Partij van de Arbeid


Den Haag, 30 maart 2000

 

BIJDRAGE VAN SHARON DIJKSMA (PVDA) AAN HET ALGEMEEN OVERLEG OVER DE FISCALE FACILITEIT IN DE BEROEPSBEGELEIDENDE LEERWEG

Voorgeschiedenis

De beroepsbegeleidende leerweg (het leerlingwezen) is voor veel jongeren bij uitstek de onderwijsvorm die toegang biedt naar een plaats op de arbeidsmarkt. Deze onderwijsvorm staat of valt echter bij de vormingsplaatsen in de beroepspraktijk die werkgevers bieden. De deelname aan het leerlingwezen kent echter een dalende tendens en deze dalende tendens vormde en vormt een probleem omdat daardoor een belangrijke groep jongeren een startkwalificatie dreigt mis te lopen. Op 1 januari 1996 trad de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) in werking. Deze wet beoogde de werkgeverslasten te verlichten afhankelijk van het aanbod van vormingsplaatsen en zo de dalende tendens in het leerlingwezen te keren. De fiscale faciliteit zou werkgevers moeten stimuleren om vormingsplaatsen in de beroepspraktijk te bieden.

Sinds de inwerkingtreding van de WVA bleken twee problemen de effectiviteit te beperken: de grens die gelegd werd bij een salaris van maximaal 130% van het wettelijk minimumloon betekende vooral voor de iets minder jonge werknemers een belemmering en kleine ondernemers bleken onvoldoende profijt te hebben van de regeling omdat hun belastingafdracht te beperkt was om het volle bedrag op de afdracht in mindering te kunnen brengen. In 1998 kwam de Algemene Rekenkamer met een negatief rapport over de fiscale faciliteit. De strekking was dat de regering tevoren onvoldoende had onderzocht of de fiscale faciliteit zou bijdragen aan het aanbod van vormingsplaatsen en deze maatregel onvoldoende had afgewogen ten opzichte van alternatieven. Tijdens een algemeen overleg waarbij dit Rekenkamerrapport op de agenda stond, lieten de Kamer en de minister niet veel overeind van het rapport.

Inmiddels heeft de minister een brief geschreven met een eindrapport over de effecten van de fiscale faciliteit en heeft er een schriftelijke vragenronde plaatsgehad over deze brief. Beide stukken staan op de agenda van dit algemeen overleg. Ik wil mijn inbreng toespitsen op drie punten: de bekendheid van de regeling bij werkgevers, de werking van de 130%-grens en de problematiek van de beperkte verrekening bij kleine bedrijven.

Bekendheid van de regeling

De minister constateerde dat de bekendheid van de regeling was toegenomen, maar nog onvoldoende was. Daarom heeft hij een nieuwe brochure voor werkgevers laten ontwikkelen die eind 1999 gereed zou zijn. Het lijkt er niet op dat de bekendheid van de regeling inmiddels fors is toegenomen. Voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) is het leerlingwezen een uiterst belangrijke opleidingsvorm, maar men is er nog niet echt op de hoogte van de fiscale faciliteit. Op zich is dat niet heel vreemd. Van de 500.000 MKB-bedrijven zijn er ongeveer 170.000 erkend als leerbedrijf en dat betekent dat die gemiddeld eens in de vier of vijf jaar een leerling bij hen hebben rondlopen. Het aantal leerbedrijven zou zoveel mogelijk moeten uitbreiden en daar zou mede met behulp van informatie over de fiscale faciliteit iets aan moeten gebeuren.

De 130%-grens

De grens bij 130% van het wettelijk minimumloon heeft de afgelopen jaren herhaaldelijk aanleiding gegeven tot politieke discussie. Politiek vormt het een lastige kwestie. Hoe beoordeelt de minister nu de effecten voor de iets minder jonge deelnemers aan het leerlingwezen. Blijven deze overwegend aan de kant staan, of vinden zij op een andere wijze hun weg naar de arbeidsmarkt?

Kleine bedrijven

Kleine bedrijven met een geringe belastingafdracht, kunnen onvoldoende profiteren van de maatregel. Het bedrijf heeft slechts enkele mensen in dienst waarvoor loonbelasting / loonheffing wordt betaald en dat bedrag is lager dan de afdrachtvermindering. De minister stelt dat de omvang van deze problematiek niet bekend is maar dat deze zich vermoedelijk alleen voordoet bij bedrijven die óf geen andere werknemers dan leerlingen in dienst hebben óf als voornamelijke activiteit leerlingen opleiden, alsof daarmee het probleem is afgedaan. Het blijft echter te gek als zulke kleine ondernemingen onvoldoende profijt blijven trekken. Ik beschik over getallenvoorbeelden en wil de minister vragen daarop te reageren. Het vormt voor kleine ondernemers en startende bedrijven een rem om mensen aan te nemen op een praktijkleerplaats. Ziet de minister ook mogelijkheden om verandering te brengen in deze situatie?

Conclusie

De problematiek van het te geringe aantal vormingsplaatsen in de beroepspraktijk behoort nog steeds niet tot het verleden. Ondertussen blijft er veel geld liggen dat bestemd was om via de fiscale faciliteit het leerlingwezen te stimuleren. De minister zou hier verandering in kunnen brengen door de bekendheid van de regeling verder te vergroten, de 130%-grens te versoepelen of de problematiek bij kleine ondernemingen aan te pakken.

Deel: ' Bijdrage Dijksma (PvdA) overleg fiscale faciliteit leerweg '




Lees ook