Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa)

BESLUIT

Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit tot afwijzing van een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 17 van de Mededingingswet.

Zaaknummer 620/ Raamovereenkomst Nederzand

I. INLEIDING


1. Op 31 maart 1998 is door Nederzand B.V. bij de Nederlandse mededingingsautoriteit (hierna: NMa) een verzoek ingediend om ontheffing van het verbod van art. 6 Mededingingswet (hierna: Mw). Het verzoek heeft betrekking op een op 25 juni 1996 gesloten Raamovereenkomst (hierna: RO).

II. FEITELIJKE ACHTERGROND

De betrokken partijen


2. De partijen die om ontheffing verzoeken zijn:
1. Maatschappij tot Verwerving van Industriezand B.V., gevestigd te Nijmegen (hierna: Industriezand);

2. Nederzand B.V., gevestigd te Nijmegen (hierna: Nederzand);
3. Dekker Zandbaggerbedrijf B.V., gevestigd te IJzendoorn;
4. Kaliwaal-Bijland B.V., gevestigd te Velp;
5. B.V. Zandzuigbedrijf Van Heeringen en Van Vliet, gevestigd te Wilnis;

6. B.V. De Verenigde Zandzuigers "De IJssel", gevestigd te Hattem;
7. Van Waning Winning en Projecten B.V., gevestigd te Kerkdriel;
8. B.V. v/h C. Goudriaan, gevestigd te Maasbracht;
9. H.W. Paes B.V., gevestigd te Maasbracht; 10. Van Roosmalen's Transport- en Handelmaatschappij B.V., gevestigd te Maastricht;
11. B.V. Grint- en Zandexploitatiemaatschappij v/h Gebrs. Smals, gevestigd te Roermond (hierna: Smals).

Bij beschikking van 22 december 1997 heeft de Minister van Economische Zaken (Stcrt. 4 van 8 januari 1998) het ontheffingsverzoek van Industriezand met betrekking tot de Samenwerkingsovereenkomst, dat was ingediend op grond van het Besluit marktverdelingsregelingen (Stb. 1994, 56), afgewezen. Industriezand heeft bezwaar aangetekend tegen deze beschikking.


3. Alle elf verzoekers zijn partij bij de RO. Negen verzoekers (nrs. 3 t/m 11) zijn zandwinbedrijven, die in de RO gezamenlijk de "contractanten" worden genoemd. Die aanduiding is in dit besluit overgenomen.
Zowel Industriezand als Nederzand zijn samenwerkingsverbanden van zandwinbedrijven. Industriezand is een besloten vennootschap waarin de verzoekers 3 t/m 10 participeren. Nederzand is een besloten vennootschap waarin de verzoekers 3 t/m 11 participeren. Smals participeert derhalve wél in Nederzand, maar niet in Industriezand.

Beschrijving van de markt

Hierbij is gebruik gemaakt van het rapport van Decisio B.V.: "Marktanalyse van de zand- en grindsector in Nederland" (1999), opgesteld in opdracht van de NMa.


4. Industriezand is een verzamelnaam voor een aantal soorten zand, dat wordt gebruikt voor de productie van verschillende bouwmaterialen. Beton- en metselzand is de belangrijkste soort binnen de groep industriezand. Kalkzandsteenzand, asfaltzand en zilverzand maken ook deel uit van de groep industriezand.


5. Beton- en metselzand is een grovere zandsoort; het bestaat uit een mengsel van zand van verschillende korrelgroottes. Er bestaan vele verschillende soorten beton- en metselzand. De samenstelling ervan wordt veelal door de afnemer voorgeschreven, afhankelijk van de toepassing. Het wordt als grondstof gebruikt bij de vervaardiging van betonproducten, met name betonmortel (1/3 van de vraag) en betonwaren. Voor de vervaardiging van betonmortel en betonwaren is naast zand ook grind en cement benodigd.


6. Bij de winning van beton- en metselzand wordt, als bijproduct, ook ophoogzand en, in beperkte mate, grind gewonnen. Ophoogzand is alleen geschikt voor het maken van ophogingen, bijvoorbeeld voor het bouwrijp maken van woonwijken en industrieterreinen, bij de aanleg van wegen en voor kustsuppletie. Ophoogzand is zand met een relatief kleine korrelgrootte met weinig kleefkracht en daardoor niet geschikt om te dienen als grondstof voor andere, meer hoogwaardige, toepassingen.


7. Bij vervoer van beton- en metselzand over kortere afstanden worden vrachtwagens gebruikt. In de praktijk wordt dit aangeduid als "regionale winning". Bij transport over langere afstanden wordt het zand per binnenvaartschip naar de afnemer vervoerd, in de praktijk aangeduid als "landelijke winning ". Voorwaarde daarbij is, dat de winningslocatie dicht bij vaarwateren ligt die voor binnenvaart geschikt zijn.

De termen "landelijk" en "regionaal" hebben betrekking op de wijze van vervoer van het gewonnen zand en vallen derhalve niet volledig samen met het geografische afzetgebied.


8. Indien gebruik wordt gemaakt van een in water gelegen zandwininstallatie in de nabijheid van open vaarwater, dan vindt winning en bewerking plaats op het moment dat een binnenschip voor belading is aangekomen bij een zandwininstallatie. Het opgezogen zand wordt op de zandwininstallatie gewassen, gezeefd en gemengd zodat de samenstelling van het zand overeenkomt met de opgegeven specificaties van de afnemer. Daarna wordt het zand in het schip geladen. Het duurt ongeveer 1 uur om een binnenschip volledig te beladen. Er vindt aansluitend aan de winning in principe geen voorraadvorming plaats. Enerzijds omdat opslag van verschillende soorten zand veel ruimte zou vragen, anderzijds omdat de wensen van afnemers ten aanzien van de samenstelling van het zand sterk variëren.


9. De belangrijkste zandvoorraden voor de winning van beton- en metselzand bevinden zich voornamelijk in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. In verband met de afvoer per schip vond winning vroeger met name plaats in uiterwaarden. Verdergaande ontzanding van de uiterwaarden stuitte echter op bezwaren uit een oogpunt van natuur, landschap en rivierenbeheer. Om die reden wordt tegenwoordig gewonnen in binnendijkse gebieden.

10. Per jaar wordt in Nederland ongeveer 21 mln ton beton- en metselzand gewonnen. Er wordt in Nederland 14 mln ton wordt geproduceerd door "landelijke winning" en 7 mln ton door "regionale winning". Daarnaast wordt 7 mln. ton geïmporteerd uit Duitsland en wordt 7 mln. ton geëxporteerd naar België. De omzet op de Nederlandse markt bedraagt ongeveer f 200 mln per jaar. De prijs van beton- en metselzand bedraagt ongeveer f 10,- per ton (exclusief transportkosten). De transportkosten bedragen ongeveer f 0,04 per ton per km bij vervoer per schip en ongeveer f 0,25 per ton per km bij vervoer per vrachtwagen.

11. Er zijn elf bedrijven actief in de landelijke winning, waarvan er negen partij zijn bij de samenwerking op basis van de RO en aldus samenwerken in Nederzand. Er zijn ongeveer 20 bedrijven actief in de regionale winning van beton- en metselzand.

Overheidsbeleid inzake beton- en metselzand

12. Het ontgronden is gebonden aan een vergunning op basis van de Ontgrondingenwet (hierna: OGW). Een vergunning wordt verleend door het college van Gedeputeerde Staten of, indien het winning in zee betreft, door de Minister van Verkeer en Waterstaat. Aan een vergunning kunnen voorschriften kunnen worden verbonden ter bescherming van alle bij een ontgronding betrokken belangen alsmede ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken . Art. 3, derde lid, OGW bevat een (niet limitatieve) lijst van voorschriften die met het oog op de hier bedoelde belangen in een vergunning kunnen worden opgenomen.

Wet van 27 oktober 1965, Stb. 509, laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 juni 1996, Stb. 411.
Artikel 3, tweede lid, OGW.

13. De Rijksoverheid wenst de toevoer van noodzakelijke grondstoffen voor de bouwnijverheid veilig te stellen. De inpassing van de winning van oppervlaktedelfstoffen, zoals beton- en metselzand, in de ruimtelijke ordening en het milieu wordt afgewogen in het Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen (hierna: SOD). In het SOD zal worden opgenomen wat de omvang van in streekplannen toe te stane winning van beton- en metselzand zal zijn. Ook worden in het SOD uitspraken gedaan over de ruimtelijke reservering voor die winning in de provinciale streekplannen.
In dit kader tracht de rijksoverheid via afspraken met provinciale overheden te komen tot taakstellingen. Een taakstelling is een bestuurlijke afspraak omtrent het winbaar maken van een bepaalde hoeveelheid oppervlaktedelfstof in een bepaalde periode. Deze taakstellingen worden opgenomen in het SOD.

Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen, deel 1, blz. 33 en blz. 54-55.

14. De overheidsbetrokkenheid bij ontgrondingen uit oogpunt van ruimtelijke ordening en milieu nam in de jaren'70 reeds toe. In plaats van locaties in uiterwaarden, werden er door de provincies (meer) binnendijkse gebieden aangewezen als ontgrondingslocaties. De provincies Gelderland en Noord-Brabant hebben besloten slechts een beperkt aantal locaties voor winning open te stellen.

15. Namens de provincies Noord-Brabant, Limburg en Gelderland is begin 1994 een "Intentieverklaring met betrekking tot afstemming vergunningverlening beton- en metselzand voorziening" ondertekend.

16. In de Intentieverklaring worden criteria genoemd die de provincies in ieder geval zullen hanteren in situaties waarin meerdere zandwinbedrijven een vergunning en/of winrechten wensen te verkrijgen voor dezelfde winlocatie (samenloop van vergunningaanvragen). Daarbij worden twee opties genoemd:
- er kan één vergunning worden verleend aan een door de betrokken zandwinbedrijven op te richten samenwerkingsverband met een bij vergunningvoorschrift aan te geven winruimtepercentage;
- er kunnen meerdere vergunningen worden verleend aan verschillende zandwinbedrijven, waarbij ieder van hen een deel van de locatie krijgt toegewezen.

17. In de bijlage bij de Intentieverklaring wordt een voorlopige winrechtenverdeling voor een aantal zandwinlocaties in Gelderland en Noord-Brabant uitgewerkt op basis van de situatie van 1 januari 1993, waarbij Industriezand in beginsel 75% wordt toegewezen en Smals 25%. Deze verdeling is vastgesteld aan de hand van de marktaandelen van de betrokken zandwinbedrijven in de landelijke productie (afvoer per schip) van beton- en metselzand in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg (benedenstrooms Venlo) over de 7 kalenderjaren, voorafgaand aan het jaar van de vergunningverlening.

18. De Intentieverklaring is ook bedoeld om tussen provincies afspraken te kunnen maken over het opvangen van tekorten, indien een van de betrokken provincies door omstandigheden tijdelijk niet zou kunnen voldoen aan haar landelijke taakstelling.

III. RAAMOVEREENKOMST

19. De partijen hebben in de RO uitgangspunten vastgelegd voor het gezamenlijk ontwikkelen van zandwinprojecten. Het verkrijgen van vergunningen op basis van de OGW maakt daar deel van uit.

a. Toepassingsbereik van de Raamovereenkomst

20. De afspraken binnen de RO hebben betrekking op "industriezand", waarmee gedoeld wordt op beton- en metselzand (art. 1a en 2a RO). De RO is van toepassing binnen een "werkgebied". Dat is het grondgebied van de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, m.u.v. het gebied bovenstrooms van de brug te Venlo (A67) (art. 2a jo art. 1d RO). Binnen dat geografische gebied is de RO van toepassing op alle reeds vergunde of nog te vergunnen winlocaties (art. 2a RO).

b. Verdeling van rechten en plichten tussen de contractanten

21. In de RO zijn afspraken gemaakt van interne en organisatorische aard en over de rechten en de verplichtingen van de contractanten. Bijvoorbeeld over de verdeling van aanspraken op de te winnen hoeveelheden zand, de financiële relaties (kostendelingsregeling) en zeggenschap (art. 14a RO e.v.). Uitgangspunt voor die onderlinge verhoudingen is steeds het "jaarpercentage".

Jaarpercentage

22. Het jaarpercentage is een verhouding tussen de contractanten, berekend aan de hand van een voortschrijdend zeven-jaarsgemiddelde aan afzet van beton- en metselzand door contractanten (art. 14a RO). Het jaarpercentage dient onder meer als "verdeelsleutel" bij (de vaststelling van) de onderlinge verhoudingen in het aandelenkapitaal in Nederzand (art 5c-5d, 5g en 18f RO) en daarmee ook bij de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders van Nederzand, de verdeling van stemrechten in de koepelvergadering (art. 14k RO) en de verdeling van de participaties ter zake van in voorbereiding zijnde, voor deelname opengestelde projecten (zie hierna, punten 19 en 20).

Projectpercentage

23. Per project worden de onderlinge verhouding van rechten en plichten tussen de contractanten vastgelegd in een projectpercentage. Het projectpercentage van iedere aan een betreffend project deelnemende contractant wordt bepaald op basis van het jaarpercentage van elke contractant, zoals dat op het moment van vaststelling van het projectpercentage luidt. Na vergunningverlening kan het projectpercentage wijzigen en wordt in elk geval gelijk aan het aandeel conform de (voorwaarden van) de ontgrondingsvergunning (art. 11f RO).

24. Aldus wordt in ieder project door het projectpercentage aangegeven wat het (procentuele) aandeel van iedere contractant is in de totale hoeveelheid zich in het betreffende project bevindende zand (art. 14a RO). Ook is de stemverhouding bij de besluitvorming terzake van een project verdeeld naar rato van het projectpercentage (art. 11g RO).

25. In de art. 14b-14g RO is bepaald hoe jaar- en projectpercentages worden berekend. Jaarlijks worden de percentages opnieuw vastgesteld. De contractanten zijn in verband daarmee verplicht afzetgegevens uit te wisselen (art. 14d RO). De percentages worden vastgesteld door de koepelvergadering (art. 14e RO). Indien een contractant weigerachtig is m.b.t. toelevering van gegevens, kan de koepelvergadering in plaats van de berekende afzet een ander getal hanteren (art. 14f RO).

De koepelvergadering is het hoogste orgaan binnen het samenwerkingsverband zoals dat in de RO is neergelegd (art. 3a RO). Het bestaat uit de contractanten. Voor zover de RO niets anders voorschrijft komt de koepelvergadering alle bevoegdheden toe ten aanzien van de samenwerking (art. 3a RO).

c. Ontwikkeling van nieuwe projecten (art. 11a e.v. RO)

26. Door iedere contractant kan het initiatief worden genomen tot het ontwikkelen van een nieuw winningsproject (art. 11a RO). Een contractant kan een project vervolgens melden bij Nederzand, waarna iedere andere contractant kan aangeven of hij in het betreffende project wil deelnemen (art. 11b RO).

27. Indien echter het project valt in de categorie "landelijke industriezandwinning" (zoals gedefinieerd in art. 1c RO), dan is de contractant die m.b.t. dat project het initiatief tot ontwikkeling had genomen, verplicht om dat project open te stellen voor deelname door de andere contractanten (art. 11c RO). In art. 2b en 2c RO zijn 17 projecten opgesomd die in elk geval steeds gezamenlijk zullen worden ontwikkeld (art. 11a RO).

Het betreft de winningsprojecten: Kraaijenbergse Plassen; Heeswijkse Kampen; H1 incl. Ruitplassen (= Geertjesgolf); F3b; Rosmalen-Empel (= Watergoed); Lith; Dreumel; Loonse Waard; Rhederlaag; Bergen; IJzendoorn; Maurik; Opheusden; Neswaarden; Ingen; Hiensche Waard en Hedel.

28. Na "aanmelding" van een nieuw project bij Nederzand mogen de contractanten binnen het exploitatiegebied van de gemelde locatie geen individuele activiteiten meer verrichten die van invloed kunnen zijn op uitvoering van het betreffende project, waaronder het indienen van bezwaarschriften en/of het aankopen van gronden (art. 11e RO).

29. Een initiatiefnemer, dan wel het voor het desbetreffende project opgerichte samenwerkingsverband van contractanten (art 11d en 11h RO), is verplicht aan alle (andere) contractanten informatie te verschaffen die nodig is opdat die andere contractanten kunnen beoordelen of zij in het betreffende project zullen gaan participeren (art. 11h RO). Hiertoe behoren onder meer een projectontwikkelingsplan en begrotingen.

30. Een initiatiefnemer, dan wel het samenwerkingsverband, verricht voor een betreffend project alle voorbereidingshandelingen. Hiertoe behoren het aankopen van gronden en het aanvragen van benodigde vergunningen, waaronder die op basis van de OGW (art. 11d RO).
Voorts laten de gezamenlijke contractanten werkzaamheden verrichten, waaronder het geschikt maken van terreinen voor feitelijke ontgronding. Ook de laatste fase van ieder project, de herinrichting van terreinen na afloop van de ontgronding, maakt deel uit van de samenwerking. De gezamenlijke activiteiten worden uitgevoerd door Nederzand.

31. Besluit een contractant vanaf de aanvang in een project te participeren, dan dient hij bij te dragen aan de tot dan toe gemaakte projectkosten. Als verdeelsleutel wordt het projectpercentage, plus een rentebedrag, gehanteerd (art. 11j RO). Besluit een contractant pas in het in eerste jaar aan een project deel te nemen, dan moet hij 5% risico-opslag betalen aan de initiatiefnemer (art. 11k RO). Besluit een contractant in de daarop volgende jaren tot een project toe te treden, dan dient die contractant een hogere risico-opslag te betalen, bovenop nieuw opgetreden voorbereidingskosten.

d. Adviseren van overheden omtrent gewenste winrechtenverdeling

32. Indien zich een project voordoet waarbij meerdere contractanten samenwerken, stellen de bij dat project betrokken contractanten een "advies" op, gericht tot de autoriteit die bevoegd is tot het verlenen van een vergunning op basis van de OGW (art. 12b RO). Daarin wordt geadviseerd een verdeling van de winrechten in de OGW-vergunning op te nemen, die correspondeert met de tussen de contractanten geldende verhouding op basis van de jaarpercentages (art. 12c RO).

33. Als de overheid afwijkt van dit advies van de contractanten, zal dat gegeven bij het uitbrengen van nieuwe adviezen worden "betrokken". En wel net zo lang tot het moment waarop de contractant(-en) volledig is (zijn) "gecompenseerd" voor het "nadeel" dat was ontstaan als gevolg van het van het advies afwijkende overheidsoptreden (art. 12d RO). Volgens de ontheffingverzoekers bestaat dit "nadeel" uit het (aan de betrokken contractanten) toekennen van een lager dan geadviseerd winrechtenpercentage in de ontgrondingsvergunning. Als gevolg hiervan zou er discrepantie ontstaan tussen het door een contractant gedragen financieel risico bij de voorbereiding van een project en de uiteindelijke opbrengsten die hij uit de winning kan verkrijgen. De compensatie vindt plaats door in nog uit te brengen adviezen ten aanzien van de benadeelde contractant een winrechtenpercentage te adviseren, dat hoger is dan zijn jaarpercentage.

34. Zolang een OGW-vergunning niet is verleend, wordt het "advies" ieder jaar bijgesteld conform de alsdan geldende jaarpercentages tussen de betreffende, in het betrokken project deelnemende, contractanten (art. 12f RO). Een definitief advies volgt "op verzoek van de betrokken overheid" (art. 12f RO). Indien de overheid terzake van de winrechtenverdeling in de vergunning niet is afgeweken van het uitgebrachte advies, dan zijn noch de project-BV, noch de (individuele) contractanten gerechtigd tegen dat besluit, terzake van die winrechtenverdeling, bezwaar en/of beroep in te stellen (art. 12h RO).

e. Uitvoering van projecten (art. 13a e.v. RO)

35. Iedere contractant die deelneemt in een onder de RO vallend project, is gerechtigd tot het winnen van een bepaalde hoeveelheid zand (art. 13a jo art. 14a RO).

36. De in een project deelnemende contractanten zijn verplicht een commanditaire vennootschap (CV) op te richten, alsook een besloten vennootschap (BV), die beherend vennoot wordt van die CV. De BV/beherend vennoot zal zo veel mogelijk als houder van de vergunning optreden (art. 13b RO). De participatie van contractanten geschiedt naar rato van het projectpercentage van iedere in het project deelnemende contractant (art. 13b RO).

37. Tot de kosten die aan een project zijn verbonden behoren o.m. die aangaande grondverwerving, civieltechnische voorbereiding (incl. verwijdering van eventuele afdekkende bodemlagen) en ook andere voorbereidings- en uitvoeringswerkzaamheden (art. 1b van Bijlage 6 bij de RO). Die kosten worden onderling gedeeld tussen de in een project deelnemende contractanten(art. 13e RO). Daartoe wordt de totale kostprijs van het project gedeeld door het aantal aanwezige m3 zand (art. 2a en bijlage 6 bij de RO) en wordt tenslotte uitgedrukt in kosten per contractant toegewezen (te winnen) m3 zand (art. 2c en Bijlage 6 bij de RO).

38. Zonder uitsluiting van derden zullen contractanten worden uitgenodigd bij uitbesteding van opspuit-, aanspuit-, en/of overspuit- en/of herinrichtingswerkzaamheden bij projecten die onder de RO vallen en waarover Nederzand de directie voert (art. 13k RO).

f. Voorthelpregelingen en onderlinge uitruil van winrechten

39. De RO bevat twee "voorthelp"-regelingen. Beide voorzien in onderlinge hulp tussen de contractanten, indien een van hen door omstandigheden naar het oordeel van de contractanten een te lage voorraadpositie heeft.

40. Indien een bij een project betrokken contractant, als gevolg van het door de overheid afwijken van een door de contractanten uitgebracht winrechten-verdelingsadvies, binnen 5 jaar in continuïteitsproblemen dan wel voorraadproblemen in dat project komt, heeft die contractant tegenover de contractanten die daardoor overbedeeld zijn, een kooprecht voor maximaal de hoeveelheid waarvoor hij onderbedeeld is (art. 12i RO). De prijs waartegen die hoeveelheid tussen de betrokken contractanten zal worden verkocht is in art. 12i RO vastgesteld op de kostprijs (van zand) van vergelijkbare projecten, met een minimum van de kostprijs van het betreffende project. De andere voorthelpregeling betreft het (onderling) ruilen van (aanspraken op) vergunde terreinen (art. 16a-16c RO).

h. Looptijd, overdracht en opzegging van de Raamovereenkomst

41. De looptijd van de RO is in de eerste plaats uitgedrukt in de periode waarbinnen de verwerving van vergunningen (op basis van de OGW) aan de orde is. Deze periode eindigt op het moment waarop door de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg al die OGW-vergunningen onherroepelijk zijn verleend, met betrekking tot welke het daarmee te winnen zand geacht wordt bij te dragen aan de realisering van de taakstellingen van deze provincies voor de periode van 1998 t/m 2008 (art. 17a RO).
Voorts is bepaald dat de projecten, die lopen op het moment waarop alle vergunningen als bedoeld in art. 17a RO zijn verleend, overeenkomstig de afspraken in de RO worden afgewerkt (art. 17b RO).

42. Ten aanzien van het overdragen van winrechten gelden er voor de contractanten voorkeursrechten (art. 18b RO). Een contractant die de winrechten van een mede-contractant over neemt, doet zulks naar rato van zijn jaarpercentage (art. 18a-18c RO).

43. Iedere contractant kan de RO opzeggen, met een opzegtermijn van één jaar. Een opzegging laat de voorgezette deelname aan reeds vergunde projecten en/of projecten waarin een contractant reeds deelneemt, onverlet (art. 19b RO). In andere gevallen nemen de overige contractanten het winrecht van de opzeggende contractant over, naar rato van ieders jaarpercentage (art. 19c RO).

IV. PROCEDURE

44. Naar aanleiding van het verzoek van 31 maart 1998 is op 30 november 1998 aanvullende informatie aan de verzoekers gevraagd. Die informatie is op 18 januari 1999 ontvangen. Voorts zijn op 30 november 1999 vragen gesteld aan de Colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies Gelderland, Limburg en Noord-Brabant. Daarop zijn antwoorden ontvangen op resp. 14 januari, 29 januari en 8 juni 1999.

45. In Staatscourant 91 van 17 mei 1999 is mededeling gedaan van de ontheffingsaanvraag. Daarbij zijn belanghebbenden opgeroepen hun zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. De aanvraag en de daarop betrekking hebbende stukken hebben vier weken inzage gelegen ten kantore van de NMa. Geen enkele belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn op grond van art. 3:13 Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze over de aanvraag naar voren gebracht of verzocht om te worden gehoord.

V. ARGUMENTEN VAN DE ONTHEFFINGVERZOEKERS

46. Verzoekers betogen primair dat de RO niet onder de werkingssfeer van art. 6 Mw valt. Zij geven daarbij aan dat de toegang tot de voorzieningsbronnen -door hen omschreven als winrechten in zandwinlocaties- geheel of althans in zeer overheersende mate bepaald wordt door overheidshandelen. De samenwerking tussen zandwinbedrijven is volgens verzoekers een onvermijdelijk gevolg van ruimtelijk beleid om te komen tot centrale binnendijkse zandwinningen. De provincies bepalen volgens verzoekers door (beperkte) vergunningverlening en het vastleggen van winrechtverdeling in ontgrondingsvergunningen de mate waarin individuele zandwinbedrijven mogelijkheden verkrijgen tot het winnen van industriezand. Zij menen dat de RO de mededinging dan ook niet verder beperkt dan reeds het geval is door overheidshandelen.

47. De in de RO opgenomen afspraken zijn volgens de verzoekers door de overheid opgelegd. Het ontbrak hen aan de vrijheid om nog eigenstandig over samenwerking te beslissen. Daarmee zou de toepasselijkheid van art. 6 Mw komen te ontvallen. Ter adstructie wijzen verzoekers op een aantal passages uit (ontwerp-) beleidsnota's van de provincies Gelderland en Noord-Brabant uit de jaren `80 en `90. Ook wijzen zij op een tussen de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg overeengekomen Intentieverklaring. Daarnaast wijzen zij erop dat over feitelijke winning en vermarketing van zand in de RO geen afspraken zijn gemaakt.

48. Secundair geven verzoekers aan dat, mocht de RO binnen de verbodssfeer van art. 6, eerste lid, Mw vallen, de RO in aanmerking komt voor een ontheffing op grond van art. 17 Mw.

49. Wat betreft de mogelijke verbeteringen van de productie en/of de verdeling van goederen en/of diensten of de bevordering van de technische en/of economische vooruitgang, stellen zij dat door de RO voor hen voor een langere periode zekerheid wordt gegeven t.a.v. de toegang tot voorzieningsbronnen. Aldus biedt de RO voor betrokken partijen ook betere overlevingskansen. Omdat als gevolg van de samenwerking bepaalde investeringen eerder kunnen worden gedaan, draagt die samenwerking volgens hen ook bij aan op innovatie gerichte investeringen. Ook bevordert de samenwerking een adequate verdeling (distributie) van winrechten door provinciale overheden. Door de samenwerking kunnen efficiëntievoordelen worden gehaald, onder meer doordat gebruik wordt gemaakt van één service-apparaat (Nederzand) en doordat de directievoering over de "projecten" gecoördineerd geschiedt (door Nederzand). Voorts worden (financiële) risico's over meerdere ondernemingen gespreid.

50. Voorts stellen de verzoekers dat een billijk aandeel van de voordelen (van de RO) aan de gebruikers ten goede komt. De door de verzoekers onderkende efficiëntievoordelen zouden namelijk kunnen leiden tot kostenbesparingen, waardoor scherpere prijsconcurrentie mogelijk is. Ook leidt de samenwerking tot betere nabestemming van de gronden, na afloop van de feitelijke winning. Voorts zouden de toegenomen structurele overlevingskansen van de verzoekers bijdragen aan een duurzame concurrentie.

51. Met betrekking tot de noodzakelijkheid van de mededingingsbeperkende bepalingen merken de verzoekers het volgende op. Zij achten die noodzaak in de eerste plaats gelegen in de mogelijkheid tot het kunnen behalen van efficiëntievoordelen en het kunnen spreiden van risico's. Voorts ligt die noodzaak in de door hen gewenste stabiliteit van de grondstoffenvoorziening, dit mede in het licht van zeer lange voorbereidings- en uitvoeringstermijnen, die al snel oplopen tot 10 à 15 jaren.

52. De noodzaak is volgens hen daarnaast ingegeven door de zeer grote voorinvesteringen per project (m.n. de grondaankopen), die reeds geschieden lang voordat er zekerheid bestaat dat een project doorgang kan vinden en er kan worden terugverdiend. Door samenwerking kunnen de risico's en de kosten worden gespreid over meerdere ondernemingen.

53. Vanaf het begin van samenwerking moet er helderheid zijn over de onderlinge verdeling van investeringen en (financiële) risico's tussen de betrokken partijen. Voor de hand liggend en rechtvaardig achten verzoekers dat, voorafgaande aan een verdeling van winrechten in een vergunning op basis van de OGW, aansluiting wordt gezocht bij de verhouding zoals die al jarenlang tussen de betrokken partijen geldt op de markt op basis van productie van beton- en metselzand.

54. Voorts wordt gesteld dat de inbreng- en samenwerkingsverplichting de noodzakelijke stabiliteit voor een periode van tien jaren (t/m 2008) bevordert, welke stabiliteit leidt tot duurzame concurrentie op product en prijs.

55. Wat betreft de adviezen aan de provinciale overheden, wijzen verzoekers erop dat het zeven-jaarsgemiddelde een voortschrijdend gemiddelde is en dat dit gemiddelde kan wijzigen al naar gelang er meer of minder zand door de betrokken ondernemingen wordt geproduceerd.
De adviezen zelf sluiten volgens verzoekers de mogelijkheden om marktaandeel te vergroten niet uit.

56. Aangaande de restconcurrentie stellen de verzoekers dat ook andere zandwinbedrijven dan de deelnemers in Nederzand toegang hebben tot voorzieningsbronnen (hier: winrechten). In dat verband memoreren de verzoekers het bestaan van de Intentieverklaring van de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, en stellen zij dat deelname aan Nederzand geen voorwaarde is voor het kunnen verkrijgen van een vergunning op basis van de OGW.

57. Voorts wijzen zij erop dat vanuit de projecten, waaromtrent reeds samenwerkingsovereenkomsten zijn afgesloten, op termijn hooguit 25% van de Nederlandse behoefte aan beton- en metselzand zal worden gedekt. Er zou altijd concurrentie resteren. Voorts zou door de grote overheidsbemoeienis de concurrentie op de productiezijde niet groot (meer) zijn. Hierdoor ligt de nadruk meer op concurrentie aan de "output"-zijde.

VI. OPMERKINGEN VAN DE PROVINCIES

58. Zoals hiervoor is aangegeven, zijn in het kader van de beoordeling van het ontheffingsverzoek aan de provinciebesturen van Gelderland, Noord-Brabant en Limburg vragen gesteld. In antwoord daarop hebben deze besturen, met betrekking tot de mogelijkheden tot het aanvragen van een OGW-vergunning en de betekenis van de Intentieverklaring, het volgende opgemerkt.

59. Namens de provincie Gelderland is het volgende aangegeven.
- In de praktijk zijn slechts twee grootschalige binnendijkse winningslocaties beschikbaar binnen de provincie, alsmede acht kleinere winningslocaties. Hiermee wordt volstaan omdat daarmee kan worden voorzien in de taakstelling van de provincie.
- Het provinciebestuur beoordeelt iedere aanvraag om een OGW-vergunning op gelijke wijze, ongeacht of deze is ingediend door een individuele onderneming dan wel door twee of meer ondernemingen gezamenlijk. Evenmin speelt bij verlening de persoon of vestigingsplaats van de aanvragen een rol.
- De Intentieverklaring moet worden gezien als een niet-limitatieve opsomming van uitgangspunten en criteria die de provincies zullen hanteren indien er in het kader van de belangenafweging op basis van de OGW een winrechtenverdeling aan de orde is. Als zodanig doet de Intentieverklaring niets toe of af aan de wettelijke taken en bevoegdheden, die de provincies hebben krachtens de OGW.

- De participanten in Nederzand zijn sedert 1983 bezig met de voorbereiding van de twee grootschalige projecten in Gelderland (H1 (= Geertjesgolf) en F3b (=Watergoed). Hiermee werd tegemoet gekomen aan het beleidsuitgangspunt van de provincie, dat aanvragen om een vergunning voor die twee grootschalige winningsgebieden, worden ingediend door een groep van zandwinningsbedrijven. E.e.a. moest indertijd (1992) wel passen binnen de Wet Economische Mededinging en de Europese mededingingsregels.

- Een ander zandwinbedrijf wilde toetreden tot het (reeds gevormde) samenwerkingsverband Industriezand. Daartoe was overleg nodig. Zou dat overleg niet tot overeenstemming leiden, dan bestond de mogelijkheid dat de provincie zou worden geconfronteerd met meerdere vergunningaanvragen voor eenzelfde locatie (IZP, 1e fase, blz. 23/24; 1988).

- Beleidsuitgangspunt van de provincie was, dat met betrekking tot de twee grootschalige winlocaties, de betrokken ondernemingen bij de planvoorbereiding en uitvoering als één groep zouden optreden.
- De in de Bijlage bij de Intentieverklaring opgenomen (voorlopige) verdeling tussen Industriezand en Smals, is vastgesteld aan de hand van de marktaandelen van de betrokken zandwinbedrijven in de landelijke productie (afvoer per schip) van beton- en metselzand in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg (benedenstrooms Venlo) over de 7 (aan 1993) voorafgaande kalenderjaren.

- De provincies zijn wel de aanleiding geweest voor de totstandkoming van het samenwerkingsverband Nederzand, maar bij de uitwerking zijn de provincies nooit betrokken geweest.

60. Namens de provincie Noord-Brabant is het volgende aangegeven.
- Ook aan andere ondernemingen dan die genoemd in de (bijlage bij de) Intentieverklaring kunnen OGW-vergunningen worden verleend. Criteria als persoon of vestigingsplaats spelen bij vergunningverlening geen rol.

- Het aantal voor grootschalige zandwinning beschikbare locaties binnen de provincie Noord-Brabant is zeer beperkt (twee). Hierdoor is vergunningverlening aan meerdere zandwinningsondernemingen, indien zij een OGW-vergunning hebben aangevraagd, zeker niet uit te sluiten.

- Er is geen direct betrokkenheid geweest van de provincie bij (de deelnemers in) Nederzand. Vanwege de beperkte beschikbaarstelling van (grootschalige) zandwinningslocaties door het provinciaal bestuur, "claimden" de betrokken zandwinbedrijven (verenigd in Nederzand) een aandeel in de exploitatie ervan bij de provincie.

61. Namens de provincie Limburg is het volgende aangegeven.
- Binnen de provincie zijn thans geen grootschalige zandwinningslocaties beschikbaar.

- Bij meerdere aanvragen om een OGW-vergunning voor eenzelfde locatie wordt steeds per geval een afweging gemaakt. Dergelijke aanvragen hebben zich nog niet voorgedaan. Daardoor is noch het verdelingsvraagstuk als zodanig, noch de (toepassing van de) Intentieverklaring aan de orde geweest.

- De provincie is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het samenwerkingsverband Nederzand. Er bestaan geen contacten, afspraken of overeenkomsten tussen de provincie en dat samenwerkingsverband.

VII. BEOORDELING

62. In het verzoek wordt aan de d-g NMa primair verzocht de aanvraag af te wijzen omdat art. 6, eerste lid, Mw niet van toepassing is. Subsidiair vragen verzoekers om verlening van een ontheffing op grond van art. 17 Mw.

a. Toepasselijkheid van art. 6, eerste lid, Mw Onderneming; overeenkomst
63. Het ontheffingsverzoek is ingediend door elf besloten vennootschappen, die elk partij zijn bij de RO. Van die elf partijen zijn negen actief op gebied van productie en afzet van beton- en metselzand. De andere twee partijen, Nederzand en Industriezand, zijn uitvoeringsorganisaties die als zodanig deel nemen aan het economisch verkeer. De RO is een privaatrechtelijke overeenkomst, gesloten tussen ondernemingen.

Mededingingsbeperkingen
64. Het "werkgebied" waarop de RO van toepassing is, is gelegen in de drie provincies waarin de belangrijkste (potentiële) gebieden voor winning beton- en metselzand in Nederland voor komen. Er zijn 17 winningsprojecten opgesomd die in ieder geval onder de werking van de RO vallen. De RO is van toepassing op de overgrote meerderheid (ongeveer 2/3e deel) van de nog te winnen reserves aan (bestanddelen van) beton- en metselzand in Nederland.

65. De negen contractanten behoren tot de in totaal elf ondernemingen die actief zijn in de "landelijke winning" (afvoer per schip) in Nederland. Ongeveer 2/3e deel van de totale productie van beton- en metselzand in Nederland wordt door hen verricht (zie hiervoor, punt 10).


- Gezamenlijk ontwikkelen van projecten op structurele basis en bestendiging van marktposities tussen de betrokken partijen

66. De bepalingen inzake het gezamenlijk opstarten en ontwikkelen van nieuwe projecten (art. 11a-11m RO) beperken de individuele ondernemingsvrijheid om op eigen initiatief en naar eigen keuze zich toegang tot voorzieningsbronnen te verschaffen. De betrokken ondernemingen worden ook verhinderd de door hen verkregen kennis over technische en commerciële aantrekkelijkheid van zandvoorkomens naar eigen inzicht te kunnen exploiteren.

Anders dan verzoekers doen (brief 31 maart 1998, blz. 1), wordt "voorzieningsbron" niet opgevat als een vergunning op basis van de OGW, maar als de mogelijkheid om zich te voorzien van grondstoffen en/of (half-) fabrikaten.

67. Deze beperkingen klemmen te meer daar het overgrote deel van de in Nederland beschikbare (grootschalige) locaties voor de winning van beton- en metselzand onder de verplichte samenwerking van de RO valt en de betrokken partijen tot de grootste zandwinningsbedrijven in Nederland behoren. Juist in een situatie waar grootschalige winningslocaties beperkt in aantal zullen blijven, heeft de repeterende gezamenlijke ontwikkeling en uitvoering van zandwinningsprojecten tot gevolg dat concurrentie tussen de partijen vrijwel geheel wordt uitgesloten, met name op het vlak van de toegang tot voorzieningsbronnen.

68. Omdat, voorts, de financiële draagkracht en kennis en ervaring van de betrokken partijen ten aanzien van de zandwinning voor iedere partij afzonderlijk al relatief groot is ten opzichte van de (meeste) overblijvende (potentiële) concurrenten (enkele andere "landelijke" winningsbedrijven en de circa twintig "regionale" winningsbedrijven), gaat van de bundeling van die financiële mogelijkheden (met name m.b.t. het kunnen verwerven van gronden) en samenvoeging van kennis en ervaring een versterkende werking ten opzichte van die (potentiële) concurrenten uit.

69. De financiële- en zeggenschapsverhoudingen, alsook de onderlinge verdeling van rechten en plichten zijn vastgesteld op grond van bestaande, onderlinge, markposities (jaarpercentage en projectpercentages).

70. Door de bestaande, onderlinge posities op de afzetmarkt als uitgangssituatie te nemen bij de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe projecten voor de winning van beton- en metselzand, liggen de rechten op de hoeveelheden te winnen industriezand tussen de contractanten in hoge mate vast. Aldus bestaat er tussen de contractanten een vorm van marktverdeling (i.c. een verdeling van de voorzieningsbronnen). Daardoor zijn de marktverhoudingen tussen de contractanten in grote mate vastgelegd. Die verhoudingen kunnen over een periode van vele jaren nauwelijks veel verschuiven, waardoor de prikkels om marktaandelen te vergroten in zeer grote mate worden ontnomen.

71. De starheid van de onderlinge verhoudingen wordt door twee factoren nog vergroot. Door de verbinding tussen de contractspositie bij de RO en het aandelenbezit in Nederzand blijven de afspraken gemaakt in de RO intact en kunnen niet verwateren indien een of meerdere contractanten zouden besluiten hun positie als contractant bij de RO en/of als aandeelhouder in Nederzand aan een derde over te dragen. Het verplicht "doorgeven" van de totale contractpositie aan een derde draagt ook aan die starheid bij. De dreiging van een dwangsom (art. 5g RO) vergroot het afdwingend vermogen van die plicht en draagt aldus bij aan de starheid binnen en van het Nederzand-verband.

72. De instandhouding van de onderlinge marktposities wordt ook nagestreefd via de advisering van overheden over een eventuele toedeling van "winrechten" in een OGW-vergunning. Die adviezen hebben als doel te voorkomen dat de onderlinge (markt)verhoudingen tussen de contractanten worden verstoord door de uitkomst van een vergunningverlening en de (eventuele) in een OGW-vergunning aangebrachte winrechtenverdeling. Ook deze adviesregeling vormt een bijdrage aan de instandhouding van de onderlinge marktposities tussen de contractanten.

73. De regeling inzake de structurele gezamenlijke participatie in winningsprojecten, in een onderlinge verhouding die steeds direct is gebaseerd op het (voortschrijdende) 7-jaarsgemiddelde aan afzet van beton- en metselzand door de contractanten, kan worden opgevat als een vorm van marktverdeling, hetgeen strijdig is met het verbod van art. 6, eerste lid, Mw.


- Meldingsplicht en informatie-uitwisseling

74. De meldingsplicht en de informatie-uitwisseling vormen in de context van de RO onderdelen van een brede, structurele, samenwerking. Zij leiden ertoe dat aan concurrenten inzage wordt verleend in voorgenomen ontwikkelings- en investeringsplannen, in reeds gemaakte en in nog te maken kosten. Dat zijn belangrijke strategische gegevens (waar bevinden zich de meest interessante winningsgebieden) en waarderingen betreffende de winningsmarkt (welk winningsgebied bezit in de heersende en te verwachten marktomstandigheden de meeste economische potentie c.q. kans op daadwerkelijke realisatie binnen redelijke termijnen). Voorts wordt inzage gegeven in individuele kosten en kostenverwachtingen.

75. De meldingsplicht heeft tot gevolg dat een
contractant-initiatiefnemer niet vrij is de door hem verworven (commerciële) informatie naar eigen inzicht aan te wenden. Melding en gegevensuitwisseling leiden tot afstemming van marktgedrag aangezien in de onderhavige situatie de betrokken partijen aan wie de informatie wordt verstrekt juist op grond van de uitgewisselde informatie, hun eigen (toekomstige) marktgedrag kunnen baseren (wel of niet deelname aan een investeringsproject) en mede daarmee hun (markt)positie ten opzichte van de andere partijen bij de RO, alsook ten opzichte van derden, steeds kunnen beïnvloeden. Hierdoor wordt de mededinging beperkt.


- Kostendeling en concurrentie op eindprijzen

76. De kosten die worden gemaakt bij de voorbereiding van een project en de collectieve kosten die worden gemaakt indien een project daadwerkelijk in uitvoering is, worden steeds in een vaste verhouding tussen de betreffende contractanten gedeeld. Hierdoor zijn ook investeringsmogelijkheden en de daarmee gepaard gaande bedragen in vaste verhoudingen bepaald.

77. De stelling van de ontheffingverzoekers, dat over feitelijke winning van beton- en metselzand in de RO geen afspraken zijn gemaakt, kan derhalve niet worden onderschreven. Wat betreft de winning is het op zich juist dat de contractanten dat ieder voor eigen rekening doen. Er is echter een volledige deling van kosten afgesproken voor de vele aan de feitelijke winning voorafgaande gezamenlijke voorbereidings- en uitvoeringshandelingen, zoals bijvoorbeeld de aankoop van terreinen. Het betreft hier kosten die onderdeel uitmaken van het totale productieproces en die, bijvoorbeeld m.b.t. de terreinaankopen , aanzienlijk zijn.

Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Economisch functioneren van de grondstoffenmarkt (eindrapport fase 1 - inventarisatie; aug. 1997), blz. 21.

78. Dit betekent dat op een zeer groot deel van de totale productiekosten de onderlinge concurrentie op de kostprijs per eenheid product is uitgeschakeld. Doordat kostprijzen onvermijdelijk hun weerslag vinden in de uiteindelijke verkoopprijzen die de afnemers betalen, wordt ook op de verkoopprijs de concurrentie tussen de contractanten beperkt. Aldus hebben de afspraken tussen de contractanten wel degelijk óók effect op de feitelijke winning en de daarop volgende fase, de handelsfase. De kostendeling en de daardoor optredende beperking van de prijsconcurrentie op het eindproduct is in strijd met art. 6, eerste lid, Mw.


- Voorthelpregeling (onderlinge bijstand)

79. Zoals reeds hiervoor vermeld in punt 77, stellen de ontheffingverzoekers dat over de afzet (vermarketing; handelsfase) van industriezand in de RO in het geheel géén afspraken zijn gemaakt. De RO bevat echter ook in de vorm van een voorthelpregeling afspraken die betrekking hebben op de fase die volgt op de winning.

80. Art. 12i RO behelst onder meer een kooprecht dat een(als gevolg van vergunningverlening "onderbedeelde") contractant kan uitoefenen jegens zijn mede-contractanten.

81. In de eerste plaats toont deze regeling aan, welke grote waarde de contractanten hechten aan het bestendigen van de onderlinge verhouding op het vlak van de winrechten (productie- en afzetmogelijkheden), nu het afwijken van het, op de onderlinge afzetverhoudingen gebaseerde "verdelingsadvies", direct een koop- en leveringsrecht oplevert.

82. Normaliter ontberen marktpartijen een (automatisch) recht op koop en belevering zoals hier aan de orde. Door die rechten op levering wordt de concurrentiedruk t.a.v. de afzet van beton- en metselzand die tussen de contractanten bij afwezigheid van de RO zou bestaan, verminderd. Een contractant die een lagere voorraadpositie heeft dan hij zou hebben gehad indien de overheid conform het "advies" van het Nederzand-verband de verdeling van de winrechten zou hebben opgenomen in de OGW-vergunning , zal in plaats van het op de markt verwerven van aanvullende voorraden, direct bij zijn mede-contractanten afnemen.

83. De regeling bevat voorts een horizontaal tussen de contractanten werkende (minimum-) prijsafspraak in de vorm van vaste prijsformules voor onderlinge zandleveringen, hetgeen een inbreuk op de vrije prijsvorming vormt.

84. Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de voorthelpregeling een verstorende werking heeft op de normale werking van vraag en aanbod en (daarmee) op de vrije prijsvorming en daarom als strijdig met het bepaalde in art. 6, eerste lid, Mw moet worden beschouwd.


- Beperkte toetredingsmogelijkheden voor derden

85. De toetreding tot de RO door derden is niet eenvoudig. In de eerste plaats is iedere contractant die zijn positie in de RO wil overdragen, verplicht die positie aan te bieden aan de overige contractanten, naar rato van ieders jaarpercentage (art. 18b RO). Wenst één van de contractanten geen gebruik te maken van dat voorkeursrecht, dan zijn de andere contractanten gerechtigd dat deel van de vrijkomende contractspositie over te nemen (wederom naar rato van ieders jaarpercentage) (art. 18b RO). Het voorkeursrecht herleeft, zodra de contractant die zijn positie wenst over te dragen niet binnen drie maanden zijn contractspositie aan een derde heeft verkocht (art. 18e RO). Pas als géén van de mede-contractanten de contractspositie wenst over te nemen, kan deze worden aangeboden aan een derde.

86. Voorts is uitgesloten dat de geïnteresseerde derde in vrije onderhandeling met de overdragende contractant de prijs voor het aan hem over te dragen contractsdeel kan vaststellen. Die prijs wordt namelijk ofwel tussen de overdragende contractant en de overige contractanten overeengekomen, ofwel (bij gebreke aan overeenstemming) vastgesteld door "onafhankelijke deskundigen" (art. 18d jo 18b RO).

87. Is overdracht van aandelen in Nederzand aan een derde aan de orde, dan is de overdragende contractant/aandeelhouder verplicht bij die overdracht te stipuleren dat overnemende partij alle op de vervreemder uit hoofde van de RO rustende verplichtingen over zal nemen (art. 5g RO).

88. Uit het voorgaande volgt dat toetreding van derden tot de RO en het aandelenkapitaal in Nederzand vrij zeldzaam zal zijn. Dit illustreert het gesloten karakter van de samenwerking tussen de contractanten en het opereren als een eenheid ten opzichte van alle andere zandwinningsbedrijven. Hiermee wordt de toegang tot voorzieningsbronnen voor derden bemoeilijkt en wordt de markt voor winning en afzet van beton- en metselzand in hoge mate afgeschermd, hetgeen ingevolge van art. 6, eerste lid, Mw verboden is.


- Lange looptijd

89. De looptijd van de RO is zeer lang. Vergunde projecten worden allen conform deze overeenkomst afgewerkt. Dat moment kan, nu de samenwerking onder meer ziet op projecten die worden vergund ter voldoening aan de taakstellingsperiode tot 2008, tussen 2015 en 2020 of zelfs daarna liggen. Immers, een (groot) project vergund in bijvoorbeeld het jaar 2007, kan een uitvoeringstermijn van circa 10 jaren vergen.

Conclusie ten aanzien van de mededingingsbeperkingen

90. Op basis van de voorgaande punten moet worden geconcludeerd dat de RO de grondslag vormt voor zeer vergaande, structurele en langdurige samenwerking tussen vrijwel alle grote zandwinningsondernemingen in Nederland. Daardoor wordt de concurrentie tussen de deelnemende partijen in belangrijke mate uitgeschakeld. Doordat rechten op winning onderling worden verdeeld (in vaste verhoudingen op basis van onderlinge marktposities), worden de voorzieningsbronnen verdeeld, hetgeen als een vorm van marktverdeling kan worden gekwalificeerd. Voor derden worden de mogelijkheden om toegang tot zandwinningslocaties, en daarmee tot voorzieningsbronnen te krijgen, ernstig bemoeilijkt. De kosten van de deelnemende ondernemingen worden voor een belangrijk deel gelijkgeschakeld, waardoor de prijsconcurrentie bij de afzet van het gewonnen zand wordt beperkt.

91. Met de RO wordt derhalve de mededinging beperkt in de zin van art. 6, eerste lid, Mw.

Overheidsbetrokkenheid

92. De verzoekers stellen dat als gevolg van sterke overheidsbetrokkenheid bij de zandwinning er een zodanige druk op hen is uitgeoefend, dat zij in wezen gedwongen waren tot de samenwerking zoals die in de RO gestalte heeft gekregen. De RO zou volgens hen door de overheid zijn opgelegd. Daardoor ontbrak het volgens hen aan de vrijheid om nog eigenstandig over samenwerking te beslissen. Daarmee zou volgens hen de toepasselijkheid van art. 6, eerste lid, Mw komen te ontvallen.

93. De beoordeling van deze stelling inzake de toepasselijkheid van art. 6, eerste lid Mw noodzaakt tot een analyse van de positie en het handelen van de overheden in kwestie.

94. De stelling van de verzoekers inzake overheidsbetrokkenheid houdt verband met het vraagstuk van de verlening van ontgrondingsvergunningen voor een beperkt aantal beschikbare (grootschalige) locaties, waarvoor meerdere gegadigden kunnen zijn of waarvoor meerdere (samenlopende en in die zin ook concurrerende) vergunningaanvragen zijn ingediend. Verlening van een vergunning impliceert het maken van keuzes uit de meerdere aanvragers.

95. Over dergelijke verdelingsvraagstukken heeft de wetgever zich enkele jaren geleden uitgesproken bij gelegenheid van wijziging van art. 3 OGW. In laatstgenoemd wetsartikel is onder meer de bevoegdheid van het vergunningverlenende bestuursorgaan opgenomen om in de vergunning een voorschrift op te nemen, inhoudende (art. 3, derde lid, onder i, OGW):
"i. dat de vergunninghouder verplicht is toe te laten dat een aangewezen deel van de te ontgronden onroerende zaken wordt ontgrond door één of meerdere aangewezen derden en dat de daartoe tussen de vergunninghouder en die derden te sluiten overeenkomst de goedkeuring behoeft van een bij het voorschrift aangewezen overheidsorgaan;".

Wet van 20 juni 1996 (Stb. 411).

96. In de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) is dit artikelonderdeel toegelicht. Daarbij is ingegaan op de keuzeproblemen waarmee het vergunningverlenende bevoegd gezag kan worden geconfronteerd in geval het twee of meer aanvragen voor hetzelfde perceel ontvangt. Volgens de regering zijn er meerdere oplossingen mogelijk voor de vraag aan wie de vergunning te verlenen. In de MvT zijn overwegingen beschreven die als uitgangspunten kunnen dienen. Citaat:
"Bij de uitvoering van een planmatig beleid moeten alle bij de productie en distributie van oppervlaktedelfstoffen respectievelijk van vervangende materialen betrokken bedrijven in beginsel gelijke kansen krijgen om daaraan deel te nemen. Van belang is voorts het uitgangspunt van het beleid inzake mededinging dat er voldoende concurrentie moet blijven bestaan. Dit houdt in dat evenredige verdeling van vergunningen aan de hand van in het verleden gerealiseerde marktaandelen, zodanig dat de marktverdeling tot in lengte van jaren vastligt, moet worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het van overheidswege voorschrijven van samenwerking tussen ondernemingen, opdat er maar één vergunningaanvrager overblijft.
In sommige winplaatsen b.v. zal het om technisch-organisatorische redenen niet mogelijk zijn bedrijven onafhankelijk van elkaar te laten werken. Alsdan is slechts één bedrijf ofwel een samenwerking van bedrijven toelaatbaar. De ten aanzien van een bepaalde winplaats samenwerkende bedrijven zullen dan een overeenkomst moeten sluiten, die uit mededingingsoogpunt beperkt hoort te blijven tot de desbetreffende winplaats."

Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23568, nr.3, blz. 44.

97. Voor de beoordeling van de stelling dat vanwege overheidsbetrokkenheid het kartelverbod niet van toepassing zou zijn, is voorts het volgende van belang. Art. 6, eerste lid, Mw is geënt op art. 81, eerste lid, EG-Verdrag (art. 85 oude nummering). Volgens de wetgever zijn de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie en jurisprudentie op basis van het EG-Verdrag mede richtinggevend voor de inhoud en reikwijdte van het kartelverbod van art. 6, eerste lid, Mw.

In dit besluit is nummering van het EG-Verdrag aangehouden zoals die luidt sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam (per 1 mei 1999).
Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24707 (MvT), blz. 7, 13 en 14.

98. Uit de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) valt af te leiden dat het kartelverbod van art. 81, eerste lid, EG-Verdrag niet van toepassing is in situaties waarin ondernemingen als gevolg van (nationale) wettelijke regelingen niet meer in vrijheid hun gedrag kunnen bepalen. Zie bijvoorbeeld HvJ, Commissie en Frankrijk v. Ladbroke Racing Ltd. en de in dat arrest genoemde uitspraken.
R.o. 33: "De artikelen 85 en 86 van het Verdrag hebben namelijk enkel betrekking op de mededingingsverstorende gedragingen waartoe ondernemingen op eigen initiatief hebben besloten. ....... Indien een mededingingsverstorende gedraging bij een nationale wettelijke regeling aan de ondernemingen wordt voorgeschreven, of indien deze wettelijke regeling een rechtskader creëert dat zelf iedere mogelijkheid van concurrerend gedrag door deze ondernemingen uitsluit, zijn de artikelen 85 en 86 niet van toepassing. In een dergelijke situatie vindt de beperking van de mededinging niet, zoals in deze bepalingen besloten ligt, haar oorsprong in autonome gedragingen van de ondernemingen............" R.o. 34: "Daarentegen kunnen de artikelen 85 en 86 van het Verdrag van toepassing zijn, indien blijkt dat de nationale wettelijke regeling de mogelijkheid van een mededinging openlaat die door autonome gedragingen van de ondernemingen kan worden verhinderd, beperkt of vervalst............".

HvJ, zaken C-359/95 P en C-379/95 P, Jur. 1997, I-6301. Zie ook NMa-besluit inzake Sophia-Ziekenhuis - Ziekenhuis/Verpleeghuis De Weezenlanden (zaaknummer 165), d.d. 5 juni 1998, met name de punten 36 en 44.
Bijvoorbeeld: SSI e.a. vs. Commissie, 10 dec.'85 Jur. 3885, gev. zaken 240-242, 261, 262, 268 en 269/82). R.o. 40: Hier kan in het midden blijven in hoeverre druk of instigatie van de overheid ertoe kan leiden dat de door ondernemingen gesloten overeenkomsten buiten de werkingssfeer van art. 85 EGV kunnen vallen. Weliswaar is komen vast te staan, dat de Nederlandse overheid herhaaldelijk overleg heeft gepleegd met de betrokken ondernemingen, en dat zij daarbij bepaalde beleidsdoelstellingen heeft uitgestippeld die zij verwezenlijkt wenste te zien, doch niet is aangetoond, dat volgens de overheid deze doelstellingen moesten worden verwezenlijkt door het sluiten van mededingingsbeperkende overeenkomsten als die welke bij de bestreden beschikking zijn verboden. Van Landewyck e.a. vs. Commissie ("Fedetab'), 29 oktober 1980, jur. 1980, 3125, gev. Zaken 209 t/m 214 en 218/78. Uit r.o. 131: niet is aangetoond dat de overheidsregeling of de uitvoering daarvan de fabrikanten/importeurs belet, van het hen toekomende aandeel in een gegeven detailhandelsprijs, individueel een grotere marge aan bepaalde groothandelaren toe te kennen. In vergelijkbare zin: de beschikking van de Europese Commissie inzake het Jahrhundertvertrag, van 22 december 1992 (PB L 50/14 van 2 maart 1993). In randnr. 24 wordt geoordeeld dat de concrete concurrentiebeperking niet voortvloeit uit de nationale wetgeving als zodanig, maar eerst uit de (voorliggende) overeenkomst en dat de Duitse regering weliswaar tot de sluiting van de overeenkomst heeft bijgedragen, maar er in dit verband geen sprake was van enige wettelijke verplichting.

99. Vaste beslispunten in deze jurisprudentie zijn:
- eigen initiatief van ondernemingen (autonome gedragingen van ondernemingen), dan wel het voorgeschreven zijn van gedragingen aan ondernemingen door een nationale wettelijke regeling;
- mogelijkheid van noemenswaardige mededinging (die overblijft ondanks nationale wettelijke regeling), dan wel uitsluiting van iedere mogelijkheid van concurrerend gedrag door nationaal rechtskader.

100. Uit deze rechtspraak blijkt dat het HvJ steeds per zaak vaststelt of in de gegeven situatie nog concurrentie mogelijk is, gelet op de in het geding aan de orde gestelde (nationale) wettelijke regels en/of de (nationale) beleidspraktijk. Blijkt er concurrentievrijheid aanwezig, ook al is die gering, dan mogen ondernemingen die vrijheid niet inperken.

In de uitspraken worden géén oordelen geveld over de verenigbaarheid van nationale wettelijke regels en/of beleidspraktijken met het EG-Verdrag, bijv. met de artikelen: 3, onder g, 10 (was art. 5) en 81/82 (waren art. 85/86).

101. In het licht van deze rechtspraak dient over de verhouding tussen het kartelverbod van art. 6 Mw, de regels van de OGW en de beleidspraktijk van overheden het volgende te worden opgemerkt.

102. De OGW legt aan marktpartijen géén beperkingen op t.a.v. activiteiten zoals het kunnen verkennen en opsporen van zandvoorkomens (bodemonderzoek), het maken en ontwikkelen van plannen, het aankopen van gronden en het aanvragen van een ontgrondingsvergunning. Iedere onderneming mag dergelijke activiteiten vrij verrichten. Het initiatief tot al deze activiteiten ligt steeds bij individuele marktpartijen. Dit houdt in dat marktpartijen aangaande al deze activiteiten de vrije mededinging niet mogen beperken, omdat zij anders art. 6, eerste lid, Mw zullen overtreden.

103. De RO valt echter niet terug te voeren op het hiervoor geschetste, in de OGW vervatte, rechtskader. Bij de toepassing van art. 3, derde lid, onder i, OGW gaat om een beoordeling in een concrete situatie, zoals die zich bij besluitvorming aangaande een enkele winplaats kan voordoen en die kan resulteren in een vergunningvoorschrift dat verplicht tot samenwerking en het maken van afspraken. De RO daarentegen is een regeling op basis waarvan structureel wordt samengewerkt en die betrekking heeft op een groot aantal winningsprojecten.

104. Evenmin is een met art. 3, derde lid, onder i, OGW vergelijkbare rechtsgrond aanwezig, waarmee wordt voldaan aan de door het Hof van Justitie geformuleerde eis van een wettelijke grondslag of wettelijk rechtskader, die de toepasselijkheid van het kartelverbod kan wegnemen.
De Intentieverklaring van de drie provincies kan in dit verband niet worden aangemerkt als een wettelijk rechtskader op grond waarvan dwang is of kan worden uitgeoefend op de partijen bij de RO.

105. In de eerste plaats is de Intentieverklaring niet gebaseerd op een wettelijke regeling. Voorts biedt de Intentieverklaring niet meer en niet minder dan een aantal door de betrokken provincies gezamenlijk uitgesproken beleidsuitgangspunten ter zake van samenlopende (concurrerende) vergunningaanvragen. Zo blijkt uit de artikelen 4 en 5 van de Intentieverklaring, dat de drie provincies zich iedere bevoegdheid hebben voorbehouden om, in geval van samenlopende vergunningaanvragen op basis van de OGW, ook andere dan de in de Intentieverklaring gemaakte afwegingen te maken.

106. Uit de informatie van de drie provincies blijkt ook overigens niet, dat op enig moment sprake is geweest van dwang om tot structurele samenwerking als vervat in de RO te komen.

107. Wat betreft het beleidsuitgangspunt van de provincie Gelderland, dat met betrekking tot de twee grootschalige winlocaties in die provincie, de "betrokken ondernemingen" bij de planvoorbereiding en uitvoering als één groep zouden dienen op te treden, kan worden opgemerkt dat nergens uit de informatie van de provincie dan wel anderszins blijkt, dat het juist de deelnemers in Industriezand en/of (sedert juni 1996) Nederzand zouden (moeten) zijn, die als "betrokken" ondernemingen worden aangemerkt, onder uitsluiting van alle andere ondernemingen in binnen- of buitenland.

108. Aan Nederzand is n.a.v. het ontheffingsverzoek gevraagd in hoeverre de samenwerking tussen de partijen bij de RO is opgelegd door, dan wel een (direct) gevolg is van besluiten van het Rijk, provinciale- of andere overheden. In haar reactie merkt Nederzand, in aanvulling op het gestelde in haar ontheffingsverzoek, op dat provinciale overheden bij de verlening van
ontgrondingsvergunningen de keuzemogelijkheden van art. 4 Intentieverklaring gebruiken, zodat er hoe dan ook onderling afspraken moeten worden gemaakt over de uitvoering van projecten.

109. Waar Nederzand echter aan voorbij gaat, is het feit dat het initiatief tot samenwerking van de contractanten bij de RO zelf uitgaat. De Intentieverklaring geeft een beleidskader voor (drie) provinciale overheden in de situatie dat er meerdere gegadigden voor één winningslocatie zijn en/of meerdere vergunningaanvragen worden ingediend. In die zin is de Intentieverklaring een instrument dat wordt gebruikt bij het maken van een belangenafweging, te weten de verdeling van ontgrondingsrechten via verlening van een OGW-vergunning. De Intentieverklaring vormt echter geen grondslag op basis waarvan marktpartijen, zoals de contractanten, door de overheid verplicht worden gesteld tot structurele samenwerking m.b.t. tal van activiteiten zoals bijvoorbeeld onderzoek van geschikte locaties, ontwikkeling van plannen, aankopen van terreinen en aanvragen van vergunningen.

110. Dwang van de kant van de (drie) provincies op de contractanten is niet aanwezig en is niet aanwezig geweest. Het argument van de ontheffingaanvragers dat er sprake zou zijn van een dusdanige dwang dat er geen sprake meer zou zijn van een vrijwillig tot stand gekomen Raamovereenkomst, kan, gelet op het gestelde in de voorgaande punten, dan ook niet worden gedeeld. De mening van de verzoekers, als zou de RO de mededinging niet verder beperken dan reeds het geval is door overheidshandelen kan, mede gelet op het voorgaande punten, evenmin worden onderschreven.

b. De ontheffingscriteria art. 17 Mw

111. Afspraken of gedragingen die de mededinging beperken komen enkel voor ontheffing in aanmerking indien aan alle (vier) criteria van art. 17 Mw wordt voldaan.

Bijdrage bevordering productie/distributie en/of technische/economische vooruitgang

112. Verzoekers stellen dat via de RO aan hen voor een langere periode zekerheid wordt gegeven over de toegang tot de voorzieningsbronnen, waardoor er voor hen betere overlevingskansen ontstaan. Dit argument kan worden opgevat als zou ten gevolge van de voor de verzoekers toegenomen zekerheden, hun aanwezigheid op de winningsmarkt voor langere perioden gegarandeerd zijn, waardoor er op die markt een veelheid aan partijen, en dus concurrentie, zal (blijven) bestaan.

113. Het als collectief optreden heeft in de eerste plaats mede tot gevolg dat de onderlinge concurrentie tussen de contractanten op alle gebieden waarover de samenwerking zich uitstrekt vrijwel wordt uitgesloten. Een collectief zoals dat van contractanten, die op tal van gebieden samenwerken, heeft veeleer negatieve effecten op de concurrentie. De contractanten zullen slechts in bescheiden mate in staat zijn de marktpositie ten opzichte van elkaar te wijzigen, nu de hoeveelheden zand die zij als gevolg van de RO mogen winnen, onderling in hoge mate vast staan.

114. Tevens vormt dat collectief een groot blok ten opzichte van concurrenten en potentiële concurrenten. Dit gegeven telt extra zwaar in de situatie, waar er slechts een zeer beperkt aantal grootschalige (landelijke) zandwinningslocaties beschikbaar is. Voorts blijft in de argumentatie van de verzoekers onduidelijk hoe de productie van industriezand zelf wordt of kan worden verbeterd.

115. Voorts betogen de verzoekers dat als gevolg van de samenwerking bepaalde investeringen eerder kunnen worden gedaan, waardoor die samenwerking ook bijdraagt aan op innovatie gerichte investeringen.
Noch in de aanvraag, noch in de nadien ontvangen informatie geven verzoekers aan op welke wijze het eerder (kunnen) investeren een gunstig effect heeft of kan hebben op innovaties. Desgevraagd hebben de verzoekers enkel geantwoord dat de activiteiten in het kader van "onderzoek en research" betrekking hebben op aandacht voor het probleem van de (afvoer van) te verwijderen kleilagen en aandacht voor implementatie van het Bouwstoffenbesluit, en dat tot op heden aan deze onderwerpen enkele tienduizenden guldens zijn uitgegeven.

116. Ook zou de RO volgens de verzoekers bijdragen aan een betere verdeling (distributie) van de winrechten door provinciale overheden. De bijdrage die de contractanten op basis van de RO in dat verband leveren betreft een verdelingssuggestie, analoog aan de tussen hen bestaande marktverhoudingen. Het provinciaal bestuur wordt geadviseerd de voorgestelde winrechtenverdeling over te nemen in de vergunning op basis van de OGW.

117. De "verdeling van goederen of diensten" heeft echter geen betrekking op de verlening van vergunningen op basis een publiekrechtelijke bevoegdheid. Alleen al om die reden gaat het argument van verzoekers niet op. Het nemen van beslissingen over de afgifte van vergunningen op basis van de OGW tot de administratiefrechtelijke bevoegdheden van de betreffende provinciale besturen. In de gevallen waarin een provinciaal bestuur wordt geconfronteerd met samenlopende (concurrerende) aanvragen of met een aanvraag ingediend door meerdere marktpartijen, zal zij zelf in alle objectiviteit een afweging moeten maken over de vraag aan welke ondernemingen een vergunning kan worden verleend. De juistheid, kwaliteit en houdbaarheid van die beslissingen is een verantwoordelijkheid van het betreffende bevoegde gezag. Zo bezien kan het bestaan van de RO niet leiden tot een "betere" verdeling, aangezien het betreffende bestuur op geen enkele wijze gebonden is of kan zijn aan tussen marktpartijen gemaakte afspraken, zoals die van de RO.

118. Verzoekers stellen voorts dat door de samenwerking aanzienlijke efficiëntievoordelen worden behaald en dat de (financiële) risico's worden gespreid, onder meer via coördinatie van de directievoering over de projecten en het gebruik maken van één service-apparaat.
Hierover kan worden opgemerkt dat het juist is dat het delen van productiefactoren in het algemeen kostenbesparingen kunnen opleveren. De op de RO gebaseerde samenwerking is van structurele aard en is zo veelomvattend, dat de nadelen die daaruit voortvloeien voor de concurrentieverhoudingen, niet opwegen tegen deze voordelen.

Billijk aandeel van de voordelen voor gebruikers

119. De door verzoekers onderkende efficiëntievoordelen zouden volgens hen kunnen leiden tot kostenbesparingen, waardoor scherpere prijsconcurrentie mogelijk is.

120. De negen contractanten hebben een zeer sterke positie bij de winning van beton- en metselzand. Van de totale productie in Nederland (circa 21 miljoen ton) nemen de negen contractanten circa 14 miljoen ton voor hun rekening. Weliswaar ondervindt winning van beton- en metselzand zoals dat door de negen contractanten plaatsvindt een zekere concurrentie van beton- en metselzand dat door derden wordt gewonnen in de kleinere en meer verspreid over Nederland liggende winplaatsen, doch de concurrentiedruk die uitgaat van winplaatsen waarbij de afvoer van het gewonnen zand plaatsvindt per vrachtauto is vanwege de relatief hoge transportkosten betrekkelijk gering. Het is dan ook niet aannemelijk dat een billijk aandeel van eventueel te behalen efficiëntievoordelen aan de verbruikers van beton- en metselzand kunnen worden doorgegeven, daar de werking van op daadwerkelijke concurrentie gebaseerde prijsdruk in grote mate ontbreekt.

121. De samenwerking zou volgens verzoekers leiden tot betere nabestemming van de gronden waar de winning heeft plaatsgevonden (na afloop van de feitelijke winning) omdat daarvoor uitgespaarde kosten kunnen worden aangewend. De (kwaliteit) van de nabestemming (herinrichting) hangt af van wat in de vergunningsvoorwaarden daarover is voorgeschreven. Het tot vergunningverlening bevoegde bestuursorgaan kan het belang van een verantwoorde herinrichting nadrukkelijk bij de besluitvorming inzake de verlening betrekken en kan daarover in de vergunning voorschriften opnemen (art. 3, tweede lid, OGW). De op de herinrichting betrekking hebbende vergunningsvoorschriften zijn de houders van ontgrondingsvergunningen bekend en de met de herinrichting houdende kosten worden gedurende de winningsfase gereserveerd. Op het punt van de herinrichting biedt de RO, kortom, geen additionele voordelen.

122. Voorts zou volgens de verzoekers de RO aan hen betere structurele overlevingskansen bieden, hetgeen zou bijdragen aan een duurzame concurrentie. Hiermee wordt het betoog zoals aangehaald onder het eerste ontheffingscriterium vrijwel herhaald. De verzoekers hebben in dit verband enkel oog voor de (toekomstige) positie (overleving) van henzelf als individuele ondernemingen dan wel als groep. Er wordt voorbij gegaan aan het feit dat de onderlinge concurrentie ten aanzien van de toegang tot locaties voor winning van beton- en metselzand praktisch geheel wordt uitgesloten en dat derden zich voor wat betreft die toegang geconfronteerd zien met een zeer groot en hecht collectief, hetgeen juist nadelig voor de concurrentie is.

Onmisbaarheid

123. De argumenten inzake te behalen efficiënte, spreiding van risico's en zekerheid (stabiliteit) t.a.v. de grondstoffenvoorzieningen, zoals aangevoerd als gronden onder het eerste ontheffingscriterium worden door de ontheffingverzoekers herhaald.

124. Niet of nauwelijks is onderbouwd, waarom de afspraken die mededingingsbeperkend zijn, echt noodzakelijk zijn. Nergens wordt aangegeven waarom andere vormen van samenwerking en/of andere afspraken die geen of die minder mededingingsbeperkingen met zich brengen, niet ook tot de door de verzoekers geclaimde verbeteringen kunnen leiden.

125. Evenmin is aangegeven waarom de samenwerking moet bestaan uit negen marktpartijen, die elk behoren tot de grootste beton- en metselzandwinningsbedrijven in Nederland. Ook is geen afdoende verklaring gegeven voor het feit dat de RO ziet op (praktisch alle) grootschalige winningsprojecten in Nederland. Het feit dat ontwikkeling en realisering van winningslocaties in de praktijk vele jaren in beslag kunnen nemen, kan geen reden zijn voor de in de RO vervatte samenwerking.

126. De verzoekers geven weliswaar aan dat zij het rechtvaardig vinden dat, inzake de advisering omtrent winrechtenverdeling in een OGW-vergunning aansluiting te zoeken bij de verhouding zoals die al jarenlang tussen partijen op de markt geldt, maar zij beargumenteren niet, waarom een dergelijke advisering in de eerste plaats noodzakelijk is.

127. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de RO niet voldoet aan de voorwaarden voor ontheffing.

VIII. BESLUIT

128. De aanvraag om ontheffing voor de Raamovereenkomst wordt afgewezen, aangezien artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet van toepassing is en niet voldaan is aan alle voorwaarden voor ontheffing zoals bepaald in artikel 17 van de Mededingingswet.

Datum: 13 augustus 1999

w.g. A.W. Kist

Directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit

Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, binnen zes weken na de dag van bekendmaking van dit besluit een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit, Sectie Beschikkingen, Bezwaar en Beroep, Postbus 16326, 2500 BH Den Haag.

terug

Aan de inhoud van deze pagina's kunt u geen rechten ontlenen.

Deel: ' Besluit NMa raamovereenkomst Nederzand '




Lees ook