CDA

: Tweede Kamer : Begroting Vrom 2000, onderdeel volkshuisvesting (16 en 17 november 99)

Begroting Vrom 2000, onderdeel volkshuisvesting (16 en 17 november 99)

Het kan verkeren: aan de vooravond van de eeuwwisseling staat opnieuw het kwalitatieve aspect van de volkshuisvesting centraal. Dat was ten tijde van de invoering van de Woningwet (begin deze eeuw) ook het geval; het begrip kwaliteit had toen niet de woninggrootte of bouwfysische kenmerken als inhoud, maar het minimaal noodzakelijke wooncomfort, dat nodig is om een redelijke volksgezondheid te garanderen. Zo heeft ieder tijdperk zijn eigen kenmerk: in de periode van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog was het opheffen van de woningnood de grootste zorg. Het kwantitatieve aspect van de volkshuisvesting heeft tot voor kort de boventoon gevoerd. In de jaren zeventig met de daarin gelegen economische recessie gaat het hoofdzakelijk om koopkrachtontwikkelingen. En de nieuwe begroting VROM 2000 heeft het weer over kwaliteitsverbeteringen, maar dan vanwege de toegenomen kapitaalkrachtige vraag. Op zich is daar niets op tegen. In dat verband de volgende vraag. Kan de staatssecretaris meer duidelijkheid verschaffen over hoe hij precies de kwaliteitsverbetering en de wat wel genoemd wordt zelfstandige realisatie op de Vinexlocaties gerealiseerd ziet? Is bij de herijking Vinex ook een groter deel van de voorraad beschikbaar voor aanpasbaar bouwen? (lagere drempels; bredere deuropeningen voor onder meer ouderen) Voor de CDA-fractie is daarbij duidelijk, dat het bij kwaliteit zowel om de op consumentenvoorkeuren afgestemde individuele woonkwaliteit als de stedenbouwkundige kwaliteit en het voorzieningenniveau gaat. De nieuwe nadruk op kwaliteitsverbetering mag er in de ogen van de CDA-fractie niet toe leiden, dat de aandacht voor onder meer woonlasten onder de korenmaat blijft.

Met de belangrijke nota Volkshuisvesting in de negentiger jaren van toenmalig staatssecretaris Heerma is in feite voor het eerst een belangrijke wijziging van beleid in een totaal kader geplaatst. Met knippen en plakken was immers geen effectief beleid meer te voeren; voordien werd immers in feite in grote haast geprobeerd een antwoord te geven op problemen, die de politieke agenda toentertijd vulden. Het is nog maar de vraag of de in het jaar 2000 te verschijnen Nota Wonen in de 21e eeuw het karakter zal hebben van een fundamentele herbezinning de volkshuisvesting; in die zin was de eerdergenoemde nota van Heerma zijn tijd ver vooruit.

Staatssecretaris Remkes heeft in de luwte van de nog te verschijnen nieuwe Nota betrekkelijk rustig zijn werk kunnen doen. De tegengestelde visies op volkshuisvesting in de coalitie zijn nog nauwelijks op de proef gesteld, te meer daar er nog geen echte krachtmeting heeft plaatsgevonden. Dat was in de vorige kabinetsperiode wel anders. De PvdA verweet de toenmalige staatssecretaris, dat hij niet met een eigen nota aan het begin van zijn bewindsperiode was gekomen. Nu kon de vorige staatssecretaris niets anders, aangezien er al een voortreffelijke nota lag; het daarin verwoorde beleid heeft hij ons inziens terecht- voortgezet. De relatieve rust binnen de coalitie, als het om volkshuisvesting gaat, komt voort uit de hoge verwachtingen van de inhoud van de Nota Wonen in de 21e eeuw, die met name een van de coalitiepartijen heeft. Dan zal de echte testcase voor deze staatssecretaris plaatsvinden, aangezien hij zal moeten aangeven, dat ook in de 21e eeuw een consistent beleid ten aanzien van de verzelfstandiging noodzakelijk is voor een goed volkshuisvestingsbeleid. Eveneens zal een huursombenadering ook niet zo maar overboord gezet worden. Ook in de 21e eeuw zullen vraag en aanbod meer de woningmarkt beïnvloeden dan de wet- en regelgeving. Dat zullen niet alle coalitiepartijen zonder meer onderschrijven. De voorbode hiervan hebben wij al kunnen merken bij het bespreken van het huurbeleid. Uiteraard zal daarbij voor het CDA betaalbaarheid een centraal element in het volkshuisvestingsbeleid blijven.

Het CDA heeft onlangs het plan gelanceerd meer woningen van woningcorporaties te verkopen. Doel is tweeledig: meer woningen op de koopmarkt zal de druk op de koopprijs doen afnemen. Bovendien worden meer huurders in staat gesteld hun woning te kopen. In dat opzicht sluit ons voorstel goed aan bij het initiatiefvoorstel, Bevordering Eigen Woningbezit, dat binnenkort in de Tweede Kamer aan de orde zal komen. In ons voorstel is tevens opgenomen, dat huurders, die al geruime tijd in een woning van de corporatie wonen, een korting kunnen krijgen bij aankoop van deze woning. Onze gedachten gaan daarbij uit van een korting van 15% bij tien jaar en 20% bij een periode van 20 jaar en langer. Onderzoek heeft al eerder aangetoond, dat er nog een voordeel is bij een evenwichtiger percentage eigen woningbezit in een woonwijk: het komt de leefbaarheid van woonwijken ten goede. De extra verkoop van woningen van woningcorporaties moet ons inziens gezien worden als een overbrugging naar de situatie, dat de Vinex-locaties klaar zijn. In deze overbruggingsperiode van vijf jaar kan naar onze mening zon 50000 woningen per jaar verkocht worden. Tot onze teleurstelling staat in de geactualiseerde versie van het Nationaal Volkshuisvestingsprogramma nog een verkoop van 25000 woningen. Naar onze mening zal de staatssecretaris er bij de woningcorporaties moeten aandringen op een grotere inspanning in deze. (eventueel motie) Daarbij zal tevens duidelijk moeten worden gemaakt wat de kernvoorraad zal zijn voor degenen, die aangewezen zijn op huurwoningen. Onvermijdelijk is eveneens, dat een acceptabele anti-speculatie beding wordt ontwikkeld bij de verkoop van de corporatiewoningen.

Tegenwoordig wordt niet meer gesproken over ouderenhuisvesting, maar over wonen en zorg. Woon- en zorgdiensten voor ouderen worden gecombineerd. Er zijn volop initiatieven te komen tot samenwerking van corporaties en zorginstellingen. In het regeeraccoord van Kok II staat het zo mooi: In het bijzonder moet aandacht worden gegeven aan de totstandkoming van vormen, waarin wonen en zorg voor ouderen zijn geïntegreerd Onderzocht zal worden of hiervoor het BBSH aanpassing behoeft Nu blijkt het bij het voornemen te blijven, omdat de spelregels van het BBSH maar niet aangepast worden. Waar blijft de totstandkoming van een woon-zorg-stimuleringsfonds? Alleen maar overwegen is niet voldoende: dat horen we nu al anderhalf jaar. Een dergelijk fonds is nodig om het mogelijk te maken, dat oudere huurders zo lang mogelijk zelfstandig in hun eigen huis en buurt blijven wonen. Daarvoor is wel zorginfrastructuur nodig! Eveneens is het teleurstellend dat het niet mogelijk is een experiment in deze richting te starten. Een en ander staat ook nog eens haaks op het advies ter zake van de Vromraad, uitgebracht in januari 1988. Bij de beantwoording van schriftelijke vragen naar aanleiding van deze begroting stelt de staatssecretaris, dat voor 15 december as. duidelijkheid gegeven wordt over de woon-zorgdiensten. Niet meer overwegen, maar daadwerkelijk aan de slag kunnen? De CDA-fractie verwacht van de staatssecretaris daden in dezen! (eventueel motie)

Bij de Algemene Beschouwingen heeft mijn fractievoorzitter de visie van het CDA gegeven over de noodzakelijke herbezinning op de verantwoordelijkheden van overheid en particulier initiatief. Reeds langer is het CDA bezig met de revitalisering van het maatschappelijk ondernemerschap. De aandacht hiervoor lijkt bij anderen ook toe te nemen. Het concept van een maatschappelijk onderneming dat was de basis van waaruit voormalig staatssecretaris Heerma opereerde- is bij uitstek geschikt voor een eigentijdse inbedding van de woningcorporaties. Hier dient inhoud gegeven te worden aan een onderneming, die bij uitstek gedreven wordt door een maatschappelijk doel en positieve exploitatieresultaten weer investeert in een nog groter maatschappelijk rendement, in dit geval de sociale volkshuisvesting. (met andere woorden, geen winstuitkering!) De keuze voor de maatschappelijk onderneming betekent ook het accepteren van de medeverantwoordelijkheid voor de doelstellingen van overheidsbeleid. Daarbij past niet een corporatie als taakorganisatie, waarbij de overheid vergaand in keuzen en bedrijfsvoering kan interveniëren. De keuze voor de maatschappelijk onderneming houdt ook in het handhaven van overheidstoezicht. De overheid moet krachtig kunnen optreden tegen de maatschappelijke onderneming, die zijn taak verwaarloost. Bij de bespreking van de Nota Wonen in de 21e eeuw komen al deze aspecten uitgebreid aan de orde; de CDA-fractie vindt het van belang zijn visie daarbij nu al weer te geven.

in een interview met VNG-magazine van 12 november jl. stelt de staatssecretaris, dat zijn ambtenaren (onder meer) druk bezig zijn met het beoordelen van de ingediende plannen van gemeenten om in aanmerking te komen voor de gelden uit het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV). De CDA-fractie betreurt het nog steeds, dat het beschikbare bedrag voor deze gelden in de eerstkomende jaren verminderd is ten opzichte van de gelden, die vanuit voormalige regelingen beschikbaar waren. Dit kan leiden tot minder druk tot het indienen van de benodigde plannen. Een en ander komt de noodzakelijke vernieuwing van stadsdelen niet ten goede en gaat ten koste van de leefbaarheid in de steden. Wij delen de opvatting van de staatssecretaris, dat voor het ISV maar een adagium geldt: kwaliteit. Dan moet er -in de visie van de CDA-fractie -van de nieuwe regeling geen verkeerd signaal uitgaan! In feite is de nieuwe regeling met 140 miljoen minder van start gegaan dan de vorige regeling. Pas in de volgende regeerperiode vindt de inhaalslag plaats.

huurbeleid is op 11 november jl. aan de orde geweest in een apart algemeen overleg. De CDA-fractie heeft in dat overleg de staatssecretaris opgeroepen met de sociale huursector een meerjarig contract af te sluiten, waarbij de sector tot een grotere inspanning wordt opgeroepen. In dat contract zal in ieder geval vastgelegd moeten worden de eerder vermelde verkoop van 50000 woningen per jaar; bovendien is het noodzakelijk te komen tot duidelijke afspraken over oplossingen inzake de groeikernenproblematiek. Een schone taak voor het nieuwe College Sluitend Stelsel. Er zal immers een op de omvang van de doelgroep afgestemde kernvoorraad aan goedkope huurwoningen in de verschillende groeikernen moeten worden gerealiseerd, zoals in Almere en Purmerend. Daarbij zal een huurbeleid afgesproken dienen te worden, dat uitgaat van een huursombenadering. Teneinde de overeengekomen volkshuisvestingsopgave te kunnen realiseren zal er een inflatievolgend gemiddelde huur worden afgesproken, met een maximale huurpercentage, dat vooralsnog boven de inflatie-grens ligt. Tevens is van belang te komen tot afspraken, die leiden tot vermindering van de regelgeving voor de sociale huursector in combinatie met een versterking van een door de sector zelf ontwikkelde toezichtsstructuur. Ik kan mij zo voorstellen, dat er bij meerderen in volkshuisvestingsland behoefte bestaat aan meer duidelijkheid over onder meer het vernieuwde woningwaarderingsstelsel. Daar wordt al langer met smart op gewacht. Terwijl het einde van het bruteringsstelsel in zicht is, bestaat over zoiets fundamenteels nog steeds geen duidelijkheid, ondanks eerdere toezeggingen in dezen. Kortom, de staatssecretaris zal in onze ogen met de sector in de slag moeten teneinde een landelijk raam- accoord te bereiken.

Er wordt al langer gesproken over de noodzaak te komen tot een ophoging van de vergoeding voor de leden van de huurcommissies. Hoe staat het daarmee? Gezien de taak van de huurcommissies is het noodzakelijk een kwalitatieve impuls te geven aan deze commissies.

P.J. Biesheuvel (CDA)

Deel: ' Bijdrage CDA debat begroting Vrom 2000 '




Lees ook