Partij van de Arbeid


Den Haag, 16 november 1999

BIJDRAGE VAN ADRI DUIVESTEIJN (PVDA) AAN HET PLENAIRE DEBAT OVER DE BEGROTING 2000 VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING

WOONBELEID: NOTA WONEN IN DE 21STE EEUW

Inhoud:

1. Inleiding: naar een nota en een wet

2. De belofte van Heerma: van bouwen naar wonen

3. De realiteit: het wonen en de burger nog altijd niet centraal

4. Eerste agendapunt: debat over het wezen en de waarden van het wonen

5. Het principe: het wonen van binnenuit en van onderop beschouwd

6. Van wonen naar woningen: standaardisering en diversiteit

7. De ongedeelde stad: een strategie waarin mensen de stad maken

8. Nogmaals de Vinex: de feelgood-campagne

9. Wonen en zorg: naar een nieuwe institutionele taak

10. Tweede agendapunt: naar een Kaderwet over het wonen

1. Inleiding: naar een nota en een wet

Wonen is een grondtrek van het leven. In het wonen komen zeer uiteenlopende sferen samen, zoals het individuele en het universele, de cultuur en de economie, behoefte aan dynamiek en behoefte aan verankering. Iedereen woont en het wonen is als maatschappelijk organisatieprincipe zeer geschikt. Goed wonen is bevorderend voor het welbevinden van individuen, van groepen en uiteindelijk van de samenleving op welk niveau ook. Dit maakt het wonen bij uitstek tot een aangrijpingspunt voor maatschappelijke en politieke opvattingen en idealen. Een tijd lang is het echter niet of nauwelijks gezien als een majeur politiek onderwerp. Er zijn nu redenen en mogelijkheden om dat te veranderen.

De praktijk heeft in de jaren negentig vele redenen voor hernieuwde aandacht voortgebracht. Het bouwen en wonen is drastisch veranderd onder invloed van onder meer de Nota-Heerma, Vinex, de herstructureringsopgave voor naoorlogse wijken en de bijna onbeheersbare economische dynamiek met al zijn neveneffecten. In zowel de huur- als de koopsector is grote instabiliteit. Liberalisering van de woningmarkt heeft in beide gevallen tot machtsconcentraties geleid en niet of nauwelijks tot 'verzelfstandiging' van de burgers. De laagste inkomensgroepen gingen er langs allerlei wegen op achteruit. Steeds duidelijker werd dat allerlei ontwikkelingen in de volkshuisvesting bedoeld of onbedoeld segregerende neveneffecten hebben. Het ene na het andere deelonderwerp schreeuwde om beleidsingrijpen. De weifeling om daadkrachtig in te grijpen die de regering wel eens tentoonspreidde, heeft de noodzaak tot ingrijpen alleen maar bestendigd.

Er zijn ook andere, positieve motieven redenen om het wonen opnieuw op de politieke agenda te zetten. Nu de kwantitatieve woningnood voorbij is, kunnen we ons bevrijden van het keurslijf van het volkshuisvestingsmodel. Dat is ooit als 'noodmaatregel' begonnen, maar leek inmiddels permanent te zijn geworden. In dit model hadden burgers hun onvervreemdbare zeggenschap over het eigen wonen gedelegeerd aan overheden en instituties. Nu kan het primaat van het wonen weer bij de burgers terugkeren. Daarmee is de emancipatie voltooid die altijd een zwaarwegend motief voor sociaal-democratische volkshuisvestingspolitiek is geweest. En het kan een enorme energie vrijmaken om van onderop het wonen en de samenleving op te bouwen.

Tegelijkertijd wordt het mogelijk om een nieuw soort volkshuisvestingsinstituties te laten ontstaan. De huidige instituties worden vadsig. Ze laten zich meevoeren in een proces van schaalvergroting en ze vervreemden zich zo sluipenderwijs van hun oorspronkelijke maatschappelijke doel, hun engagement, en van de bewoners die in iedere visie op het wonen voorop behoren te staan. Door het primaat van het wonen aan de burgers terug te geven, kunnen de instituties lichter en leniger worden, met een meer adviserende en dienstverlenende rol. Volkshuisvesting Light. Ook kunnen ze nieuwe taken vinden in het tezamen brengen van nu nog vaak gescheiden werelden, met name die van het wonen en de zorg. Op beide terreinen is een fundamentele heroriëntatie aan de orde. Demografische ontwikkelingen zoals vergrijzing versterken de noodzaak om wonen en zorg in nieuwe onderlinge verhouding te zien. Corporaties nieuwe stijl kunnen hierin een belangrijke rol krijgen en zo de basis leggen voor een vernieuwde sociale taakstelling. Van onroerend goedbeheer naar verstrekker van woonzorg. Zorg zou om te beginnen een van de prestatievelden kunnen worden die het BBSH staan.

Op dit moment is met andere woorden een nieuwe visie op het wonen gewenst en mogelijk. Een visie die uitgaat van de huidige en verwachte maatschappelijke en culturele situatie. Die uitgaat van de 'zelfkracht' van mensen, van empowerment, van mondigheid en culturele diversiteit. Die grote vrijheid voor iedereen combineert met het waarborgen van collectieve waarden, zoals openbaarheid, rechtvaardigheid, natuur, cultuurhistorie, duurzaamheid. Die wonen centraal stelt en dus het verschil tussen huur en koop van ondergeschikt belang acht. Een visie waarin de overheid een beperkte, maar vooral een krachtig voorwaardenscheppende en inspirerende taak heeft.

Het biedt een mooie, dubbele symboliek om de formulering van deze nieuwe beleidsvisie te koppelen aan de nieuwe eeuw én aan de honderdste verjaardag van de fameuze Woningwet van 1901.

Zo'n nieuwe visie hoeft wat de PvdA betreft niet uit het niets te worden bedacht. Ze staat reeds in de steigers. Sinds enkele jaren vaart de PvdA-fractie een koers waarin de voorstellen die zij doet op ogenschijnlijk afzonderlijke terreinen, steeds meer in dezelfde richting wijzen.

Het gaat hierbij om afspraken in het regeerakkoord, initiatiefwetsvoorstellen en amendementen zoals de wet Bevordering Eigen Woningbezit; Overleg Huurders-Verhuurder; Begrenzing Huurharmonisatie; Ombudsman voor Huurders; en het amendement Reservering 30% van de nieuwe Vinex-tranche voor individueel opdrachtgeverschap.

Het gaat ook om opvattingen zoals die in en buiten de Kamer worden uitgedragen. Bijvoorbeeld in de uitvoerige notitie voor de begrotingsbehandeling van een jaar geleden (waarvan de hoofdlijnen en bijna alle details nog volledig actueel zijn); de recente notitie 'Hoe huren meer wonen kan worden'; en diverse opinieartikelen en essays. Gezamenlijk vormt dit een zoektocht naar een nieuwe visie op het wonen. Wij willen een visie op het wonen die uitgaat van de intrinsieke waarden van het wonen, die aanmoedigt tot filosoferen over het wonen, en die tegelijkertijd concreet, aansprekend en politiek hanteerbaar is.

Thans is het moment om de bouwstenen samen te voegen en als PvdA-fractie te pleiten voor een integrale nieuwe visie op het wonen. Dat is de inzet van deze begrotingsbehandeling Volkshuisvesting. De PvdA-fractie wil hierbij twee lijnen volgen.

Ten eerste komt het tot uitdrukking in onze eisen en verwachtingen aangaande de Nota Wonen in de 21ste Eeuw die de staatssecretaris in voorbereiding heeft. Het 'programma van eisen' voor deze nota van de PvdA is vorig jaar reeds uitvoerig vastgelegd. De PvdA wil dat de principiële keuze voor de burger bij volkshuisvestingsbeleid steeds voorop zal staan. Dat uitgangspunt vereist een overheid die zich niet primair identificeert met de grote aanbodpartijen in de markt, zoals woningcorporaties, projectontwikkelaars, beleggers en bouwers, maar met de vraagzijde. De overheid moet de natuurlijke bondgenoot zijn van de burgers.

Inmiddels heeft de staatssecretaris een eerste proeve van zijn nota gepresenteerd, 'De Agenda'. Hierin wordt wel met zo veel woorden de burger centraal gesteld. Maar in de uitwerking blijft de overheid zich toch nog steeds vooral opstellen als de 'zakenpartner' van de grote aanbodpartijen. De rol van natuurlijke bondgenoot van de burgers komt niet uit de verf.

De PvdA-fractie wil dat de keuze voor de burger steviger en consequenter wordt doordacht en uitgevoerd. We zetten daarom in op een inhoudelijk substantiële, zware Nota Wonen die getuigt van een eigen, onafhankelijke en initiërende opstelling van de regering. Duidelijk moet ook worden hoe de fundamentele koers- en mentaliteitswijziging zal doorwerken in het rijksapparaat voor de volkshuisvesting zelf. Ook een fundamentele analyse en evaluatie van het volkshuisvestingsmodel is noodzakelijk - al was het maar om de eeuw sinds 1901 waardig af te sluiten.

Ten tweede wil de PvdA-fractie dat er een kaderwet over het wonen komt. Parallel aan de Nota Wonen moet een samenhangend wettelijk kader worden ontwikkeld dat de grondslagen van de overheidsbetrokkenheid bij het wonen definieert. De wet moet het primaat van zelfbeschikking en zelforganisatie in het wonen als uitgangspunt nemen en aangeven op welke wijze de overheid hiervoor de voorwaarden schept. De wet maakt tevens inkadering en stroomlijning van bestaande wettelijke voorzieningen aangaande het wonen mogelijk. De wet biedt het kader om ruimtelijke tweedeling tegen te gaan. Ook beleid met betrekking tot de betaalbaarheid van het wonen moet op deze wet kunnen worden geënt. De wet moet de zorginvalshoek serieus betekenis geven.

In deze notitie komen beide lijnen aan de orde, nadat de achtergrond en de voor de PvdA essentiële intrinsieke waarden worden geschetst.

In deze notitie komt de belangrijke vraag van de betaalbaarheid van het wonen niet met zoveel woorden aan de orde.

2. De belofte van Heerma: van bouwen naar wonen

Tien jaar geleden had de Nota-Heerma, Volkshuisvesting in de jaren negentig, als ondertitel: Van bouwen naar wonen. Dat is actueler dan ooit. Van bouwen naar wonen veronderstelt een radicale omslag in het denken en het handelen. Het gaat om een wezenlijk andere oriëntatie op het wonen.

Zo is (en wordt) er ook vaak gesproken van de omslag van een aanbodmarkt naar een vragersmarkt. En van de omslag van een kwantitatieve naar een kwalitatieve opgave in de woningbouw.

Ook dit kabinet heeft de radicale verandering in het woonbeleid als doel verwoord. Een jaar geleden werd in de memorie van toelichting bij de begroting VROM voor 1999 gesteld: 'De volkshuisvesting staat aan de vooravond van een kwaliteitssprong waarbij de woonwensen en de keuzemogelijkheden van de burgers centraal staan.'

En in De Agenda voor de discussie over het woonbeleid in het eerste decennium van de 21e eeuw, de in april jl. verschenen voorloper van de Nota Wonen in de 21e Eeuw, belooft staatssecretaris Remkes 'de omslag van het traditionele volkshuisvestingsbeleid naar het breder georiënteerde woonbeleid'.

3. De realiteit: het wonen en de burger nog altijd niet centraal

Maar de sinds tien jaar beloofde omslag is in de praktijk tot nu toe vooral een kwestie van woorden en PR geweest. In feite is er in de jaren negentig geen omslag geweest van bouwen naar wonen, maar van 'bouwen onder overheidsleiding naar bouwen onder marktleiding'. De ommekeer naar het wonen als principiële invalshoek laat nog altijd op zich wachten.

Ook is het volkshuisvestingsbeleid ondanks de beloofde perspectiefwisseling van een aanbodmarkt naar een vragersmarkt nog heel sterk aanbod-minded gebleven. De overheden (zowel de rijksoverheid als de gemeenten) zien bijna automatisch de aanbodspartijen als hun 'natuurlijke' partners.

Illustratief hiervoor is een uitspraak van de directeur-generaal van de Volkshuisvesting, mr. L.H.J. Kokhuis, die tijdens de jaarvergadering 1997 van de projectontwikkelaarsvereniging Neprom als volkshuisvestingspartners identificeerde: 'de bestuurslagen en de marktpartijen'.

Bij het afscheid van directeur Peter Dordtregter van de VNG omarmde algemeen directeur Van Leeuwen van de koepelorganisatie Aedes dat in nog iets sterkere woorden: de verzelfstandigde woningcorporaties en de gemeenten zijn 'partners in business'.

Beide keren blijven de burgers ongenoemd. Terwijl zij toch de primair betrokkenen zijn bij hun eigen wonen. In hun behoeften kan worden 'tegemoetgekomen', zo luidt de vaste uitdrukking. Dat onderstreept nog eens dat zij buiten het eigenlijke proces staan.

Ook bij de vorming van het College Sluitend Stelsel hadden de burgers, in dit geval huurders, het nakijken. Zij werden door iedereen genegeerd in het spel om de macht.

En kijk in een iets andere sector eens naar de perikelen rond het Bouwfonds. Ooit opgericht om mensen met 'de smalle beurs' in staat te stellen voor een eigen huis te sparen; nu een grote vis in een steekspel tussen de gemeenten als aandeelhouders en ABN AMRO als kandidaat-koper. Waar komt hier de burger in het spel voor?

Vers in het geheugen ligt ook een groots congres over de 'Kwaliteit op Vinex', op 4 november in het Kurhaus. Direct betrokken gemeentebestuurders, projectontwikkelaars en corporatiedirecteuren overtuigden zichzelf en elkaar ervan dat ze het heus niet slecht doen. Gewone burgers of Vinex-bewoners ontbraken op dat congres. Criticasters eveneens. Dat is de Vinex, of de huidige volkshuisvesting in het algemeen ten voeten uit. Het is eigendom van een institutionele elite, die de burgers als legitimering aanvoert maar hen geen werkelijk stem geeft.

Vaak wordt overigens niet gesproken over burgers maar over 'woonconsumenten'. Het gaat dan weliswaar over dezelfde mensen, maar in een wezenlijk andere rol en in een ander licht geplaatst. Consument ben je op de markt; burger ben je in de democratische samenleving. Het is vertroebelend om die twee begrippen met elkaar te verwarren.

In De Agenda voor de nota Wonen wordt dit ogenschijnlijk ondervangen. Maar de schijn bedriegt. 'Burger, markt en overheid zijn complementair', lezen we. Het lijkt er hier dus op dat het om drie duidelijk te onderscheiden en wellicht gelijkwaardige partijen gaat. Maar elders worden twee van de drie stilletjes samengevoegd. Daar gaat het over 'de burger c.q. de marktpartijen en de overheid'. Alsof de burger alleen maar marktpartij oftewel consument is. Alsof niet ook de overheid principieel van en voor de burgers is.

Het resultaat van deze onduidelijkheid in de basistermen is dat het uiteindelijk maar om twee handelende partijen gaat: overheid en grote marktpartijen.

Scherp gezegd: nog altijd is het beleid aangaande het wonen een onderonsje van de overheid en de aanbodpartijen, over de hoofden van de burgers heen. De burger wordt aangeroepen als legitimering, als alibi, als voorwerp van handelen; maar niet erkend als handelende partij.

Nog altijd is de omslag naar wonen als primaire invalshoek niet echt gemaakt. Nog altijd blijft de rijksoverheid met haar woonbeleid in feite vastgekleefd aan het aanbodperspectief. Nog altijd is zij niet de eerste bondgenoot van de burgers.

4. Eerste agendapunt: debat over het wezen en de waarden van het wonen

De PvdA-fractie wil dat de perspectiefwisseling, die al zo lang is aangekondigd, er alsnog komt. Dit moet de kern zijn van het woonbeleid. Het primaat over het wonen moet worden teruggegeven aan de burgers zelf.

Het betekent dat het opnieuw niet overbodig is om eerst op een principieel niveau met elkaar te spreken over wat 'wonen' is. We moeten een debat op de agenda zetten over de betekenis en de waarden van het wonen. De Kamer kan zich hier waarmaken als datgene wat ze zou moeten zijn maar vaak niet is, namelijk 's lands eerste en prominentste forum voor maatschappelijk debat. Ook als het niet meteen over concrete maatregelen gaat. (Die komen later.) De Agenda van staatssecretaris Remkes schiet op dit inhoudelijke, principiële niveau te kort. Hij doet de vraag naar de essentie van het wonen in één zin af: 'Wonen is een divers geheel van activiteiten in en om de woning.' Dat is volstrekt ontoereikend. Het is een woordenboekomschrijving waarin iedere opvatting, idee, gevoel van richting, maatschappelijke of politieke geladenheid ontbreekt.

Vergelijk de vraag: Wat is regeren?
'Regeren is een divers geheel van activiteiten in en om de regering.'

Wij gaan ervan uit dat in de Nota Wonen een meer diepgravende visie op het wonen zal zijn opgenomen. Zodat de essentie van het wonen opnieuw begrepen kan worden, terwijl er tegelijkertijd een fundamenteel debat kan plaatsvinden over de rol van de staat in deze. Daarbij gaat het om de relatie tussen publiek en privaat en tegelijkertijd over de verhouding tussen individueel en collectief.

We moeten enkele eenvoudige, maar diepgravende vragen opnieuw stellen. Wat is wonen? Wat betekent wonen voor het individu, voor mensen die een woning delen, of een bouwblok, een straat, een buurt of wijk? Welke waarden kunnen tot uitdrukking komen in het wonen? Wat kan het wonen bijdragen aan de opbouw van de samenleving? Hoe kan het wonen een betere uitdrukking worden van identiteit, verscheidenheid en ontmoeting?

En vervolgens: hoe kan het wonen maatschappelijk zo worden georganiseerd dat hiervoor optimaal ruimte bestaat? Met andere woorden: welk rijksbeleid inzake het wonen is gewenst om het burgers mogelijk te maken en hen aan te moedigen om zelf, van onderop, hun wonen vorm te geven?

Om deze vragen te kunnen stellen, moet we breken met de huidige, eenzijdig economische invalshoek. Volkshuisvestingsbeleid of woonbeleid kan nooit alleen maar een economische kwestie zijn. We kunnen de inbreng van b.v. dichters, wetenschappers en kunstenaars niet missen. We moeten het wonen als culturele daad herwaarderen, met daarbij verbindingen met het dagelijkse leven en universele waarden.

Ter oriëntatie:
De filosoof Martin Heidegger omschreef het wonen als en 'grondtrek van het leven' en als 'de wijze waarop de stervelingen op de aarde zijn'.

'Wonen is zichzelf zijn', schreef de filosoof Frans Tellegen, en dat houdt zowel 'jezelf zijn' als 'samenzijn' in.

De Nederlandse architect M.J. Granpré Molière schreef iets vergelijkbaars: 'Als we wonen in een huis, is het om "te wonen met onszelf'.'

Psychoanalytici noemen het wonen 'een spiegel van het zelf'.

Het Engelse werkwoord 'to live' betekent zowel 'leven' als 'wonen'.

Zo 'wordt wonen vrijwel gelijk gesteld met leven', aldus de socioloog F. Grunveld.

De architectuurhistoricus Geert Bekaert definieert wonen als bewustwording: 'Wonen is het bewust worden van de mens van zijn specifieke binding tot zijn omgeving, van zijn afhankelijkheid ervan, maar ook van zijn erboven uitstijgen, in materiële zin, door ze te veranderen, maar ook door ze te interpreteren, er een zin en een herkenbaarheid aan te geven, er beschouwelijk mee om te gaan. Het is duidelijk dat het scheppen van de eigen wereld ook kan beschreven worden als het ontdekken van de mens van zichzelf, als zelfbewustwording.'

Ook meer recente filosofen als Fukoyama zien in de samenleving een kracht die van grote betekenis is bij de toekomstige ordening van de rol van de staat en de instituties. De burger staat daarin centraal.

Het wonen is prozaïsch, maar ook poëtisch: 'Dichterlijk woont de mens', schreef de Duitse dichter Hölderlin, en van Jan Slauerhoff zijn de beroemde regels: 'Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.'

En als we toch een economische invalshoek kiezen, dan in de zin zoals Jan Pen die in 1985 aangaf: 'Economie gaat over mensen. Niet zozeer over geld, wat velen denken, of over banken en fabrieken, maar over gewone mensen en hoe ze in hun bestaan worden belemmerd door de schaarste.'

Zo ook: wonen gaat over mensen.

5. Het principe: het wonen van binnenuit en van onderop beschouwd

Het zijn grote woorden, maar ze zijn zeer herkenbaar als we nadenken over ons eigen wonen en over de waarden die we aan het wonen hechten.

Dat is de invalshoek die we als beginsel moeten nemen: het wonen zoals dat wordt gezien, beleefd en gemaakt door de mensen zelf. Het wonen 'van binnenuit' en 'van onderop'.

1. Het eerste uitgangspunt van een nieuw woonbeleid is zelfbeschikking. Ieder mens is in beginsel in staat om zelf het eigen wonen vorm te geven, en moet daartoe de mogelijkheden hebben.

2. Hiermee onverbrekelijk verbonden is het tweede uitgangspunt, namelijk dat mensen nooit alléén leven en wonen. Het wonen heeft per definitie een sociale dimensie. Wonen doe je in een huis, maar ook in een straat en een buurt. Het kan niet zo zijn dat je binnen de muren van de individuele woning alle zeggenschap en verantwoordelijkheid hebt en daarbuiten niets meer.

3. Derde uitgangspunt is dat de overheid zich in haar woonbeleid ondubbelzinnig moet opstellen als bondgenoot of als 'meedenker' van de burgers zelf. Dit vergt een ingrijpende verandering in de werkwijze en de mentaliteit van de overheid, op rijksniveau en evenzeer in gemeenten, van wie het volkshuisvestingsbeleid tot nu toe immers vrijwel synoniem is geweest aan zaken doen met de aanbodpartijen.

4. Met andere woorden: om de essentie van het wonen opnieuw tot middelpunt van het debat te maken, moeten we de vanzelfsprekendheden van het bestaande stelsel buiten werking stellen. De maatschappelijke orde van het volkshuisvestingsstelsel moet onderwerp van debat worden, vooral waar deze orde de mogelijkheden tot zelfbeschikking, zelforganisatie en zelfbeheer belemmert. We hebben dus een kritische evaluatie nodig, met als vraag: waar is het woonstelsel een belemmering voor het wonen? Wij willen de-institutionaliseren om daarna andere institutionele kaders te kunnen krijgen voor het wonen, waarin de gebruikers, de burgers, centraal staan. Het gaat er niet om dat de bestaande, zich van de burger vervreemdende instituties meer macht krijgen maar dat de burger weer zelf de drager wordt van zijn eigen institutionalisering.

We hebben om te beginnen een mentale de-institutionalisering nodig. We moeten de instituties en de vanzelfsprekendheden die er nu zijn kunnen wegdenken om zo hun eventuele nieuwe rol, taak en legitimatie helder te kunnen zien.

6. Van wonen naar woningen: standaardisering en diversiteit

Heel lang heeft een grote kwantitatieve woningnood het volkshuisvestingsstelsel gelegitimeerd. De macht van de burgers om zelf tot op grote hoogte invulling te geven aan hun wonen, werd gedelegeerd aan de overheid en aan volkshuisvestingsinstituties, omdat deze efficiënter de noodtoestand te lijf konden gaan.

Dit leidde tot een werkwijze van standaardisering en schaalvergroting. Het is de vraag of dat nu, na een eeuw onderwijs en emancipatie, en bij een grotere culturele verscheidenheid dan ooit, nog op zijn plaats is. Ik denk aan de multiculturele samenleving waarin wij leven.

Bovendien zou je denken dat na honderd jaar de 'noodtoestand' voorbij moet zijn. Het gaat niet meer primair over het tekort aan woningen. Kwantitatief zijn er zo goed als voldoende woningen in de planning opgenomen. Al tien jaar lang (en zelfs nog langer) wordt gezegd dat we zijn overgestapt van een kwantitatieve naar een kwalitatieve woningnood: er zijn voldoende woningen, maar die bieden onvoldoende de kwaliteiten die mensen in hun wonen zoeken. Maar het beleid en de werkwijze zijn daar niet op aangepast. Ook de Vinex-operatie is in essentie nog altijd een kwantitatief antwoord op een kwalitatief probleem. We blijven als een bezetene aan het bouwen. Hoe komt dat?

In plaats van woningen als onpersoonlijke producten te zien en te vervaardigen, moeten we een nieuwe benadering van het wonen formuleren. Een benadering die geen antwoord biedt op de verscheidenheid aan persoonlijke wensen, maar die deze persoonlijke wensen als uitgangspunt neemt. Dat is een wezenlijk verschil. Het beleid moet niet meedenken met marktaanbieders die vragende burgers tegenover zich zien, maar met de burgers zelf. Met hun verlangen om te wonen naar eigen inzicht en met hun creativiteit, hun energie, en hun vermogen om hun eigen leven en wonen vorm te geven.

Eigenlijk is het heel simpel. Je bepaalt je eigen manier van wonen, voor een deel individueel of per huishouden, en voor een deel samen met anderen met wie je automatisch het een en ander deelt, zoals de medebewoners van het bouwblok, de straat of de buurt. Nederland is een rijk land, een welvarend land, dus je zou denken dat het voor de meeste mensen ook financieel mogelijk is om zo het heft in eigen handen te nemen. En toch kan dat niet.

Hoe komt dat?

Een factor is dat de sociale huursector minder dominant is op de markt van nieuwe woningen en dat nieuwe instituties de oude rollen hebben overgenomen. Dat zijn de projectontwikkelaars, beleggers een bouwers. Wat de marktwerking in de volkshuisvesting heeft opgeleverd is dus slechts een verschuiving van non profit naar profit, terwijl intussen de profit-sectoren allerlei voordelen aan het verliezen is die ze vroeger leek te hebben, zoals het vermogen om snel en flexibel op de vraag te reageren. Ook de profit-partijen worden instituties en ze worden vanzelf een beetje vadsig.

En de burger is geen partij; hooguit een klant voor de markt van vraag en aanbod.

De trend van de afgelopen jaren is een gigantische schaalvergroting aan de aanbodzijde. Dit staat op gespannen voet met de behoefte aan 'menselijke maat' en kleine schaal. De bedrijfseconomische schaalvergroting heeft een eigen dynamiek; daar hoeft het rijksbeleid niet nog eens een steentje aan bij te dragen. Dringender is beleid dat aandacht en zorg voor het micromilieu mogelijk maakt.

Als we willen begrijpen waardoor er nog altijd zo'n krapte op de woningmarkt heerst, moeten we de tijdsfactor in de gaten houden.

Bevolkingsgroei en huishoudensverduning zijn slechts voor een deel verklarend. Steeds bepalender wordt het feit van de geringe levensduur van de woningen: niks geen duurzaam bouwen, we maken wegwerpwoninkjes die geen toekomstpretentie hebben. Het is de behoeftebevrediging van de woningconsument met maximale winsten en minimale producten. En de vraag dringt zich op: is dit nu wezenlijk anders dan de speculatiebouw aan het einde van de vorige eeuw? De Nederlandse architect Willem Jan Neutelings probeerde het pas geleden in het blad Archis uit te leggen aan buitenlandse collega's . Hij schreef: 'In Nederland wordt zoveel gebouwd omdat er zo Slecht & Goedkoop wordt gebouwd. Overal ten lande is men bezig om de versleten woningen, kantoren, schouwburgen en stadshuizen van de jaren vijftig en zestig op te ruimen. De bordkartonnen flats van de vorige bouwwoede verdwijnen in de containers van nu. Waarna ze tot nieuwe bordkartonnen huisjes gerecycled worden. Met nóg smallere beukmaten en een nóg lagere plafondhoogte dan dertig jaar geleden. Als het bouwkundig niet slecht is, dan wel typologisch. In de euforische polder wordt vandaag de werkgelegenheid voor de volgende generatie architecten gecreëerd. (...) Nederlandse woningen zijn te krap in maatvoering, te gedetermineerd in typologie en te krakkemikkig in uitvoering.' (Archis, oktober 1999, p.75-76)

Wat dat laatste betreft wordt zijn stelling gesteund door onder meer het onderzoeksinstituut OTB van de TU Delft, in het rapport 'Woningontwerp op Vinex-locaties'. Bijna alle woningen hebben vier of vijf kamers en lijken bedoeld voor het 'traditionele gezin'. (23)

In alle plannen is er een duidelijk onderscheid tussen één grote slaapkamer (de ouderslaapkamer) en kleine slaapkamers (voor de kinderen). De kinderslaapkamers zijn vaak klein; 6 m2 is geen uitzondering. Het is twijfelachtig of deze kamers bruikbaar zijn voor de bedoelde functie of voor andere functies. Oudere opgroeiende kinderen willen ook een eigen plek, die niet alleen als slaapkamer dienst kan doen. (...) Voorzieningen om (te) kleine slaapkamers gemakkelijk samen te voegen tot een grote ruimte (...) zijn nergens aanwezig. (35)

(Verslag van een expert meeting met ontwikkelaars:) De ontwikkelaars geven toe dat de producten die ze nu aanbieden: huisjes in een rij, 5,10 en 5,40 m. breed, met volledig ingericht casco en een leuk uiterlijk, niet de woningen zijn voor de toekomstige vraag. (63)

De achtertuinen en de daarop geplaatste bergingen zijn op de meeste locaties bereikbaar met een smal achterpad. Er is tijdens het ontwerpproces niet veel aandacht besteed aan deze achterpaden. Vaak zijn het slecht verlichte, smalle steegjes, lopend tussen houten schuttingen van de tuinen. (29)

De geanalyseerde plannen lopen zeker niet over van aandacht voor duurzaam bouwen. (43)

In de tijd van woningschaarste lijkt de keuze van de toekomstige bewoner van een nieuwbouwwoning op een Vinex-locatie nog altijd beperkt tot de inrichting van de keuken en badkamer, enkele alternatieven voor de indeling van de woning en meerwerkopties voor aan- en opbouwen. (74)

Het is leerzaam om dat te vergelijken met de situatie in b.v. België. Deze vergelijking is pikant, want heel lang hebben wij Nederlanders met een soort dédain over 'Belgische toestanden' in de volkshuisvesting en ruimtelijke ordening gesproken. Soms hoor je dat nog wel. De veronderstelling was dat Nederland z'n zaakjes pico bello voor elkaar had, terwijl de Belgen er een rommeltje van maakten.

Die indruk klopt niet, als we naar de woningbouw kijken. De woningen hebben veelal een royale overmaat, die het mogelijk maakt om van levensstijl of huishoudenssamenstelling te veranderen zonder dat er meteen een huis afgedankt hoeft te worden omdat het te krap is geworden.

Dat is iets anders dan die Vinex-slaapkamertjes van zes vierkante meter, waar je nog wel een baby kunt opbergen maar niet de puber die een baby onherroepelijk gaat worden.

Die overmaat is een van de redenen waarom ze veel langer meegaan. Duurzaamheid zit 'm dan misschien iets minder in de materialen, maar des te meer in de waardering van de woning. In het vermogen van een woning om mee te gaan met het leven. Opvallend is dat België niet die gigantische sloopnoodzaak van de naoorlogse productie heeft die Nederland kent

Het is een misverstand om te menen dat het aanzien van België zomaar, vanzelf, is ontstaan. Net als in Nederland is de manier waarop het wonen maatschappelijk is georganiseerd ook in België gestimuleerd en geconditioneerd door wetgeving. Een paar eenvoudige, wettelijke regels kunnen voor tientallen jaren richtinggevend zijn.

In Nederland noemen we dan altijd de Woningwet van 1901. In België is de Wet Van Taeye (aangenomen 29 mei 1948) een fenomeen. Dankzij de wet van Taeye konden burgers direct subsidie krijgen voor het bouwen van een eigen woning. Ze moesten bouwen in en aan de bestaande straatpatronen, waardoor ook de aansluiting op water, gas en riolering meteen aanwezig was. Maar het cruciale element in de wet - simpel en briljant tegelijk - was de regeling voor de 'gemene muur', dus de gemeenschappelijke muur. Je moest de muur van je toekomstige buren alvast bouwen en als er dan inderdaad een buurman kwam die er een huis tegenaan wilde bouwen, dan kon die zijn deel van het gebruik van de muur kopen. Tussen 1950 en 1970 zijn er 337.650 woningen (35% van alle woningen) volgens dit principe met subsidie gebouwd.

Zo ontstond de typerende Belgische woningbouw, met woningen op die allemaal verschillend zijn en van binnen vaak opmerkelijk groot. Ze zijn naar believen te verbouwen, al dan niet 'onder architectuur'.

Bovendien heeft deze bouwwijze geleid tot een gedifferentieerde opbouw van de bevolking op straatniveau (bejaarden, alleenstaanden, appartementen, eengezinswoningen, herenhuizen, praktijkwoningen, werkelijk alles zit door elkaar. Ruimtelijke tweedeling is dan ook veel minder een vanzelfsprekendheid in België. Waar deze zich voordoet is er vrijwel altijd sprake van naoorlogse massabouw.

Cijfers over België:
68.8% van de bevolking is eigenaar bewoner. 29,5% is huurder. 91,3% van de eigenaren woont in een eengezinswoning. 75 % van alle woningen hebben 4 en meer kamers
48,7% van alle woningen heeft tenminste 85m2 en hoger 75,9% van alle woningen heeft een garage.
Woontevredenheid is 3.34 op de schaal van 1 tot 4.

De Nederlandse woningen komen er daarbij vergelijken niet al te best af. Wij vinden het een bijzondere kwaliteit als woningen zo flexibel zijn. We vinden het vooral een bijzondere kwaliteit die helaas nu niet meer mogelijk is. Grachtenpanden, 19de-eeuwse woningen en op z'n laatst die van voor de oorlog: dáár kon dat nog. België laat zien dat het ook nu nog kan en dat er niet eens zo veel voor nodig is om die kwaliteit van veranderlijkheid tot leven te wekken.

Laat het aan mensen zelf over, en hun woningen en straten worden bijna als vanzelf divers en duurzaam aantrekkelijk.

Het grote probleem van de Nederlandse volkshuisvesting is dat het wonen niet aan de mensen zelf wordt overgelaten. Het hele systeem lijkt zich ertegen te verzetten. De laatste jaren wordt erkend dat de samenleving divers, pluriform, multicultureel is en dat dat consequenties heeft voor het wonen. De instituties reageren daarop met bijna wanhopige pogingen om differentiatie aan te bieden zonder zelf de macht te verliezen. We zien het op Vinex-locaties. We zien het ook in de 'herstructureringswijken', waar grootschalige sloop niet wordt geschuwd, en dat alles als middel om die wijken te differentiëren.

Eén van de kenmerken van het Belgische model is ook dat er geen noodzaak is voor haast. In Nederland hebben de overheid en de aanbieders op de woningmarkt zichzelf in een keurslijf gestopt waarin ze zich geen oponthoud kunnen veroorloven. Snel bouwen wordt gezien als iets goeds. Sterker, gemeenten die te langzaam bouwen, riskeren financieel nadeel. Terwijl die haastige spoed maatschappelijk gezien nergens voor nodig is. En bovendien op gespannen voet staat met het streven naar kwaliteit. Breuk met tempobouwen.

Vergelijking met eten: Eten is net zo'n basisbehoefte als wonen. In onze samenleving is het zo geregeld dat je zelf je eten kunt koken, met verse ingrediënten uit eigen tuin of uit de winkel, of ingrediënten uit een pakje, of je gaat uit eten, waarbij je een ruime keus aan restaurants hebt, of je laat eten brengen, en verder kun je alleen eten, vrienden uitnodigen of een eetclubje beginnen. Kortom: keuze te over. Het wonen echter is zó geregeld dat je eigenlijk alleen maar diepvriespizza's kunt kiezen. Er is niets tegen diepvriespizza's maar wel iets tegen gebrek aan keuze.

7. De ongedeelde stad

'Het volkshuisvestingsbeleid ontwikkelt zich tot de motor van de ruimtelijke tweedeling in de Nederlandse steden. Niemand wil dat dit gebeurt en toch gebeurt het. Langzaam maar zeker ontstaat als gevolg van het introduceren van het marktdenken in de sociale volkshuisvesting een ruimtelijke 'herpositionering' van rijk en arm, werkenden en werklozen, blank en zwart binnen onze grote steden, waarbij de volkshuisvesting in toenemende mate als 'sorteermachine' werkt. Van enige reflexie op dit proces is bij woningcorporaties geen sprake (...) Juist door die lankmoedigheid neemt ruimtelijke segregatie het karakter aan van een sluipmoordenaar. Niet zichtbaar, maar wel aanwezig. Het vindt plaats in kleine, elkaar versterkende stappen, en opbaart zich pas in volle omvang aan het eind van het proces.' (Adri Duivesteijn, 'Volkshuisvesting verwordt tot sorteermachine', in: de Volkskrant, 2-1-1996)

Dat schreven we bijna vier jaar geleden. De woningcorporaties reageerden als gestoken. Corporaties denken wel degelijk na over het gevaar van segregatie, zo reageerde bijvoorbeeld directeur Gerard Anderiesen van de Amsterdamse Federatie van woningcorporaties enkele dagen later.

Maar zijn de mechanismen die samen de (onbedoelde) sorteermachine vormen, sindsdien ook werkelijk veranderd? Is de kernvoorraad sociale en betaalbare woningen werkelijk vrijgemaakt? Het lijkt er niet op. Ook het Sociaal Cultureel Planbureau is bezorgd over de 'trend van ruimtelijke selectie'. Hoe zit het met de segregerende neveneffecten van onder meer de Vinex-woningbouw, de herstructurering, het huurbeleid? Het blijft ook en vooral een markt van beloften en goede intenties. Wij - de politiek en de burgers - moeten de sociale huursector maar op zijn woord geloven dat het allemaal goed komt. De lijnen waarlangs deze ooit meest gereguleerde sector zijn maatschappelijke verantwoording moet afleggen, zijn wel heel zwak geworden.

Het tegengaan van ruimtelijke tweedeling moet een van de basismotieven van het woonbeleid zijn. Daarbij moeten we beseffen dat segregatie niet één vreselijk monster is, maar de sluipende uitkomst van een combinatie van maatregelen en mechanismen die ieder op zichzelf niet eens draconisch hoeven te zijn. Het betekent dat we bij ieder van die onderwerpen afzonderlijk in de gaten moeten houden welke bijdrage het levert aan de tweedeling of juist aan het tegengaan ervan. De PvdA-fractie wil de afzonderlijke kwesties in dit licht beschouwen, of het nu gaat over het huurbeleid of over de uitwerking van de volgende Vinex-tranche.

Ook ons pleidooi voor meer zelfbeschikking past hierbij. Onze verwachting is dat een andere benadering van het wonen, waarbij zelfbeschikking van de burgers het primaat krijgt, segregerende effecten kan stuiten door er andere, positieve vormen van differentiatie tegenin te brengen. Het is een strategie waarin mensen de stad maken, doordat niet langer het eendimensionale criterium van het inkomen uitgangspunt is. 'Investeren in het eigen wonen' kan dan in uiteenlopende vormen: bijvoorbeeld investering van geld, tijd, eigen energie, creativiteit. Andere parameters dan inkomen kunnen belangrijk worden in de vormgeving en de diversiteit van het wonen.

8. Nogmaals de Vinex: de feelgood-campagne

Wij noemden reeds het Kurhaus-congres over 'Kwaliteit op Vinex'. Het leek een feelgood-campagne waarmee de grote aanbodpartijen zichzelf moed inspraken. Ook in die zin was het congres kenmerkend.

Vorig jaar hebben wij gesproken over de woningbouw op de Vinex-locaties. Bij de VINAC is tevens het amendement ingediend waarin de eenderde verhouding wordt genoemd. Er is een behoorlijke en levendige discussie losgekomen, met studies en met genoemd congres.

Het publiciteitsoffensief van 'niks aan de hand' kan niet verhullen dat de kritiek op de Vinex onverminderd hout snijdt. Daarbij voegt zich nu ergernis over die poging om kritiek onder het vloerkleed te vegen.

Op het congres werd een van de studierapporten gepresenteerd, opgesteld door het RIGO. De afdeling propaganda van het ministerie van VROM schreef een persbericht met als eerste zin (en zo'n eerste zin is een daalder waard): 'De kwaliteit van de Vinex-uitbreidingsgebieden is hoog'.

Maar hoe hoog is die kwaliteit dan wel?

Ik citeer het Rigo-rapport (DE KWALITEIT OP VINEX-UITLEGLOCATIES. Kikkers op het Berlagehof', oktober 1999): "Bij bijna alle kwaliteitseisen blijken de Vinex-uitleglocaties beter te scoren (dan de vroegere uitbreidingen), behalve bij de compacte stad'

Commentaar: Laat het in de Vinex nou juist gaan om de compacte stadgedachte!

Citaat: 'Van de ruim vijftig uitleglocaties zijn er vijf op alle fronten die (bij alle kwaliteitsvisies) gemiddeld hoger scoren dan de andere plannen, omgekeerd is er een groep van zeven plannen die bij alle kwaliteitsvisies gemiddeld minder scoren dan bij anderen.'

Commentaar: Negentig procent is dus middelmatig of nog minder. Dat lijkt mij een hele slechte score, zeker gezien de ambities waarmee de Vinex-operatie ooit begon.

Citaat: 'De randstadlocaties hebben de tucht van de markt er nog niet in zitten' Wanneer de Randstad ook meer verzadigd raakt, valt te verwachten dat de woonconsumenten aanpassingen zullen afdwingen ten aanzien van dichtheid, woningtypen parkeren en dergelijke'.

Commentaar: Als er alleen maar 'consumentgericht' wordt gebouwd als er geen schaarste bestaat, dan is het dus op dit moment, zolang er nog wel schaarste is, mogelijk om ondermaats te bouwen. Dat lijkt op misbruik maken van een krappe markt.

Citaat: 'De belangrijkste verandering die bij de Vinex-locaties die valt te constateren is de stap die wordt gezet in de richting van de individuele woonconsumenten. Maar zelfs in dat opzicht is de Vinex veeleer een halfwegstation'

Commentaar: Was dat nou niet juist de kritiek?

Citaat: 'Voor wie zich niet wordt verblind door het grote aantal eengezinskoopwoningen, valt veel te ontdekken bij de Vinex-locaties' ('locaties met gedurfd-traditionele opzet')

Commentaar: Voor een onderzoeker die zijn ogen dicht houdt en zijn fantasie zijn loop laat valt veel te ontdekken in....

Nog twee citaten: 'Tweeverdieners zien zich geconfronteerd met een beperkt en weinig flexibel aanbod. Maar dat is meer een conjuncturele, tijdelijke zaak'

En: 'De zorgen voor de toekomst van de Vinex-wijken die door sommige zijn uitgesproken moeten vooral in hun relatieve verband worden gezien; wat zal de positie van deze wijken zijn vergeleken met de ruim zes miljoen bestaande woningen?'

Na een tijdje gaat opvallen wat in dit rapport aan de hand is. In de kern heeft de RIGO een hard rapport geschreven vol genadeloze kritiek op de Vinex. Maar vervolgens is die kritiek ingepakt, verdoezeld. Als bijvoorbeeld moet worden geconstateerd dat het aanbod 'beperkt en weinig flexibel' is, wordt er gauw achteraan geschreven dat dit een 'tijdelijke zaak' is. Het is een patroon dat na een tijdje wel erg vermoeiend wordt.

En het roept een ander rapport van hetzelfde RIGO in herinnering, over 'Woningbouw in de marktsector'. Ook in opdracht van VROM maar dan zes jaar geleden. In die tijd werden de hoge ambities van de Vinex-ontwerpen geformuleerd. Maar intussen gaf het RIGO aanbevelingen als: lage woningdichtheid, zo min mogelijk ruimtelijke menging, het duurste marktsegment op de beste plek, het accent meer op privégebied dan op openbaar gebied, pas op voor inspraak, en: een traditionele woning ligt het best in de markt. (zie de column 'De toekomstwaarde van de markt' uit 1993, opgenomen in: Adri Duivesteijn, De stad als bewust schepping, Rotterdam 1994.)

Daarmee gaf het RIGO zes jaar geleden al het recept voor een Vinex-invulling die een deceptie is voor iedereen die had gehoopt op inzet voor intrinsieke kwaliteit. Nu dat recept wordt nagevolgd, kan het RIGO het resultaat natuurlijk niet te hard vallen.

Niet alle onderzoeken zijn zo. Eerder citeerden we uit het OTB-onderzoek naar de Vinex-woningtypologie. En Berenschot onderzocht de vermoedens van kartelvorming.

De conclusie liegt er niet om:
'Marktwerking veronderstelt een wisselwerking in vraag en aanbod die leidt tot efficiency en kwaliteit. Deze is echter niet aanwezig. Het begrip "marktpartijen" moet in de context van Vinex worden genuanceerd. In feite is er sprake van twee soorten aanbieders, namelijk publieke en private. De vraagzijde, de consument, is in het proces niet of nauwelijks vertegenwoordigd'. 'Veelal is er sprake van concurrentie op de markt, maar om de markt'

Toch is er volgens staatssecretaris Remkes, op basis van dit rapport, geen sprake van kartelvorming. Zoals dus ook 'de kwaliteit van de Vinex-uitbreidingsgebieden hoog' is, althans volgens het persbericht van zijn ministerie.

Van de staatssecretaris is deze opstelling verbazingwekkend. Dat bedrijven die hun geld verdienen met woningen bouwen en verkopen, mooi weer willen spelen, is vanuit hun eigen positie te begrijpen. Dat onderzoeksbureaus hun opdrachtgever wel eens een beetje naar de mond willen praten, is ook niet nieuw meer. Zoals het congres in het Kurhaus een 'old boys network' is, zo is de Vinex dat ook. Maar dat het ministerie van VROM, de DG Volkshuisvesting en de staatssecretaris zelf ook bij dat old boys network horen, is volstrekt niet logisch.

Als de regering zich als apologeet van de producenten opstelt, wie vertegenwoordigt dan nog de belangen van de burger?

9. Wonen en zorg: naar een nieuwe institutionele taak

Naast het pleidooi tot individualisering en zelfkracht, en een opbouw van de samenleving van onderop, willen wij nadrukkelijk aandacht vragen voor de zorgkant van het wonen. In het licht van ontwikkelingen als de toenemende vergrijzing, zal de sociale huursector in feite een zorgsector moeten worden. De circuits van 'wonen' en 'zorg' zijn nu nog grotendeels gescheiden, hoe verwant ze ook zijn. Het is noodzakelijk dat ze met elkaar worden verbonden. Het gaat dan concreet onder meer om de wijze waarop wij bouwen, bijvoorbeeld het realiseren van appartementen die tevens gemeenschappelijke ruimten en zorgvoorzieningen te bieden hebben - en dat dan niet alleen voor de rijkeren. Het gaat om levensbestendige woningen, om woningen die aangesloten zijn op zorginstellingen en tal van andere vormen. De voorbeelden die hiervan thans bestaan, zijn meestal min of meer in zichzelf gekeerde woonblokken en gemeenschappen. Het zou goed zijn vormen te vinden die meer onderdeel zijn van de samenleving als geheel, de straat, de buurt en de wijk.

De Vinex-opgave voldoet in het geheel niet aan dergelijke toekomstige eisen (die niet eens zo 'toekomstig' zijn). Daar overheerst immers een projectontwikkelaarsstructuur met een beperkte tijdshorizon: de koopvraag van vandaag staat centraal en de horizon eindigt ongeveer op het moment van oplevering. Het levert een monocultuur van benauwde gemiddeldheid op, en je kunt nu al voorspellen dat er in de toekomst weer een beroep op de overheid wordt gedaan om te investeren in woningen waaraan de markt niet is toegekomen. En als je dat nu al kunt zien aankomen, waarom dan nu geen actie ondernomen, in plaats van te wachten tot het hals over kop moet?

Woningcorporaties zullen zich ook in andere opzichten moeten voorbereiden op zorgtaken. Dat wil zeggen dat de gescheiden werelden van wonen en zorg zullen moeten verdwijnen.

Dit raakt een ander thema, namelijk dat de woningcorporatie als huisbaas en beheerder van onroerend goed een te smalle taakopvatting is voor de toekomst. De grote opgave is immers niet meer primair dat iedereen een goede woning krijgt. Belangrijk is nu hoe via de huisvesting een bijdrage kan worden geleverd aan samenlevingsopbouw. Bij de oplossing van vraagstukken als sociale achterstand, criminaliteit, eenzaamheid, anonimiteit en sociale controle is het wonen een onmiskenbare factor en dus heeft een woningcorporatie in dezen een taak. Dat kan niet alleen via het aangaan van samenwerkingsverbanden met andere 'professionele' instellingen. Het beginsel van zelfbeschikking en zelfkracht - ondersteund door dienstverlenende instituties - geldt in het wonen en in de zorg beide.

Hoe moet dan de toekomstige structuur van de woningcorporatie eruit zien? Op dit moment is gekozen voor een traditioneel bedrijfsmatig model. Alle beginselen en mores van de markt lijken te worden gevolgd, zoals wanneer rijke woningcorporaties arme branchegenoten overnemen. Zo ontstaan landelijke instellingen die op afstand van de 'klanten' opereren. In het landelijk beleid zullen de vraagstukken op microniveau worden beschouwd.

In onze opvatting dient - naast het beginsel dat de burger de eerst verantwoordelijke is voor zijn wonen - de zorg zo dicht mogelijk bij de burger plaats te vinden. De organisatie van het wonen vindt dan ook bij voorkeur hooguit op regionaal niveau plaats. Kleinschalige instellingen zijn te prefereren boven een of twee instellingen binnen een dergelijke regio. Daarbij is het van belang ons te realiseren dat de oplossingen niet per definitie van de instelling uit behoeven te gaan. Veel ouderen hebben grote huizen die zij willen verkopen om in kleine appartementengebouwen met zorg zich verzekerd te weten van een goede toekomst in de fase na zestig jaar. In Velzen heb ik een complex bezocht van koopwoningen in die zorgsfeer. De eigenaren zorgen voor zichzelf. Zelfkracht moet dus ook hier de basis zijn maar dat kan tezamen met de instellingen.

Bij de zorg gaat het ook om asielzoekers en daklozen. Eigenlijk moet het ons verwonderen dat hun situatie niet veel nadrukkelijker in de termen van het wonen wordt uitgedrukt. Waarom zou hun huisvesting niet vallen onder het ministerie en de staatssecretaris die eerstverantwoordelijk voor huisvesting zijn?

De aparte instellingen zijn eerder een voorbeeld van in partjes opgedeelde verzorgingsstaat. Het zou beter zijn indien de scheiding eerder onderdeel van een sociale sector is. Zo zou de sociale huursector ook verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de instandhouding van voorzieningen die het samenleven in wijken ten goede komen. Te denken valt aan kinderdagverblijven en een samengaan met thuishulporganisaties. Bij asielzoekers zou het kunnen gaan om logeerwoningen als alternatief voor de centrale asielzoekerscentra. Ook daklozenopvang kan op kleinschalige wijze worden verricht door de sociale huursector.

De essentie is dat daarbij telkens het wonen als een gemeenschappelijk vertrekpunt wordt genomen, en ook als integratiekader wordt benut. Dat kan alleen maar succesvol zijn wanneer de sociale woningsector scherp beseft dat zijn core business nimmer onroerend goed kan zijn: de primaire oriëntatie was, is en blijft die op de samenleving.

10. Tweede agendapunt: naar een kaderwet over het wonen

Op basis van het voorgaande: geen 'eindbeeld' (blauwdruk) van een nieuw ideaal stelsel, maar een richting aangeven waarin mensen zelf in toenemende mate vorm aan hun wonen kunnen geven. De maatstaf voor beoordeling van voorstellen is: vergroot het de mogelijkheden voor burgers om individueel en gezamenlijk hun zelfbeschikking over het wonen tot uitdrukking te brengen?

(En als je het aan mensen zelf overlaat, dan moet je ook de bureaucratische aandrang onderdrukken om meteen te willen voorspellen wat die mensen tot drie cijfers achter de komma zullen gaan doen. Dat is nu juist niet de bedoeling.)

In de komende tijd moet dit naar de opvatting van de PvdA-fractie in twee vormen worden uitgewerkt. In de eerste plaats in de Nota Wonen in de 21ste eeuw die nu al in voorbereiding is. En in de tweede plaats in een nieuw op te stellen kaderwet over het wonen die een wettelijk kader voor het wonen moet bieden.

In beide is de burger het uitgangspunt. Individualiteit en zelforganisatie komen als structurerend beginsel in de plaats van het institutionele model dat nu - ook na de Nota-Heerma - nog altijd dominant is.

Wij ontkomen er niet aan dat er opnieuw wordt gesproken over de inrichting van ons stelsel. Er is meer na het post-Heerma tijdperk en er moet meer komen dan een vooral marktgericht huisvestingsbeleid. Dat raakt de principes maar deze zullen zijn vertaling moeten krijgen in de een organisatie. Die toekomstige organisatie van de volkshuisvesting is of een paar grote marktpartijen of een evenwicht tussen commercieel en non-profit.

Nader moet worden uitgewerkt wat in de nota, en wat in de wet moet worden opgenomen. Cruciale elementen zijn:

Zelfbeschikking:

* Burgers worden aangemoedigd zelf te doen wat ze zelf kunnen doen. Zelforganisatie krijgt 'handen en voeten'. Onder meer door de volgende maatregelen:


* Het bestaande instrument van de Vereniging van Eigenaren (VvE) moet een nieuwe, positieve en actieve vorm krijgen, als wettelijke basis voor zelforganisatie. De rijksoverheid bevordert een actieve opstelling van de 'Vernieuwde VvE' (VVvE). Dat wil zeggen dat eigenaren de kosten voor de VVvE kunnen aftrekken van de belasting, evenals een deel van het geld dat gestort wordt in een onderhoudfonds. Een beloning op goed spaargedrag in het kader van het onderhouden van de woningvoorraad. De financiering hiervoor kan worden gevonden in verschuiving van de regels voor hypotheekrenteaftrek, b.v. door randvormen als aflossingsvrije hypotheken niet meer toe te staan. Zo behouden woningeigenaren het fiscale voordeel verbonden aan de eigen woning, maar nu in een vorm die niet alleen het individu maar ook het collectief ten goede komt. De gezamenlijke eigenaren worden op deze wijze geholpen. Ook moeten VVvE's gebruik kunnen maken van speciale gemeentelijke subsidies, bijvoorbeeld een gerichte subsidie voor cascoverbetering in het kader van de gelden van het ISV. (zijn hiervoor nadere voorwaarden te stellen van de zijde van het Rijk?). Ook zijn stimulansen gewenst voor VVvE's die verdere initiatieven willen ondernemen die te maken hebben met de kwaliteit van de buurt en daarmee het voorzieningen niveau (zorg, kinderopvang) verhogen.


* De organisatie van het wonen moet in samenhang worden gebracht. Dat wil zeggen dat er een totaal idee moet gaan ontstaan. De positie van de VvE en de sociale woonsector moeten 'gelijkwaardig' worden. Zij zijn immers beide de dragers van het wonen. In de toekost zal bovendien de VvE belangrijker worden in omvang en intensiteit. (NB: VvE staat nu in Burgerlijk Wetboek. Koppeling naar wet over het wonen is hiervoor gewenst. Er moet een zekere principiële gelijkstelling gaan ontstaan tussen deze organisatievormen. Het Zweedse model is zo gek nog niet. Sociale huur en sociale koopsector?)


* Binnen het systeem van 'toegelaten instellingen' (waartoe nu corporaties behoren en waar er zelden één bijkomt) moeten nieuwe, kleinschalige instellingen zoals coöperaties worden toegelaten; het oprichten van dergelijke instellingen wordt aangemoedigd. Verenigingen van huurders (VVvH's)?


* Overdracht van huurwoningen aan bewoners. Het is principieel zo dat de burger voor zichzelf moet kunnen zorgen. Daarom is een discussie over een recht op koop en daar kan bij horen een recht op terugkoop.


* Individueel opdrachtgeverschap; een instrument daartoe is de 30-procentregel op Vinex-locaties.


* Waarborgen tegen kartelvorming. Of er thans wel of niet sprake is van kartels in de woningbouw mag geen definitietwist op de vierkante millimeter worden: voor de toekomst is het noodzakelijk om een aantal principes door te voeren die in de eerste plaats de zelfbeschikking vergroten en die daarbij ook, op een zo vanzelfsprekend mogelijke manier, 'stevige' voorwaarden bieden voor het voorkómen van kartelvorming. De 30-procentsregel is een eerste voorstel in die richting. Daarop voortbouwend is voorwaardenscheppende wetgeving gewenst gebaseerd op de eerder genoemde Belgische wet van Taeye.


* Vergroting van mogelijkheid van VVvE's en VVvH's voor beheer en nieuwbouw. Dus ook: individuele opdrachtgevers die de handen ineen slaan.


* Nieuwe strategieën voor 'herstructurering', uitgaande van de zittende bewoners, hun wensen en hun mogelijkheden om zelf de toekomst van hun wijk in handen te nemen.


* Onderzoek: wenselijkheid van hulpstructuren. Herijking van institutionele model. Bijvoorbeeld nuttige, dienende rol corporaties.


* Kunnen wij hypotheekrenteaftrek nu eens niet primair beschouwen als fiscale voorziening maar als een 'incentive' voor zelfbeschikking in het wonen?

Eigendomsneutraliteit:

* De overheid streeft consequent naar eigendomsneutraliteit. Uitgangspunt: wonen is wonen, en huur of koop is daaraan ondergeschikt. De elementaire verschillen tussen kopen en huren blijven bestaan, maar in het woonbeleid worden ze zo veel mogelijk gelijkwaardig en inwisselbaar.


* In de wet worden de positie van de sociale huursector en die van het particulier eigendom geregeld, en ook hier worden die twee principieel op elkaar betrokken.


* Naast de sociale huursector ook een even aantrekkelijke (en zo veel mogelijk uitwisselbare) sociale koopsector.


* Een reeds bestaand instrument is de Wet BEW: grote mate van pariteit van huursubsidie en koopsubsidie; kopen wordt een optie ook voor groepen die tot dusver geen keuze hadden.


* Ook vergroting van de zeggenschap van huurders is een facet van het bevorderen van eigendomsneutraliteit.


* Bij de nieuwe, actievere vorm voor zowel VVvE's (eigenaren) als toegelaten instellingen (huurders) past ook dat deze twee vormen zo veel mogelijk aan elkaar gelijkwaardig worden. Er komt een weloverwogen samenhang tussen de sociale huursector nieuwe stijl en de nieuwe sociale koopsector.

Herijking, zorg:

* Uiteraard vereist de wet een herijking van het huidige stelsel. Bestaande regelingen, zoals nu bijvoorbeeld vastgelegd in het BBSH, krijgen een wettelijk kader. Uitgangspunt is de instandhouding van de zorg voor kwetsbare groepen, en dus niet per definitie de instandhouding van de sector.


* Gedacht kan worden aan een stelsel volgens het 'trekharmonicamodel': er is een gegarandeerd institutioneel kader dat te allen tijde de minimaal noodzakelijke zorg kan verlenen, en dat kan naar gelang tijdelijke extra behoeften tijdelijk worden uitgebreid. Voor zolang extra zorg (of noodhulp) nodig is, kunnen tijdelijke instituties optreden, en zolang of zodra burgers het zelf kunnen doen verdwijnen deze 'uitklapinstituties' weer.

Overige:

* Strategieën voor aandacht voor micromilieus.


* Gemeenten stimulansen geven om niet de grote marktpartijen, maar hun eigen burgers als de belangrijkste bondgenoten te zien.


* Breuk met tempobouwen: geen straf op te langzaam bouwen (Vinex-wijken) maar juist beloning.


* Nieuwe koers 'DuBo'-beleid - vergelijk Neutelings en België.


* Commentaar op (bruikbare) onderdelen uit de Agenda. Bijvoorbeeld deregulering: die is o.k. als het de vrijheid van burgers ten goede komt; maar niet als het alleen maar de marktaanbieders de gelegenheid geeft om nog meer rotzooi te maken.


* PM: vouchersysteem in plaats van huursubsidie en koopsubsidie, gedwongen winkelnering?

20

Deel: ' Bijdrage Duivesteijn (PvdA) debat Wonen in de 21ste eeuw '




Lees ook