Ministerie van Financien

Titel: Lijfrechteverplichting als bedoeld in art 45 eerste lid onderdeel g.

Besluit van 15 september 1999 nr. DB99/2381M

De plaatsvervangend Directeur-generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
1. Inleiding

Ingevolge artikel 45c, eerste lid, juncto 45c, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de wet) worden negatieve persoonlijke verplichtingen in

aanmerking genomen indien een lijfrenteverplichting geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel a, ten eerste of onderdeel b van de wet.

Het moet dan gaan om de overgang van een lijfrenteverplichting als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, van de wet, waarvan de premies voor aftrek als persoonlijke verplichting in aanmerking zijn gekomen.

Het vijfde lid van artikel 45c van de wet geeft de Minister de bevoegdheid onder door hem te stellen voorwaarden te bepalen dat artikel 45c, tweede lid, onderdeel e, van de wet niet van toepassing is indien de lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van de onderneming van een verzekeraar als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel a, ten tweede, van de wet. Gedacht kan dan worden aan de situatie waarin een natuurlijk persoon een onderneming overneemt waarbij de overdrager als tegenprestatie, onder meer, een lijfrente heeft bedongen. Vervolgens draagt de overnemende ondernemer de verkregen onderneming - inclusief de lijfrenteverplichting - over aan een door hem opgerichte vennootschap. In dit besluit stel ik de voorwaarden vast waaronder de overdracht van de lijfrenteverplichting aan een lichaam kan plaatsvinden zonder toepassing van de sanctie van artikel 45c van de wet.
2. Voorwaarden


1. De overdracht van de lijfrenteverplichting vindt plaats op zakelijke basis, zulks ter beoordeling van

de bevoegde inspecteur;

2. De (soort) lijfrente ondergaat geen wijziging;
3. De overdracht van de lijfrenteverplichting vindt plaats in het kader van de overdracht van de gehele

onderneming;


4. De overdracht vindt plaats aan een in Nederland gevestigd lichaam dat de lijfrenteverplichting tot het binnenlandse ondernemingsvermogen rekent;

5. Het overnemende lichaam verklaart schriftelijk binnen twee maanden na de overdracht tegenover de bevoegde inspecteur ermee akkoord te gaan te worden beschouwd als de verzekeraar in de zin van artikel 45, zevende lid, onderdeel a, ten tweede, van de wet.


3. Verzoeken

Verzoeken om toepassing van deze goedkeuring kunnen worden voorgelegd aan de

bevoegde inspecteur; dat is de inspecteur die bevoegd is tot vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van degene bij wie de negatieve persoonlijke verplichtingen in aanmerking zouden dienen te worden genomen met toepassing van artikel 45c van de wet. De inspecteur is gemachtigd - onder de hiervoor genoemde voorwaarden - goed te keuren dat terzake van de overdracht van de lijfrenteverplichting de sanctie van artikel 45c van de wet achterwege blijft.

Verzoeken waarbij wordt gevraagd de sanctie van artikel 45c van de wet achterwege te laten terwijl geen sprake is van de overdracht van de gehele onderneming, dan wel waarbij sprake is van wijziging van de (soort) lijfrente, kunnen worden voorgelegd aan het Ministerie.
4. Onherroepelijk vaststaande aanslagen

Op aanslagen die op de dagtekening van het besluit onherroepelijk vaststaan wordt niet teruggekomen.

Zoekwoorden:

Deel: ' Besluit lijfrenteverplichting '




Lees ook