CDA

Algemene Financiële Beschouwingen Miljoenennota 2000

Den Haag, 5 oktober 1999

Voorzitter,

Vorig jaar overleed de journalist Herman Wigbold. In 1963 de glorietijd van de opbouw van de Nederlandse welvaartsstaat verscheen van zijn hand het boekje Het gaat goed in Nederland of niet?. We leven ik citeer in een prachtig georganiseerde welvaartsstaat, een soort paradijs. Het wordt gezegd, maar is het werkelijk wel zo? In het bloeiende Nederland zijn de underdogs nog niet verdwenen, er bestaan wel degelijk achtergebleven groepen, er wordt stille of minder stille armoede geleden, de zorg voor het onderwijs en voor invaliden en bejaarden laat nog veel te wensen over. Voor goedwillende Nederlanders valt er dus nog heel wat te doen en te vechten. De centrale vraag die Wigbold stelt, luidt: Onze persoonlijke welvaart stijgt. Maar hoe staat het met de publieke welvaart? Als de welvaart stijgt, komen er heus wel meer koelkasten. Maar komen er ook meer en betere scholen, sportvelden en woningen? Een karakteristieke vraag toen de rol van de overheid toenam, vandaag de dag zou er meer gekeken worden naar het probleemoplossend vermogen van de samenleving zelf (civil society).

Nu, meer dan 35 jaar later, is het opnieuw opvallend hoe in de beleving van velen het goed gaat met Nederland. De werkloosheid loopt in hoog tempo terug, velen genieten een goed inkomen, de overheidsfinanciën hebben, afgezien van de staatsschuld, er lange tijd niet zo goed voorgestaan. En toch klinkt ook nu de roep om oog te hebben voor de kwaliteit van de samenleving, voor zorg, onderwijs, veiligheid en andere collectieve voorzieningen, voor de inkomens van mensen in financieel kwetsbare posities. De Algemene Politieke Beschouwingen die twee weken geleden plaatsvonden leverden een beeld op dat meer dan twee decennia niet meer had bestaan: er viel weer te verdelen. De voorshands gunstige economische ontwikkeling en het is zaak die ontwikkeling vast te houden de ruimere financiële middelen van de overheid en de uiteenlopende politieke wensen vergen een fundamenteel debat over de toekomst van het financieel-economisch beleid. Dat debat is in feite al op gang gebracht. Bevinden we ons in een Nieuwe Economie of wordt juist voorbijgegaan aan een aantal financieel-economische kwetsbaarheden, zoals oplopende inflatie? Welke doelstellingen behoren met het oog op de toekomst in het beleid voorop te staan? Wat is verstandig financieel beleid bij schaarste op de arbeidsmarkt en bij het inspelen op de kosten van de vergrijzing later? Doorgaan met lastenverlichting met het gevaar van oververhitting van de economie of juist kiezen voor nieuwe oriëntaties? En wat zouden die oriëntaties kunnen betekenen voor het financieringstekort en de staatsschuld en de visie op de collectieve uitgaven? Namens de CDA-fractie zal ik op deze kwesties ingaan en om maar met de deur in huis te vallen: wij denken dat het huidige beleid niet onverkort kan worden doorgezet. Dat geldt overigens niet alleen voor mijn fractie. Want temidden van alle economische successen en mooie begrotingscijfers wordt aangedrongen op wijziging van een aantal onderdelen van het huidige regeringsbeleid, door het IMF, door ABN-AMRO en de Rabobank, door de Raad van State en door meerdere economen. De somberheid van een jaar geleden is gelukkig weg. Het debat kan worden gericht op toekomstgericht solide en sociaal beleid.

Nieuwe economie of nieuwe kwetsbaarheden?
Het financieel-economisch beeld is in zeer korte tijd radicaal gewijzigd. Nog maar enkele maanden geleden werd verwacht dat het financieringstekort volgend jaar zou stijgen tot 1,7% van het bruto binnenlands product, nu wordt slechts een half procent voorspeld. De vermogenstekorten van de sociale fondsen worden in hoog tempo ingelopen. Het tekort van ruim zes miljard maakt zelfs plaats voor een overschot van zes miljard. De economische groei lijkt in deze kabinetsperiode duidelijk hoger uit te komen dan de geraamde groei in het regeerakkoord. De potloodombuigingen van meerdere miljarden, waartoe het kabinet in april nog besloot, blijken niet nodig. Zonder dat sprake is van beleidsaanpassingen ontstaat een mooi begrotingsbeeld. Alle fraaie cijfers vormen zo langzamerhand de opmaat voor speculaties over het ontstaan van een Nieuwe Economie, een economie die zich vanwege met name de informatietechnologie voortdurend gunstig ontwikkelt, zonder de traditionele conjunctuurcycli en met een lage inflatie. De bomen groeien niet alleen tot in de hemel, er is niets anders dan een economische hemel. Hoe kijkt de minister van Financiën tegen deze vermeende economische hemel aan? De CDA-fractie is er overigens allerminst van overtuigd dat de Nieuwe Economie zou zijn aangebroken en vindt het al helemaal riskant om beleid te enten op een dergelijk toekomstscenario of meer trendy geformuleerd deze hype.
Het grootste risico van de speculaties over de Nieuwe Economie is misschien wel dat het zicht op diverse kwetsbare ontwikkelingen wordt vertroebeld. Want laten we elkaar niets wijs maken: de inflatie in Nederland is momenteel het hoogste in Europa, het aantal WAOers blijft stijgen, onze concurrentiepositie verslechtert volgend jaar, de economische groei wordt vooral gestimuleerd door de bestedingen van consumenten die dankzij de aandelenkoersen en de hoge huizenprijzen nu nog volop vertrouwen hebben in de economie, het financieringstekort zal na de invoering van het nieuwe belastingstelsel gaan stijgen (ook al heeft Nederland zich in EMU-verband gecommitteerd aan het financiële uitgangspunt close to balance or in surplus), de arbeidsinkomensquote wordt hoger, de toename van de investeringen valt terug naar een schamele 1%, de innovatiekracht van het bedrijfsleven is niet om over naar huis te schrijven en de staatsschuld mag dan als percentage van het nationaal inkomen wel dalen maar die schuld is nog altijd torenhoog (het komende jaar stijgt de schuld van 520 naar 528 miljard).
Nu beleefden we tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen een intrigerend kwartiertje gratis winkelen. Dat moment zal niet snel worden vergeten en nu al wordt gewezen op de dreiging van onbeheersbare euforie. Tijdens dat kwartiertje werd ingeteerd op middelen die eigenlijk bestemd waren voor tegenvallers de uitgavenreserve of voor lastenverlichting in het jaar 2002. Men kan dit een voorschot op de toekomst noemen. De CDA-fractie ging ervan uit dat het met de financiële ruimte van de lastenverlichting van een miljard wel zo ongeveer gedaan zou zijn. Het meest opvallende was misschien wel dat er zo weinig weerwerk van het kabinet kwam tegen de miljoenenwensen vanuit de Kamer. Waarom is het kabinet tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen zo snel meegegaan met die wensen, waarom zo weinig financiële tegendruk? Omdat de financiële ruimte er gewoon is of om, na de niet al te gelukkige pers voor Kok-II in de afgelopen maanden, de populariteit in de samenleving te vergroten? Zijn er gegeven de onzekerheden eigenlijk wel voldoende buffers wanneer er tegenvallers komen? Zijn de aangestipte kwetsbare ontwikkelingen dan niet reëel of is het zo dat het kabinet nog veel zonniger financiële tijden verwacht? In het eerste geval dreigt het gevaar van financiële lichtzinnigheid, in het tweede geval kan de vraag worden gesteld of het parlement voldoende is geïnformeerd. Het wordt immers zo langzamerhand ondoenlijk greep te krijgen op de exacte financiële ruimte. We moeten oppassen voor politiek spelbederf. Eerder dit jaar bleek een hogere inflatie financiële uitkomst te bieden voor het kabinet, althans voor de korte termijn. Tijdens de APB bleek geput te mogen worden uit de middelen voor de lastenverlichting die het kabinet voor 2002 had voorzien. En hoe zit het nu precies met de uitgavenreserve? Mijn fractie is er steeds van uitgegaan dat deze reserve krachtens het regeerakkoord bestemd was voor de bekostiging van tegenvallers in de sfeer van hogere loonkosten. Mag de rekkelijke exegese ook de komende jaren worden toegepast? De Raad van State acht in feite de uitgavenreserve, die nu wordt aangetast, onvoldoende om de gevolgen van de te verwachten loonstijgingen na 2000 te kunnen opvangen. Is het na de toezeggingen van het kabinet nu gedaan met de financiële ruimte of is er nog extra ruimte? Wat zijn de meest recente verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling van het financieringstekort? Voor een ordentelijke en transparante behandeling van de begroting zou het goed zijn wanneer het kabinet in het vervolg van tevoren precies aangeeft wat de ruimte is, zodat ook de financiële spelregels voor iedereen gelijk zijn. Het zou zelfs te overwegen zijn een onafhankelijk instituut de opdracht te geven om te berekenen wat de structurele ruimte is of waarom niet een Nederlandse variant op de Congressional Budget Office in de Verenigde Staten. Graag een reactie van de minister.
Niet jezelf rijk rekenen dus via de Nieuwe Economie, wel een behoedzaam financieel beleid dat ook perspectief biedt wanneer het tij weer tegenzit. Wat dit laatste betreft nog het volgende: hoe kijkt de minister aan tegen de ontwikkeling op de huizenmarkt en de aandelenbeurzen? Een daling van de aandelenkoersen in de industrielanden met zon 20% zou volgens het CPB de groei met 0,25 à 0,5% doen verminderen. Maar het CPB voegt daar wel een belangrijk zinnetje aan toe: Hangt de beurscrash samen met een oplopende rente bij stijgende inflatieverwachtingen, dan zullen de negatieve gevolgen belangrijk groter zijn. (MEV, p. 18) Als we de berichten mogen geloven stijgt de nervositeit op de beurzen. Nu al wordt de term harde landing in de mond genomen en dat zou geen prettig vooruitzicht zijn.

Toenemende twijfels over het huidige financieel-economisch beleid De Algemene Politieke Beschouwingen lieten wat betreft de financieel-economische keuzes voor het komend jaar een grote mate van consensus zien. De Amerikaanse historicus James Kennedy ziet het allemaal met lede ogen aan. Wat zijn de idealen in de goede economische tijden? Verhindert een te veel aan consensus niet een bruisende democratische cultuur? Wat is eigenlijk de ruimte voor afwijkende ideeën?
Het kabinet past de regels van het regeerakkoord toe, maar waar blijven de ambities voor de langere termijn? De Raad van State dringt aan op een ambitieuzer, meer solide begrotingsbeleid, met een groter accent op begrotingsevenwicht. En als dat begrotingsevenwicht mocht worden bereikt, welk beleid dient dan te worden gevoerd: vasthouden aan de nu geldende begrotingsregels of het hanteren van nieuwe financiële spelregels? Welk perspectief op de overheidsfinanciën is er wanneer de economie zich blijvend gunstig zou ontwikkelen? Het lijkt of het kabinet die vragen wat uit de weg gaat. Minister Zalm benadrukte het belang van terugdringing van de staatsschuld, maar vanuit de PvdA klinken andere geluiden. Is het met de paarse politieke regie van de Algemene Politieke Beschouwingen nu gedaan? De CDA-fractie acht het wenselijk dat het kabinet zijn keuzes voor de toekomst meer expliciet naar voren brengt. Dat is goed voor het politieke debat maar ook goed voor de financiële discipline. We zullen toch niet ieder jaar een herhaling krijgen van het gratis winkelen? Kortom, welke langere-termijn-ambities op financieel-economisch terrein heeft het kabinet eigenlijk?
In economische kringen neemt de kritiek op het beleid van het kabinet-Kok II toe: het kabinetsbeleid ten aanzien van de lastenverlichting raakt achterhaald, er is te weinig zorg om de stijgende inflatie en de inzet om de staatsschuld terug te dringen is onvoldoende. Het procyclische karakter van het huidige beleid roept oververhitting van de economie op. En dan volgt in een landelijk dagblad ook nog de mededeling dat minister Zalm een argumententekort heeft om de hand op de knip te houden. De minister zou zich zelfs in een herfstdip bevinden.
Dit kabinet heeft als centrale doelstelling de bevordering van deelname aan betaalde arbeid, mede om de gevolgen van de vergrijzing te kunnen opvangen. We kennen de CPB-modellen. Werkgelegenheid scoort in die modellen als de afstand tussen lonen en uitkeringen wordt vergroot en wanneer de lasten worden verminderd. Dit denken ligt eveneens ten grondslag aan het kabinetsbeleid. Belemmeringen voor toetreding tot de arbeidsmarkt moeten dus worden weggenomen. Om die reden verdwijnt de voetoverheveling van de belastingvrije som in de fiscaliteit, wordt in het nieuwe belastingplan acht miljard besteed aan de arbeidskorting en worden bijstandsmoeders met jonge kinderen gedwongen de arbeidsmarkt op te gaan. Voor afwijkende ideeën is in de gangbare modellen eigenlijk nauwelijks ruimte. Maar het merkwaardige is nu dat juist economen de zin van lastenverlichting bij de huidige economische ontwikkeling en schaarste op de arbeidsmarkt steeds meer in twijfel trekken. Diverse economen bekritiseerden het kabinet al toen in het verkiezingsjaar 1998 terwijl het economisch zeer voor de wind ging zo veel niet-noodzakelijke lastenverlichting werd gegeven. Die kritiek komt nu terug.
In het recente nummer van Economisch Statistische Berichten dat is gewijd aan de Miljoenennota (24-9-1999) plaatsen diverse auteurs kritische kanttekeningen bij verdere lastenverlichting. Hilbers c.s. stellen dat de huidige economische situatie, met een risico van oververhitting en een hardnekkige verborgen werkloosheid, bezinning vergt op de succesvolle beleidsformules van de afgelopen vijftien jaar. Economische deskundigen van de ABN-AMRO en de Rabobank bekritiseren de overmaat aan lastenverlichting, die mogelijk oploopt tot 10 miljard; lastenverlichting die naar hun mening de krapte op de arbeidsmarkt verder kan vergroten en zodoende bijdraagt aan oververhitting van de economie. De Tilburgse hoogleraar economie Bovenberg, daarin bijgevallen door zijn collega Eijffinger, is zo mogelijk nog kritischer en stelt dat vette jaren juist moeten worden benut om te reserveren voor magere jaren. De grammofoonplaat, aldus Bovenberg, van het op achterstand zetten van inactieven ten opzichte van actieven raakt versleten. Het kabinet zou de zwakke kanten van de twee tegenvoeters in de Nederlandse politiek combineren: het gebrek aan financiële discipline van de PvdA en een gebrek aan investeringen in de sociale cohesie van de VVD.
Al dergelijke beschouwingen hebben een gemeenschappelijke noemer: het onverkort vasthouden aan generieke lastenverlichting is in de huidige economische omstandigheden niet verstandig omdat het de problemen op de arbeidsmarkt niet wegneemt en haast nog wezenlijker bijdraagt aan oververhitting van de economie. Prachtig dat het belastingplan 65.000 banen oplevert, maar zijn er ook de mensen die deze banen kunnen bezetten? Het lastenverlichtingsbeleid wordt procyclisch. Degenen die thuis zijn in verkiezingsprogrammas weten dat er nauwe raakvlakken bestaan tussen deze economische analyses en de CDA-visie. Het program Samen leven doe je niet alleen koos voor een andere visie op lastenverlichting en voor verdere terugdringing van de staatsschuld. Kijken we wat betreft de lastenverlichting nog even terug naar de Algemene Politieke Beschouwingen, dan was het opvallend dat het kabinet eerst een verhoging van het arbeidskostenforfait bepleitte en vervolgens akkoord ging met de koopkrachtverbetering van de sociale minima. De verhoging van het arbeidskostenforfait was met name bedoeld om de afstand loon-uitkering te vergroten en daardoor deelname aan betaald werk te bevorderen, maar dat effect wordt weer tenietgedaan door de op zichzelf wenselijke sociale koopkrachtverbetering. Eerst zouden gehuwde sociale minima met kinderen er 1% op vooruit gaan en de alleenverdienende minimumloner met kinderen 1,5%, maar na aanvaarding van de plannen zullen beide groepen er 2,25% beter van worden. Waar kiest het kabinet nu voor?
Naast de lastenverlichting richt de kritiek zich in toenemende mate op een ander fenomeen, de oplopende inflatie. Het IMF stelt dat Eurolanden waar de economie sneller groeit dan het gemiddelde, er goed aan doen het inflatiegevaar weg te nemen door te bezuinigen of de lasten zelfs te verhogen. In Nederland doen we het omgekeerde. President Wellink van De Nederlandsche Bank lijkt soms een roepende in de Haagse politieke woestijn. Eerder dit jaar hekelde hij al de rol van de overheid die de inflatie door haar beleid flink opjaagt. Vorige week herhaalde hij zijn waarschuwing. De mede door het belastingplan stijgende inflatie leidt tot nadelen voor de exportpositie van Nederland. Die ontwikkeling - zo moet worden gevreesd zal nog verder worden aangewakkerd wanneer de hoge inflatie weer aanleiding geeft tot hogere looneisen. De CDA-fractie is van mening dat het kabinet te lichtvaardig met het vraagstuk van de inflatie omspringt. Eerder dit jaar was er zelfs een zekere gelukzaligheid over de stijgende inflatie: de overheid zou immers meer inkomsten ontvangen en dat beperkte weer de noodzaak van ombuigingen. Het kortetermijnvoordeel zal binnen afzienbare tijd worden weggespoeld. Blijft Nederland met het huidige inflatiepeil overigens nog binnen de EMU-criteria? Er ontstaat een onbalans tussen de inflatie, die nationaal wordt gestuwd, en de renteontwikkeling die op Europees niveau wordt vastgesteld. Wanneer de Nederlandse overheid zich niet inzet om de inflatie omlaag te brengen, draagt zij bij aan de dreiging van renteverhoging door de Europese Centrale Bank. En renteverhoging heeft weer negatieve gevolgen voor de economie en voor de onlosmakelijk bij de staatsschuld horende renteverplichtingen.
Daarmee is dan de brug geslagen naar een derde pijler van kritiek op het kabinetsbeleid: waarom wordt er met het oog op het opvangen van de gevolgen van de vergrijzing (AOW, zorg) niet meer gedaan aan de reductie van de staatsschuld? De pijn wordt optisch verzacht door de staatsschuld steevast uit te drukken als percentage van het BBP, maar in guldens gaat het om veel geld: dit jaar om een schuld van 520 miljard, volgend jaar oplopend naar 528 miljard en jaarlijkse rente- en aflossingsverplichtingen van 30 miljard. Ik zal ophouden allerlei economen te citeren; het draagvlak voor het streven naar terugdringing van de staatsschuld neemt in hoog tempo toe. Trouwens, ook president Clinton sprak recent een veto uit over de uitbundige lastenverlichting die de republikeinen gerealiseerd wilden zien. De Amerikaanse president wil een deel van het begrotingsoverschot juist benutten om de staatsschuld te verminderen. En verder zouden er meer middelen moeten gaan naar het onderwijs en de oudedagsvoorziening. Wat Clinton kan, moet dit kabinet toch ook kunnen?
Na alle euforie van de Algemene Politieke Beschouwingen is het van belang de reactie van het kabinet te vernemen op de aanzwellende kritiek op een aantal wezenlijke onderdelen van het huidige financieel-economische beleid. Buiten het Binnenhof gist het, voorzitter.

IJkpunten voor toekomstig financieel-economisch beleid Het denken over de toekomst van de overheidsfinanciën kan snel uitmonden in puur financieel-economische verhandelingen, maar er staat uiteraard veel meer op het spel. De overheidsfinanciën hebben immers ook alles te maken met de vraag welk type samenleving in de 21ste eeuw gewenst is. Is het niet zo dat het huidige beleid zie ook de Miljoenennota vooral appelleert aan individuele preferenties in relatie tot deelname aan betaalde arbeid: hoeveel ga ik er op vooruit als ik toetreed tot de arbeidsmarkt, wat is mijn voordeel van inkomensverbetering? Staan marktwerking en individuele prikkels vaak niet op de voorgrond? De politieke vraag is echter of dit ook het perspectief voor de samenleving van de volgende eeuw kan en mag zijn. Samen leven doe je immers niet alleen. Wat is bijvoorbeeld in de toekomst de waarde van onbetaalde arbeid, zorg voor anderen en solidariteit? Versterking van sociale cohesie vergt dat meer in termen van wij en minder in termen van ik wordt gedacht en gehandeld. Verantwoordelijk, niet alleen voor jezelf maar vooral ook voor de ander. Toekomstgerichtheid vraagt om een beleid dat oog heeft voor komende generaties en dat getypeerd kan worden als goed rentmeesterschap. Welke oriëntaties in het financieel-economisch beleid zijn nodig wanneer we de voorshands gunstige economische vooruitzichten, de kritiek op een aantal wezenlijke onderdelen van het huidige beleid en het perspectief van toekomstgericht solide en sociaal beleid met elkaar in verband proberen te brengen? De CDA-fractie legt daarbij vier accenten.
In de eerste plaats moet het financiële draagvlak voor het kunnen opvangen van de vergrijzing (AOW, zorg) krachtig worden bevorderd en wel zodanig dat de jongeren van nu in de toekomst niet onevenredig zwaar worden belast. De generatierekeningen, aldus het CPB, zijn nog niet in evenwicht. Om die reden moet de staatsschuld fors worden teruggebracht. Van verschillende kanten wordt het elimineren van de overheidsschuld over 20 à 25 jaar als een nieuw baken voor het budgettaire beleid in de komende jaren beschouwd. De CDA-fractie acht een dergelijke ambitie met het oog op de toekomst geboden. Het teruglopen van de staatsschuld als percentage van het BBP is dus een te smal spoor. Een dergelijk streven vergt echter wel een duidelijk politiek commitment en vooral financiële discipline. We zouden een begin kunnen maken door ervoor te zorgen dat de schuld in ieder geval nominaal niet verder oploopt. Kan de minister de Kamer een notitie toezeggen waarin de mogelijkheden van de afbouw van de staatsschuld worden verkend?
In de tweede plaats zal de overheid binnen een bestendig uitgavenkader zorg moeten blijven dragen voor toereikende financiële middelen voor zorg, onderwijs, veiligheid en infrastructuur. De collectieve uitgavenquote bevindt zich inmiddels al onder de 50%. Het koppelen van enkele uitgavencategorieën aan de groei van het nationaal inkomen vinden we geen goede gedachte. Essentieel is echter het inzicht dat de collectieve voorzieningen en dat is in onze visie meer dan alleen overheidsvoorzieningen ten opzichte van de private welvaart niet verschralen. In die zin dient de scheiding tussen uitgaven en inkomsten nadat een structurele situatie van begrotingsevenwicht of
-overschot is bereikt te worden heroverwogen, ook al om ruimte te scheppen voor politieke verantwoordelijkheid en politieke afwegingen. Een concreet aanknopingspunt vormen de problemen die gaan ontstaan bij het onverkort toepassen van voor de mee- en tegenvallerformules in de inkomstensfeer als de economie blijft groeien. Er wordt dan geld via de lastenverlichting in de economie gepompt terwijl dat economisch ongewenst is. Ook de Raad van State geeft dit aan. Blijft het kabinet de inkomsten-meevallerforumule deze kabinetsperiode onverkort toepassen? Als het gaat om de verhouding collectieve sector en marktsector ligt er een belangrijke verantwoordelijkheid voor werkgevers en werknemers. Solidariteit tussen de marktsector en de publieke sector kan niet worden gemist. De overheid moet zich dienstbaar opstellen om een solidariteitspact mogelijk te maken. In de derde plaats de lastenverlichting. Een belastingherziening vergt financiële middelen om de koopkracht van mensen te waarborgen. Daarover geen misverstand. Ook moet rekening worden gehouden met de internationale omgeving. Maar dient daarmee onverkort te worden vastgehouden aan verdere lastenverlichting bij een aantrekkende economie en toenemende schaarste op de arbeidsmarkt? In die omstandigheden schiet lastenverlichting gewoon haar doel voorbij. De CDA-fractie acht het van belang dat extra lastenverlichting vooral wordt gericht op groepen die het meer nodig hebben dan anderen. Middelen kunnen dan worden aangewend voor het tegengaan van armoedevallen. Ook gezinnen met middeninkomens mogen niet ontbreken. (Waarom gaf premier Kok kort na de publicatie van het belastingplan de bewindslieden van Financiën plotseling de opdracht de positie van middeninkomens te versterken, terwijl de kritiek vorig jaar al bekend was? Is het mogelijk om binnen de bestaande financiële kaders tegemoet te komen aan het verzoek van de premier?) Er past dus een relativering van de generieke lastenverlichting. In een verantwoordelijke samenleving moet het om meer gaan dan een voortdurend groeiende persoonlijke welvaart voor met name werkenden. Liever dus een meer gerichte en structurele inzet van lastenverlichtingsmiddelen zie ons plan De moeite waard en een adequater sanctiebeleid dan een kostbaar stelsel van generieke lastenverlichting dat in een tijd van schaarste op de arbeidsmarkt aan effectiviteit zal gaan verliezen. In de vierde plaats zal, meer dan nu, moeten worden geappelleerd aan de verantwoordelijkheid van mensen en hun organisaties. Dit thema stond centraal in de algemene politieke beschouwing van mijn fractievoorzitter, De Hoop Scheffer. Het gaat om een visie op maatschappelijke ordening die meer omvat dan overheid en markt. In het overheidsbeleid behoort er daarom te worden ingespeeld op zaken als persoonsgebonden budgetten, erkenning van de rol van maatschappelijke ondernemingen, zelfregulering, het afremmen van marktwerking waar het algemeen belang in het geding is (privatisering nutsbedrijven) e.d. (Kan de minister overigens ingaan op de berichten als zou de liberalisering van de energiesector de schatkist meerdere miljarden kosten?) Nadenkend over de verantwoordelijkheidsverdeling is het de CDA-fractie overigens opgevallen dat er een verschil in toonzetting zit tussen de Miljoenennota, die het heeft over een grotere rol van de markt en een sterke overheid, en de nota Vertrouwen in verantwoordelijkheid. In de laatste nota gaat het over het aanspreken van burgers en maatschappelijke groeperingen op hun eigen verantwoordelijkheden en verplichtingen jegens de maatschappij. Het is hier niet de plaats om daarop dieper in te gaan, maar het is ook voor het financieel-economisch beleid wel een wezenlijk onderwerp dat meer politieke aandacht vergt.

Tot slot
Voorzitter, politiek slaat dood wanneer het niet meer gaat om idealen. Steeds moeten daarom de politieke keuzes tegen het licht van die idealen worden gehouden, ook op financieel-economisch terrein. Het financieel-economisch beeld nu ziet er zonnig uit. Maar voor een cultuur van tevredenheid is allerminst reden. Daarvoor zijn er te veel kwetsbaarheden in de huidige financieel-economische ontwikkeling en daarvoor wordt er ook te veel kritiek geuit op het huidige procyclische kabinetsbeleid. Het beleid ten aanzien van lastenverlichting, inflatie en staatsschuld ondervindt meer en meer kritiek. Nieuwe ijkpunten voor het financieel-economisch beleid zijn nodig. Er zal sprake moeten zijn van een nieuwe solidariteit met komende generaties, van een bestendig financieel draagvlak voor noodzakelijke collectieve voorzieningen (publieke welvaart), van het onderkennen van het belang van activiteiten die buiten het arbeidsbestel vallen en van herbezinning op het lastenverlichtingsbeleid zoals we dat nu kennen. Over die oriëntaties is nadere bezinning nodig. Want wat komt er echter van alle toekomstoriëntaties terecht wanneer we elk jaar een herhaling zouden krijgen van het bekende kwartiertje van de laatste Algemene Politieke Beschouwingen? Iedereen die een beetje thuis is in de Haagse politiek weet natuurlijk dat extra uitgaven leuker zijn dan het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Maar Moed en karakter in de politiek zie het boek van wijlen president John F. Kennedy betekenen dat soms ook tegen de stroom moet worden ingegaan. De tijd voor afwijkende ideeën refererend aan die andere Kennedy is rijp. Denk aan het debat over de lastenverlichting.

Het gaat goed in Nederland. Hoe vaak worden die woorden aan de vooravond van de nieuwe eeuw niet gezegd. Maar dat goed gaan is nooit een vanzelfsprekendheid. Herman Wigbold staat aan het slot van zijn boek stil bij de rol van de overheid en schrijft: Een overheid die niet speculeert op onze zelfvoldaanheid maar een beroep doet op de beste krachten in ons volk. Een overheid die zich niet richt tot onze portemonnaie maar tot onze trots en onze energie. Het gaat om de toekomst van onze maatschappij. Het zijn bevlogen woorden, maar zijn bevlogenheid en toekomstgerichtheid, ook op financieel-economisch terrein, niet juist wat de politiek in Nederland nodig heeft?

Kamerlid: Jan Peter Balkenende

Deel: ' Bijdrage CDA Algemene Financiële Beschouwingen '




Lees ook