Partij van de Arbeid


Den Haag, 27 oktober 1999

SAMENVATTING VAN DE BIJDRAGE VAN PVDA-KAMERLID BERT MIDDEL AAN DE PLENAIRE BEHANDELING VAN DE BEGROTING 2000 WELZIJN EN SPORT

Aan de vooravond van de debatten over de Welzijnsnota en de Nota Breedtesport vindt nu de begrotingsbehandeling van VWS plaats. Voor de PvdA-fractie aanleiding een aantal punten op het gebied van welzijn en sport op de agenda te zetten.

De PvdA ziet veel voordelen in een partnerschap met het bedrijfsleven, het sociaal ondernemen. In sommige steden en wijken werken gemeente, buurtbewoners en bedrijven al samen om de leefbaarheid te vergroten. De PvdA pleit voor uitbreiding van dergelijke initiatieven. Tot nu toe worden deze voornamelijk gefinancierd uit particuliere fondsen, maar dat is een tijdelijke zaak. De PvdA-fractie meent dat hier duidelijk een taak voor de overheid is weggelegd.

Het vrijwilligerswerk wordt als het cement van de samenleving gezien. De PvdA-fractie meent daarom dat het vrijwilligerswerk voor de toekomst gegarandeerd moet worden en er daartoe op korte termijn een groot offensief noodzakelijk is. Tijdens het debat zal woordvoerder Bert Middel voorstellen hier het bedrijfsleven bij te betrekken door te komen tot uitleen van de werknemers, uiteraard op vrijwillige basis, aan maatschappelijke organisaties en instellingen. Ook kunnen werknemers in staat gesteld worden om op adv-dagen of andere vrije dagen als vrijwilliger in maatschappelijke instellingen te werken. Daarnaast kunnen scholieren en studenten gemotiveerd worden snuffelstages te lopen in het vrijwilligerswerk.

In het regeerakkoord is afgesproken de sport extra te stimuleren. Toch is er gekort op het bestaande budget. De PvdA-fractie vindt dat er voor sportverenigingen mogelijkheden geschapen moeten worden bij te verdienen. Waarom zouden zij bijvoorbeeld daken van sportaccommodaties niet kunnen verhuren aan de diverse bedrijven voor mobiele telefonie voor plaatsing van de daarvoor benodigde zendmasten? Deze accommodaties liggen doorgaans aan de randen van de stedelijke gebieden en het geld kan ten goede komen aan de georganiseerde sport.

De PvdA-fractie vraagt nadrukkelijk aandacht voor het gezinsbeleid. Jaarlijks worden 80.000 kinderen in de gezinssituatie mishandeld, één procent van deze kinderen sterft aan mishandeling. Er dient een veel krachtiger ondersteuning geboden te worden dan tot nu toe het geval is. De PvdA-fractie pleit dan ook voor een kinderombudsman. In tegenstelling tot de vertrouwensartsen kan een ombudsman immers wel maatregelen nemen. In een aantal Scandinavische landen is dit zeer succesvol gebleken.

Onder het kabinet Lubbers-III is uit bezuinigingsoverwegingen het wettelijk toezicht op de relatiebemiddeling afgeschaft. Wildgroei en chaos in deze sector zijn sindsdien toegenomen. Op winst beluste 'makelaars in menselijke eenzaamheid' bezoedelen deze sector. Een recent onderzoek van de Consumentenbond bevestigt dit beeld. De PvdA-fractie overweegt de mogelijkheid om met een inititatiefwet te komen om het wettelijk reguleren en toezicht opnieuw in te stellen.

Woordvoerder: Bert Middel 070-318 2772

Den Haag, 27 oktober 1999

BIJDRAGE VAN BERT MIDDEL (PVDA) AAN HET PLENAIRE DEBAT OVER DE BEGROTING 2000 WELZIJN EN SPORT

Dit debat is voor de PvdA bij uitstek het moment om de noodzaak van samenhang tussen activerend welzijnsbeleid en sport enerzijds en het beleid rond zorg, onderwijs, integratie, economie en grote steden anderzijds te benadrukken. Juist door die samenhang kunnen het sociaal beleid op lokaal niveau en de daarbij benodigde sociale infrastructuur versterkt worden

Hoewel het welzijnsbeleid grotendeels gedecentraliseerd is en zal blijven, kan en moet de rijksoverheid lokale experimenten ondersteunen en verbreden. Daartoe moeten in samenwerking met lagere overheden en waar mogelijk private partners initiatieven ontwikkeld worden. Samenlevingsopbouw - misschien is het beter de term "opbouwwerk" weer te introduceren - is niet een zaak van overheden alleen, maar als het om vernieuwing en ontwikkeling gaat kan met name het welzijnsdepartement een belangrijke rol vervullen. Het kan hier trouwens putten uit de rijke traditie van het voormalige CRM. Zeker waar het gaat om het slechten van departementale scheidslijnen, zoals al eerder is opgemerkt in het laatste begrotingsdebat BiZa/Grote Steden. Preventie, bestrijding en opheffing van achterstand, alsmede het wegnemen van het "gevoel van sociale overbodigheid" zijn niet alleen actueel binnen de verpauperde wijken van de grote steden, maar evenzeer in volksbuurten van kleinere steden en op delen van het inmiddels deels verloederde platteland. VWS heeft de instrumenten in handen om de regie op zich te nemen van een dergelijk innoverend en activerend welzijnsbeleid, maar tot dusverre is het daar nooit echt van gekomen.

De uit het managementjargon geputte slogan, die het kabinet heeft gekozen voor zijn eigen welzijnsbeleid - "Sturen op doelen, faciliteren op instrumenten" -, kan zijn politieke vertaling krijgen in een welzijnsbeleid dat wordt gekenmerkt door samenwerking en bovenal durf. Niet alleen het budget voor projecten, experimenten en onderzoek kan hier gericht voor ingezet worden, maar ook de circa 100 miljoen die jaarlijks wordt uitgegeven aan de welzijnsinfrastructuur van landelijke organisaties. Te veel en te vaak is niet duidelijk wat deze van rijkswege gesubsidieerde organisaties doen, behalve het in stand houden van de inmiddels gemoderniseerde erfgenamen van het traditionele Particulier Initiatief, dat decennia lang het welzijnsbeleid beheerste. Enige jaren geleden is Kamerbreed uitgesproken dat er een landelijk welzijnsinfrastructuur moest blijven, maar daarbij is minder nadruk gelegd op wat de taken ervan zouden moeten zijn. In dit licht lijkt het voor de hand te liggen dat de Kamer alsnog een richting aangeeft, waarbij vooral gedacht moet worden aan ondersteuning van sectoroverschrijdende lokale en regionale activiteiten en initiatieven (evt. motie).

Naast dit meer algemene kader zijn er nog tenminste vier lijnen aan te duiden, waarlangs het activerend welzijnsbeleid zich verder kan ontwikkelen. In de eerste plaats is dat het partnerschap met lokale overheden rond wijkgebonden initiatieven die een voorbeeld voor elders kunnen zijn. Neem bijvoorbeeld mijn eigen adoptie (en ook geboorte-)buurt: de Oosterparkwijk in Groningen. Enige jaren geleden startte hier met veel ophef de Vensterschool, een soort brede buurtschool waar onderwijs, zorg, welzijn en sport samenkwamen. De gemeente draaide grotendeels op voor de aanloop - en meerkosten, gefinancierd uit de stedelijke experimentenpot. De participatie van de rijksoverheid zou hier steviger kunnen zijn, ook al om de dreigende neergang van projecten als die van de Vensterschool tegen te gaan. Vernieuwing mag geen slachtoffer worden van haar eigen succes. Dit slaat ook op de wijkmediaprojecten die met steun van VWS en STOA her en der zijn opgestart. Daarvoor is een steunpunt Interculturele Wijkmedia zeer gewenst, maar dan moet VWS nog wel even blijven steunen. Geld kan hier niet het probleem zijn en VWS heeft zich tot dusverre altijd van de positieve kant laten zien. Waarom nu dan niet meer?

Ten tweede wijst de PvdA-fractie op partnerschap met lokale overheden rond aanvullende financiering van maatschappelijk noodzakelijke voorzieningen. Ook hier een voorbeeld. Tot voor zeer kort lag er een ijzeren gordijn tussen centraal (AWBZ, premies, rijkssubsidies) en decentraal gefinancierde activiteiten. De meteen na Prinsjesdag gerealiseerde versterking voor het Algemeen Maatschappelijk Werk zal leren hoe beide financieringsvormen in elkaar kunnen vloeien, zonder dat hier competentietoestanden mee gepaard gaan. Het heeft ons overigens wel verbaasd dat de directeur van GGZ-Nederland, de heer Leenders, in het laatste nummer van Zorg en Welzijn deze door de PvdA sedert lang bepleite ondersteuning van het maatschappelijk werk afdoet als het resultaat van een effectieve lobby van een "werksoort zonder imago". Hij beklaagt zich in dit verband over het negatieve imago dat de ambulante geestelijke gezondheidszorg in de ogen van de politiek zou hebben. Als er al sprake zou zijn van een negatief imago van de GGZ, brengen dergelijke uitspraken uit eigen kring bepaald geen verbetering. Gelukkig kunnen de patiënten van psychiatrische ziekenhuizen inmiddels iets positiever oordelen over de politiek, nadat kamerbreed eindelijk is besloten tot een verhoging van hun zak- en kleedgeld.

In de derde plaats wijzen wij op partnerschap met private bedrijven. Ofwel een variant op sociaal ondernemen. Neem als voorbeeld het buurtbeheer, dat de leefbaarheid vergroot, de positie van het bedrijfsleven versterkt en de criminaliteit terugdringt. Normen en waarden worden zo niet alleen weer (h-)erkend, maar ook nageleefd. Onder de paraplu van de Stichting "Mooi zo, goed zo" werken in het Brabantse Oosterhout gemeente, buurtbewoners, welzijnswerk en bedrijven samen om de leefbaarheid in buurten en wijken te vergroten. Dergelijke initiatieven hebben smeerolie nodig om te kunnen beklijven en verdienen het om ook elders van de grond te komen. Dit kan niet geheel en al worden overgelaten aan het Koningin Juliana Fonds, maar hier ligt ook een taak voor de rijksoverheid. Het schrijven van fraaie nota's is een begin en VWS bewijst elke regeerperiode weer dit vol te houden, maar implementatie in de praktijk is iets anders. In het verlengde hiervan kan ook gewezen worden op de versterking van de natuur in woonwijken, in overleg met private en publieke partners. VWS is toch het gezondheids- en welzijnsdepartement bij uitstek.

In de vierde en laatste plaats noemen er partnerschap met het bedrijfsleven in de sfeer van de wijkeconomie. Leefbaarheid en sociale samenhang hebben baat bij een levendige plaatselijke economie. Semi-illegaal werkende bedrijfjes kunnen worden gestimuleerd zich te bundelen tot legaal werkende bedrijven, samengebracht op plaatsen waar zij een sociaal trefpunt voor de buurt kunnen vormen. Ook kunnen bedrijven en instellingen worden gestimuleerd om zichzelf of eventuele dependances te huisvesten in volksbuurten. Niet aan de rand in kille kantoorgebouwen, maar midden in de buurt, in aangepaste woningen. Een buurt gaat meer leven als wonen, werken, recreëren dichter bij elkaar worden gebracht.

Het belang en de betekenis van het vrijwilligerswerk worden alom onderkend en beklemtoond. Toch beperken discussies over vrijwilligerswerk zich altijd tot deelaspecten, zoals vergoedingen, fiscale aangelegenheden, verzekeringen, verdringing op de arbeidsmarkt, et cetera. Zonder vrijwilligerswerk verdwijnt het cement uit de samenleving, maar consequenties voor de lange termijn worden daar nog niet uit getrokken. Om ook in het toekomstige vergrijzend en ontgroenend Nederland, met een relatief groter aandeel allochtonen die minder welbekend zijn met het vrijwilligerswerk, dit vrijwilligerswerk te garanderen, is op korte termijn een groot offensief nodig. In dit verband moet de overheid met de organisaties van vrijwilligers strategieën ontwikkelen om vrijwilligerswerk bekend en aantrekkelijk te maken onder nieuwe doelgroepen (evt. motie). Bedrijven kunnen worden gestimuleerd om hun werknemers - uiteraard op vrijwillige basis - af en toe uit te lenen aan maatschappelijke organisaties en instellingen (als wel de daarmee gepaard gaande fiscale problemen kunnen worden opgelost). Ook kunnen werknemers in staat gesteld worden om op ADV- of andere vrije dagen als vrijwilliger in maatschappelijke instellingen te werken. Natuurlijk is en wordt hier en daar geëxperimenteerd met projecten als Maatschappelijk Verlof in Amsterdam en Werk en Welzijn in Leeuwarden, maar die lopen uiteindelijk te gauw stuk op bureaucratie en starre regelgeving. Studenten en scholieren kunnen wellicht met enige overtuiging worden gemotiveerd tot periodieke snuffelstages in het vrijwilligerswerk en vrijwilligers zelf kunnen meer worden betrokken bij de beleidsontwikkeling.

Waar de laatste tijd het jeugdbeleid en de kinderopvang meer mogelijkheden en aandacht hebben gekregen, blijft het ouderenbeleid ietwat achter lopen. Ouderenbeleid wordt teveel eenzijdig op zorg georiënteerd, waarmee - wellicht onbedoeld, maar tóch - ouderen worden vereenzelvigd met zorgbehoeften. Het gigantisch menselijk kapitaal, dat ouderen in onze samenleving vertegenwoordigen, zou meer dan nu gebeurt moeten worden benut. Het instellen van anti-discriminatieregels is mooi, maar werkt weinig activerend. Momenteel zijn de inrichting en de cultuur van maatschappelijke instituties en verbanden te weinig ontvankelijk voor de bijdrage van ouderen. Overigens geldt dit eigenlijk ook voor gehandicapten. In overleg met organisaties van ouderen, gehandicapten, patiënten- en consumentenplatforms zou een aangescherpt beleidskader ontwikkeld kunnen worden om mensen die sociaal-economisch minder interessant zijn geworden, meer bij onze samenleving te betrekken. (evt. motie). Met de herstructurering en daarmee gepaard gaande sanering van het traditionele particulier initiatief onder de voormalige WVC-minister Brinkman in de jaren tachtig is helaas ook de maatschappelijke tegenspeler van de overheid - de counterpart - verdwenen.

Na enkele interessante aanzetten ten tijde van het kabinet- Kok-1 om tot een samenhangend gezinsbeleid te komen, is er al te lang windstilte op dit terrein. Ten onrechte wordt wel eens gemeend dat met discussies over kinderbijslag en de verdeling tussen zorg en arbeid ook meteen het gezinsbeleid "gecoverd" is. Intussen gaat het in zo'n 15% van de gezinnen in Nederland niet goed, lopen meer kinderen dagelijks gevaar door mishandeling en erger in gezinsverband dan door factoren die publicitair en politiek veel meer aandacht krijgen. We weten dit met z'n allen en we zijn ondertussen blijkbaar niet bij machte er ook maar iets wezenlijk aan te veranderen. De cijfers over kindermishandeling en doodslag op kinderen binnen het gezin zijn schrikbarend. Voor veel kinderen vormt het gezin waar zij deel van uitmaken een dagelijkse bedreiging, een levensbedreiging zelfs. Dat is de schaduwzijde van het door velen zo bewierookte gezin. Als samenleving moeten we er al het mogelijke aan doen om onze kinderen te beschermen, ook tegen het voor ons onvoorstelbare. Jeugdzorg verdient voortdurende prioriteit. Tegen deze achtergrond is het jammer dat de adviescommissie Gunther zo laat is geïnstalleerd en dus ook later dan de bedoeling was advies kan uitbrengen Ook is het zorgelijk dat de bureaus Jeugdzorg zo moeizaam tot stand komen. Waarom, zo vragen wij ons hardop af, hebben wij in dit land wel vertrouwenspersonen, klachtencommissies kindertelefoons en dat soort zaken, maar daarentegen niet een echt onafhankelijke instantie die de belangen van kinderen en hun ouders kan waarborgen. Kortom, waarom is er in Nederland geen Kinderombudsman (evt. motie)? De notitie Gezin van de vroegere bewindspersonen Melkert en Terpstra, heeft nooit een fatsoenlijke follow-up gekregen, wat als een gemiste kans beschouwd moet worden. Dit moet dus anders (evt. motie). De Nederlandse Gezinsraad heeft ons gewezen op het gebrek aan medewerking - om het woord tegenwerking maar niet te gebruiken - van VWS bij het opstellen van een twee-jaarlijks Signalement, waartoe regering en Kamer besloten na het debat over de notitie Gezin in januari 1997.

Onder de paraplu van het kabinet-Lubbers-III is met instemming van de PvdA uit bezuinigingsoverwegingen het wettelijk toezicht op de relatiebemiddeling afgeschaft. Sindsdien zijn wildgroei en chaos in deze sector in omvang en intensiteit toegenomen. Door malafide en op winst beluste "makelaars in menselijke eenzaamheid" wordt zo de hele sector bezoedeld, waar bonafide bureaus veel hinder van ondervinden. De meestgedupeerden zijn de cliënten die niet alleen hun geld maar ook hun laatste restjes hoop en zelfvertrouwen door de malversaties van hele en halve beunhazen de mist in zien gaan. Een recent onderzoek van de Consumentenbond onderstreept dit beeld. De laatste maanden heeft de PvdA-fractie de verschillende spelers op het terrein van de relatiebemiddeling aan één tafel gezet, om met hen te bekijken in hoeverre wettelijke regulering en toezicht gewenst of noodzakelijk geacht worden. Dit tegen de achtergrond van de mogelijkheid om zelf met een initiatief-wet te komen. Interessant is om eerst te weten wat de staatssecretaris denkt te kunnen of te willen doen.

Tegen de traditie in vanuit de PvdA-fractie dit jaar geen opmerkingen over maatschappelijke opvang, want dat komt binnenkort in een ander verband aan de orde. Wel iets over inburgering van nieuwkomers, waar bij de Algemene Beschouwingen extra geld voor is uitgetrokken. Ondanks de verhullende teksten en tabellen in de Memorie van Toelichting (pag. 158-160) en de beantwoording van onze vraag 208 kunnen we ons niet aan de indruk onttrekken dat hier toch sprake is van een feitelijke bezuiniging. Als dit waar is - en de staatssecretaris kan vertellen of wij het goed zien - moet deze bezuiniging worden teruggedraaid omdat zij volstrekt in strijd is met wat de Kamer vorige maand unaniem heeft uitgesproken.

Vorig jaar werd ons voorstel om een sportjongerenpaspoort in te voeren met instemming onthaald. Is het daar bij gebleven of valt er inmiddels meer te melden? De in het regeerakkoord afgesproken extra stimulans voor de sport (75% breedte-, en 25% topsport) wordt deels teniet gedaan door een korting van 3 miljoen gulden in de komende twee jaar op het bestaande budget, zonder dat duidelijk is op welke specifieke sectoren deze betrekking heeft. De PvdA-fractie kan niet uitleggen hoe je met de ene hand geeft, terwijl de andere weer neemt. Misschien dat het kabinet dit wel kan, maar wij zien liever de korting ongedaan gemaakt worden en vragen het kabinet dit te doen. Bij de Voorjaarsnota kan aangegeven worden hoe dit gerealiseerd is. Vanuit de sportsector wordt geklaagd over een tekort aan overleg met het kabinet. Los van het feit dat met name NOC*NCF dit schijnbare tekort goeddeels weet te compenseren via een niet-aflatende informatiestroom, moet toch de vraag worden gesteld of een sportplatform van overheid, sportwereld (inclusief het Landelijk Contact van de lagere overheden) en belanghebbende organisaties niet nagestreefd moet worden. Voor zover er sprake is van gemeenschappelijk beraad betreft dit altijd deelaspecten.

Sportsponsoring zal in toenemende mate een rol binnen de georganiseerde sport gaan spelen. In dit verband is het wellicht aardig eerst te bezien of en hoe sportverenigingen hun accommodaties beter kunnen (laten) benutten, bijvoorbeeld door samen te werken met private partners. Een simpel voorbeeld. Sportaccommodaties bevinden zich vaak aan de rand van wijken, dorpen en steden. Net daar waar de mobiele telefonie wordt gehinderd door het verschijnsel 'wit gebied', dat weer het gevolg is van te weinig zendmasten. Exploitanten van mobiele netwerken moeten inmiddels betalen voor het plaatsen van zendmasten, dus is de link gauw gelegd. Zendmasten op daken van voetbalkantines, om maar een enkel voorbeeld te noemen, en het mes snijdt aan twee kanten. VWS en Verkeer& Waterstaat moeten maar eens uitzoeken hoe dit grootschalig aangepakt kan worden. De sportboycot van Joegoslavië is opgeheven. Het voetbalelftal van dat land zien we volgend jaar op Euro 2000. Inmiddels zitten onze handbalvrouwen met de sportieve en financiële naweeën van deze destijds door ons terecht onderschreven boycot. Wat kan en wil het kabinet doen om de pijn voor de handbalvrouwen te verlichten?

De PvdA-fractie wacht al te lang op een reactie n.a.v. haar suggestie om betaald voetbal alleen in het weekend te laten spelen. De regering gaat er weliswaar niet over - helaas - maar kan de discussie erover wel aanzwengelen. We mogen dan volgens sommigen een hier een Mickey Mouse-competitie hebben, maar deze wordt wel spannender als er sprake is van een gelijkmatig en geconcentreerd verloop. Voetbal is een volkssport, waarbij de supporters in onze ogen nog altijd belangrijker zijn dan de commerciële belangen van Canal Plus, SBS zes en Fox. Dit zal wel een naïef standpunt zijn, maar we menen het wel. Tenslotte herinner ik de staatssecretaris er aan dat de Special Olympics van 2000, de grootschalige internationale spelen voor geestelijk gehandicapten in Groningen, afgeblazen worden als er niet voldoende geld is om het resterende tekort weg te werken. Dat zou een aanfluiting zijn, temeer daar de provincie en de gemeente Groningen ieder een miljoen op tafel gelegd hebben. De sportwoordvoerders van de vijf grote Kamerfracties hebben maanden geleden het kabinet om een soort garantiestelling gevraagd. De daarop volgende reactie was van een eigenlijk beschamende bescheidenheid. Daarom vraag ik het nog eens: geef de Special Olympics een dusdanige eenmalige bijdrage dat die Spelen door kunnen gaan. Geen van ons is in staat te beseffen wat dat betekent voor al die geestelijk gehandicapten en hun familieleden, vrienden en begeleiders die zich intens verheugen op de Special Olympics 2000 in Groningen Neem een voorbeeld aan de gemeente en de provincie en kom over de brug met een miljoen. De Spelen gaan dan door.

Deel: ' Bijdrage Bert Middel (PvdA) begroting 2000 welzijn en sport '




Lees ook