Ministerie van Financien

Titel: Pensioenverplichtingen



Besluit van 11 maart 1999

De Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten:

Inleiding

Op 1 januari 1995 is artikel 9b Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB) in werking getreden. Dit artikel schrijft voor dat pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen gewaardeerd moeten worden met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van tenminste

vier percent. Om een directe winstneming te voorkomen is in artikel 70a Wet IB in samenhang met artikel 24 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling) bepaald dat de onder het oude waarderingsstelsel gepassiveerde (veelal lineaire) waarde van de pensioenverplichtingen bevroren mag worden totdat de op actuariële wijze berekende waarde volgens het nieuwe stelsel hoger is. Pas daarna kan weer worden gedoteerd aan de voorziening. Deze wetswijziging is voor een aantal belastingplichtigen aanleiding geweest om aanspraken op grond van de bestaande pensioenregeling die na inwerkingtreding van artikel 9b Wet IB worden toegekend, onder te brengen bij een andere pensioenuitvoerder. Alle aanspraken die tot dat tijdstip zijn toegekend, blijven in eigen beheer.

Deze wijze van pensioenopbouw, die in de praktijk bekend staat als verticaal knippen van de pensioenaanspraken, heeft tot vragen geleid. Om de eenheid van beleid met betrekking tot de fiscale behandeling van dit verticaal knippen te bevorderen, geef ik hierna mijn standpunt weer.

Verticaal knippen

Voor het geval waarin de belastingplichtige ten gevolge van de invoering van artikel 9b Wet IB moet overgaan op een ander stelsel van waardering van pensioenverplichtingen mag op grond van artikel 70a Wet IB in samenhang met artikel 24 van de Uitvoeringsregeling de voorziening aan het einde van het laatste jaar waarin het oude stelsel nog toepassing vindt, worden bevroren zolang de op actuariële wijze berekende waarde van die verplichtingen lager is dan de bevroren waarde. Als de aanspraken die worden toegekend nadat het nieuwe waarderingsstelsel van toepassing is geworden elders worden ondergebracht, kunnen ondanks de bevriezing van de waarde in eigen beheer hiervoor in beginsel premies en/of koopsommen ten laste van het fiscale resultaat worden gebracht.

Als echter sprake is van een eindloonregeling en er na de inwerkingtreding van artikel 9b Wet IB een salarisstijging plaatsvindt, leidt dit ertoe dat ook de pensioenrechten over de verstreken dienstjaren stijgen (backservice). De hieruit voortvloeiende kosten kunnen door de pensioenuitvoerder, veelal naar keuze van de belastingplichtige, zowel met een eenmalige koopsom (volledige affinanciering) als ook met toekomstige inhaalpremies (uitstelfinanciering) in rekening worden gebracht. Als belastingplichtige heeft gekozen voor een financiering door middel van inhaalpremies kan hij in beginsel de contante waarde van de toekomstige inhaalpremies als backservicevoorziening op de balans passiveren. Deze backservicevoorziening is echter te beschouwen als een (tijdelijk) in eigen beheer gehouden deel van de verzekerde pensioenrechten waarvoor al een voorziening is gevormd. In de bevroren pensioenvoorziening zit immers een tijdelijk overschot. Dit houdt in dat op de fiscale balans slechts een backservicevoorziening kan worden gepassiveerd, indien en voor zover de actuariële waarde van de pensioenverplichting in eigen beheer, berekend met een rekenrente van ten minste 4 percent, tezamen met de contante waarde van de in de toekomst in totaal verschuldigde inhaalpremies, hoger is dan de bevroren pensioenvoorziening. Voor de vennootschap blijft één ondeelbare pensioenverplichting bestaan, ook al wordt de pensioenverplichting voor een deel niet meer in eigen beheer uitgevoerd. Voor zover de inhaalpremies niet gepassiveerd mogen worden, komen ze ten laste van het resultaat naarmate ze daadwerkelijk worden betaald.

Afschrift van deze brief en de bijlage te zenden aan de Directie Grote ondernemingen t.a.v. mevrouw N. Cabell, Postbus 58988, 1040 EK te Amsterdam met het verzoek het bijgevoegde Besluit van de plv. directeur-generaal der Belastingen namens de staatssecretaris van Financien van 11 maart 1999, nr. DB99/834M zo spoedig mogelijk op te nemen in het Boekwerk Vennootschapsbelasting 1969.

Voor gelijkluidend afschrift,

Deel: ' Besluit pensioenverplichtingen '




Lees ook