GPV

BEGROTING 2000 BINNENLANDSE ZAKEN
BIJDRAGE VAN G.J.SCHUTTE - GPV (mede namens RPF) 13 oktober 1999

MdV. De journalist John Jansen van Galen had deze zomer een visioen. Hij was op de derde dinsdag van september 2024 op het Binnenhof. Daar werd het Museum van de Democratie geopend. Er was van alles te zien: een stemhokje, verkiezingsaffiches, een videofilm van het vroegere vragenuurtje in de Tweede Kamer, het spreekgestoelte uit de voormalige Kamer en de voorzittershamer.

Die hamer werd in het visioen voor het laatst gehanteerd door de laatste Kamervoorzitter, Sharon Dijksma. In haar openingswoord zei zij, dat de overgang van een vertegenwoordigende naar een virtuele, interactieve democratie sneller was verlopen dan menigeen had verwacht. Wij mensen, zei ze, zijn nu eenmaal hardleers en geneigd tot conservatisme. Wij bijten ons vast in wat we kennen en zetten de hakken in het zand tegen veranderingen die ons verontrusten, totdat ze ons overspoelen en wij ons geestdriftig mee laten drijven.

Onder de gasten op het Binnenhof bevond zich ook de oude Maurice de Hond. Hij raakte in gesprek met een jonge ambtenaar van het enig overgebleven ministerie, dat van Ruimte & Tijd. Politiek is versmald tot wat we vroeger marketing noemden, bromde hij. De jonge ambtenaar vroeg hem wat dat was. De Hond legde het hem uit: Je hebt een produkt, je kent de doelgroep aan wie je het wilt verkopen en slaagt erin je produkt voor te stellen als het perfecte antwoord op hun diepste verlangens.

De jonge ambtenaar reageerde: Dat is in wezen wat ik iedere dag doe. Alleen noemen wij het interactieve, virtuele democratie.

De Hond schudde het hoofd: Wat hebben wij vroeger gekankerd op het parlement en de partijen. We verweten ze gebrek aan visie en navelstaarderij. En we waren opgelucht toen ze vervluchtigden, om ruim baan te maken voor de democratie van de elektronische snelweg. Te laat beseften we dat ze met al hun detaillisme ook een zeef vormden, een buffer tegen manipulatie.

Maar de jonge ambtenaar van het enig overgebleven ministerie hoorde het niet meer. Hij had het te druk met het opstarten van een website waarmee de premier de geesten rijp wilde maken voor een derde nationale luchthaven.

Dit visioen maakte deel uit van een themanummer over de toekomst van Openbaar Bestuur Magazine. Dat het niet alleen een journalistiek visioen was blijkt uit een discussie elders in het blad, waarin N.B. onze eigen externe informatie-adviseur het einde van de Tweede Kamer binnen 30 jaar voorspelt.

Toegegeven, de gestaalde kaders van de vertegenwoordigende democratie komen ook aan het woord. Zij zijn minder pessimistisch. Ed van Thijn wijst erop, dat de uiteindelijke afweging tussen strijdige belangen ter wille van de democratische legitimatie maar op één plaats kan gebeuren en dat is het parlement, ook in 2030.

Het visioen van Jansen van Galen kwam bij mij weer boven bij het lezen van de memorie van toelichting op de begroting en een serie toespraken van de minister. Op het eerste gezicht zijn de raakvlaken vele. Het is onmiskenbaar dat de informatisering grote invloed heeft op het functioneren van overheid en volksvertegenwoordiging. De regering streeft naar meer mogelijkheden van directe democratie. Trefwoord in de stukken is interactief besturen.

Nu zal het duidelijk zijn, dat niemand van ons het visioen van Jansen van Galen als een wenkend perspectief beschouwt. We hechten aan het primaat van de politiek in het publieke domein. Of toch niet meer?

Ik moet zeggen, dat ik wat moeite heb de vele uitspraken van de minister op dit terrein met elkaar te rijmen. In zijn toespraak voor het jaarcongres van de VNG pleitte hij ervoor om het publieke domein weer het domein van de gezamenlijke burgers te maken. Maar direct daarna zei hij, dat dit zeker niet moet gebeuren door de politieke besluitvorming buiten het politieke domein te leggen. We hebben volgens de minister al veel uit handen gegeven, te veel doorgesluisd naar geprivatiseerde diensten, proceduretechnologen en rechters. Waarvan akte!

Heldere keuzen zouden de oplossing moeten zijn. Maar dan kom ik bij de interessante gedachtewisseling tussen de bewindslieden en de Raad van State. De Raad van State wees erop, dat terughoudendheid past bij begrippen als betrokken overheid en horizontaal, interactief bestuur, omdat dit soort begrippen een nieuwe bron van bindingen van de overheid kan vormen, die het handelingsvermogen en de wendbaarheid van het beleid verder beperken en daardoor uiteindelijk afbreuk kan doen aan het vertrouwen in de overheid.

De reactie hierop van de bewindslieden brengt ons niet veel verder. Zij erkennen dat overleg tussen regering en parlement het juiste kader is voor bespreking van het functioneren van de overheid, maar dat dit niet uitsluit dat die discussie ook elders gevoerd behoort te worden.

Dat laatste zal niemand ontkennen. Maar het betekent toch wel iets voor depositie van het parlement als officiële vertegenwoordiging van de burgers als de overheid op verschillende niveaus meer en meer kiest voor partnerschappen met maatschappelijke organisaties en bedrijven en voor andere vormen van interactief besturen.

Als het beleid uiteindelijk tot stand komt in overleg tussen regering en maatschappelijke organisaties, wat is dan nog de functie van de wetgever en in het bijzonder van de Staten-Generaal? Of gaat het hier om woordspelingen? Ik vraag dat omdat de minister tegelijk pleidooien houdt voor een sterker politiek en maatschappelijk leiderschap. Dat vraagt op zn minst om een invulling.

Die invulling behoort op een eigentijdse wijze inhoud te geven aan het specifieke karakter van het overheidsambt. De overheid voert óók onderhandelingen maar zij is meer dan onderhandelaar. Zij moet rechtsnormen stellen en handhaven. Zij moet leiding geven aan de publieke zaak. Zij moet vrijheden van burgers waarborgen maar tegelijk zorgen dat de sterke niet zegeviert ten koste van de zwakke.

Om zon beleid te voeren zijn beginselen nodig, politieke doelstellingen, die expliciet gemaakt moeten worden. Die functie kan de computer nooit overnemen. Interactief bestuur kan daarbij een plaats krijgen als instrument, maar niet méér.

In dit verband zou ik graag het commentaar van de minister horen op de constatering van de vice-voorzitter van de Raad van State tijdens een inleiding aan de Erasmus Universiteit. Hij meent dat van een fundamentele bezinning op wat hij noemt het verschijnsel overheid in de moderne samenleving nauwelijks sprake is. Ik denk dat de heer Tjeenk Willink hier de vinger bij een zwakke plek legt. Als we geen goed zicht hebben op aard en functie van het overheidsambt gaat elke discussie over interactief besturen de mist in.

Mijn bijdrage tot nu toe lijkt nogal abstract. Maar het thema raakt aan tal van actuele zaken. Ik noem de bestuursakkoorden tussen rijk en provincies en gemeenten, de regiocontracten, convenanten met bedrijven, het grotestedenbeleid en de meer algemene discussie over de verhouding tussen publiek domein en markt. Zaken die op zichzelf zeker de moeite waard zijn, maar die met elkaar gemeen hebben dat een heldere regeling van verantwoordelijkheden, rekening houdend met de eigen taken van de overheid en van het parlement, onmisbaar is.

MdV. De minister is een man van de brede visie. Dat blijkt ook als het gaat om onze Grondwet. Het is onbevredigend te werken met allerlei ad hoc wijzigingen. Er moet een breed debat komen over de constitutionele agenda van de 21e eeuw. Een veel belovend woord met voorlopig nog weinig inhoud. De minister kan wel verwijzen naar het Forum democratische ontwikkeling, maar hij zal toch zelf ook wel een begin van een visie hebben op de inhoud van zon agenda. Ik wil hem wel een paar suggesties doen. Misschien is het goed eens opnieuw na te denken over de functie en het karakter van de Grondwet. Vormt de constitutie de weerslag van wat een meerderheid van ons volk als waardevol heeft ervaren, of is het meer, heeft zij ook een zelfstandige constituerende functie? En wie bewaakt de naleving van de Grondwet? Past het bij het karakter van de Grondwet een wijziging ervan bij regeerakkoord te forceren? Kunnen de Grondwet en de toepassing ervan zonder een richtinggevend kader?

Aan de agenda voor staatkundige vernieuwing zal ik niet veel woorden wijden. Het gaat vooral om oud nieuws. Op het gebied van het referendum toont de regering zich een slechte verliezer. Het spreken over een ruime meerderheid in de Staten-Generaal kan niet verhullen, dat de grondwettelijk voorgeschreven meerderheid er niet was en niet is. Indachtig aan wat ik in het begin zei over de informatiseringsmaatschappij kun je zelfs de vraag stellen of - áls je dan al meer ruimte voor directe democratie zou willen - een correctief referendum nog wel van de 21e eeuw is. Oud-premier Den Uyl vond in zijn dagen het referendum al een instrument voor conservatieven. Dat wordt erin een informatiseringsmaatschappij niet beter op.

Achtereenvolgende bewindslieden van Binnenlandse Zaken zijn achteraf vooral beoordeeld op de vorderingen welke zij - al dan niet - maakten met het dossier van de bestuurlijke organisatie. Hier liggen ook voor minister Peper de nodige struikelblokken. Hij heeft ongetwijfeld hoog gestemde idealen, maar zeker op dit terrein kan hij zich niet blijven verwijderen van de politieke realiteit. Die realiteit is onder meer dat grootschalige herindelingen grote weerstand oproepen, maatschappelijk en politiek. Het vasthouden aan Twentestad heeft tot nu toe alleen geleid tot een onnodige vertraging en voortdurende onzekerheid, verder vasthouden kan het einde betekenen van het hele proces in Twente.

Twente staat niet op zichzelf. Eindhoven en Limburg dreigen nieuwe conflictstof op te leveren. De regering heeft een eigen verantwoordelijkheid, maar kiezen voor een grootschaliger herindeling dan de provincie voorstelt is vragen om moeilijkheden. Wie daarbij weer eens wil dreigen met het alternatief van een stadsprovincie zit in de verkeerde coalitie. Wat ons betreft vormt die discussie een afgesloten hoofdstuk.

Over het kiesstelsel komen we binnenkort apart te spreken. Het is een goede zaak dat de hoofdbeginselen van het kiesstelsel niet ter discussie staan. Wijzigingen op onderdelen, zoals het vereiste inzake de ondersteuningsverklaringen, zijn altijd mogelijk en soms ook gewenst. De meerwaarde van varianten op het Duitse kiesstelsel zie ik niet. We moeten oppassen met steeds weerkerende discussies over het kiesstelsel de aandacht af te leiden van de eigenlijke oorzaken van de geringe betrokkenheid van de kiezers.

De discussie over het aantal leden van provinciale staten is legitiem, maar kan moeilijk los worden gezien van die over het middenbestuur in het algemeen. De gedachte om het lidmaatschap van de staten te bezoldigen als een volledige betrekking spreekt mij niet aan. Voor Kamerleden is dit helaas onvermijdelijk, voor andere vertegenwoordigende lichamen is het nadeel van een geringere maatschappelijke betrokkenheid te groot.

Een punt van kritiek is de wijze waarop de regering omgaat met haar adviesorganen. De staatscommissie-Elzinga heeft een duidelijke taak meegekregen. Uiteraard behoeft dat niet te betekenen, dat terwijl de commissie studeert het denken bij de regering stil staat. Maar ik vind het onbehoorlijk als om politieke redenen besluiten worden genomen waarmee een staatscommissie voor de voeten gelopen wordt. Voor wat betreft de wethouder buiten de raad heeft de regering dit uiteindelijk ingezien, voor wat betreft het zogenaamde burgemeestersreferendum mocht het kennelijk niet van D66 en voor wat betreft het samenvallen van verkiezingen was het volstrekt onnodig.

Ook de vaste adviesraden worden niet altijd met de nodige egards behandeld. Regeringsstandpunten op adviezen van de Raad voor het openbaar bestuur blijven vaak te lang uit. Het advies over nationaal bestuur en recht onder Europese invloed is nog nooit van commentaar voorzien. Inmiddels gaat de volgende intergouvernementele conferentie al van start. Het minste dat van de regering verlangd mag worden is, dat zij zich houdt aan de geldende termijn en als dat echt onmogelijk is binnen die termijn aangeeft waarom en wanneer het standpunt dan wel komt. Kan de minister dit toezeggen?

MdV. Ik sluit af met enkele concrete punten. In 1998 trad voor Nederland het Europees Handvest voor regionale talen en minderheidstalen in werking. Tijdens het goedkeuringsdebat in de Kamer in 1995 wist de Kamer staatssecretaris Kohnstamm ervan te overtuigen, dat het Nedersaksisch erkenning kreeg onder deel II van het handvest. Deze staatssecretaris zal weten dat er in de desbetreffende regio, en ook in de Stellingwerven, wensen leven voor erkenning onder deel III. Overleg daarover is toegezegd. Wat zijn de resultaten thans, welke verwachtingen zijn gewekt en hoe gaat het verder?

Over de lessen die door de verschillende overheden getrokken moeten worden uit de Ceteco-affaire zal de discussie met de minister op een ander moment worden voortgezet. Los daarvan is echter wel duidelijk, dat ook op provinciaal en gemeentelijk niveau aan de financiële verantwoording veel meer aandacht moet worden besteed. Een gemeentelijke of provinciale Rekenkamer kan daarvoor goede diensten bewijzen. Arnhem behoort tot de gemeenten die hiermee nu ervaring opdoen. Het zou een goede zaak zijn als de minister zijn invloed aanwendt om een Rekenkamer ook bij gemeenten en provincies gemeengoed te laten worden. Zon vorm van horizontaal bestuur kan geen kwaad.

Deel: ' Bijdrage GPV aan debat over begroting Binnenlandse Zaken '




Lees ook