedrag aan belastingvrije som. Dit geldt niet alleen voor de omzetting in een bedrag om niet zoals bedoeld in artikel 10 van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, maar ook voor de omzetting in een bedrag om niet van (een deel van) een lening in verband met bedrijfskapitaal zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van dat besluit.


5. Verrekening of terugvordering van verstrekte bijstand

Elke bijstandsuitkering die voor de loonheffing als een belaste uitkering moet worden aangemerkt, moet op het tijdstip van uitbetaling of verrekening in de loonheffing worden betrokken.

Dit geldt ook indien al meteen vaststaat dat de bijstandsuitkering te zijner tijd zal worden verrekend met een aan de bijstandsgerechtigde met terugwerkende kracht toe te kennen sociale verzekeringsuitkering.

De over de bijstandsuitkering definitief vastgestelde loonheffing is als voorheffing verrekenbaar met de eventueel aan de bijstandsgerechtigde op te leggen aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Bij terugvordering of verrekening van de bijstandsuitkering na afloop van het kalenderjaar kan de geheven loonheffing daarom niet door de gemeente worden gecompenseerd met latere betalingen van loonheffing, noch door de belastingdienst aan de gemeente worden teruggegeven.

Wettelijk voorgeschreven loonheffing

Op grond van de wettelijke bepalingen dienen in de gevallen waarin uitkeringen met elkaar verrekend worden zowel de door de declarerende instantie verstrekte uitkering, als de door de overnemende instantie met terugwerkende kracht toegekende uitkering volledig als loon in aanmerking te worden genomen. Dit betekent dat daarbij geen rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de vervangende uitkering, voor zover deze met terugwerkende kracht is toegekend, geheel of gedeeltelijk wordt verrekend met de op dezelfde periode betrekking hebbende oorspronkelijke uitkering.

Deze wettelijk voorgeschreven gang van zaken stuit op bezwaren voor alle betrokkenen. Voor de declarerende instantie is het netto bedrag van de vervangende uitkering (d.w.z. de bruto nabetaling verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing) veelal niet toereikend om de bruto uitkering (inclusief de daarop ingehouden loonheffing) die zij verstrekt heeft, te dekken. Voor de uitkeringsgerechtigde is het probleem dat over beide uitkeringen loonheffing wordt ingehouden terwijl hij geen twee volledige uitkeringen geniet. Voor de heffing van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen kan wel met de verrekening rekening worden gehouden (vaak resulteert dat in een teruggaaf van een deel van de voorheffingen). Dit kan echter pas nadat de belanghebbende aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft gedaan.

Vereenvoudigde regeling inzake bepaalde verrekeningen

Om aan de hiervoor omschreven bezwaren tegemoet te komen is een vereenvoudigde regeling in het leven geroepen. Deze regeling geldt voor verrekening van sociale uitkeringen tussen de uitvoeringsinstellingen (GAK, GUO, Cadans, SFB en USZO), gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank. Zie hiervoor de door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de gemeenten gezonden circulaire van de Sociale Verzekeringsraad van 18 april 1994, nr. 982. In het tot de Belastingdienst gerichte besluit van 18 april 1994, nr. DB94/1092M, heb ik goedkeuring verleend voor de toepassing van deze vereenvoudigde regeling.

Voor wat betreft de bijstandsuitkeringen ziet de regeling op de volgende verrekeningen:

* verrekening van belaste bijstand met een door een uitvoeringsinstelling toegekende sociale-verzekeringsuitkering;
* verrekening van belaste bijstand met een door een andere gemeente toegekende bijstandsuitkering;

* verrekening van belaste bijstand met een andere door de gemeente toegekende uitkering;

* verrekening van door een uitvoeringsinstelling verstrekte (voorschotten op een) sociale-verzekeringsuitkering met een toegekende bijstandsuitkering;

* met ingang van 1 januari 1991: verrekening van belaste bijstand met een door de Sociale Verzekeringsbank toegekende AOW- of Anw- (voorheen AWW) uitkering.

De betrokken instanties dienen in deze gevallen als volgt te handelen.

De vorderende instantie doet aan de andere instantie een schriftelijke opgaaf toekomen met het bruto bedrag van de door haar over de verrekeningsperiode verstrekte uitkering (d.w.z. met inbegrip van de ter zake geheven loonheffing). De andere instantie bewaart deze opgaaf bij de loonadministratie.

De andere instantie zondert van de door haar over de verrekeningsperiode toegekende bruto uitkering ter overmaking aan de vorderende instantie af, het bruto gevorderde bedrag (met inbegrip van de ter zake geheven loonheffing).

De andere instantie beschouwt het aldus afgezonderde bruto bedrag niet als loon en berekent de loonheffing over het resterende deel van de door haar toegekende bruto uitkering.

De vorderende instantie vermeldt op de loonbelastingkaarten van de desbetreffende jaren (inclusief die van het lopende kalenderjaar) de door haar verstrekte bruto uitkering, zonder rekening te houden met vorenbedoelde verrekening.

De andere instantie vermeldt met betrekking tot de nabetaling op de loonbelastingkaart van het desbetreffende jaar het gedeelte van de bruto uitkering dat na vorenbedoelde verrekening resteert.

Andere verrekeningssituaties en terugvordering

De vorenbedoelde vereenvoudigde verrekeningsregeling geldt niet in de volgende situaties:

* verrekening van bijstand met een andere dan de hiervoor genoemde instanties;

* terugvordering van verstrekte bijstand;
* verrekening van onbelast verstrekte bijstand met een door de uitvoeringsinstelling dan wel de Sociale Verzekeringsbank toegekende sociale verzekeringsuitkering of met een door een andere gemeente verstrekte (belaste of onbelaste) bijstandsuitkering.

In deze gevallen vordert de gemeente de bruto bijstand (inclusief de definitief vastgestelde loonheffing) dan wel, indien het onbelast verstrekte bijstand betreft, de uitbetaalde bijstandsuitkering.

Bij verrekening beschouwt de andere instantie het volledige bedrag van de door haar toegekende uitkering als loon. Daarbij wordt dus geen rekening gehouden met het door de gemeente gevorderde bedrag.

In deze situaties kan de uitkeringsgerechtigde (of diens rechtverkrijgenden) de teruggevorderde of verrekende belaste bijstand voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op het inkomen in mindering brengen.


6. Verzelfstandiging van uitkeringsrechten

In de gevallen waarin gezinsbijstand wordt verstrekt aan gehuwden en daarmee gelijkgestelden bestaat voor beide partners een gelijke aanspraak op de (aanvullende) bijstandsuitkering. Voor beide partners is er sprake van een periodieke uitkering in de zin van artikel 30, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hierbij is niet van belang aan wie van de partners de bijstand daadwerkelijk wordt uitbetaald.

Dit betekent dat voor het bepalen van de verschuldigde loonheffing, de heffingspercentages van het bijstandspercentagetarief voor elk van de partners afzonderlijk moeten worden toegepast. Deze individuele benadering geldt ook met betrekking tot de definitieve vaststelling van de verschuldigde loonheffing na afloop van het kalenderjaar.

Voorts behoort na afloop van het kalenderjaar voor beide partners afzonderlijk een loonbelastingkaart te worden ingezonden en moet aan beide partners een jaaropgave van de verleende bijstand en de daarop ingehouden loonheffing worden verstrekt.


7. Administratie

De bijstandsgerechtigde die onder het bijstandspercentagetarief valt hoeft voor de bijstand geen loonbelastingverklaring in te leveren. De gemeente is ten aanzien van deze bijstandsgerechtigde vrijgesteld van de verplichting tot het bijhouden van loonstaten.

De berekening van de verschuldigde loonheffing geschiedt aan de hand van de bijstandadministratie. De hiervoor benodigde gegevens zijn genoemd in onderdeel 4.2. van deze circulaire.

Voor de berekening van de verschuldigde loonheffing in de loop van het kalenderjaar en de betaling daarvan op aangifte worden de percentages van het bijstandspercentagetarief toegepast op het totale bedrag aan belastbare netto bijstand per categorie bijstandsuitkeringen.

In overleg tussen de gemeente en de bevoegde inspecteur van de Belastingdienst worden voorlopige betalingen gedaan.


8. Loonbelastingkaarten

Gemeenten moeten de loonbelastingkaarten van bijstandsgerechtigden na afloop van het jaar, doch vóór 1 februari van het daaropvolgende jaar inleveren. De gegevens voor de loonbelastingkaarten worden ontleend aan de loonstaten c.q. de bijstandadministratie.

Op de loonbelastingkaarten wordt als loon vermeld het totaalbedrag van:

* de belastbare netto bijstand;

* de eventuele vergoeding voor het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie;

* het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie;
* de ter zake geheven loonheffing.

Als bij het vaststellen van de aanvullende bijstandsuitkering rekening is gehouden met een (belaste) alimentatie-uitkering gelden, onverlet de in de vorige alinea gegeven aanwijzingen, voor de invulling van enkele rubrieken van de loonbelastingkaart afwijkende regels:
* indien in de door de gemeente uitgekeerde bedragen de door haar geïnde alimentatie is begrepen, wordt vermeld in de rubriek:
* loon: het gezamenlijke bedrag van de aanvullende bijstand en de doorbetaalde alimentatie;

* speciale aanduidingen: code 25 en het bedrag van de doorbetaalde alimentatie;

* indien de gemeente loonheffing heeft ingehouden over het gezamenlijke bedrag van de door de onderhoudsplichtige rechtstreeks aan de bijstandsgerechtigde betaalde alimentatie en de aanvullende bijstand, wordt vermeld in de rubriek:
* loon: het gezamenlijke bedrag van de aanvullende bijstand en de rechtstreeks aan de bijstandsgerechtigde betaalde alimentatie waarmee bij het vaststellen van de aanvullende bijstand rekening is gehouden;

* speciale aanduidingen: code 26 en het bedrag waarmee rekening is gehouden.


9. Aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

Verplichte aanslag

Vanaf 1997 wordt een verplichte aanslag opgelegd als de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, na verrekening van de ingehouden loonheffing, een bepaald bedrag te boven gaat (in 1997 f 405, in 1998 f 410 en 1999 f 420). Voor de vraag of deze grens wordt overschreden worden uitkeringen waarop het bijstandspercentagetarief van toepassing is buiten beschouwing gelaten. Met de door de belastingplichtige ontvangen bijstand noch met de daarover ingehouden loonheffing wordt dus rekening gehouden bij de beoordeling of een verplichte aanslag moet worden opgelegd. Dit betekent dat in ieder geval aan personen die in een kalenderjaar geen andere inkomsten dan bijstand hebben ontvangen, geen verplichte aanslag wordt opgelegd. Verder zullen ook personen die naast bijstand eigen inkomsten hebben in veel gevallen geen verplichte aanslag ontvangen. Dit blijkt uit de volgende voorbeelden.

* In de eerste situatie wordt bijstand verstrekt in aanvulling op neveninkomsten. Onder neveninkomsten wordt in dit verband verstaan inkomsten die niet aan loonheffing zijn onderworpen. Voor de beoordeling of een verplichte aanslag moet worden opgelegd, wordt geen rekening gehouden met de bijstand en de daarover ingehouden loonheffing. Dit betekent dat zolang de neveninkomsten het bedrag van de toepasselijke belastingvrije som niet overschrijden, de neveninkomsten niet leiden tot een verplichte aanslag (bij tariefgroep 2 is dat bedrag in 1999 f 8.799 ).
* Het tweede voorbeeld betreft de samenloop van loon en bijstand. Als bijstand wordt verstrekt als aanvulling op loon uit dienstbetrekking, dan wordt in veel gevallen bij zowel de bijstandsuitkering als het loon rekening gehouden met (een deel van) de belastingvrije som. Ondanks dat tweemaal (een deel van) de belastingvrije som is genoten leidt deze combinatie op zich niet tot een verplichte aanslag, omdat de bijstandsuitkeringen en de daarover ingehouden loonheffing buiten beschouwing blijven bij de beoordeling of een verplichte aanslag moet worden opgelegd.
* Als in de situatie van het tweede voorbeeld naast loon uit dienstbetrekking ook neveninkomsten worden genoten, dan zal in de meeste gevallen wel een verplichte aanslag moeten worden opgelegd, aangezien de belastingvrije som al geheel of gedeeltelijk bij het loon uit dienstbetrekking in aanmerking is genomen. Wordt in dit geval een aanslag opgelegd, dan wordt betrokkene bovendien geconfronteerd met een inhaaleffect, omdat voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen maar eenmaal de belastingvrije som mag worden toegepast. Om dit inhaaleffect te voorkomen kan de bijstandsgerechtigde bij zijn werkgever verzoeken om indeling in tariefgroep 0 (de tariefgroep zonder belastingvrij bedrag).

Aanslag op verzoek

Als een bijstandsgerechtigde aftrekposten heeft (hypotheekrente, buitengewone lasten e.d.) kan hij door middel van het invullen van een aangiftebiljet om een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verzoeken. In de gevallen waarin naast bijstand andere looninkomsten zijn genoten is het volgende van belang.

Zowel bij de inhouding op de bijstandsuitkering als bij de inhouding op het loon mag rekening worden gehouden met (een deel van) de belastingvrije som. Zoals hiervoor is beschreven leidt dit op zich niet tot een verplichte aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Als er echter om een andere reden toch een aanslag wordt opgelegd, treden inhaaleffecten op; over de teveel genoten belastingvrije som wordt dan alsnog belasting berekend. Als gevolg daarvan zal een aftrekpost niet of slechts gedeeltelijk tot een teruggaaf leiden. Om dat te voorkomen kan de bijstandsgerechtigde ingeval hij (relatief hoge) aftrekposten voorziet, bij zijn werkgever om indeling in tariefgroep 0 (de tariefgroep zonder belastingvrij bedrag) verzoeken.

Het voorgaande is evenzeer van belang bij een Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Als bijstand wordt verstrekt in aanvulling op loon uit dienstbetrekking, dan kan betrokkene beter geen Voorlopige teruggaaf in verband met aftrekposten vragen, tenzij hij bij zijn werkgever in tariefgroep 0 is ingedeeld. Een Voorlopige teruggaaf in verband met aftrekposten wordt namelijk altijd gevolgd door een verplichte aanslag.

Alimentatie en aanvullende bijstand

Als een bijstandsgerechtigde naast alimentatie aanvullende bijstand geniet, wordt het bijstandspercentagetarief toegepast op het gezamenlijke bedrag van alimentatie en aanvullende bijstand. In dat geval zijn de hiervoor genoemde regels van toepassing op dat gezamenlijke bedrag.

Toepassing van het bijstandspercentagetarief

Voor toepassing van dit onderdeel 9 wordt onder "toepassing van het bijstandspercentagetarief" mede verstaan de herrekening van de verschuldigde loonheffing na afloop van het kalenderjaar, zoals beschreven in onderdeel 4.2. hiervoor.

10. Stimuleringspremies

Op grond van artikel 3 van de Wet inschakeling werkzoekenden kunnen gemeenten aan onder meer bijstandsgerechtigden stimuleringspremies verstrekken. Het gaat daarbij met name om premies in verband met werkaanvaarding, scholing en vrijwilligerswerk. Premies die verstrekt worden in verband met de aanvaarding van een dienstbetrekking zijn altijd belast. De overige premies zijn belast als ze niet eenmalig zijn maar periodiek. De (ex-)bijstandsgerechtigde hoeft voor de premie geen loonbelastingverklaring in te leveren. De gemeente moet op belaste premies loonheffing inhouden naar tariefgroep 0 (de tariefgroep zonder belastingvrije som). Voor werkaanvaardingspremies geldt daarbij de witte tabel, voor premies in verband met scholing of vrijwilligerswerk de groene tabel.

11. Tariefgroepindeling gehuwde bijstandsverlaters

Bijstandsuitkeringen aan gehuwden worden op grond van de Algemene bijstandswet aan beide echtgenoten gelijkelijk toegekend (zie onderdeel 6. van deze circulaire). Deze toerekening wordt fiscaal gevolgd. Bij de berekening van de loonheffing over bijstandsuitkeringen worden beide echtgenoten ingedeeld in tariefgroep
2. Bij uitstroom uit de bijstand in verband met het aanvaarden van werk door één van de echtgenoten wordt die echtgenoot alleenverdiener. Als de belastbare bijstand van de andere echtgenoot in dat kalenderjaar hoger is dan de belastingvrije som, kan de echtgenoot die gaat werken zich de rest van dat jaar niet in tariefgroep 3 laten indelen. Als gevolg daarvan kan het netto maandinkomen onder het netto sociaal minimum dalen. Bij besluit van 9 december 1998, nr. DB98/4224M, heb ik daarom goedgekeurd dat de echtgenoot die gaat werken zich ongeacht de hoogte van de bijstand van de andere echtgenoot voor de loonheffing in tariefgroep 3 mag laten indelen, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

* De echtgenoten verlaten de bijstand volledig, dat wil zeggen dat zij geen aanvullende bijstand meer ontvangen.
* De andere echtgenoot zal in het betreffende kalenderjaar geen andere inkomsten dan bijstand genieten.

12. Kwijtschelding

In de gevallen waarin een te betalen aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen moet worden opgelegd, blijft de mogelijkheid bestaan dat op daartoe gedaan verzoek op de voet van artikel 26, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding wordt verleend van het op die aanslag openstaande bedrag of een gedeelte daarvan. Of er aanleiding bestaat een zodanige kwijtschelding te verlenen kan slechts van geval tot geval worden beoordeeld.

Uitgangspunt daarbij is, dat niet de financiële omstandigheden in het jaar waarop die aanslag betrekking heeft (het belastingjaar) relevant zijn, doch die ten tijde van de indiening van het verzoek om kwijtschelding. Naarmate die omstandigheden op laatst bedoeld tijdstip in vergelijking met de situatie in het belastingjaar zijn verbeterd, bestaat minder aanleiding tot het verlenen van kwijtschelding van het op de aanslag openstaande bedrag.

Anderzijds kan het zich voordoen dat die omstandigheden in vergelijking met de situatie in het belastingjaar niet zijn verbeterd of wellicht zijn verslechterd. Alsdan kan er aanleiding bestaan het op die aanslag openstaande bedrag geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.

13. Vorige circulaires

Deze circulaire vervangt de circulaire van 2 september 1997, nr. DB97/1429M. De laatstgenoemde circulaire wordt hierbij ingetrokken. Datzelfde geldt voor onderdeel 3 van de circulaire van 20 november 1990, nr. DB90/4393 (van toepassing gebleven tot uiterlijk 1 april 1997).

Deel: ' Besluit heffing over uitkeringen Algemene bijstandswet '




Lees ook