Ministerie van Financien

Titel: Invordering

M I N I S T E R I E V A N F I N A N C I E N

Besluit van 25 juni 1999, nr. AFZ 99/1659M

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN,

BESLUIT:

Vast te stellen het volgende besluit:

Artikel I

A. Paragraaf 1, Inleidende opmerkingen, lid 14, wordt vervangen door:

Binnentreding

14. Als de belastingdeurwaarder in een woning wil binnentreden om beslag te kunnen leggen, handelt hij overeenkomstig het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden. Dit betekent dat hij zich steeds moet legitimeren en het doel van de binnentreding moet meedelen.

Gelet op het belang van de bescherming van het huisrecht mag de belastingdeurwaarder van de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen alleen gebruik maken voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Dit betekent dat niet willekeurig of lichtvaardig gebruik mag worden gemaakt van de uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden. Het belang waarmee het binnentreden is gediend moet opwegen tegen de inbreuk op het huisrecht. Het invorderingsbelang dat is gediend met binnentreding door de belastingdeurwaarder in de woning van de belastingschuldige, tegen diens wil, dient telkenmale te worden afgewogen tegen het belang van bescherming van het huisrecht.

Het binnentreden zal in concreto en met het oog op het doel waartoe wordt binnengetreden redelijkerwijs nodig moeten zijn. Indien het doel ook op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt, zoals bijvoorbeeld door het leggen van loonbeslag, moet worden afgezien van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner.

Ook van belang is op welke wijze zal worden binnengetreden. De inbreuk op het huisrecht dient niet groter te zijn dan in het concrete geval noodzakelijk is. Indien het binnentreden beperkt kan blijven tot enkele gedeelten van de woning, zou het in strijd zijn met de eis van de proportionaliteit indien zonder redenen alle ruimten van de woning betreden worden.

De belastingdeurwaarder zal veelal met de binnentredingsproblematiek worden geconfronteerd in het kader van een beslagopdracht op roerende zaken. Indien bij uitvoering van die opdracht de bewoner niet aanwezig is dan wel de belastingdeurwaarder geen toestemming van de bewoner krijgt tot binnentreden in een woning, wordt niet binnengetreden dan na overleg met de ontvanger die de beslagopdracht heeft gegeven, tenzij de belastingdeurwaarder door niet onmiddellijk binnen te treden van oordeel is dat de belangen van de Staat zullen worden geschaad.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat ook niet wordt binnengetreden als wel toestemming door de bewoner wordt verleend, maar de belastingdeurwaarder tot het oordeel komt dat binnentreden op dat moment in redelijkheid niet wenselijk is, bijvoorbeeld in het geval een huisgenoot van belastingschuldige op sterven ligt.

In het overleg met de belastingdeurwaarder over de vraag of zonder toestemming van de bewoner in een woning moet worden binnengetreden, zal de ontvanger naast de voormelde criteria ook anderszins de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dienen te nemen. Verwezen wordt in dit verband naar § 1, Inleidende opmerkingen, tiende lid, van deze leidraad.

Met betrekking tot binnentredingssituaties zonder toestemming van de bewoner in andere gevallen dan in het kader van de opdracht tot beslaglegging op roerende zaken, zoals bijvoorbeeld voor een nadere inventarisatie, het wegvoeren van zaken, de voorbereiding van de verkoop, het gelegenheid geven tot bezichtiging en de verkoop zelf, dient de belastingdeurwaarder te allen tijde te overleggen met de ontvanger die met de invordering is belast.

Bij het binnentreden tegen de wil van de bewoner geldt in alle gevallen onverkort artikel 444, tweede lid, Rv. Dit betekent dat de deurwaarder zich in die gevallen dient te vervoegen bij de burgemeester van de gemeente, in wiens tegenwoordigheid de opening van de deuren of van het huisraad zal worden gedaan, of bij de hulpofficier van Justitie. De belastingdeurwaarder is er tegenover de belastingschuldige verantwoordelijk voor dat de functionaris die bij de binnentreding aanwezig is, ook daartoe is bevoegd in de zin van artikel 444 Rv.

De burgemeester of de hulpofficier van Justitie tot wie de belastingdeurwaarder zich wendt heeft in het kader van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner een eigen verantwoordelijkheid en zal voorafgaand aan het binnentreden ook een toetsing verrichten om te voorkomen dat een lichtvaardig gebruik wordt gemaakt van de bij de wet toegekende bevoegdheden tot binnentreden. Het is derhalve niet alleen de ontvanger of de belastingdeurwaarder die een afweging maakt tussen het belang waarmee het binnentreden in een concreet geval is gediend en het belang van het beschermen van het huisrecht van de bewoner. Komt de burgemeester of de hulpofficier in een specifiek geval tot het oordeel dat de bescherming van het huisrecht dient te prevaleren boven het belang dat met het binnentreden is gediend, dan wordt niet binnengetreden.Voorts zal de burgemeester of de hulpofficier beoordelen of de wijze van uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden voldoet aan de eis van proportionaliteit.

Bij binnentreding in bedrijfsruimten en andere ruimten die niet als woning zijn aan te merken, geldt niet de Algemene wet op het binnentreden, maar wel het bepaalde in artikel 444 Rv.

In geval de belastingdeurwaarder twijfelt of een bepaalde ruimte als woning moet worden aangemerkt, dient hij zekerheidshalve te handelen als bij woningen.
B. In hoofdstuk I, artikel 7, § 1, vierde lid, voorlaatste volzin, wordt een ponds-pondsgewijze verdeling dient plaats te vinden vervangen door: afboeking dient plaats te vinden met inachtneming van het bepaalde in artikel 7, § 1, tweede lid, van deze leidraad.

C. Hoofdstuk II, artikel 9, § 1, tweede lid,wordt gewijzigd als volgt.

C.1. In onderdeel 2.6, tweede volzin, wordt 9, zesde lid vervangen door: 9, achtste lid.

C.2. In onderdeel 2.7 worden de volgende wijzigingen aangebracht.
a. In de eerste volzin wordt een aangifte vervangen door: een op een kalendermaand betrekking hebbende, aanvullende aangifte.


b. In de tweede volzin wordt 9, zevende lid vervangen door: 9, negende lid. Voorts vervalt volgend op die.

D. Hoofdstuk III, artikel 14, wordt gewijzigd als volgt.

D.1. In § 4, eerste lid, wordt na de laatste volzin een nieuwe alinea toegevoegd, luidende:

Als de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is gehuwd, wordt het derdenbeslag gelegd ten laste van de echtgenoot van de belastingschuldige, wanneer de echtgenoot alleen gerechtigd is de vermogensbestanddelen te vorderen die onder het beslag vallen, tenzij op voorhand duidelijk is dat de vermogensbestanddelen niet in de tussen beiden bestaande huwelijksgemeenschap vallen. De bekendmaking van het beslag dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen na het leggen van het derdenbeslag, te geschieden aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk.

D.2. Na § 4, lid 16, wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

Derdenbeslag onder de Staat c.q. de ontvanger en het doen van verklaring

17. Indien derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat of de ontvanger is specificatie verplicht. Verwezen wordt in dit verband naar artikel 479 Rv. De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal te belemmeren, maar de taak van de Staat c.q. de ontvanger te verlichten. Dit betekent dat de verklaring in het kader van het derdenbeslag zich niet dient te beperken tot de ex artikel 479 Rv genoemde vermogensbestanddelen, maar dat de verklaring zich ook dient uit te strekken tot alles wat de geëxecuteerde te vorderen heeft van de Staat of de ontvanger en bij de Staat of de ontvanger bekend was op het moment van beslaglegging.

E. Hoofdstuk III, artikel 19, § 1, wordt gewijzigd als volgt.

E.1. In het eerste lid wordt de vierde volzin vervangen door: Een vordering kan slechts worden gedaan voor de door de ontvanger in te vorderen bedragen waarvoor artikel 19 van toepassing is, waaronder ook de aan het LISV verschuldigde premies voor de werknemersverzekeringen worden verstaan. Indien echter de premieschuldige failliet is verklaard ligt het niet in de rede dat de ontvanger bij de curator een vordering indient voor de aan het LISV verschuldigde premies.

E.2. In het vierde lid worden de volgende wijzigingen aangebracht.


a. In de vierde volzin vervalt tevens.


b. De laatste volzin wordt vervangen door: De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk.

F. Hoofdstuk IV, artikel 21 wordt gewijzigd als volgt.

F.1. Paragraaf 1, negende lid, opschrift, wordt vervangen door: Volgorde uitwinning in relatie tot bezitloos verpande zaken: algemeen.

F.2. Na § 1, negende lid, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

Volgorde uitwinning in relatie tot bezitloos verpande zaken: faillissementssituaties

9a. In faillissementssituaties wordt het bodembeslag opgeheven als mocht blijken dat het vrije boedelactief tezamen met de te verwachten verkoopopbrengst van de verpande bodemzaken van zodanige omvang is dat daaruit de belastingschuld zal worden voldaan.

In andere gevallen kan in overleg met de bezitloos pandhouder besloten worden om het beslag op te heffen tegen zekerheidsstelling. Als de bezitloos pandhouder daartoe niet bereid is en de in beslag genomen zaken aan waardeverandering onderhevig zijn, kan de ontvanger tot verkoop van de bodemzaken overgaan. De verkoopobrengst dient dan te worden afgeboekt op de belastingaanslagen waarvoor het bodembeslag is gelegd en bij de curator wordt eventueel een vordering ingediend voor het bedrag na afboeking van de opbrengst van de verkochte bodemzaken.

Opgemerkt wordt dat de bezitloos pandhouder op grond van artikel 6:150 BW wordt gesubrogeerd in de rechten van de ontvanger, inclusief diens voorrecht ex artikel 21, eerste en tweede lid, van de Invorderingswet 1990 (zie artikel 6:142 BW). De bezitloos pandhouder zal de aldus verkregen vordering kunnen indienen in het faillissement .

G. In hoofdstuk IV, artikel 24, § 1, vijfde lid, wordt de derde volzin vervangen door: Deze exclusieve verrekeningsmogelijkheid is ook van toepassing in de situatie dat één of meer tot de fiscale eenheid behorende of behoord hebbende maatschappijen, failliet is verklaard, met dien verstande echter dat sprake moet zijn van een teruggaaf die is verleend aan een tot de fiscale eenheid behorende of behoord hebbende maatschappij die niet failliet is verklaard.

H. Hoofdstuk IV, artikel 26, wordt gewijzigd als volgt.

H.1. In § 2, lid 21, worden de volgende wijzigingen aangebracht.


a. De tweede volzin wordt vervangen door: Voor het tijdvak 1 juli 1999
- 1 juli 2000 is dit een bedrag van

f 349 per maand.


b. In de vierde volzin wordt 339 vervangen door: 349. Voorts wordt 1085 vervangen door: 1107. Tenslotte wordt 1 juli 1998 - 1 juli 1999 vervangen door: 1 juli 1999 - 1 juli 2000.


c. In de vijfde volzin wordt f 1085 - f 389 = f 746 vervangen door: f 1107 - f 349 = f 758.

H.2. In § 2, lid 26, worden de volgende wijzigingen aangebracht.


a. In de achttiende volzin wordt 1 januari 1999 vervangen door: 1 juli 1999.


b. In de achttiende volzin, achter het eerste gedachtestreepje, wordt 1519, 1898, 1976 en 1927 vervangen door onderscheidenlijk: 1533, 1917, 1994 en 1946.


c. In de achttiende volzin, achter het tweede gedachtestreepje, wordt 1329, 1709en 1778 vervangen door onderscheidenlijk: 1342, 1725 en 1795.


d. In de achttiende volzin, achter het derde gedachtestreepje, wordt 949, 1329 en 1399 vervangen door onderscheidenlijk: 959, 1342 en 1412.


e. In Voorbeeld 1 wordt 1329 telkens vervangen door: 1342. Voorts wordt 171 en 137 vervangen door onderscheidenlijk: 158 en 126.


f. In Voorbeeld 2 wordt 1709 vervangen door: 1725. Voorts wordt 1329 en 1341 telkens vervangen door: 1342.


g. In Voorbeeld 3 wordt 1519 telkens vervangen door: 1533.

H.3. In § 10, eerste lid, vierde volzin, vervalt bij familiebedrijven.

I. In hoofdstuk VI, artikel 32, § 4, eerste lid, wordt na de laatste volzin toegevoegd: Verwezen wordt in dit verband voorts naar artikel 49, § 1, vierde lid, van deze leidraad.

J. Hoofdstuk VI, artikel 34, wordt gewijzigd als volgt.

J.1. In § 1, vierde lid, eerste volzin, wordt achtste vervangen door: zevende.

J.2. In § 3, derde lid, laatste volzin, wordt artikel 35, § 11, eerste lid, vervangen door: artikel 35, § 11, lid 1a.

K. In hoofdstuk VI, artikel 36, § 5, lid 18, onder 2, derde volzin, wordt (zie hierna onder 3) vervangen door: (zie echter hierna onder 3).

L. Hoofdstuk VI, artikel 36a, wordt gewijzigd als volgt.

L.1. In § 1, eerste lid, eerste volzin, wordt artikel 11c vervangen door: artikel 19b.

L.2. In § 2, eerste lid, eerste volzin, tweede lid, eerste volzin, en derde lid, eerste volzin, wordt artikel 11b vervangen door: artikel 19a.

M. Hoofdstuk VI, artikel 49, wordt gewijzigd als volgt.

M.1. In § 1 wordt na het derde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete


4. Bij aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete is hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, van de AWR van overeenkomstige toepassing.

Op grond van het bepaalde in artikel 67g van de AWR wordt de boete opgelegd bij voor bezwaar vatbare beschikking. De beschikking ex artikel 49, eerste lid, van de wet voldoet aan het vereiste voor bezwaar vatbaar. Het is niet noodzakelijk dat aansprakelijkstelling voor de boete plaatsvindt bij afzonderlijke beschikking. In voorkomend geval kan laatstbedoelde aansprakelijkstelling worden opgenomen in dezelfde beschikking als waarbij de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld geschiedt. In de beschikking waarbij de derde aansprakelijk wordt gesteld voor de boete dienen de gronden te zijn vermeld waarop de aansprakelijkstelling berust.

Indien de ontvanger de derde aansprakelijk wenst te stellen voor een vergrijpboete, dient de aansprakelijke op grond van het bepaalde in artikel 67k van de AWR van het voornemen daartoe op de hoogte te worden gesteld. In de kennisgeving dienen de gronden waarop het voornemen berust te worden vermeld. De ontvanger stelt de derde in de gelegenheid binnen een door hem te stellen termijn de in de kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten. Indien van die gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt of de ontvanger van oordeel is dat de betwisting van de aansprakelijke ongegrond is, zal hij de derde daarvan op de hoogte stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op de voet van artikel 49, eerste lid, van de wet.

De ontvanger stelt de aansprakelijke op diens verzoek in de gelegenheid inzage te nemen in, dan wel kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels te vervaardigen van de gegevensdragers waarin informatie is opgenomen met betrekking tot de gronden waarop de aansprakelijkheid voor de bestuurlijke boete berust.

M.2. In § 2, vierde lid, voorlaatste volzin, wordt voor de met die belastingaanslag verband houdende bestuurlijke boete en/of vervangen door: voor de met die belastingaanslag verband houdende.

M.3. In § 3, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht.


a. Het opschrift Dagvaarding en aansprakelijkgestelde wordt vervangen door: Dagvaarding van aansprakelijkgestelde.


b. In onderdeel b en onderdeel c vervalt de eenheid van.


c. Aan onderdeel b wordt, onder vervanging aan het slot van de punt-komma door een punt, toegevoegd: Onder overleg moet mede worden verstaan een verzoekprocedure;.

N. In hoofdstuk XI, § 2, eerste lid, voorlaatste volzin, wordt 131 FW vervangen door: 133 FW.

O. In hoofdstuk XII, § 4, eerste lid, vervalt (alternatief: op dezelfde dag).

P. In de Bijlagen worden de volgende wijzigingen aangebracht.


a. Bijlage 1a wordt vervangen door een nieuwe bijlage 1a, die als bijlage A bij dit besluit is gevoegd.


b. Bijlage 1b wordt vervangen door een nieuwe bijlage 1b, die als bijlage B bij dit besluit is gevoegd.


c.Bijlage 1c wordt vervangen door een nieuwe bijlage 1c, die als bijlage C bij dit besluit is gevoegd.


d. Onder vernummering van bijlage V in bijlage VB wordt na bijlage IV een nieuwe bijlage ingevoegd die als bijlage D bij dit besluit is gevoegd.


e. In bijlage VII wordt in het onderdeel Splitsing, onder BV A, belastingschulden van BV B vervangen

door: belastingschulden van BV A.

Artikel II

Dit besluit wordt verwerkt in de Leidraad Invordering 1990, zoals opgenomen in het Boekwerk Invordering 1990 onder nummer 6.00.00.

Artikel III

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1999.

BIJLAGE A

Bijlage !a. Beslagvrije voet per 1 juli 1999

GEHUWDEN

partner 1: > 21 jr. en

< 65 jr.

partner 2: > 21 jr. en

< 65 jr.

beslagvrije voet:

f 1916,25

partner 1: < 21 jr.

partner 2: < 21 jr.

beslagvrije voet:

f 662,19

partner 1: > 21 jr. en

< 65 jr.

partner 2: < 21 jr. beslagvrije voet:

f 1289,22

partner 1: < 21 jr.

partner 2: < 21 jr.


+ ten laste komend(e) kind(eren)

beslagvrije voet: f 1045,43

partner 1: > 21 jr. en < 65 jr.

partner 2: < 21 jr.


+ ten laste komend(e) kind(eren)

beslagvrije voet: f 1672,46

partner 1: > 65 jr.

partner 2: > 65 jr.

beslagvrije voet: f 1993,57

partner 1: > 65 jr.

partner 2: < 65 jr.

beslagvrije voet: f 1945,05

ALLEENSTAANDE OUDER

> 21 jr. en < 65 jr.

beslagvrije voet:

90% van het feitelijke inkomen (+ vakantie-aanspraak) met een minimum van f 1341,37 en een maximum van f 1724,62

< 21 jr.

beslagvrije voet: f 714,34 1)

1) Let op: de Belastingdienst hanteert voor personen met een ander inkomen dan een bijstandsuitkering in afwijking hiervan:

90% van het feitelijke inkomen (+ vakantie-aanspraak) met een minimum van f 1341,37 en een maximum van f 1724,62

> 65 jr.

beslagvrije voet: f 1794,37

ALLEENSTAANDE

> 21 jr. en < 65 jr.

beslagvrije voet:

90% van het feitelijke inkomen (+ vakantie-aanspraak) met een minimum van f 958,12 en een maximum van f 1341,37

< 21 jr.

beslagvrije voet: f 331,09 1)

1) Let op: de Belastingdienst hanteert voor personen met een ander inkomen dan een bijstandsuitkering in afwijking hiervan:

90% van het feitelijke inkomen (+ vakantie-aanspraak) met een minimum van f 958,12 en een maximum van f 1341,37

> 65 jr.

beslagvrije voet: f 1411,12

> = 21/65 jaar of ouder

< = jonger dan 21/65 jaar

BIJLAGE B

BIJLAGE Ib. Overzicht normen studiefinanciering

De vermelde bedragen zijn op maandbasis

Het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) heet voortaan Beroepsopleidende Leerweg (BOL)

hulptabel opbouw maandbudget HO per 1-9-1999; BOL per 1-8-1999

opl.

woon.

verze-

kering

levens-

onderh.

boeken

leerm.

ziekte-

kosten

col. &

lesgeld

maand-budget

reken-

max. RL

basis-

beurs

max.

aanv.

beurs

max.

studie-

lening

HO

uitw.

part.

871,57

96,74

69,99

234,67

1272,97

383,14

435,24

454,59

837,73

HO

uitw.

z.fonds

871,57

96,74

0,00

234,67

1202,98

383,14

435,24

384,60

767,74

HO

thuisw.

part.

536,57

96,74

69,99

234,67

937,97

383,14

135,24

419,59

802,73

HO

thuisw.

z.fonds

536,57

96,74

0,00

234,67

867,98

383,14

135,24

349,60

732,74

BOL

uitw.

part.

871,57

84,63

69,99

147,92

1174,11

165,38

400,42

608,31

773,69

BOL

uitw.

z.fonds

871,57

84,63

0,00

147,92

1104,12

165,38

400,42

538,32

703,70

BOL

thuisw.

part.

536,57

84,63

69,99

147,92

839,11

165,38

100,42

573,31

738,69

BOL

thuisw.

z.fonds

536,57

84,63

0,00

147,92

769,12

165,38

100,42

503,32

668,70

Partnertoeslag per maand ¦¦ 959,93

Eenoudertoeslag per maand ¦¦ 768,16

BIJLAGE C

Bijlage Ic. Overzicht normen huursubsidie

De vermelde bedragen zijn op maandbasis

per 1 juli 1999

Maximaal subsidiabele huur f 1.107,00

Maximumbedrag dat in de laagste inkomenscategorie volgens art. 17, tweede lid, Huursubsidiewet voor eigen rekening komt (normhuur) f 349,00

Maximumbedrag aan woonlasten waarmee de beslagvrije voet kan worden verhoogd (zonder rekening te houden met toeslagen) voor: jongeren tot 23 jaar f 262,00
1 persoonshuishouden f 576,00
2 persoonshuishouden 23 tot 65 jaar f 460,00 2 persoonshuishouden 65 jaar of ouder en gehandicapten f 576,00 3 persoonshuishouden 23 tot 65 jaar f 507,00 3 persoonshuishouden 65 jaar of ouder en gehandicapten f 592,00

Deze bedragen worden verhoogd met:


1. f 32 per maand als de huurder de woning op de peildatum deelt met één of twee kinderen of pleegkinderen, jonger dan 18 jaar, van hemzelf of van een van de medebewoners;


2. f 43 per maand als de huurder de woning op de peildatum deelt met drie of meer kinderen of pleegkinderen, jonger dan 18 jaar, van hemzelf of van een van de medebewoners;


3. f 8 per maand als op de peildatum sprake is van een meerpersoonshuishouden of meerpersoonsouderenhuishouden;


4. f 4 per maand in de andere gevallen dan bedoeld onder 3.

Het begrip huurprijs in de zin van de Huursubsidiewet

Onder huurprijs in de zin van de Huursubsidiewet wordt verstaan de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning (de zgn. kale huur), verminderd met het eventueel daarin begrepen bedrag voor bedrijfsruimte en met een vast bedrag voor de huur van een garage ( 50,-) en vermeerderd met een aantal servicekosten (de zgn. subsidiabele servicekosten: artikel 5, tweede lid, Huursubsidiewet). Deze servicekosten zijn:


1. electriciteitskosten van lift-, ventilatie-, hydrofoor- en alarminstallaties en kosten van de verlichting van gemeenschappelijke ruimten, een en ander tot ten hoogste een bedrag van totaal ¦ 25 per maand;


2. schoonmaakkosten van liften en andere gemeenschappelijke ruimten tot ten hoogste ¦ 25 per maand;


3. kosten van een huismeester tot ten hoogste ¦ 25 per maand;


4. kapitaals- en onderhoudskosten van dienstruimten en gemeenschappelijke recreatieruimten tot ten hoogste 25 per maand.

De overige in de betaalde bruto-huur begrepen elementen komen niet voor subsidiëring in aanmerking en worden dus ook bij de verhoging van de beslagvrije voet op grond van artikel 475d, vijfde lid, onderdeel b, Rv buiten beschouwing gelaten. Het feit dat de belastingschuldige niet onder betaling van deze elementen uitkomt doet hieraan niet af.

NB:

Voor toepassing van het vorenstaande dient de belastingschuldige zo nodig een huurspecificatie te verstrekken, verkrijgbaar bij de verhuurder.

Bijlage A bij bijlage Ic

huur

in guldens

1107

max. huurgrens

(23 jaar en ouder)

50% huursubsidie

50% huursubsidie

voor 65+ en

voor 65+ en

gehandicapten

gehandicapten

50% huursubsidie

geen extra huur-

geen extra huur-

subsidie voor 65-

subsidie voor 65-

937 )


-----------------

aftoppingsgrens

)

)

874 )


------------------------

aftoppingsgrens

75% huursubsidie

75% huursubsidie

75% huursubsidie

611


-----------------------


------------------------


----------------------

kortingsgrens/max.

huurgrens voor jongeren

(jonger dan 23 jaar)

100%

huursubsidie

100%

huursubsidie

100%

huursubsidie

349


----------------------


-------------------------


----------------------

niveau normhuren

voor minima = eigen

bijdrage huurder

0

1 persoon

2 personen

3 en meer personen

BIJLAGE D

BIJLAGE VA. PERCENTAGE INVORDERINGSRENTE

Het percentage van de invorderingsrente bedoeld in artikel 29 van de Invorderingswet 1990 bedraagt:

voor het vierde kwartaal 1992: 7,9;

voor het eerste kwartaal 1993: 7,1;

voor het tweede kwartaal 1993: 6,65;

voor het derde kwartaal 1993: 6,45;

voor het vierde kwartaal 1993: 5,55;

voor het eerste kwartaal 1994: 5,15;

voor het tweede kwartaal 1994: 4,9;

voor het derde kwartaal 1994: 5,25;

voor het vierde kwartaal 1994: 5;

voor het eerste kwartaal 1995: 5;

voor het tweede kwartaal 1995: 5;

voor het derde kwartaal 1995: 4,5;

voor het vierde kwartaal 1995: 4,25;

voor het eerste kwartaal 1996: 4;

voor het tweede kwartaal 1996: 3,25;

voor het derde kwartaal 1996: 2,5;

voor het vierde kwartaal 1996: 2,5;

voor het eerste kwartaal 1997: 2,5;

voor het tweede kwartaal 1997: 2,5;

voor het derde kwartaal 1997: 3;

voor het vierde kwartaal 1997: 3;

voor het eerste kwartaal 1998: 3,25;

voor het tweede kwartaal 1998: 3.25;

voor het derde kwartaal 1998: 3,25;

voor het vierde kwartaal 1998: 3,25;

voor het eerste kwartaal 1999: 3,25;

voor het tweede kwartaal 1999: 3,25;

voor het derde kwartaal 1999: 2,75.

Deel: ' Besluit Invordering door belastingdeurwaarder '




Lees ook