CDA

COMMISSIE KALSBEEK (021299)

Den Haag, 2 december l999

MdV.

1. Op 1 februari aanstaande treedt de wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden in werking 1.(hierna aan te duiden als de wet BOB). Met recht, en na alles wat er gebeurd is : een bijzondere gebeurtenis!!
We hebben de afgelopen jaren een uitvoerig traject met elkaar afgelegd.
Te beginnen met de zogenaamde IRT affaire ( 1993 - l994) en voorlopig eindigend met het implementatietraject van de wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden.


2. Ook bij deze gelegenheid wil de CDA fractie nogmaals waardering voor het werk van de commissie uitspreken. We zijn nu inmiddels een half jaar verder, maar wie het rapport Opsporing in uitvoering zorgvuldig tot zich neemt schrikt van de grote hoeveelheid werk, veranderingsprocessen, opleidingen, modellen en implementatieprocessen die nog nodig zullen zijn. We zijn dus allerminst gereed! De wet BOB is een van de belangrijkste producten van het rapport Van Traa. De bijzondere opsporingsmethoden lijken nu, gegroepeerd en eenduidig geregeld, en dat is winst. Maar veel is nog niet uitgekristalliseerd. We staan nog maar aan het prille begin van een nieuwe opsporingstraditie en nu reeds wijst de tijdelijke commissie op een aantal stevige knelpunten.


3. Daarentegen, wanneer wij vaststellen dat niet meer sprake is van een crisis, dan dienen wij als parlement ook het voortouw te nemen bij uitspreken van vertrouwen in de opsporingsdiensten in Nederland. Politie en justitie hebben onder vuur gelegen, en liggen vaak nog onder vuur. Dat is soms terecht. Maar heel vaak is het inherent aan het gecompliceerde werk in een steeds veranderende omgeving. In niet weinig gevallen wordt het beeld gestuurd door de verdediging van verdachten, die belang heeft bij slechte beeldvorming rond de opsporing. De politiek moet daar boven staan. Kritisch, maar met vertrouwen in de mensen die het moeilijke werk moeten doen, in het belang van de veiligheid van de samenleving.

Waar wij in woorden vertrouwen uitspreken, moeten wij er voor zorgen dat wij vervolgens in regelgeving niet wantrouwen vastleggen. Terecht doet de commissie Kalsbeek een aantal aanbevelingen daar waar bureaucratisering dreigt. Mijn fractie heeft op dat terrein nog een aantal vragen. Immers, door nogal wat respondenten is tegenover de commissie verklaard dat de opsporing er sinds Van Traa niet eenvoudiger op is geworden. Wat is de opvatting van de bewindslieden op dit meer algemene punt?


4. MdV., na deze inleidende opmerkingen het rapport zelve: op welke wijze beoordeelt de regering het interregnum.? Wie gaf er nu daadwerkelijk leiding tijdens het interregnum? Uit de discussie over de voetnoot van de Heer Niederer kennen we de (meerderheids-) opvatting van de commissie Kalsbeek met betrekking tot de diverse richtlijnen. Maar er was meer en breder leiding te geven dan over de implementatie van richtlijnen. Hoe kijkt de minister nu terug op dit zogenaamde interregnum?


5. Zorgen heeft de CDA fractie over de zeer geringe voortgang bij het financieel rechercheren, het digitaal rechercheren en het aanpakken van zware milieucriminaliteit.
Onomwonden heeft de commissie geconstateerd dat de aandacht van veel opsporingsinstanties uitgaat naar wat ik maar even noem de klassieke drugscriminaliteit. Een prioriteit die door de CDA fractie zeker wordt gesteund maar die niet mag verhinderen dat nieuwere vormen van criminaliteit afdoende bestreden worden. De opleiding tot financieel rechercheur schiet tekort terwijl nieuw opgeleide mensen, ook bij het OM, al snel elders emplooi vinden.


6. MdV., ook ik ontkom niet aan het expliciet bespreken van een aantal aanbevelingen;

AANBEVELING 12.
In de brief van 30 november heeft de minister van justitie opnieuw, voor de zoveelste maal, uiteengezet door welke factoren het onderscheid informant infiltrant bepaald wordt. De afgelopen tijd is, mede door verschillende opvattingen van diezelfde minister van justitie, verwarring ontstaan over dat onderscheid. Ook in deze laatste brief is wederom niet duidelijk of de informant nu wel of niet straffeloos hand en spandiensten mag verrichten. Denk aan het voorbeeld van de verhuurde schuur.
Neemt u de verruiming van deze aanbeveling nu wel of niet over?

AANBEVELING 20.

MdV, ik heb in het debat met de commissie reeds de bezwaren van de CDA fractie aangegeven bij deze aanbeveling. De pseudo-koop, maar ook de pseudo- dienstverlening blijken in de praktijk zeer nuttige opsporingsmethoden te zijn. Procedurele gelijkschakeling met infiltratie zal een onnodige bureaucratisering met zich brengen, iets waar de commissie Kalsbeek, in ander verband (aanbeveling 3) overigens terecht voor waarschuwde.

AANBEVELINGEN 27, 28 en 39.
MdV. De CDA fractie houdt zorgen bij de manier waarop de recherche binnen de diverse regios is georganiseerd (27), de organisatie van de landelijke en bovenregionale opsporing (28) en de noodzaak tot een centrale sturing van de informatiehuishouding.
Let wel, de CDA fractie heeft geen behoefte aan een nieuwe bestel discussie.
Minister Peper heeft nu de nodige initiatieven genomen (de commissie Eelco Brinkman) ter verbetering, maar zijn de resultaten van dit verbetertraject op tijd voorhanden om parallel met het implementatie traject van de wet BOB te kunnen worden ingevoerd?

AANBEVELING 34.
Naar aanleiding van de brief van het Korpsbeheerdersberaad (22 september l999) is het noodzakelijk nog even goed naar de consequenties van deze aanbeveling te kijken( dit in verband met plaats en functie van de hulpofficier). Voor het overige instemmend met deze aanbeveling maar vergt deze aanbeveling niet opnieuw een wijziging van de BOB ?

AANBEVELINGEN 46 tot en met 50.
In de brief van 30 november heeft de minister van Justitie in paragraaf 5 een uitgebreide verhandeling opgenomen over het internationaal kader van de bijzondere opsporing. Dat is naar onze mening voor dit moment afdoende. De komende tijd zullen wij zeker op dit thema terugkomen.

AANBEVELING 52.
Nu de tijd voort schrijdt (2 december l999!) ontstaan reeds werkende weg nieuwe discussies. Zo vragen de Korpsbeheerders in hun brief van 22 september l999, en dit naar de mening van de CDA fractie terecht, aandacht voor de taak verdeling tussen de recherchechef (als onderdeel van het recherchemanagement) en de rechercheofficier. Hoe zal deze taakafbakening onder de werking van de (nieuwe) BOB vorm en inhoud krijgen? Lichtelijk spottend gezegd valt de een onder de minister van BZK, de ander onder de minister van Justitie. Op welke wijze vindt praktische afstemming in taakverdeling plaats?

AANBEVELING 63.
Bij nader inzien heeft het Korpsbeheerderberaad grote moeite met deze aanbeveling (zie hun brief van 22 9 1999.) We zullen dan ook alsnog minister Peper stevig aan de tand moeten voelen over dit punt. Overigens is bij deze aanbeveling ook bij de CDA fractie sprake van nader inzicht! Dat leidt er toe het kabinet te volgen op dit punt.

AANBEVELINGEN 65 en 66.
MdV, inmiddels heeft de Kamer een naar onze mening stevig traject ingezet in het post-Fort onderzoek. Er ligt thans een uitgebreide Voortgangsrapportage (brief van 25 november 1999) waarover wij met de minister zullen spreken op 25 januari 2000.
Het is in hoge mate aan de Kamer zelve dit onderzoek kritisch en voortvarend te volgen.


7. MdV, ik rond af
Het effectief bestrijden van (zware) georganiseerde criminaliteit is een eerste vereiste in een democratische rechtsstaat. Het moet alert, eenduidig, maar ook verantwoord gebeuren. Bij die verantwoorde aanpak spelen de conclusies van de Parlementaire Enquete Opsporingsmethoden (van Traa) , de aanbevelingen van de TCEO (Kalsbeek) en de wet BOB een doorslaggevende rol. Laten wij met daadkracht op de ingeslagen weg voortgaan.

Mr. Ing. W.G.J.M. van de Camp

Deel: ' Bijdrage CDA aan debat over rapport Commissie Kalsbeek '




Lees ook