CDA


Biotechnologie

Den Haag, 5 april 2000

Inbreng

Voordat ik in zal gaan op het Actieplan zelf, hecht ik er aan om eerst een voor het CDA zeer principieel punt aan de orde te stellen. Ten tijde van het grote congres over biotechnologie, georganiseerd door de Amerikaanse ambassade, heeft een groot aantal betrokken bewindslieden uitspraken gedaan over de betekenis ervan voor Nederland en over hun beleidsvoornemens. De opvattingen van de Minister van EZ, die van VWS en die van LNV hebben we uitgebreid in de pers kunnen lezen. En ze waren allemaal heel duidelijk: de ontwikkelingen op het gebied van biotechnologie in Nederland moeten doorgaan en worden versterkt, want anders gaat Nederland achterlopen al was Brinkhorst gelukkig wel iets genuanceerder. Toen al vielen mij drie zaken op. Ten eerste hebben we de mening van de Minister van VROM over biotechnologie nog helemaal niet gehoord. Ten tweede: de beloofde integrale nota biotechnologie is nog niet gearriveerd. En ten derde: er is een maatschappelijke discussie over biotechnologie aan de gang in Nederland.

Voor de CDA-fractie is het lastig om de verhouding tussen het Actieplan en deze genoemde constateringen vast te stellen. Hoofdvraag is eigenlijk: sporen de voornemens van het Actieplan daadwerkelijk met de voornemens van Pronk en belangrijker- met de regeringsvoornemens in de integrale nota? De Kamer weet het niet, de burgers weten het niet, en voor de startende ondernemers zijn deze onzekerheden ook allesbehalve productief. Naar onze mening wordt hier beleid ontwikkeld zonder dat er een ethisch en moreel kader is. Waar worden dan straks de plannen van de starters aan getoetst? Kan de Minister hierop een reactie geven? Wat is het bredere kader van waaruit de huidige plannen beredeneerd zijn? Want het is te kortzichtig alleen de EZ-afweging te maken. Er moet bij dit soort departementsoverstijgende zaken toch een bredere en diepere overweging zijn?!

Kan de Minister garanderen dat met het Actieplan geen wegen worden ingeslagen, die straks weer moeten worden teruggedraaid? Met andere woorden: past het Actieplan bij de randvoorwaarden die nog moeten worden geformuleerd en moeten worden besproken met Kamer en maatschappij? En worden er geen tè hoge verwachtingen gewekt bij de starters (zie groot aantal pers-publicaties over Actieplan)? Zoals het er nu uitziet, denken wij dat er alleen geld kan gaan naar absoluut onomstreden projecten. Dat heeft met de ethische kant van de zaak te maken, maar ook zeker met de zekerheid van de positie van de starters.

Wat betreft de concrete uitvoering van het Actieplan heeft de CDA-fractie ook een aantal opmerkingen en vragen:


1. In zijn algemeenheid willen wij pleiten voor zo min mogelijk bureaucratie en overhead in de diverse regelingen van het Actieplan, dus samenwerken waar het kan. Geen nieuwe uitvoeringsorganisatie als dat niet nodig is. In dit kader is toch de vraag of Senter niet een aangewezen medium kan zijn. Platform (naam is BioPartner) niet overmatig zwaar aanzetten, zoveel mogelijk naar buiten/naar doelgroep gericht . En in elkaar schuiven van regelingen en beoordelingsprocedures waar mogelijk. Hoe zit het met het in elkaar schuiven van R&D-regelingen? En kunnen misschien de beoordelingscommissies voor de actielijn zaaikapitaal en voor de actielijn incubators worden samengevoegd?


2. Waarom is er voor gekozen om de projectgebonden financiële ondersteuning (zaaikapitaal) aan de kennisinstelling toe te kennen. Waarom niet direct aan de onderzoeker die een onderneming wil opzetten? En wat gebeurt er als er niet binnen twee jaar een businessplan van deze onderzoeker ligt? Heeft dit financiële consequenties? Is twee jaar praktisch wel haalbaar, gezien de lange looptijd van dergelijke geavanceerde technieken? Welke relatie ligt er tussen dit plan en de investeringsimpuls in het Wetenschapsbeleid van minister Hermans?


3. Kunnen de incubators alleen worden opgericht nabij kennisinstellingen die life-science-achtige opleidingen verzorgen, of maakt dat niet uit?


4. Dan een vraag over de aanschaf van onderzoeksapparatuur. Klopt het dat in feite de kennisinstelling financiële ondersteuning krijgt en dat de starter tegen een marktconform tarief gebruik mag maken van deze apparatuur? Waarom is hier gekozen voor aanbodfinanciering en niet voor vraagfinanciering? Of: aan wie betaalt de starter? Welke waarborgen zijn er ingebouwd dat de starters de eerste prioriteit krijgen om gebruik te maken van die apparatuur? Waarom kunnen alleen publieke kennisinstellingen een aanvraag indienen? Kan ook een incubator (bedrijfsgebouw met starters, dit is actielijn twee) een aanvraag indienen? Welke relatie ligt er met de WBSO?

5. De Minister zegt dat voor zover er sprake is van staatssteun, zal deze NAAR VERWACHTING niet boven het niveau van 100.000 euro uitkomen, hetgeen betekent dat het niet nodig is om het actieplan vooraf te melden bij de EU. Het lijkt ons beter om vooraf met meer zekerheid te kunnen vaststellen dat er niet gemeld hoeft te worden. Kan de Minister ons die zekerheid geven, gaarne toelichting.

Tenslotte zijn wij zeer benieuwd wanneer de Integrale Nota Biotechnologie naar de Kamer wordt gezonden.

Woordvoerder: Maria van der Hoeven

Deel: ' Bijdrage CDA aan debat over biotechnologie '




Lees ook