CDA

Nieuws uit de Senaat

Bijdrage aan het debat over het wetsvoorstel opheffing algemeen bordeelverbod op 5 oktober 1999

De CDA-fractie in de Eerste Kamer is niet gelukkig met het wetsvoorstel opheffing algemeen bordeelverbod. Zeker, het wetsvoorstel bevat een aantal positieve elementen. Het is nuttig dat gemeenten in staat zijn om via een vergunningenstelsel de aanwezigheid van bordelen te kunnen beperken en reguleren. Ook zijn wij voorstander van de uitgebreide en aangescherpte strafbaarstelling van mensenhandel en andere vormen van dwang en misbruik zoals misbruik van minderjarigen in de prostitutie. Maar de prijs daarvoor is een veel te vergaande, om niet te zeggen naïeve normalisatie van vrijwillige prostitutie. Die normalisatie gaat zover dat gemeenten de bevoegdheid wordt ontzegd om bordelen in hun gemeente geheel te verbieden. Waarom zou een gemeente waar nu geen bordelen worden gedoogd, dat niet zo mogen houden? Het antwoord van de regering op die vraag was ronduit verbijsterend: omdat de Grondwet daaraan na opheffing van het algemene bordeelverbod - in de weg staat. Wie de Grondwet kent, moet zich hier even achter de oren krabben. In de Grondwet komt wel een bepaling voor dat in elke gemeente voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs (wordt) gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Maar er staat toch nergens dat er in elke gemeente gelegenheid moet worden gegeven in een genoegzaam aantal bordelen? Nee, de redenering van de regering was een andere. Met een verbod op bordelen in een gemeente zou de prostituee onderscheidenlijk de prostituant immers het algehele recht worden ontzegd om in een bepaalde gemeente het beroep van prostituee in een prostitutiebedrijf uit te oefenen onderscheidenlijk om het beroep van ondernemer in een dergelijk bedrijf uit te oefenen(memorie van antwoord aan deze kamer). Juridisch is deze redenering al discutabel, omdat volgens artikel 19, derde lid, van de Grondwet beperkingen kunnen worden gesteld bij of krachtens de wet. Maar bovendien valt of staat zij met de erkenning van prostitutie als reguliere arbeid en van het souteneurschap als regulier ondernemerschap. In een artikel in het juridisch tijdschrift Nemesis van januari 1999 (blz. 31-32) beschrijft Roelof Haveman een geval dat zich blijkbaar in 1998 bij de Sociale Dienst in Alkmaar heeft voorgedaan. Een vrouw die in de prostitutie werkte maar daarmee was gestopt omdat het werk toch eigenlijk niets voor haar is, werd een uitkering geweigerd. De reden (ik citeer de betreffende ambtenaar van de Sociale Dienst): Ik vind dit geen steekhoudend argument om arbeid, waarmee volledig in het levensonderhoud kan worden voorzien, op te geven. Sekswerk is dus zelfs meer dan zo maar arbeid: passende arbeid. Haveman is het met deze gedachtegang absoluut niet eens. En dat ondanks het feit dat hij aan het begin van zijn artikel badinerend schrijft over de mensen die prostitutie in strijd met de menselijke waardigheid vinden en op een verbod aandringen: in Nederland, aldus Haveman, wordt dat soort mensen gelukkig nog slechts sporadisch aangetroffen.
Wanneer wij als christen-democraten op zon kwalitatief verschil wijzen en niet alles over één economische kam scheren, zijn er mensen die ons in publieke debatten met een opgeheven vinger tegemoet treden: foei, dat is moralisme in de wetgeving, en in ons land van vrijheid moet iedereen zelf uitmaken welk soort arbeid hij aanvaardt of niet. Ook (zelfs?) Haveman ziet echter dat er met prostitutie iets speciaals aan de hand is: het eigene van sekswerk betekent dat je mensen niet tot deze vorm van arbeid kunt dwingen. Dat is immers in strijd met het grondwettelijk recht op onaantastbaarheid van het lichaam (art. 11 Grondwet) en bovendien strafbaar als medeplegen van verkrachting en vrouwenhandel. (Hij bedoelde trouwens kennelijk mensenhandel; dat is al meer dan vijf jaren geleden in het Wetboek van Strafrecht veranderd.) Inderdaad, sekswerk is anders dan andere arbeid omdat, vrijwillig of niet, de grondwettelijk beschermde intimiteit tot handelswaar wordt gemaakt. Het is absoluut niet ongewoon dat de wet vormen van arbeid beperkt, simpel omdat daarbij iets wordt gevraagd te presteren waartoe men een ander niet behoort te verplichten, zelfs niet als hij dat geheel uit vrije wil aanvaardt. Als dat moralisme is, is de hele arbeidersbescherming moralistisch. Ik zou, in alle nuchterheid, willen constateren dat wetgeving altijd een ethische dimensie heeft. Zou wetgeving alleen maar sociale techniek zijn, dan waren we in het publieke debat snel uitgepraat en zouden politieke partijen enkel belangenverenigingen zijn.
Van een verplichting om dit soort bedrijvigheid overal als legaal en normaal te accepteren kan naar ons oordeel geen sprake zijn. Het opleggen hiervan, tegen gemeentelijke autoriteiten in, is een van de hoofdbezwaren tegen dit wetsvoorstel. Ook die autonomie is grondwettelijk verankerd.

Het meest fundamentele gebrek in het wetsvoorstel is naar ons oordeel dat het prostitutie als gewone arbeid wil behandelen, behoudens situaties van pressie en dwang, en het souteneurschap als gewoon ondernemerschap. Daarmee wijkt het wetsvoorstel af van die in vrijwel alle andere EU-landen. In de nadere memorie van antwoord erkent de minister van justitie dat de exploitanten van bordelen bij aanvaarding van het wetsvoorstel met succes een beroep kunnen doen op subsidieregelingen. Als deze normalisering inderdaad de strekking van het wetsvoorstel is, is dat voor ons nog afgezien van alle andere bedenkingen voldoende reden om ons tegen dit wetsvoorstel te verzetten. Wij willen de minister uitnodigen om terug te komen van zijn eerdere opvatting dat het gemeenten niet langer vrij zou staan om via hun verordenende bevoegdheid vestiging van bordelen geheel uit te sluiten. Onzes inziens zou de minister zon toezegging kunnen doen zonder de beoogde regulering in (met name) de grote steden onmogelijk te maken.

Wij bepleitten al in de schriftelijke voorbereiding van de behandeling van dit wetsvoorstel, de waarschuwing serieus te nemen die is gedaan in het WODC-rapport Georganiseerde criminaliteit in Nederland. Daar wezen de onderzoekers erop dat het effect van de legalisering ook kan zijn dat er ontwijkingstrategieën worden ontwikkeld (bijvoorbeeld escortservice), waardoor verhandelde vrouwen verder aan het oog worden onttrokken dan nu reeds het geval is. De minister vat deze rapportage van zijn eigen WODC blijkens de nadere memorie van antwoord niet op als een depreciatie van het in het wetsvoorstel beoogde regiem, maar als een aansporing aan de lokale overheden om tijdig te bezien hoe gereageerd moet worden indien zich onverhoopt ongewenste ontwikkelingen voordoen. Dit antwoord vergrootte onze twijfel of de regering zich wel voldoende voorbereidt op de gevolgen van het wetsvoorstel. Het WODC had het toch over georganiseerde criminaliteit, en waarom dan deze verwijzing naar lokale overheden? En wat de handhaving van het beleid verder betreft: is de brief van de minister van Justitie van 8 juni 1999 niet eigenlijk een vriendelijke uiteenzetting dat hij voor die handhaving bijna geen middelen heeft? Hij verwijst naar de in 1994 (!) toegekende structurele middelen van Mf 49 voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Maar de Mf 1,6 die in 1998 aan de justitiebegroting zijn toegevoegd en die de minister geruststellend noemt, zijn bestemd voor mensensmokkel, en dat is iets anders dan mensenhandel (25437, nr. 19, p. 2). Verderop gaat de minister er met zoveel woorden van uit dat de handhaving van het in de lokale driehoek afgesproken prostitutiebeleid binnen de reguliere sterkte kan worden opgevangen. Wij delen dit optimisme absoluut niet, en de aanvaarding van het amendement-Nicolaï tot opneming van artikel 151a Gemeentewet vergroot nog eens de discrepantie tussen doelstellingen en middelen. Bovendien werkt deze lokale benadering verplaatsingseffecten in de hand: de burgemeester van Arnhem heeft daartegen in duidelijke taal gewaarschuwd. Zelf heeft de minister al uitgesproken dat het op dit moment niet mogelijk is alle consequenties van het wetsvoorstel te overzien (nr 189b, nr 1). Hij overweegt te komen met een wetsvoorstel prostitutiewetgeving of openbare inrichtingen (nr 17, p. 3), maar hoe lang duurt dat nog en welke middelen zijn daarbij voorzien?

Na ruim twee maanden en herhaald aandringen heeft de minister ons in kennis gesteld van het advies van de landsadvocaat over toelating van werknemers in de prostitutie van buiten de EU. De zeven regels over het advies van de landsadvocaat in de ook verder summiere brief van 23 september kon absoluut niet gelden als een weergave van de inhoud van dat twintig pagina's dikke advies. Vandaar onze aandrang om te kunnen lezen wat de landsadvocaat er nu echt van vond. Aanvankelijk had de minister zonder meer een toelatingsverbod aangekondigd van niet-EU/EER-onderdanen waar het gaat om werk in de prostitutie. Uit het advies van de landsadvocaat blijkt dat de opheffing van het algemeen bordeelverbod de mogelijkheden voor zon standpunt verkleint. Wil de minister hierbij ook ingaan op de jurisprudentie van de rechtbank s-Gravenhage inzake vrije vestiging van Oost-Europese prostituees (NTER 1997, p. 245 e.v.)? Eenmaal om andere reden toegelaten kunnen zij moeilijk uit deze bedrijfstak worden geweerd. Waar het gaat om de Wet arbeid vreemdelingen te baseren uitsluiting van personen die in de prostitutie willen werken, is het volgens de landsadvocaat niet goed te voorspellen of dit bij de rechter stand zal houden.

Mijnheer de voorzitter,
Ik begon de bijdrage van onze fractie aan dit debat met een opmerking over het gemengde karakter van dit wetsvoorstel. Enerzijds zijn er bepalingen die bescherming bieden tegen exploitanten van prostitutie, anderzijds wordt de deur opengezet voor een normalisatie van prostitutie die tot allerlei problemen zal leiden. Wij willen de minister bij deze stand van zaken uitdrukkelijk de vraag voorleggen of het niet beter is dit wetsvoorstel alsnog terzijde te leggen en te werken aan een algemeen wet inzake seksbedrijven, waarin ook de mogelijkheid vervat is dat gemeenten deze bedrijven bij verordening geheel verbieden. De nu ingeslagen weg is naar ons oorddeel veel te onzeker, en leidt tot riskante nevengevolgen. Het wetsvoorstel dat nu voorligt, is in onze ogen geen wijze wetgeving.

Prof. Mr. E. Hirsch Ballin

Deel: ' Bijdrage CDA debat opheffing algemeen bordeelverbod '




Lees ook