CDA

HOOP 2000 (240100)

Den Haag, 24 januari 2000

Voorzitter,

We behandelen vandaag een nieuw soort HOOP dat in plaats van 2 jaar nu een periode van vier jaar beslaat. Dit kan positief zijn omdat het kansen biedt voor meer integraliteit en lange termijn-planning. Het is echter ook een belangrijke opdracht. Wil het nieuwe HOOP meer zijn dan het traditionele beleidsoverzichtje als extraatje naast de begrotingstekst, wil het meer zijn dan een verzameling van agendapuntjes voor de komende tijd, dan zal de minister in dit nieuwe HOOP duidelijk de toekomstlijnen moeten uitzetten.

Onderwijsbeleid hoort te passen in een lange-termijn visie en niet te worden gedicteerd door toevalligheden of onsamenhangende maatregelen. Maatregelen op het vlak van bijvoorbeeld de vormgeving van het onderwijsbestel, de studiefinanciering en onderzoeksimpulsen dienen in lijn met elkaar te worden opgezet. En vervolgens ook voortvarend te worden uitgevoerd.

Het is een goede zaak dat de minister na vaststelling van de beleidsagenda HOOP in April 1999 zo uitgebreid met het veld is gaan praten.
Op een gegeven moment zal hij echter zelf tot duidelijke keuzes moeten komen. En zijn best moeten doen om draagvlak hiervoor te krijgen in het kabinet, hier in de kamer en in het hoger onderwijs zelf. De CDA-fractie had verwacht dat dit zou gebeuren in dit HOOP dat toch de lijnen voor de komende vier jaar zou moeten uitzetten. Helaas wordt heel wat concrete besluitvorming naar voor geschoven. Uiteindelijke keuzes zullen niet in dit integrale HOOP debat maar pas in deeldebatten later dit jaar of misschien soms zelfs volgend jaar worden gemaakt. Het lijkt er op dat de eisen die in strategisch opzicht aan het nieuwe HOOP worden gesteld in de loop van het afgelopen jaar lager zijn geworden. Het is de vraag of het HOOP op deze manier wel het integraal sturend beleidsinstrument kan worden dat de minister ervan verwacht en dat zeker nu nodig is.

Centraal in het voorliggende HOOP staat een grotere autonomie voor de instellingen. Voor het CDA is en blijft het uitgangspunt van het onderwijsbeleid het stimuleren van een hoge basiskwaliteit en een brede toegankelijkheid. De minister blijft hiervoor verantwoordelijk en aanspreekbaar. Wij vinden het een verademing dat na veel jaren van centralisme meer verantwoordelijkheid aan de basis wordt gelegd. Deze deregulering mag echter nooit een doel op zich worden maar kan slechts dienen als middel voor het doel van kwaliteit en toegankelijkheid. Of, zoals ik tijdens de begrotingsbehandeling stelde: het is instrumenteel, niet principieel.

Juist om deregulering tot de juiste uitkomsten te laten leiden is het nodig dat de minister nu, aan de start van dit proces op een aantal vlakken duidelijk de publieke verantwoordelijkheid definieert en de richting kenbaar maakt. De kern is:

De discussie rond invoering van de bachelors en masters systematiek en de onderwijskundige gevolgen hiervan

Het tegengaan van de tekorten aan hoger opgeleiden en kwaliteitswaarborgen

Laat ik beginnen met vraagstukken rond de invoering van een bachelors masterssystematiek.

Als er op één vlak duidelijkheid gewenst is, dan is het wel bij de discussie over de toekomstige vormgeving van ons hoger onderwijsbestel. Nederland heeft de Bologna-verklaring ondertekend, er is het laatste jaar nauwelijks een zin over onderwijsbeleid geschreven zonder dat daarin minstens 1 keer de woorden Bachelors en Masters voorkwamen.
Tegelijkertijd geeft de minister tijdens de begrotingsbehandeling ruiterlijk toe dat hij geen idee heeft hoe de BaMa-discussie ons onderwijsbestel over een aantal jaren zal hebben beïnvloed.

Het CDA ziet wel degelijk voordelen aan de overgang naar een Ba-Ma structuur. Te denken valt hierbij aan een betere internationale vergelijkbaarheid en mobiliteit en, indien goed opgezet, een vergroting van de transparantie van het Nederlandse hoger onderwijs. Internationaal gebruikte titulaturen sluiten ook aan bij de steeds verdergaande internationalisering van het bedrijfsleven. Wil deze discussie echter positief uitpakken dan moeten we er wel voor zorgen dat het toekomstige Ba-Ma systeem eenduidig wordt opgezet, dat ze niet synoniem wordt gemaakt aan een stelseldiscussie en dat ze zoveel mogelijk aansluit bij de gangbare Europese Ba-Ma praktijk.

Voor de Ba-Ma structuur geldt bij uitstek dat het een middel is en geen doel op zich. Om zicht te krijgen op de richting van de discussie en ook om te voorkomen dat het beleid door het uitblijven van duidelijkheid uiteindelijk wordt meegezogen door ad hoc ontwikkelingen wenst de CDA-fractie op een aantal belangrijke aspecten van Ba-Ma een duidelijke uitspraak van de minister. Ik ga er hierbij van uit dat het feit dat er nog eens een extra onderzoek van de Onderwijsraad naar een aantal deelaspecten van de Nederlandse BaMa-invulling gaat komen, niet wil zeggen dat de minister zich zelf nog geen idee heeft gevormd over de hoofdlijnen van het toekomstig stelsel van bachelors & masters.

Zoals wij reeds in eerdere debatten aangaven is de CDA-fractie voorstander van het behoud van het binaire stelsel. Dit niet vanuit een principiële vooringenomenheid maar vanuit de overtuiging dat het zichtbare onderscheid in wetenschappelijke en meer op toepassing gerichte opleidingen niet alleen goed aansluit bij de wensen vanuit de arbeidsmarkt maar er ook toe heeft bijgedragen dat het Nederlands systeem brede toegankelijkheid en hoge basiskwaliteit sinds oudsher zo kosteneffectief kan waarmaken. Het feit dat de meeste andere Europese landen de keuze voor binariteit maken sterkt ons in deze overtuiging.

De minister heeft zich nu ook duidelijk voor het behoud van de binariteit uitgesproken. Hij noemt dit zelfs als voorwaarde voor een bestuurlijke fusie tussen Universiteit en Hogeschool van Amsterdam. De vraag is of hij al een beeld heeft hoe hij dit binaire stelsel in een bachelors-masters systematiek eigenlijk denkt vorm te geven. De CDA-fractie gaat ervan uit dat de hogeschool-titel wordt omgevormd tot een bachelors-hbo en de universitaire opleidingen worden opgeknipt in een bachelors en een masters-deel? Het bachelors wo zou hierbij niet als mogelijk eindpunt van de studie mogen gaan gelden. Het afronden van een universitaire opleiding leidt tot een masters of science en masters of arts titel. Deze titels worden duidelijk gekenmerkt als academische graden, voorbehouden aan universitaire opleidingen. Is dit de hoofdrichting die ook de minister in gedachten heeft? Graag een duidelijke reactie.

Duidelijkheid over de invulling van BaMa is des te relevanter omdat nu al blijkt dat een eenduidige invulling niet vanzelf tot stand komt. Nederlandse instellingen kiezen op dit moment immers al voor een verschillende invulling. De VSNU hanteert twee verschillende modellen. Naast de optie van de al genoemde knip in de opleiding kent men de optie van een Bachelors als brede universitaire basisopleiding. Is de minister het met de CDA-fractie eens dat in het kader van de transparantie een eenduidige invulling gewenst is? Wat vindt hij in dit kader van de tweede optie?

Volgens de CDA-fractie biedt invoering van een Nederlands Bachelors-Masterssysteem nog andere kansen. Zo kan de opzet van een BaMa een startpunt zijn voor extra verkorte academische masters-opleidingen voor HBO-studenten, door universiteiten eventueel in samenwerkingsverband met hogescholen opgezet. HBO-studenten krijgen via dusdanige trajecten de mogelijkheid alsnog een academische masterstitel te halen. Is de minister met ons van mening dat dit extra traject waardevol is? Zullen deze verkorte academische mastersopleidingen ook in de toekomst onder het initiële traject vallen?

Naast de al genoemde twee categorieën opleidingen de opleidingen tot aan het einddiploma WO of HBO en de verkorte WO route voor afgestudeerden zal in de toekomst waarschijnlijk nog een derde categorie opleidingen een vlucht gaan nemen: extra beroepsgerichte vervolgopleidingen voor na het behalen van HBO / WO diploma. Het CDA vindt het een goede zaak dat het onderwijs toegespitste vervolgopleidingen ontwikkelt bij gebleken marktvraag. Is de minister bereid zowel dit soort opleidingen voor de benaming masters of profession in aanmerking te laten komen? Masters of profession is wereldwijd een groot containerbegrip met tal van verschillende kwaliteiten. Duidelijkheid over de waarde van zon beroepsgerichte masters is dan ook zeker binnen Europees verband gewenst. Kan de minister duidelijk maken hoe vanaf het allereerste begin deze masters kwalificatie en de criteria die hieraan zullen worden gesteld zullen worden afgestemd op de situatie en ontwikkelingen in andere Europese landen? Vanwege het belang dat de CDA-fractie hecht aan het betaalbaar houden van opleidingen tot aan het HBO of WO einddiploma onderschrijven wij overigens de keuze om dit soort vervolgopleidingen tot het post-initiële te laten behoren.

Het is interessant om te vernemen of de minister naast de internationale erkennings-voordelen en de voordelen van een o.a. extra verkorte academische masters-routes voor HBO-afgestudeerden nog andere voordelen ziet aan invoering van het BaMa-systeem. Zal invoering van dit systeem volgens de minister voor de studenten extra combinatiemogelijkheden opleveren? Ben je als student gemakkelijker dan nu in staat om na je bachelors WO aan een andere universiteit, bijvoorbeeld in het buitenland je academische mastersgraad te behalen?

Niet alleen een goede aansluiting tussen HBO en WO bijvoorbeeld middels de eerder genoemde verkorte academische mastersopleidingis van belang. De CDA-fractie hecht ook grote waarde aan een goede aansluiting van MBO en HBO. Hoe denkt de minister deze in het nieuwe Bachelors/Masters-systeem te optimaliseren?

De CDA-fractie is van mening dat er los van de BaMa-discussie naar extra mogelijkheden moet worden gezocht om doorstroming en internationalisering te bevorderen. Voor de doorstroming binnen Nederland zou het een goede zaak zijn de oude stapelmogelijkheden van opleidingen op een flexibele manier weer beter mogelijk te maken. Deze CDA-wens werd tijdens de afgelopen begrotingsbehandeling door verschillende andere fracties gedeeld. Ziet de minister mogelijkheden hiertoe? Voor de internationalisering is het European Credit Transfer System een zeer goede zaak. Ziet de minister echt geen mogelijkheden om de acceptatie hiervan door de instellingen te bevorderen?

Het CDA zou graag zien dat serieus wordt bekeken of de door de nieuwe Wet Stufi gewenste flexibiliteit en maatwerk ook in het onderwijsaanbod fundamenteler kunnen worden ingebouwd. Dit door aan de studenten in het latere deel van hun studie standaard ruimere mogelijkheden tot het volgen van vakken aan andere opleidingen te bieden. Een onderwijskundig experiment dat voor de studenten meer flexibiliteit zou kunnen bieden, dat zijn de vouchers. Het gaat hierbij dus niet over het overhoop halen van alle bekostigingsstelsels maar om meer keuzevrijheid voor de studenten, structureel ingebakken in de onderwijsprogrammas. Kan hij nu wat duidelijker aangeven wat hij zelf verstaat onder een voucher experiment: een onderwijsexperiment met bijbehorend beperkt verrekeningssysteem in de lijn met het bedoelde door de CDA-fractie en de studentenorganisaties of een heus bekostigingsexperiment? Tijdens de begrotingsbehandeling is het nodige gewisseld over voucher experimenten. Wij zijn voorstander van een serieus onderwijsexperiment met vouchers. Het oorspronkelijk in het HOOP geplande experiment was zo smal van opzet dat het waarschijnlijk niet kon slagen en hoe dan ook geen bruikbare informatie op zou leveren. Vandaar dat wij verheugd waren dat de kamer de motie Eurlings-Hamer aannam die uitsprak dat dit experiment breder moest worden opgezet. Bij voorkeur leidend tot een experiment binnen het HBO en een experiment binnen het WO. Nadat de minister hier eerst niet aan wilde lijkt hij nu wel degelijk naar meer ruimte te zoeken. Naast de in september startende initiatieven van MKB-Nederland en van de lerarenopleidingen voor zij-instromers zal de minister immers pogen om halverwege dit jaar in samenspraak met de HBO-raad tot een bredere opzet van het HBO-experiment te komen. Kan de minister aangeven wat zijn doelstellingen ten aanzien van deze verbreding zijn? Geeft hij wat het HBO betreft nu alsnog uitvoering aan de motie? En betekent het feit dat van het WO in dit verband geen melding wordt gemaakt dat hij een experiment binnen het WO definitief op een zijspoor wil zetten?

Voorzitter,
De overheid moet er in onze optiek verantwoordelijk voor blijven dat studenten hun einddiploma HBO of WO overheidsgefinancierd kunnen behalen. Dit vanwege de grote waarde die wij hechten aan de brede toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor elke gekwalificeerde student De CDA-fractie vindt het dan ook zeer belangrijk dat ook in de toekomst de primaire processen (bij HBO & WO de initiële opleidingen en bij het WO het fundamentele en onderwijsgebonden onderzoek) volledig publieke taken blijven en derhalve voor 100% dienen te worden bekostigd. Wij hebben met instemming kennis genomen van het feit dat de minister in de schriftelijke beantwoording op een door onze fractie hierover gestelde vraag deze stellingname onderschrijft. Kunnen we deze toezegging zo lezen dat , conform de wens van onze fractie, een mogelijke overgang naar een ander onderwijsbestel met BaMa er hoe dan ook niet toe zal leiden dat studenten zelf voor een deel van de financiering van het hoger onderwijs (bijvoorbeeld een initieel master-jaar) zullen moeten opdraaien? En dat een knip in de financiering zoals onder andere door Sijbolt Noorda bepleit dus geen reëel toekomstscenario zal worden?

Wat de tweede categorie opleidingen betreft, de verkorte WO masters-trajecten voor HBO afgestudeerden gaat de CDA-fractie ervan uit dat deze tot het initiële overheidsgefinancierde traject blijven behoren. Kan de minister dit bevestigen?

Ten aanzien van de derde genoemde categorie, de extra vervolgopleidingen voor afgestudeerde studenten waaronder de professional masters, vinden wij het, omdat het hier om extra opleidingen gaat en wegens de betaalbaarheid van het initiële stelsel reeel dat de bekostiging hiervan vanuit de markt plaatsvindt.

De CDA-fractie heeft zich in April vorig jaar verzet tegen het feit dat in de beleidsagenda voor dit HOOP de differentiatie van collegegelden mogelijk werd gemaakt. Wij hebben deze passage tot onze tevredenheid in het concept-HOOP niet meer teruggevonden. Zoals wij bij de behandeling van de beleidsagenda van het HOOP al hebben aangegeven vinden wij felle concurrentie tussen instellingen, bijvoorbeeld middels prijsbeleid, ongewenst. Dit vanwege de macro-doelmatigheid en de kwaliteit van onderwijs. Bovendien kan door het ophogen van collegegeld door sommige instellingen de toegankelijkheid van onderwijs sterk in gevaar komen. Het is immers een utopie te denken dat fors hogere collegegelden door een stijging van de studiebeurs zullen worden gecompenseerd. Kan de minister duidelijk aangeven of hij inderdaad definitief afziet van de differentiatie van collegegelden voor studiebeursgerechtigde studenten?

Voorzitter,
Nadat ik in het eerste deel van deze inbreng ben ingegaan op vraagstukken rond de invoering van een bachelors-masterssysteem, wil ik het nu gaan hebben over het bestrijden van het tekort aan hoger opgeleiden en nieuwe systemen van kwaliteitstoetsing en waarborging.

Het tegengaan van het tekort aan hoger opgeleiden is één van de grootste uitdagingen van deze tijd. De cijfers van het SER 150.000 HBO-ers en 50.000 Wo-ers tekort in 2003 laten aan onduidelijkheid niets te wensen over. Willen we op dit vlak echt iets kunnen bereiken dan zullen nieuwe doelgroepen studenten moeten worden aangeboord: lager opgeleiden, herintreders, allochtonen etc. Dit vergt een duidelijk gezamenlijk optreden van vele partijen. Werkgevers en onderwijsinstellingen hebben onmiskenbaar een verantwoordelijkheid. Het wordt hoog tijd dat de ministeries van SoZaWe, OC&W en EZ zullen onder leiding van de minister van onderwijs de handen ineen slaan om daadwerkelijk de randvoorwaarden en stimulansen te creeeren die succes mogelijk maken.

De CDA-fractie heeft met instemming kennis genomen van het feit dat volgens de december-brief van de minister gedurende de volgende maand de drie genoemde ministeries een gezamenlijk plan van aanpak zullen opstellen. Hiermee wordt tegenmoet gekomen aan onze motie die tijdens de begrotingsbehandeling door de kamer is aanvaard. De vraag is hoe concreet dit plan van aanpak zal worden. Kan de minister toezeggen dat er in dit plan van aanpak daadwerkelijke prestatieafspraken voor de drie ministeries zullen worden opgenomen? En kunnen we er bovendien ervan uitgaan dat de minister van onderwijs krachtig de regie op zich zal nemen van de departementsoverschrijdende activiteiten?

Het CDA is er voorstander van dat in het kader van het plan van aanpak voor een leven lang leren ook een notitie wordt opgesteld over de rol van afstandsleren hierbij. Het is belangrijk te weten wat we van afstandsleren mogen verwachten, wat ervoor nodig is om dit nog succesvoller te maken en op welke manier de activiteiten die diverse onderwijsinstellingen op dit vlak plannen, in samenhang kunnen worden ontwikkeld. Is de minister tot zon notitie bereid?

Een instelling die bij het bestrijden van het tekort aan hoger opgeleiden een grote rol kan spelen is de open universiteit. Dit enerzijds met haar eigen laagdrempelige aanbod van universitaire opleidingen. Maar anderzijds ook door het nog breder inzetten van de door de OU verworven kennis en expertise op het gebied van afstandsleren. Dit biedt grote kansen. Vandaar dat de CDA-fractie groot voorstander is en blijft van een goede kwalitatieve toekomstanalyse en daarna pas een financiele visie in plaats van een opgelegde bezuiniging van 15 mln vooraf. Het toekomstscenario dat de OU vorige week op basis van die bezuiniging heeft gepresenteerd stemt tot zorg. Dit niet alleen omdat er drastisch in de organisatie zal worden gesneden (-200 personeel, -50% opleidingsrichtingen, -75% (!) van de studiecentra) maar vooral ook omdat niet duidelijk is wat hier de gevolgen van zullen zijn. Dit onder andere door het ontbreken van een duidelijk zicht op de succesfactoren voor afstandsleren. De CDA-fractie betwijfelt sterk of het een goede zaak is om bijna alle studiecentra te sluiten. De kracht van de OU was nu juist leren op afstand met toch momenten van menselijk contact. Het feit dat ook vanuit de Universiteit van Twente is aangegeven dat men bij het opzetten van eigen afstandsleren afhankelijk zal zijn van het studiecentranetwerk van de OU geeft de blijvende rol van menselijk contact nog maar eens aan. Het uit bezuinigingsoverwegingen opdoeken van bijna alle studiecentra van de OU zou dan ook wel eens snel als penny wise, pound foolish kunnen worden gekwalificeerd. Is de minister met de CDA fractie van mening dat informatisering weliswaar een steeds belangrijkere onderwijsondersteunende rol kan vervullen maar zeker bij academische opleidingennooit het contactonderwijs volledig kan vervangen? Wat is in dit licht bezien de onderwijskundige visie van de minister op de door de OU voorgestelde maatregelen?

De CDA fractie zou hoe dan ook graag zien dat er meerdere toekomstvarianten serieus zullen worden onderzocht. Is de minister dit met ons eens? Als dat in de huidige constructie niet haalbaar blijkt, is hij dan bereid zo nodigeen door onafhankelijken uitgevoerde toekomststudie op te zetten? Een probleem is het knellend karakter van de twee opgelegde toekomstvarianten. Ook beperkingen in de alternatieven zelf, zoals een slechts gedeeltelijk toegestane fusie met de universiteit van Maastricht zorgen voor problemen. Is de minister bereid hiervan afstand te nemen door ook andere (of anders uitgewerkte) varianten toe te staan? Bij het onderzoeken van een mogelijke bundeling van krachten met de universiteit van Maastricht is het goed om mogelijkheden tot samenwerking met België serieus te nemen. In de Belgische politiek lijkt het draagvlak voor grensoverschrijdende samenwerking met de UM en de OU serk gegroeid. Is de minister bereid hierover contact op te nemen met zijn Belgische collega en ons op korte termijn over zijn bevindingen in te lichten? Is tenslotte de gebleken grote klem die de voorgenomen bezuiniging op de ontwikkeling van toekomstscenarios legt voor de minister niet alsnog een reden om uitvoering te geven aan de motie Eurlings c.s.?

Een goede aanpak van het tekort aan hoger opgeleiden vereist tenslotte natuurlijk ook instellingen die tot groei in staat worden gesteld. We hebben bij de begrotingsbehandeling uitgebreid van gedachten gewisseld over de financiële perikelen in het HBO die tot onwenselijk gevolg hebben dat het aannemen van veel extra leerlingen soms wel eens het voortbestaan van een instelling in gevaar kunnen brengen. Kan de minister ons inlichten over voortgang en vooruitzichten van zijn gesprekken hierover met het HBO. Intussen lijken de groeiramingen van het HBO van 5% naar 9% te worden bijgesteld. Kan de minister deze extra snelle groei bevestigen? En zo ja, is hij het dan met de CDA fractie eens dat de noodzaak om snel tot een oplossing voor het geschetste probleem te komen hierdoor alleen nog maar groter wordt?

Voorzitter, zoals ik eerder in mijn betoog aangaf is het CDA ervoor dat de primaire processen in het onderwijs 100% overheidsbekostigd blijven. Als dit het uitgangspunt is dan betekent dat ook dat de overheid aanspreekbaar moet zijn en blijven op de besteding van deze publieke middelen. Gelet op de grote investeringen die hiermee gepaard gaan is deze aanspreekbaarheid zeker ook aan de orde bij beslissingen over het al dan niet opstarten van nieuwe opleidingen. Wij hebben in het verleden regelmatig aangegeven ongelukkig te zijn met het te conservatief functioneren van de ACO. Wij vinden het een prima zaak dat er in de toekomst een groter beroep zal worden gedaan op het zelfregulerend vermogen van de instellingen. Dit neemt niet weg dat de controle op het proces en de ministriele eindverantwoordelijkheid voor het proces overeind moeten blijven. Daarom dat de CDA-fractie altijd heeft gepleit voor het ontwikkelen van een verlichte vorm van doelmatigheidstoets waarmee de relevantie van een nieuwe opleiding kan worden bepaald en kan worden voorkomen dat er felle onderlinge concurrentie ontstaat waarbij kleinschalige opleidingen door grote concurrenten uit de markt kunnen worden gedrukt. Het belang van het checken van deze relevantie wordt o.a. door VNO-NCW volmondig onderschreven.

Wij waren dan ook bezorgd over het feit dat het HOOP alleen repte over het afschaffen van de ACO maar geen duidelijkheid gaf over welk mechanisme daarvoor in de plaats komt. Gelukkig is in de brief van 22 december jl. zowel voor het HBO als voor het WO wel een uitgewerkt idee gepresenteerd. De procedure die met het WO is uitgewerkt bevalt ons erg. Via een raad vanuit de sector zelf zullen in de toekomst de effecten van een nieuwe opleiding op zusterinstellingen worden getoetst. Ook de regeling voor het HBO heeft veel positieve kanten. Er wordt primair ingezet op zelfregulering middels overleg tussen instellingen. In dit overleg zal de relevantie van een nieuwe opleiding ongetwijfeld een grote rol spelen. Indien nodig zal er vervolgens een arbitrage en mogelijk alsnog een externe toets plaatsvinden. Op zich vinden wij deze getrapte aanpak een goede zaak. Wat de criteria voor deze arbitrage en externe toets betreft bestaan er bij onze fractie echter onduidelijkheden.functioneren van een arbitragecommissie en een eventuele externe toets betreft bestaan er bij onze fractie echter onduidelijkheden. De minister maakt slechts melding van toetsing op de criteria kwaliteit en transparantie. Kan de minister ons toezeggen dat ook de relevantie van de nieuwe opleiding in relatie tot al bestaande opleidingen een belangrijk criterium bij deze twee toetsen zal zijn? Zou het trouwens geen goed idee zijn in dit toetsingscommitee maar zeker ook in de ACO nieuwe stijl iemand met voeling van marktontwikkelingen, bijvoorbeeld vanuit VNO-NCW op te nemen? Wij zijn benieuwd om bij de evaluatie over vier jaar te ervaren hoe de sector de haar gegeven verantwoordelijkheid heeft opgepakt.

Wat de voorgestelde vernieuwing in de kwaliteitszorg betreft, de zogenaamde accreditering, blijven veel vragen open. Voor het CDA staat voorop dat het nieuwe systeem goede kwaliteit van opleidingen moet afzekeren, transparant moet zijn en niet moet verworden tot speelbal in een discussie over het toekomstig onderwijsstelsel. Wij vinden het belangrijk dat de accreditering als een surplus bovenop de goed functionerende peer review gaat werken. Qua uitwerking blijven er op dit moment heel wat vragen open: Hoe zal in het daadwerkelijk functioneren de verhouding tussen accreditering en het visitatiemechanisme zijn, komen er onderscheiden accreditatieraden voor HBO & WO, op welke specifieke criteria zal een opleiding als wetenschappelijk of beroeps- worden geaccrediteerd etc. Het lijkt ons goed voorafgaand aan besluitvorming een vervolmaakt beeld te krijgen van het nieuwe systeem. Kan de minister toezeggenm dat hij zijn ideeen over accreditatie op korte termijn in een aparte notitie uitwerkt? Specifieke vraag bij onze fractie leeft is of de dubbele rol die de inspectie in het voorliggende voorstel krijgt wel goed te prefereren is. Wat is ertegen om het ministerie rechtstreeks de accreditaticriteria vast te laten stellen in plaats van de inspectie als extra schakel te introduceren?

Voorzitter, juist in een tijd van meer autonomie voor de instellingen is het belangrijk om vooraf de positie van de studenten duidelijk te verankeren. Dit geldt zeker ook op het terrein van de afstudeerregelingen. Wij waren voorstander van het afschaffen van de niet functionerende bureaucratische regeltjes. In plaats daarvan wilde de CDA-fractie een aantal basiszekerheden voor de student duidelijk vastleggen. Op basis van deze basiszekerheden zou vervolgens op instellingsniveau een regelement tussen instelling en studenten dienen te worden vastgelegd. Voordeel hiervan: het geeft de studenten rechtszekerheid binnen de instelling en bevordert het proces van interactie. Als we nu naar het voorliggende voorstel kijken dan zijn we tevreden over het nu duidelijk opnemen van een basisniveau, voorkomen van dubbele causaliteit en nu voor het eerst ook het verrichten van maatschappelijke activiteiten, breder dan studentenclubs alleen. Wij hadden gedacht dat studievertraging door fouten van de universiteit als vanzelfsprekendheid zouden worden overgenomen. Wij zijn verbaasd dat dit niet gebeurd is en vragen van de minister dit alsnog in de afstudeerregelingen op te nemen. Wat ons echter vooral verbaasd heeft dat is dat de noodzaak voor de instelling om op basis van de vastgelegde basiszekerheden een instellingsspecifiek regelement op te stellen niet in de stukken is terug te vinden. Gevolg hiervan: onduidelijkheid voor de studenten, zelden een regeling die meer voorstelt dan de basiszekerheden en vooral eennoodzakelijke gang naar de rechter in het geval van onenigheid. Dit vinden wij geen goede zaak. De CDA-fractie verzoekt de minister dan ook om alsnog de bepaling op te nemen dat op instellingsniveau een specifieke regeling wordt uitgewerkt.

Dan nog een opmerking over het Internationaal Onderwijs. Als je het stuk van de minister leest krijg je het idee dat de kamer het geheel eens is met de op dit terrein gedane herstructureringsvoorstellen. De kamer heeft echter duidelijk aangegeven grote vraagtekens te plaatsen bij de vergelijkbaarheid van internationalisering van IO en het reguliere WO en de geconstateerde gebrekkige vraagafhankelijkheid en efficiency van deze instellingen. Op grond van deze twijfels is afgesproken dat de ministers hun analyse nader zouden onderbouwen en dat niets zou veranderen zonder expliciete goedkeuring van de kamer. Kan de minister deze analyse van de IO-discussie onderschrijven.

Tot slot,
Zoals gezegd blijft er in dit HOOP nog veel onduidelijk. Om de gewenste integraliteit in de onderwijsontwikkelingen te kunnen behouden gaan we ervan uit dat we ten tijde van de volgende begroting een nieuw overzicht van de stand van zaken van op de diverse beleidsonderdelen tegenmoet mogen zien.


4. Het tegengaan van het tekort aan hoger opgeleiden

sommige: stapjes ok.

Tekort aan hoger opgeleiden.....
Plan van aanpak: februari 13. Minister op de huid gezeten. Goed februari. Gaan ervan uit dat in de februaribrief de noodzakelijke impuls... belooft veel. Jammer nog niet in onderwijsbegroting. Minister heeft steun daar waar hij zijn best doet. Moet wel zijn best doen.

bezuinigingen alleen stellend: in het licht van het debat begroting voor kerstreces;

Hoe gebruikt de minister het HOOP voor de hoofdvragen van het HO: tegengaan tekort aan hoger opgeleiden.

Kwaliteitszorg (accreditering) een stuk verder gekomen. Sterk bewakend: inspectie. Protocollen vaststellen? Maak een soort accrediteringsraad. Inspectie moet regelmatig rapporteren of het systeem werkt. (Ook internationaal gezien).
Analyse, dialoog: inspectie niet zelf in onderwijs.

ACO;

Daadkracht en visie nu meer dan ooit nodig. Maatschappelijk belang van onderwijs vereist een sterk stimulerend beleid. (p. 1 begrotingstekst).

Inhaalslag centralisme nodig. CDA uitgangspunten (pag. 2 begroting). Laten aansluiten op algemene lijn reactie onderwijsraad. Maar : punt ISO.

Pagina 2 over flexibiliteit geen doel op zich en overheidsverantwoordelijkheid: Financiering initiële processen. Aanhalen aangehouden motie. Vragen minister hoe hij uitspraken bij de begroting denkt hard te maken. (p. 2 begrotingsbehandeling). Opnieuw toegezegd in beantwoording schriftelijke vragen.

Tekort
evt: Yvonne van Rooy bevragen over gewenste vraagstellingen in deze.; tekort: notitie afstandsleren bij werkstuk over tegengaan tekorten aan opgeleiden.

aco
Hoe moet systeem na 4 jaar functioneren. Hoe check? (Voldoende kader; er komt nog wetgeving. Minister schilder eens het perspectief aan het eind van de 4 jaar. Had van de minister verwacht dat hij dit nu zou doen (2004). Zit hier niet erg duidelijk in. Zal staan of hangen met een stevig accrediteringssysteem. (Kwalitatieve aanbod: past nog niet; dan geen financiering).

Best goed: zelfregulering.
Universitair: raad van toezicht: andere universiteiten? Zelf investeren: achteruitlopende positie kleine. Raad van toezicht kun je niet dingen vragen waar ze niet voor zijn.

Minister moet HOOP meer gebruiken als agenderingsvraagstuk. Evaluatie??? RvT: ondoorzichtig, MUB, zijn er maar 13?

Contractonderwijs: LSVB verzacht. ISO positiever; an sich goed. verhouding flexibiliteit;

Accreditering: in feite codificeringsinstantie: inspectie gaat als het ware vastleggen wie mag accrediteren of niet. Ouderwets / statisch. Nationale accrediteringsraad. Inspectie: functioneren nationale accreditering checken: raad aanspreken op functioneren van het systeem. Nu kan hij de inspectie niet aanspreken. Zwak systeem. Als het alleen maar een surplusje is: dan laten ontwikkelen door ontwikkelen zelf. 1 accr. Raad die per vakgebied en univ, hbo uitbesteed. Hoe meer organisaties, hoe belangrijker rol van de inspectie.

Kwaliteitssysteem: 9, 10 p. :: 1 mei: verdere uitwerking: hier had minister een aantal strategische lijnen moeten uitzetten!!! Zelfs onduidelijkheid tussentijds toezicht!!!

Positie studenten. Voucher experiment. Uitleggen wat CDA-fractie ermee wil: meer keuzemogelijkheden. Dus absoluut breder opzetten. Checken brief.

Extra investeringen in onderwijs <-> begroting. OESO-norm. Lagere vergoeding per extra ingeschreven student. Ontmoediging. (Leven Lang Leren Motie). Doordreunende bezuinigingen: 160 mln.

Kort terugkomen op motie Open Universiteit (België noemen, hogescholen en Univesiteiten , evt. verrichten Masters)

(OV-kaart)(kunstvakonderwijs)

investeringen

EVC pag. 14: waarborg voor daT SOORT FLEXIBELE INSTROOM. Goed!

Afschaffen afstudeerregelingen. Instellingen samen met studenten een regeling uitwerken. Kan basis zijn, kan ook verder gaan. Ook noemen: Rechtstreeks beroep van studenten op de wet: is dit niet juist een extra complicatie (drempel, rompslomp) in plaats dat het de zaak vereenvoudigt?

Het CDA is er wel een groot voorstander van dat instellingen zich meer gaan profileren op kwaliteit en klantgerichtheid. Ziet de minister mogelijkheden om de profilering op geleverde kwaliteit te stimuleren, bijvoorbeeld door het breder richting middelbare scholieren communiceren van tevredenheid van studenten en alumni over hun HBO of WO opleiding?

Een laatste punt dat wij in het kader van de publieke verantwoordelijkheid aan de orde willen stellen is de toetsing van nieuwe opleidingen. De minister kiest ervoor om de ACO af te schaffen. Bij het HOOP 2000 zullen we hierover nog en detail van gedachte wisselen. Maar nu reeds dit: het CDA kan zich veel voorstellen bij het afschaffen van de huidige te conservatief functionerende ACO-toets. Maar omdat het onderwijs overheidsgefinancierd is, dient er wel een controlemechanisme voor in de plaats te komen. Zelfregulering kan hier een goede rol vervullen. Maar de minister moet verantwoordelijk en aanspreekbaar blijven voor het uiteindelijk resultaat. Is de minister dit met het CDA eens en kunnen we dus bij de behandeling van het HOOP 2000 verwachten dat de minister zich niet beperkt tot de terugtrekkende beweging middels het afschaffen van de oude ACO systematiek maar dat hij ook aangeeft hoe op een moderne manier ongewenste concurrentie en inefficiënte besteding van overheidsgelden zal worden voorkomen?

Nog een opmerking over het IO?

Notitie afstandsleren (in relatie met tegengaan tekort aan hoger opgeleiden en OU)


***telefoneren Yvonne van Rooy (wat vindt zij van ACO (eigen voorstel???) en hoe gaan andere landen om met accreditering, bijv. van postinitiele opleidingen, en zou hanteren Duits systeem voordelig zijn? + wenselijkheid verschillende modellen), PG, Vos****


****huidige HOOP : onderwerpen buitengewoon strategisch, uitwerking wel buitengewoon vaag**** als van 3 jaar, hoe moeten 4 jarigen daar dan mee omgaan. Mag verschil 5 / 6 jaar vooropleiding ook plaats krijgen. In sommige landen lijdt 2 jaar MA vervolg al tot een doctorate. Op het terrein van de autonomie: meer autonome kennisondernemingen: op zich goede zaak maar wel goede definitie van overheidstaak zeer noodzakelijk.


***Leven lang leren: arb markt: buitengewoon belangrijk: overheid: faciliterend en condtionerend, niet primair financierend: dit zou al snel weer bepalend betekenen.***


***accrediteren: vanwege kwaliteitsbeleid; hoog niveau over hele linie heen. Vanuit kwal. Niveau: evt. afbouwen. Visitatiesysteem vindt ook in buitenland navolging. Goed er een raad boven te zetten die systematiek in de gaten houden. Vraag of dit iets is voor de inspectie (internationaler). Is taak inspectie niet veel meer om bij slechte beoordeling met school stappenplan tot verbetering op te laten zetten. Inspectie is iets anders dan kwaliteitsborging. Internationale accreditatieraad onderwijs & onderzoek: goed zicht op verschillende kwal. Sys. Argument laatste brief*** VSNU: binaire stelsel weer invulling te geven. Ook: nl relatief goedkoop systeem: iedereen doet onderzoek: versnippering en duurder.***

HOOP is meer HOP; in toekomst ook onderzoek meer aan de orde laten komen.

ACO:

fundamentele vooruitgang na aantal jaren van stilstand minister moet duidelijkheid geven:
in verleiding kunnen komen hoop losse puntjes; doe dat niet;

Kamerlid: Camiel Eurlings

Deel: ' Bijdrage CDA aan debat over HOOP 2000 '




Lees ook