GPV

26 423
Voorstel van wet van de leden Van der Hoeven en Luchtenveld tot wijziging van de Gemeentewet (vrijstelling OZB voor substraatteelt)

bijdrage van G.J. Schutte - GPV (mede namens RPF) 30 juni 1999

MdV! Ik spreek mede namens de RPF. In de laatste vergadering van de Tweede Kamer in 1997 hebben we onze steun gegeven aan de motie Van der Hoeven/Remkes, waarin de regering verzocht werd vrijstelling van OZB voor substraatteelt wettelijk te regelen. Deze motie was één van de betere waaraan ook de naam van oud-collega Remkes verbonden was. Helaas heeft de regering te kennen gegeven deze motie niet uit te voeren. Dat kan gebeuren, maar als het om wetgeving gaat is de meest logische reactie dat de medewetgever het initiatief overneemt. Het is een goede zaak dat mevrouw Van der Hoeven en de heer Luchtenveld de draad weer hebben opgepakt, zodat we nu kunnen spreken over een wetsvoorstel waarin de vrijstelling van OZB voor substraatteelt geregeld is.

Gezien ons stemgedrag ten aanzien van de motie ligt het voor de hand dat wij instemmen met het voorliggende wetsvoorstel. Op deze wijze wordt de rechtsongelijkheid die er bestaat tussen substraatteelt en grondteelt op het punt van de OZB opgeheven. We zijn het daarom met de indieners eens dat een discussie over het al dan niet afschaffen van de OZB-vrijstelling voor cultuurgrond, zoals in de literatuur gesuggereerd is, los staat van dit wetsvoorstel. Deze discussie gaat namelijk veel verder dan de strekking van dit wetsvoorstel.

Met betrekking tot de gewekte verwachtingen ten aanzien van gemeenten die nu nog OZB over substraatteelt heffen sluiten wij ons aan bij de woorden die de initiatiefnemers in de nota naar aanleiding van het verslag hieraan wijden. Wij willen hieraan toe voegen dat de wetgever altijd de mogelijkheid heeft aan een rechtsongelijkheid een einde te maken.

Dit wetsvoorstel is meer dan een codificatie van een materieel tot voor kort breed toegepaste vrijstelling van substraatteelt voor OZB. Omdat de wet niet duidelijk is of substraatteelt nu wel of niet onder het OZB-regime valt, hadden gemeenten het volste recht substraatteelt aan te slaan voor OZB. De belangrijkste reden waarom wij dit wetsvoorstel steunen is het punt van rechtsongelijkheid tussen substraatteelt en grondteelt. Naar onze mening betekent dit wetsvoorstel daarom wel een versmalling van het belastinggebied van gemeenten, die verder gaat dan een feitelijke versmalling.

Via de motie Van der Hoeven/Remkes uit 1997 heeft een Kamermeerderheid verwachtingen opgeroepen bij substraattelers. Uit het oogpunt van de betrouwbaarheid van de overheid vind ik het daarom van belang dat de fracties die toenertijd de motie hebben gesteund, nu hun steun geven aan dit wetsvoorstel.

Wij willen er nog op wijzen dat substraatteelt een milieuvriendelijker manier van telen is dan grondteelt onder glas. Ook betekent substraatteelt een aanzienlijke verbetering van de arbeidsomstandigheden voor hen die werken in de tuinbouw. Naast het argument van de rechtsongelijkheid zijn dit voor onze fracties ook twee argumenten om in te stemmen met dit wetsvoorstel.

Ik wil van de gelegenheid gebruik maken iets op te merken naar aanleiding van de brief van de mininster van 2 juni j.l. Uiteraard hebben ministers altijd het recht de Kamer over van alles en nog wat te adviseren. In die zin dus geen probleem met een brief van de minister over dit onderwerp. Maar is het moment waarop niet wat vreemd? Bij de behandeling van initiatiefvoorstellen heeft zich de praktijk ontwikkeld dat de regering, gezeten in vak K, na de initiatiefnemers kan reageren op het initiatiefvoorstel en kan ingaan op eventueel tot haar gerichte vragen.

Tijdens de schriftelijke voorbereiding is de Kamer echter met zichzelf in discussie over de vraag of zij een voorstel van een of meer leden tot initiatiefvoorstel van de Kamer zal maken. Strikt genomen heeft de regering met die interne discussie niet veel te maken.

Nu zou ik me nog een situatie kunnen voorstellen van een initiatiefvoorstel dat zodanig fundamentele bezwaren bij de regering oproept, dat zij overweegt te zijner tijd het contraseign te onthouden. Misschien is het dan nuttig dergelijke bezwaren niet op te zouten tot de plenaire behandeling maar al in een vroeger stadium kenbaar te maken.

Van dergelijke bezwaren is in dit geval weinig te bespeuren. De minister gaat gewoon met de initiatiefnemers in discussie over enkele punten van technische aard, die de tekst van het voorstel niet raken.

Daarbij komt ook nog, dat de regering over dit onderwerp alle kansen heeft gehad om haar mening te geven. De weigering om de motie uit te voeren legde de bal weer bij de Kamer. Laat die daar nu maar even liggen, zou ik zeggen. In ieder geval moeten we niet stilzwijgend een nieuwe gewoonte introduceren in het samenspel van regering en Kamer. Ik neem daarom aan dat minister hierop wel zal willen reageren.

Hoe dan ook hoop ik dat onze beide collega's de kans zullen krijgen hun initiatief ook aan de overzijde te verdedigen.

Deel: ' Bijdrage GPV/RPF debat wijziging van de Gemeentewet '




Lees ook