GPV

26 800 ALGEMENE FINANCIëLE BESCHOUWINGEN 2000 Bijdrage van G.J. Schutte (GPV)
5 oktober 1999

MdV. We hebben een tevreden minister van Financiën. Het gaat goed in Nederland en dat hebben we toch op zn minst voor een deel te danken aan zijn beleid. Ik zal dat niet ontkennen. Uit financieel oogpunt is over het algemeen een gezond beleid gevoerd, waardoor ons land kon profiteren van de gunstige conjunctuur. Maar kan Nederland nu ook tevreden zijn? Dat is een andere vraag.

Hoe meet je af of er reden is tot tevredenheid? Welke maatstaf hanteer je daarbij? Een belangrijke maatstaf moet mijns inziens zijn in hoeverre onze samenleving beantwoordt aan de bedoelingen welke God ermee heeft. Immers, Hij heeft alles geschapen en de mens de opdracht gegeven het geschapene te beheren en verder te ontwikkelen tot Zijn eer.

Bij de algemene politieke beschouwingen moesten we constateren, dat op een aantal terreinen met deze opdracht niet goed omgegaan wordt. Dat behoef ik u niet te herhalen. Maar als het om het financieel-economisch beleid gaat gelden niet ineens andere maatstaven.

Laat ik een voorbeeld noemen. Werken is niet alleen bedoeld om te zorgen voor voldoende inkomen. Werken is ook en vooral een opdracht om de door God gegeven capaciteiten te gebruiken. Honderdduizenden Nederlanders zouden dit wel willen en kunnen, maar zij krijgen de kans niet. Ze zijn langdurig werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Extra schrijnend nu tegelijk een snel stijgend aantal vacatures onvervuld blijft.

Twee categorieën springen er uit. Allochtonen en mensen tussen 55 en 65 jaar. Van de laatste groep is één op de drie arbeidsongeschikt verklaard. In de MEV werden allerlei oorzaken ter verklaring aangevoerd. Maar dat neemt niet weg, dat we als samenleving verre van tevreden kunnen zijn. Met elkaar hebben we eraan meegewerkt dat velen aan de kant zijn komen staan. Allerlei maatregelen van overheid en sociale partners hebben niet kunnen verhinderen dat het aantal arbeidsongeschikten inmiddels weer stijgt. Hier is sprake van een gebleken collectieve onmacht, waarin we niet mogen berusten.

Ook dichtbij huis is er weinig reden tot tevredenheid over het beleid van de minister. Het ziekteverzuim op zijn departement stijgt aanmerkelijk. Onaanvaardbaar laag is het percentage werknemers met een handicap. Op het kerndepartement wordt de doelstelling van 4% nog voor geen derde deel bereikt. Dat het moeilijk is om geschikte kandidaten te vinden zal wel waar zijn, Een handicap is echt een handicap. Ik vraag de minister met concrete niet vrijblijvende maatregelen te komen om de doelstelling volgend jaar op zijn minst te benaderen.

Werken is belangrijk, zowel voor de individuele burger en zijn gezin als voor de samenleving. Beroepsarbeid speelt daarbij een centrale maar niet de enige rol. Er moet in een samenleving ook ruimte zijn voor onderlinge zorg, voor vrijwilligerswerk en niet in de laatste plaats voor de opvoeding van kinderen.

Op dit laatste punt is de minister kennelijk niet tevreden. Ik ook niet, maar ik vrees in andere zin dan de minister. In zijn streven naar een hoge arbeidsparticipatie wil hij af van de situatie dat veel jonge moeders de opvoeding van hun kinderen combineren met een deeltijdbaan buitenshuis. Het kabinet wil hier zelfs dwingend optreden: wie nog in aanmerking wil komen voor bijstand moet tenminste 24 uur beroepsarbeid proberen te verrichten. Op die manier wordt het eigen verdiende loon een doel in zichzelf en wordt de primaire verantwoordelijkheid van de ouders voor de opvoeding van hun kinderen miskend. Investeren in kwaliteit betekent hier optimale omstandigheden creëren voor de opvoeding van kinderen.

Gezinnen met kinderen vormen in het kabinetsbeleid ook overigens geen prioritaire doelgroep. De slechte start van paars-I met de forse greep in de kas van de kinderbijslag zijn we nog niet vergeten. Het was tegen die achtergrond beschamend dat de oorspronkelijke plannen voor het jaar 2000 onder Kamerbrede druk moesten worden bijgesteld.

Bij de behandeling van het belastingplan 1999 hielden wij een pleidooi voor de positie van gezinnen met kinderen in de vergroening van het belastingstelsel. De Miljoenennota komt er op terug. Globaal kan het effect van de verhoogde energiebelasting worden gesteld op ¦12,50 per kind per jaar per tranche. Vervolgens doet de regering daar niets mee. Gezinnen met kinderen worden gewoon gemiddeld met huishoudens zonder kinderen. Maar dat gaat er aan voorbij dat allerlei maatregelen die de kosten van levensonderhoud verhogen meer dan evenredig drukken op gezinnen met kinderen.

Kan Nederland tevreden zijn met het kabinetsbeleid? Als we kijken naar de lastendruk voor de burgers lijkt het er wel op. Niemand betaalt graag belasting, een lastenverlichting kan dus snel op instemming rekenen. En bovendien: de verhoging van het arbeidskostenforfait is alleen bedoeld om werk te scheppen voor laaggeschoolden.

De vraag is of het zo in de praktijk ook zal werken. Wordt met de ¾ miljard die hiervoor uitgetrokken wordt de doelgroep bereikt die anders niet aan het werk komt? Of wordt het belastingvoordeel dankbaar geaccepteerd door mensen die toch al werken? Of, als ik het meer fiscaal-politiek mag formuleren: Is het nu, met een toenemende spanning op de arbeidsmarkt, het juiste moment om lasten te verlichten?

Overigens zou het kortzichtig zijn de beoordeling van het financieel-economisch beleid alleen te baseren op de gerealiseerde lastenverlichting. De samenleving heeft ook belang bij andere feiten, zoals de waardevastheid van de munt. Daarmee gaat het de verkeerde kant op. Nederland heeft onder de eurolanden de hoogste inflatie. Ten dele wordt deze veroorzaakt door het Nederlandse belastingbeleid, maar ook de producentenprijzen stijgen in Nederland veel meer dan elders.

De minister reageerde nogal laconiek op de kritische opmerkingen van de president van de Nederlandsche Bank. De burger kijkt volgens de minister vooral naar zijn koopkracht en niet naar de prijzen. Ik weet niet op welke ervaring de minister deze wijsheid baseert. Maar zelfs als het waar is, is het de taak van de minister mét de president van de Bank te zorgen voor een waardevaste gulden. Hij kan het nog even doen. Laat het hem een eer zijn straks een waardevaste gulden in te ruilen voor de euro!

Dit staat niet los van een ander aspect van onze economie, te weten onze concurrentiepositie op de internationale markt. Die is de laatste jaren niet verbeterd. De relatief hoge economische groei biedt wat dat betreft een vertekend beeld. Het zijn vooral de particuliere consumptie en de vermogensgroei als gevolg van de stijgende huizenprijzen welke de groei te weeg brachten.

Moeten we daar blij mee zijn? Het is fijn als mensen meer te besteden hebben, zeker als dat komt door het vinden van een baan. Maar een hoge particuliere consumptie is geen stevige pijler onder economie en vormt geen evenredige bijdrage aan de ontwikkeling van de samenleving. Om nog maar niet te spreken over de reële risicos die zijn verbonden aan de hoge prijzen van koopwoningen en de dito hypotheken. Een verdubbeling van de prijzen in nog geen tien jaar met forse uitschieters naar boven in delen van het land maakt maatregelen nodig en tegelijk riskant. De vrijwel ongelimiteerde aftrekbaarheid van hypotheekrente houdt overheid en burgers in een houdgreep. Daaraan kan niet voorbijgegaan worden met de simpele stelling, dat deze aftrekbaarheid in deze kabinetsperiode niet ter discussie staat.

Reële rente en inflatie hangen zoals bekend nauw met elkaar samen. Nu de feitelijke rentevoet in Frankfurt wordt bepaald kunnen we ons ook in dat opzicht niet permitteren, dat de inflatie in Nederland duidelijk hoger ligt dan in de andere eurolanden. Ook daarom vind ik dat de minister veel te nonchalant reageert op de inflatiecijfers voor Nederland.

Of we tevreden mogen zijn over het financiële beleid kan voor een deel pas in de toekomst beantwoord worden. Immers, wat we nu doen of nalaten heeft gevolgen voor de toekomst. Een toekomstperspectief is in ieder geval nu al duidelijk. Het perspectief van een vergrijzende samenleving. Het aandeel van het nationaal inkomen dat nodig zal zijn voor de kosten van zorg, AOW en pensioen zal fors toenemen. Het AOW-fonds zal daarin voor een deel voorzien. Maar met name de veel hogere zorgkosten zullen uit het normale budget moeten komen. Daarvoor moet tijdig ruimte worden gecreëerd.

Daar komt nog iets anders bij. De kracht van onze economie hebben we voor een niet onbelangrijk deel ook te danken aan onze bodemschatten. Die schatten worden niet zo snel minder, de jaarlijkse opbrengst voor de schatkist waarschijnlijk wel. Het is nu niet het moment om te discussiëren over de liberalisering van de aardgasmarkt en de modaliteiten daarvan. Van belang is echter wel rekening te houden met dalende jaarlijkse baten.

Dat brengt mij tot het thema van de staatsschuld. Op dat punt zijn de afgelopen jaren goede resultaten bereikt. Daarvoor waren forse inspanningen nodig die gelukkig door een goede economische conjunctuur zijn ondersteund. Maar als we aan de toekomst denken is er geen enkele aanleiding om het wat de schuldreductie betreft een tandje lager te doen.

Tientallen jaren hebben we systematisch meer uitgegeven dan we ontvingen. De gevolgen daarvan drukken nog lang op de jaarlijkse begrotingen. Als op enig moment begrotingsevenwicht bereikt wordt is dat een mooi moment. De minister mag er wat mij betreft het glas op heffen. Maar de druk op de begroting verandert er niet wezenlijk door. Er ontstaat dus ook niet beleidsmatig ineens een geheel nieuwe situatie.

Tegen die achtergrond zal het duidelijk zijn dat ik weinig behoefte heb mij te mengen in de discussie welke mooie dingen we allemaal kunnen doen als het begrotingsevenwicht mocht worden bereikt. Die discussie is voortijdig, omdat volgens de huidige ramingen een begrotingsevenwicht niet meer in deze kabinetsperiode bereikt zal worden. Ze leidt ook de aandacht af van de problemen die nu om een antwoord vragen.

MdV. Voordat ik afsluit wil ik nog enkele opmerkingen maken over Nederland in Europa. Het is een goede zaak dat goed onderhandelen er uiteindelijk toe geleid heeft dat de betalingspositie van Nederland verbeterd is. Ik had tevoren mijn twijfels over het succes van de ingezette strategie. Het past daarom achteraf ook mijn complimenten te maken.

Op de Europese Raad van Keulen, juni j.l., zijn behartigenswaardige woorden gesproken over het tegengaan van turbulenties op de financiële markten, het leggen van meer verantwoordelijkheid daarvoor bij de private sector en een beter toezicht op de financiële markten. In het Kamerdebat na deze top zijn door mijn fractie daarover enkele gedachten gelanceerd. Te denken valt aan betere solvabiliteitsrichtlijnen voor banken, zwaardere belasting van zeer risicovolle financieringen, het minder flitsend maken van internationale kapitaalbewegingen, meer openheid enz. Welke bijdrage wil de minister leveren aan deze acties tot disciplinering van het flitskapitaal en kan de Kamer daarover geïnformeerd worden?

MdV. Ik nodig de minister uit in zijn antwoord te proberen een zo reëel mogelijk beeld van onze economie te schetsen. Daarin is ruimte voor zonnige momenten. Maar als we ons daarop blind staren gaat het net als met het Nederlandse weer. Dan worden we verrast door wolkenpartijen die onverhoeds voor een flinke plas water kunnen zorgen.

Sommige van die wolken zijn nu al duidelijk zichtbaar. De minister kan zijn kwaliteiten tonen door ze te signaleren en ze serieus te nemen. Daaraan heeft hij dunkt mij de rest van de kabinetsperiode de handen vol.

Deel: ' Bijdrage GPV aan Algemene Financiële Beschouwingen 2000 '




Lees ook