Ministerie van Financien

Titel: Fiscale eenheid

De (plv) Directeur Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Besluit van 5 oktober 1999, nr DB99/2720M.

Vennootschapsbelasting. Fiscale eenheid.

Doorschuiving sanctie van de 16de standaardvoorwaarde fiscale eenheid na juridische fusie en (af)splitsing.

ALGEMEEN

In dit besluit wordt een regeling getroffen om de sanctie uit hoofde van de 16e standaardvoorwaarde fiscale eenheid, conform het besluit van 30 september 1991 nr. DB91/2309 en zoals gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 30 september 1991, nr. 189, BNB 1991/329, (hierna te noemen : de sanctie) door te schuiven na een juridische fusie en een (af)splitsing. Het gaat hierbij om de situatie dat een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) wordt verbroken als gevolg van een dergelijke rechtshandeling en daarbij de sanctie van de 16e standaardvoorwaarde fiscale eenheid in werking treedt.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet van 17 juni 1998 (Stb. 350) tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en van enige andere belastingwetten in verband met de fiscale begeleiding van de overgang van vermogen onder algemene titel bij rechtspersonen op de voet van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (TK, 1997-1998, 25709, nr. 6, blz. 6) heb ik aangegeven dat de winst als gevolg van de toepassing van de 16e standaardvoorwaarde onder voorwaarden in dergelijke situaties niet in aanmerking behoeft te worden genomen.

Op dit punt is thans enige ervaring opgedaan.

In het hierna volgende wordt voor de onderscheiden faciliteiten aangegeven onder welke voorwaarden deze doorschuiving tot nu toe heeft plaatsgevonden. Indien dit besluit niet kan worden toegepast, omdat de voorgelegde situatie niet overeenkomt met de door mij beschreven gevallen, dan zal voor deze nieuwe situaties bezien worden of de heffing met betrekking tot de claim uit hoofde van de 16e standaardvoorwaarde kan worden verzekerd. Dit besluit beoogt derhalve niet een uitputtende uiteenzetting te geven van alle mogelijke situaties die zich kunnen voordoen.

Dit besluit bevat tevens een aanwijzing aan de inspecteur tot het afdoen van verzoeken om toepassing van de regeling. DE 16E STANDAARDVOORWAARDE FISCALE EENHEID NA JURIDISCHE FUSIE OF (AF)SPLITSING


2.1. Inwerkingtreding van de sanctie van de 16e standaardvoorwaarde

Als gevolg van een (af)splitsing of een juridische fusie kan een fiscale eenheid ten aanzien van een of meer dochtermaatschappijen worden verbroken. Bovendien is in artikel VI van de Wet van 17 juni 1998 (Stb. 350) bepaald dat indien voor de heffing van de vennootschapsbelasting een dochtermaatschappij op de voet van artikel 15 van de Wet Vpb een eenheid vormt of heeft gevormd met een moedermaatschappij, de samenstelling van het vermogen van de dochtermaatschappij ten gevolge van transacties binnen die eenheid is gewijzigd en ingevolge artikel 14a, eerste lid of artikel 14b, eerste lid van die wet bij een splitsing onderscheidenlijk een fusie aan die eenheid een einde komt, voor de toepassing van de krachtens artikel 15 van die wet gestelde voorwaarde met betrekking tot transacties die binnen die eenheid hebben plaatsgevonden, de tegenwaarde van de stille reserves


- waaronder begrepen een vervangingsreserve als bedoeld in artikel 14 van de Wet IB alsmede goodwill - die onmiddellijk na de laatste van die transacties aanwezig waren in de dochtermaatschappij wordt geacht ten goede te zijn gekomen aan de moedermaatschappij of aan het lichaam dat met haar in een fiscale eenheid verenigd is of is geweest.

Dit betekent dat indien tussen het tijdstip van de (laatste) besmette transactie enerzijds en het tijdstip van ten goede komen op grond van voormelde bepaling dan wel een ten goede komen op een eerder tijdstip, alsmede het verbrekingstijdstip van de fiscale eenheid anderzijds minder dan zes boekjaren zijn geëindigd, de juridische fusie dan wel de (af)splitsing leidt tot inwerkingtreding van de sanctie ten aanzien van de desbetreffende dochtermaatschappij(en). Indien de transactie de overdracht van (een zelfstandig onderdeel van) een onderneming betreft, geldt voorzover het de vervreemding van de aandelen in de dochtermaatschappij betreft uiteraard de verkorte drie-jaarstermijn.

De hieruit voortvloeiende winst behoort tot de winst van het boekjaar voorafgaande aan de verbreking van de fiscale eenheid, zodat ter zake van deze winst niet de doorschuifbepalingen opgenomen in het tweede en derde lid van de artikelen 14a en 14b Wet Vpb van toepassing zijn.

Zoals hierboven aangegeven heb ik toegezegd dat de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden met toepassing van artikel 15 Wet Vpb kan toestaan dat inwerkingtreding van de sanctie van de 16e standaardvoorwaarde fiscale eenheid ten gevolge van de juridische fusie of (af)splitsing achterwege blijft. Uiteraard kan deze goedkeuring niet worden verleend indien de fiscale eenheid door een andere oorzaak voorafgaand aan de juridische fusie of (af)splitsing wordt verbroken.

In een tweetal situaties heb ik ter zake een regeling getroffen, namelijk in het geval de moedermaatschappij van een fiscale eenheid de (af)splitsende rechtspersoon is, en in het geval de moedermaatschappij de verdwijnende rechtspersoon bij een juridische fusie is, terwijl de verkrijgende rechtspersoon niet tot die fiscale eenheid behoort. De situaties worden uitgewerkt hieronder in 2.2. en 2.3.


2.2. (Af)splitsing. Doorschuiving van de sanctie van de 16e standaardvoorwaarde indien de moedermaatschappij van een fiscale eenheid de (af)splitsende rechtspersoon is en de verkrijgende rechtspersoon niet tot de fiscale eenheid behoort

Ik sta toe dat op een gezamenlijk verzoek van de (af)splitsende rechtspersoon, de dochtermaatschappij(en) en de verkrijgende rechtspersoon, gericht aan de inspecteur die bevoegd is ten aanzien van de (af)splitsende rechtspersoon, de inspecteur onder de hierna vermelde voorwaarden goedkeurt dat de inwerkingtreding van de sanctie ten gevolge van de juridische (af)splitsing achterwege blijft.

De hiervoor bedoelde voorwaarden betreffen:

1. de (af)splitsing vindt plaats met toepassing van artikel 14a, tweede of derde lid van de Wet Vpb;

2. er is sprake van fiscaal terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar waarin de (af)splitsingsakte wordt verleden;
3. tussen de verkrijgende rechtspersoon en de dochtermaatschappij(en) komt in aansluiting op het verbrekingstijdstip van de fiscale eenheid met de (af)splitsende rechtspersoon als moedermaatschappij, een fiscale eenheid tot stand;
4. een verbreking van deze fiscale eenheid binnen de periode waarin de 16e standaardvoorwaarde werkt, leidt alsnog ten aanzien van de desbetreffende dochtermaatschappij(en) tot inwerkingtreding van de 16e standaardvoorwaarde ten aanzien van de nieuwe fiscale eenheid, met dien verstande dat indien de fiscale eenheid in het eerste jaar wordt verbroken, de herwaardering dient plaats te vinden op de eerste dag van het eerste boekjaar van de nieuwe fiscale eenheid;

5. een aanvaarding van de gestelde voorwaarden door de (af)splitsende rechtspersoon, de verkrijgende rechtspersoon en de dochtermaatschappij(en).

Ter toelichting van enkele voorwaarden nog het volgende.

Voorwaarde 2 en voorwaarde 3 bewerkstelligen dat de dochtermaatschappijen niet zelfstandig belastingplichtig worden. In dat geval zou immers geen sprake meer zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de vpb-schulden van de fiscale eenheid. Bovendien voorkomen deze vereisten dat de claim van de fiscus illusoir wordt, doordat de dochtermaatschappij in de tussenliggende periode bijvoorbeeld overgaat tot uitdelingen, kapitaalterugbetalingen e.d. waardoor zij in waarde daalt.

Voorwaarde 4 bewerkstelligt dat de claim uit hoofde van de 16e standaardvoorwaarde wordt doorgeschoven naar de nieuwe fiscale eenheid. Dit betekent dat indien de nieuwe fiscale eenheid wordt verbroken binnen 6 boekjaren na de laatste besmette transactie in de oude fiscale eenheid, de sanctie in werking treedt bij de nieuwe fiscale eenheid. Hetzelfde geldt m.m. voor de verkorte driejaarstermijn. Indien er toch een verbreking van de fiscale eenheid binnen die periode plaatsvindt, dan merk ik op dat een ten goede komen op het moment van deze verbreking geen vereiste is om de claim tot uitdrukking te doen komen, omdat dit ten goede komen zich ingevolge voormeld artikel VI of op een andere grond reeds heeft voorgedaan. Als de claim tot uitdrukking komt dan betekent dit dat bij het einde van het boekjaar dat aan de verbreking voorafgaat de activa en passiva van de dochtermaatschappij worden gesteld op de waarde in het economische verkeer en dat de tot haar vermogen gerekende vervangingsreserve wordt opgenomen in de winst van de nieuw gevormde fiscale eenheid. Wordt de nieuwe fiscale eenheid ten aanzien van een dochtermaatschappij reeds in het eerste boekjaar verbroken, dan dient de herwaardering op de eerste werkdag van het boekjaar plaats te vinden.


2.3. Juridische fusie. Doorschuiving van de sanctie van de 16e standaardvoorwaarde indien de moedermaatschappij de verdwijnende rechtspersoon bij een juridische fusie is en de verkrijgende rechtspersoon niet tot de fiscale eenheid behoort

Ik sta toe dat op een gezamenlijk verzoek van de verdwijnende rechtspersoon, de dochtermaatschappij(en) en de verkrijgende rechtspersoon, gericht aan de inspecteur die bevoegd is ten aanzien van de verdwijnende rechtspersoon, de inspecteur onder de hierna vermelde voorwaarden goedkeurt dat de inwerkingtreding van de sanctie ten gevolge van de juridische fusie achterwege blijft.

De hiervoor bedoelde voorwaarden betreffen:

1. de juridische fusie vindt plaats met toepassing van artikel 14b, tweede of derde lid van de Wet Vpb;

2. er is sprake van fiscaal terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar waarin de juridische fusieakte wordt verleden;
3. tussen de verkrijgende rechtspersoon en de dochtermaatschappij(en) komt in aansluiting op het verbrekingstijdstip van de fiscale eenheid met de verdwijnende rechtspersoon als moedermaatschappij, een fiscale eenheid tot stand;

4. een verbreking van deze fiscale eenheid binnen de periode waarin de 16e standaardvoorwaarde werkt, leidt alsnog ten aanzien van de desbetreffende dochtermaatschappij(en) tot inwerkingtreding van de 16e standaardvoorwaarde ten aanzien van de nieuwe fiscale eenheid, met dien verstande dat indien de fiscale eenheid in het eerste jaar wordt verbroken, de herwaardering dient plaats te vinden op de eerste dag van het eerste boekjaar van de nieuwe fiscale eenheid;

5. een aanvaarding van de gestelde voorwaarden door de verdwijnende rechtspersoon, de verkrijgende rechtspersoon en de dochtermaatschappij(en).

Ter toelichting van enkele voorwaarden nog het volgende.

Voorwaarde 2 en voorwaarde 3 bewerkstelligen dat de dochtermaatschappijen niet zelfstandig belastingplichtig worden. In dat geval zou immers geen sprake meer zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de vpb-schulden van de fiscale eenheid. Bovendien voorkomen deze vereisten dat de claim van de fiscus niet illusoir wordt, doordat de dochtermaatschappij in de tussenliggende periode bijvoorbeeld overgaat tot uitdelingen, kapitaalterugbetalingen
e.d. waardoor zij in waarde daalt.

Voorwaarde 4 bewerkstelligt dat de claim uit hoofde van de 16e standaardvoorwaarde wordt doorgeschoven naar de nieuwe fiscale eenheid. Dit betekent dat indien de nieuwe fiscale eenheid wordt verbroken binnen 6 boekjaren na de laatste besmette transactie in de oude fiscale eenheid, de sanctie in werking treedt bij de nieuwe fiscale eenheid. Hetzelfde geldt m.m. voor de verkorte driejaarstermijn. Indien er toch een verbreking van de fiscale eenheid binnen die periode plaatsvindt, dan merk ik op dat een ten goede komen op het moment van deze verbreking geen vereiste is om de claim tot uitdrukking te doen komen, omdat dit ten goede komen zich ingevolge voormeld artikel VI of op andere grond reeds heeft voorgedaan. Als de claim tot uitdrukking komt dan betekent dit dat bij het einde van het boekjaar dat aan de verbreking voorafgaat de activa en passiva van de dochtermaatschappij worden gesteld op de waarde in het economische verkeer en dat de tot haar vermogen gerekende vervangingsreserve wordt opgenomen in de winst van de nieuw gevormde fiscale eenheid. Wordt de nieuwe fiscale eenheid ten aanzien van een dochtermaatschappij reeds in het eerste boekjaar verbroken, dan dient de herwaardering op de eerste werkdag van het boekjaar plaats te vinden.


2.4. Indieningstermijn verzoek

Het verzoek moet worden ingediend vóór het einde van het jaar waarin de akte van (af)splitsing, dan wel de akte van juridische fusie is verleden.
TOESTEMMING TOT AFDOENING VAN VERZOEKEN DOOR INSPECTEURS

Inleiding

Dit besluit bevat mede een instructie tot het afdoen van verzoeken om doorschuiven van de sanctie uit hoofde van de 16e standaardvoorwaarde fiscale eenheid.
Beoordeling verzoeken

De inspecteur die een verzoek om doorschuiving van de sanctie uit hoofde van de 16e standaardvoorwaarde fiscale eenheid in behandeling heeft genomen, beoordeelt:
of sprake is van een situatie waarbij de moedermaatschappij van een fiscale eenheid de (af)splitsende dan wel de verdwijnende rechtspersoon is en de verkrijgende rechtspersoon niet tot de fiscale eenheid behoort, en
of het verzoek is gedaan vóór het einde van het jaar waarin de akte van (af)splitsing, dan wel de akte van juridische fusie is verleden, en

a. of wordt voldaan aan het vereiste dat de (af)splitsing dan wel de juridische fusie plaatsvindt met toepassing van artikel 14a of 14b, tweede en/of derde lid van de Wet Vpb, en
b. of wordt voldaan aan het vereiste dat er sprake is van fiscaal terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar waarin de juridische fusie dan wel de (af)splitsing plaatsvindt.

Inwilliging verzoek

Indien aan de vereisten onder 3.2. wordt voldaan en het verzoek derhalve voor inwilliging vatbaar is richt de inspecteur zijn beslissing in overeenkomstig het model dat is opgenomen als bijlage 1 indien sprake is van een (af)splitsing en als bijlage 2 indien sprake is van een juridische fusie.

Indien het verzoek niet voor inwilliging vatbaar is zendt de inspecteur het verzoek met advies door naar het Ministerie van Financiën, Directie Directe Belastingen, Afdeling Vennootschapsbelasting.

Voorts zendt de inspecteur een afschrift van de beslissing aan de indieners van het verzoek. Tevens deponeert hij de beslissing in de legger van de (af)splitsende rechtspersoon of de verdwijnende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersoon. Diversen

Bijlagen bij het verzoek

Bij de indiening van het verzoek moet worden overgelegd:
1. Volledige statutaire naam van de verdwijnende dan wel de (af)splitsende rechtspersoon, de verkrijgende rechtspersoon en de dochtermaatschappij(en); feitelijke vestigingsplaats;
2. Oprichtingsdatum; LVN en entiteitsnummer.
3. Voorstel en akte van juridische fusie dan wel (af)splitsing (eventueel nazenden).

4. Andere bij de beoordeling van het verzoek mogelijk van belang zijnde punten.


4.2. Bijlagen bij dit besluit

Bij dit besluit zijn de volgende bijlagen gevoegd:
1. Inwilliging bij juridische (af)splitsing;
2. Inwilliging bij juridische fusie.

De bijlagen zullen tevens worden opgenomen in het Modellenboek Ondernemingen.
Inlichtingen

Voor inlichtingen kunnen belanghebbenden contact opnemen met de competente inspecteur van de Belastingdienst.

Deel: ' Besluit Vennootschapsbelasting, Fiscale eenheid '




Lees ook