Partij van de Arbeid


7 december 1999

BIJDRAGE VAN BERT KOENDERS (PVDA)AAN DE BEGROTINGSBEHANDELING BUITENLANDSE ZAKEN


 

 

Deze Begrotingsbehandeling is de laatste van deze eeuw en de tweede van het tweede paarse kabinet.

Nederland is rijker dan ooit en het geld wordt voor het grootste gedeelte in het buitenland verdiend, vooral in Europa. Europa wordt steeds meer baken en buffer voor ons land. Een Europa dat aan het einde van deze gewelddadige eeuw weliswaar minder machtig is dan aan het begin, maar na de val van de Muur enorm aan kracht heeft gewonnen. Het lijkt of aan het einde van deze eeuw een ieder in onze wijde omgeving zo snel mogelijk bij de EU wil horen. En dat wijst op de nieuwe setting van ons buitenlands beleid: Een rijker en belangrijker wordend Europa in een instabiele internationale omgeving. De situatie in de Balkan, maar ook verder in Rusland, de Kaukasus en Afrika dwingen steeds meer tot lotsverbondenheid, tot gezamenlijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, en zelfs in uitzonderingsgevallen tot humanitaire interventie. Macht dwingt Nederland vooral, maar niet uitsluitend, via Europa tot verantwoordelijkheid voor instabiliteit buiten Europa en tot moeilijke buitenlandspolitieke en morele keuzes. Daar gaat het wat de PvdA-Fractie voor een belangrijk gedeelte bij deze begrotingsbehandeling om. Voor Europa staan in feite weinig alternatieven open: Of het exporteert stabiliteit via economische integratie en open handelsbeleid, uitbreiding, deellidmaatschappen en ook samenwerkingsvormen zoals het Stabiliteitspact; of het importeert instabiliteit en toenemende vluchtelingenstromen, of- en dat is hopelijk een laatste mogelijkheid- het komt in de positie dat moeilijke afwegingen gemaakt moeten worden over de inzet van effectieve en proportionele politie of militaire eenheden. Al deze opties vereisen ook voor de Nederlandse buitenlandse politiek een enorme krachtsinspanning, zowel financieel, organisatorisch als politiek en moreel. De humanitaire interventie in Kosovo -en ik kom daar later nog op terug- is daar een goed voorbeeld van. Kosovo stelde de na-oorlogse generatie in Nederland en de buitenlandse politiek voor nieuwe en onbekende morele en politieke dilemma's. Harde keuzes moesten en werden door dit kabinet gemaakt en door het overgrote deel van de Kamer gesteund. Tegelijk werd wat ons betreft de belangrijkste opgave van de buitenlandse politiek van Europa na Kosovo impliciet geformuleerd: Conflictvoorkoming, geintensiveerde Europese veiligheidspolitiek en daadwerkelijke economische samenwerking en integratie als middel tegen binnenstatelijke conflicten en mensenrechtenschendingen in. De vraag is of we die boodschap -ook in Nederland- echt begrepen hebben, of we de europese ontwikkelingen goed inschatten.

Max van der Stoel zei onlangs: Wij hebben in de loop van deze eeuw een aantal malen de hoge prijs betaald voor het niet tijdig onderkennen van doelstellingen en methoden van een op machtsexpansie beluste wederpartij. Wat we nodig hebben is een cultuur van preventie, en daar gaat het wat mij betreft in deze Begroting om. Daar zijn geen eenvoudige recepten voor. Van de Regering mag daarbij een duidelijk ambitieniveau worden verwacht, een nieuwe impuls voor de herijking en een duidelijke prioriteitsstelling. Nederland is daarbij het scherpste als ze offensief het algemeen belang vertegenwoordigt en daarbij opiniërend en als horzel wil optreden.

Deze inleidende opmerkingen brengen mij op een aantal algemene voorwaarden voor zo'n opstelling gevolgd door een formulering van een zestal vrij specifieke prioriteiten voor het buitenlands beleid. Op die specifieke prioriteiten kom ik dus nog terug.

Maar eerst de voorwaarden:

1. Allereerst een veel positievere en concretere steun voor de ontwikkeling van een Europese buitenlands- en veiligheidspolitiek

Waar Nederland als middelgroot land belang had om vooraan te lopen bij de totstandkoming van de EMU, het asiel-en immigratiebeleid en de uitbreiding, zo geldt dat wat mijn fractie betreft ook het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. Er is het afgelopen jaar vooral na Kosovo een nieuwe dynamiek in de Raad ontstaan tussen Duitsland, Frankrijk en Engeland die elk op zoek zijn naar meerdere partners voor een grotere europese veiligheidspolitieke verantwoordelijkheid. Op de bredere buitenlandspolitieke inbedding kom ik nog terug.

Waar hier de Raad meer de dynamiek bepaalt dan de Commissie hoort Nederland wat ons betreft direct in het krachtenveld van die drie genoemde landen te opereren, ook al om een Directorium van de grote landen tegen te gaan. Nederland lijkt pas echt serieus te reageren als de toppen tussen de grote drie voorbij zijn en maakt nu gelukkig nog op tijd een draai in de goede richting. Vergeleken bij de notitie van een maand geleden, waarbij de Petersbergtaken in feite werden afgeschilderd als kleinschalig, stemt men nu in met een Europese pool van 60.000 troepen voor crisismanagement, een kwalitatieve sprong ten opzichte van de WEU. Ook door actief mee te doen kunnen belangrijke elementen als een heldere relatie met de NAVO en behoud van de communautaire structuren worden geregeld. Nu verwachten wij in dit debat helderheid van de Regering over welke preciese modules Nederland bijdraagt en wat de positie van ons land is bij de nog openstaande punten voor Helsinki. Wij verwachten een constructieve bijdrage. Tevens merk ik op dat voor effectief buitenlandsbeleid consensus nodig is en acceptatie van gemaakte afspraken zoals in Keulen. En niet een positiebepaling zoals die van mijn VVD collega Hessing die direct opmerkte dat de strijdmacht van de Europese Unie -gelukkig - steeds meer een fictie wordt. Met de Regering zijn wij van mening dat ambitie en realiteit gelijk op moeten lopen, evenals een discussie over instituties en daadwerkelijke mogelijkheden. Maar een nieuwe operatie ALBA of de opvolger van KFOR zal Europa sneller tot daadkracht dwingen dan in regeringskring wordt aangenomen. Het risico van een Amerikaanse Alleingang voordat Europa eenheid en kracht heeft ontwikkeld, kan alleen maar tegengegaan worden door een concreet ambitieniveau en een daardoor groeiende acceptatie door de Amerikanen van een relatieve autonomie van de EU.

Dan de tweede voorwaarde,

Namelijk het waakzaam zijn dat Nederlandse contributies, financiële steun en bijdrage aan bijvoorbeeld vredesondersteunende operaties via invloed ook daadwerkelijk leiden tot het kopen van financiële en politieke stabiliteit en verbetering van de internationale rechtsorde; Tijdens de crisis in Kosovo was de nederlandse bijdrage in de lucht even groot als die van het Verenigd Koninkrijk, en slechts iets minder dan die van Frankrijk. Toch bleek de besluitvorming meer een zaak van de Grote Vijf dan van de NAVO-Raad. Onze vraag is hoe de Regering dit beoordeelt (als onafwendbaar of als onwenselijk) ook in het licht van onze aanstaande substantiële en centrale rol in Bosnië. In het Stabiliteitspact is Nederland grote donor, en dit verplicht tot invloed en medesturen van de politieke strategie van dat Pact. Nederland is daar terecht lid geworden van de G8, maar de vraag is of dat voldoende is. Ik kom daar nog meer specifiek op terug. Op een ander terrein is Nederland weer geen Lid mogen worden van de GX, maar investeert wel in financiële en politieke stabiliteit via IMF en Wereldbank. Hier heeft Nederland meer specifiek een Kiesgroepbelang. Kan de Regering haar strategie over deze zaken nader toelichten? Welke afweging maken we bij het terecht de voorkeur geven aan internationale en multilaterale structuren, als de invloed daadwerkelijk er buiten plaatsvindt? De Nederlandse burger die een hoog Nederlands ambitieniveau steunt heeft alle belang hierover meer te weten.

Als laatste voorwaarde noem ik het belang van het streven naar een open Europa, het tegenaan van eurocentrisme en dus concrete activiteiten van het Kabinet bijvoorbeeld ten aanzien van conflictpreventie in de Kaucasus of het daadwerkelijk invullen van de Afrikanotitie van het Kabinet in geval van de slepende genocide in Burundi en het uiteenvallende vredesakkoord in Congo?. Welke reizen en initiatieven zijn overigens door het Kabinet op deze terreinen gepland? En nu de WTO op een mislukking is uitgelopen vraag ik de Regering concreet of ze de voorwaarden voor het HIPC-initiatief van het IMF willen verruimen nu voor deze landen extra markttoegang weer een illusie is geworden.

Als laatste zou ik van de Regering in dit verband graag vernemen op welke basis nu de sterkte van de Ambassades buiten Europa wordt bepaald en welke criteria daarbij een rol spelen. Ook een constant proces van aanpassing vereist immers uitgangspunten die het Parlement moet weten.

Als dit de voorwaarden en uitgangspunten kunnen zijn voor een verantwoord Nederlands ambitieniveau dan vraagt dat nogal wat van Buitenlandse Zaken. Er is nog genoeg "Core Mission" voor het Departement. De Minister heeft het afgelopen jaar de krachtproef van het Kosovo-conflict doorstaan en de prioriteiten van het buitenlands beleid nader geformuleerd. Hij is daarbij een snelle en pragmatische beslisser gebleken, minder stoer dan in het begin en met oog voor de noodzaak van draagvlak in het parlement als voorwaarde voor een ambitieus buitenlands beleid. Met staatssecretaris Benschop is Nederland strategischer in Oost- en Westeuropa aanwezig en dat is een belangrijke vooruitgang. Nu moet dat beleid dus met gevoel voor de historische plaatsbepaling van Nederland doorgetrokken worden naar het EVDB, ik zei dat al.

Maar op een aantal punten is het beleid nog te flets. De vlag van Nederland en strategie lijken soms belangrijker dan visie en prioriteitsstelling. De leiding van het Ministerie lijkt soms meer bezig met management dan met buitenlandse politiek. De richting en de priorititeiten zijn niet altijd duidelijk en daar komt het nu in een grote wereld vol problemen wel op aan.

Voor de PvdA-Fractie zijn in het licht van de Begroting een zestal punten van belang:

1. In het jaar van Kosovo zou ik om een verdergaand Nederlands initiatief willen vragen ter verheldering van het concept van humanitaire interventie. De hernieuwde rol van de VN in Oost-Timor en de "achteraf" legitimatie van de acties in Kosovo zijn daarbij aanleiding. Laat ik onze positie duidelijk maken: De PvdA-Fractie is voorstander van de ontwikkeling van het concept van humanitaire interventie op basis van het internationale recht waar het gaat om grootschalige mensenrechtenschendingen, waar niet-militaire instrumenten onvoldoende werken, interventie proportioneel is, een oplossing naderbij brengt en geen grotere risico's voor de mensenrechten oplevert. Ten slotte is het belangrijk dat de interventie gesteund wordt door een zo groot mogelijke groep staten en altijd verantwoording plaatsvindt aan de VN-Veiligheidsraad. Ik ben het hier dus niet geheel eens met mijn collega's Hoekema en Van Middelkoop die humanitaire interventie onder andere afhankelijk maken van een meerderheid van de VN leden en een uitputting van alle politieke en militaire middelen. Met zo'n benadering wordt codificatie wel erg gevaarlijk. In elk geval had dat niets veranderd voor de burgers van Rwanda die tevergeefs wachtten op hulp. Mijn fractie wil dat Nederland met haar traditie van het internationale recht een leidende rol speelt in de discussie over een verantwoorde ontwikkeling van humanitaire interventie. Het is van belang dat de dialoog actief wordt gezocht met staten die moeite hebben met het concept van humanitaire interventie. Hiertoe verzoek ik het kabinet een internationaal initiatief te nemen, waarbij ook parlementen worden betrokken en de rol van de VN een belangrijke positie inneemt. De adviezen van het AIV kunnen daarbij eventueel een actieve rol bij spelen. 2. Tweede belangrijke punt: De lessen van Kosovo voor Nederland vertaald. De doeleffectieve interventie in Kosovo zal waarschijnlijk noch een voorbeeld noch een precedent blijken te zijn. In de meeste NAVO-landen hebben hierover uitgebreide discussies plaatsgevonden en zijn conclusies getrokken. Mijn fractie vindt het moeilijk te pruimen dat er voor deze Begrotingsbehandeling geen gedegen stuk van de Bewindslieden van Buitenlandse Zaken en Defensie ligt, zoals was afgesproken. Graag een verantwoording van het Kabinet op dit punt. Haast is wel degelijk geboden Zo zijn bij de evaluatie een aantal punten van belang. Ten eerste is duidelijk dat de conflictpreventie heeft gefaald; mijn concrete vraag is nu of ten aanzien van bijvoorbeeld Montenegro het anticipatievermogen van de EU en NAVO groter is? Op allerlei andere essentiële punten kan ik nu helaas vanwege het ontbreken van kabinetsconclusies niet ingaan, maar ik verzoek wel om een snel en degelijk stuk.
3. De postconflictfase en het Stabiliteitspact. Ofwel, om het scherp uit te drukken: Hoe moet het verder met de Balkan nu bijvoorbeeld in Kosovo het moorden gewoon door gaat. De Nederlandse Regering heeft op bewonderenswaardige wijze gekozen voor een belangrijke politieke en financiële bijdrage. We zitten in de G8. Maar tegelijkertijd maakt mijn fractie zich ernstige zorgen over de politiek-economische strategie om de Balkan te stabiliseren. Gezien de omvang van onze bijdrage vergt dat een kritische ondervraging van de Regering . Ten eerste vraag ik de Regering dwingend een initiatief te nemen om de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en corruptie in Zuidoost-Europa hoger op de agenda te plaatsen in het Stabiliteitspact maar ook daar buiten en de Kamer daarover te rapporteren. Orgaanhandel, mafiose praktijen in Bosnië en wapenhandel uit Albanië ondermijnen de regio, raken ook Nederlandse steden en maken de kansen op micro-zekerheid voor burgers en investeerders een volstrekte illusie. Ook een opener handelspolitiek van Europa verkleint de kans op corruptie. Wat wordt daar overigens nu specifiek aan gedaan? Daarnaast maak ik me ernstige zorgen over de politieke imbedding van het Stabiliteitspact,wat een praatclub dreigt te worden waarachter anderen, zoals de EU, zich verschuilen. Dat is niet aanvaardbaar. Het doel van het pact is onduidelijk: Is het een pre-accessiestrategie, een soort Marshallplan of een vorm van donorcoördinatie? De Partij van de Arbeid is van mening dat het Stabiliteitspact moet worden omgevormd tot een realistische pre-accessiestrategie. Dat betekent actieve bijdrages van alle drie pijlers, oog voor een brede strategie die cultuur in aanmerking neemt (graag een reactie in het licht van mijn motie van vorig jaar), een strategie die de sociale kosten van modernisering in aanmerking neemt, en waarbij niet voorbarig de stabiliserende rol van de zelf worstelende kandidaatleden Bulgarije en Roemenië wordt ingecalculeerd.

Dat laatste brengt mij ook op de rol van Servië. Deze landen zijn in sterke mate voor de opheffing van sancties. En helaas blijkt het zo dat in de praktijk de meeste sancties leiden tot een versterking van Milosevic, en dat wellicht van de opheffing hetzelfde gezegd kan worden; dat is het dilemma. Gezien de manipulatie door Milosevic van het olie voor de oppositie programma zou ik de Minister nu toch sterk in overweging willen geven de sancties te beperken tot slimme sancties en een kans te nemen met een minder geïsoleerd Servië als kans voor de oppositie. Als Nederland opnieuw aandringt op gevangenneming van Karadzic en Mladic is dat wellicht het beste teken aan de oppositie ook in Servië en gezien de enormiteit van hun misdaden - men herinnere zich ook de schokkende documentaire over dit onderwerp gisteren op de

Nederlandse televisie.

Ten slotte op dit punt Bosnië. Ook hier worstelt de internationale gemeenschap met een acceptabele exitstrategie. Nu Nederland nog een belangrijkere militaire rol krijgt is het nodig het Dayton-akkoord te redden. Dat vereist een versterking van de politiemacht en een hernieuwde discussie over de Kieswet. Op dit punt graag een reactie van de Regering en een uitwerking van haar plannen met internationale politie, de ontbrekende factor in de veiligheidsarchitectuur van conflictmanagement.

4. Grotere aandacht voor mensenrechten en conflictpreventie: Wat ons betreft een rode draad in de Memorie van Toelichting van het Kabinet en een juiste keuze van de Ministers. De benoeming van een mensenrechtenambassadeur is positief, vereist een persoon van statuur en een duidelijke plaatsbepaling en inbedding. Wat ons betreft zou zij of hij ook een duidelijk mandaat moeten krijgen bij conflictpreventie. Een eerste bezoek lijkt nodig aan de dramatische verslechtering van de situatie in de Palestijnse Autoriteit en aandacht voor de positie van de vrouw in het Midden Oosten (Koeweit). Daarnaast graag een reactie van het Kabinet op onze suggestie om deze Ambassadeur te laten onderzoeken in hoeverre samen met de Nigeriaanse Regering en de oliemaatschappijen overgegaan kan worden tot mensenrechtendialoog en conflictpreventie in de Nigerdelta, waar het aantal slachtoffers met de dag toeneemt.

Om het belangrijke beleidsterrein van conflictpreventie meer te laten zijn dan mode en woorden alleen, zou ik de Regering willen voorstellen jaarlijks apart of in een aparte bijlage van de Memorie van Toelichting bij de Begroting prioriteitstellingen te formuleren, analyses te maken en waar concrete activiteiten van de Ministers aan te kondigen. Dat zou een standaardprocedure moeten worden. Tevens willen wij hier pleiten voor de instelling van een Vredesfonds waaruit enerzijds een bijdrage geleverd kan worden door Nederland aan vredesoperaties door ontwikkelingslanden -ik denk aan bijvoorbeeld ECOMOG in Sierra Leone, waar wat ons betreft voor 12 december ook financiering voor Nigeria moet komen- en anderzijds direct geld aanwezig is ter ondersteuning van vrededialogen op officieel of officieus niveau. Het gaat dan om non-ODA financiering en zou prioriteit moeten krijgen bij de prioriteitsstelling van de HGIS. Meer in het algemeen is het van belang dat de Regering zich inzet voor actieve bevordering van Verdragshandhaving bijvoorbeeld als het gaat om het Handvest van Parijs. Dit is niet alleen een morele noodzaak maar ook een instrument van conflictvoorkoming. Het Statenklachtrecht moet beschouwd worden als een serieus instrument, waarbij in voorkomende gevallen, zoals nu overduidelijk bij de slachtingen in Tjetsjenië, wordt aangegeven waarom wel of niet van het instrument gebruik wordt gemaakt. Graag een specifieke reactie van de Regering op dit punt. Wat vindt de Regering overigens van het idee om de krachten wat betreft het mensenrechtenbeleid in ons land te bundelen in een Nationaal Mensenrechtencentrum en de doodstraf tot erkende mensenrechtenschending te verklaren, zoals de AIV heeft voorgesteld?

5. Ik kom op mijn op een na laatste punt namelijk de Non-Proliferatie als de veiligheidsuitdaging van de 21e eeuw en de moeizame relatie met Rusland. Het jaar 2000 staat in het teken van de Toetsingsconferentie van het NPV Verdrag. Dringend zijn vertrouwenwekkende maatregelen nodig. De onderhandelingen over uitvoering van de belangrijkste suggesties van de NAC-Resolutie verdienen een snel begin. Tegelijk vraag ik de Regering wat de Nederlandse inzet zal zijn bij de NAVO-evaluatie -i.h.b. ook het befaamde artikel 32 proces waarover de Minister ons toezeggingen heeft gedaan- en de keuze van de opties die de Regeringen zullen worden voorgelegd. De PvdA hecht eraan dat onze moties van vorig jaar naar letter en geest worden uitgevoerd. Daarnaast lijkt ons ook vanuit de Regering een duidelijk signaal nodig dat het ABM-Verdrag gehandhaafd dient te blijven als sleutel van een aantal wapenbeheersingsverdragen. Tevens is het van belang te komen tot een aantal bij voorkeur wederzijdse eenzijdige stappen op het terrein van verwijdering van tactische nucleaire wapens in Europa. In het licht van de transatlantische betrekkingen en de link met non-proliferatie stel ik voor dat Nederland hierover in de NAVO volgende week de discussie start en tegelijkertijd een opener voorlichtingsbeleid voorstelt ten aanzien van de aanwezigheid van deze wapens. In die zin zijn we de Koude Oorlog toch wel voorbij. Wel is het verontrustend dat Rusland zich steeds meer toelegt op een nucleaire strategie. Het voert te ver om nu uitgebreid op de relatie met Rusland in te gaan, maar ik zou de Regering willen vragen hierover een Notitie te maken die ingaat op de effectiviteit van de Europese strategie, de decentrale hulpverlening, mensenrechten, de effectiviteit of non-effectiviteit van de WB en het IMF en de mogelijkheid om te komen tot samenwerking op de Noord-Kaucasus. Ook de nucleaire veiligheid en de mogelijkheden van wapenbeheersing zouden daarbij betrokken moeten worden. Wel vraag ik nu al welke hardere stappen de Regering voorstelt bij de onaanvaardbare uitmergeling van Grozny. Wij hebben daarvoor een aantal voorstellen gedaan die nu aan de orde zijn. (Relatie met IMF/WB; Challenge Inspection; Statenklacht)

6.
7. 6. Mijn laatste punt consulair beleid, asielbeleid en de rol van Buitenlandse Zaken. Voor de gemiddelde diplomaat misschien een niet al te sexy onderwerp, maar enorm belangrijk. We zullen scherp blijven toezien op de geconstateerde problemen met visumverlening, fraude en rechtszekerheid van burgers. In het licht van de globalisering kunnen de problemen alleen maar toenemen en vereisen voor langere tijd grote aandacht. Nu komt het er ook in andere gevallen op aan dat er een actievere rol komt van Reclassering Nederland, waar mogelijk met een versterkte rol van Epafras en het aanstellen van juridische medewerkers op ambassades met kennis van locale rechtsystemen. Graag een reactie van het Kabinet daarop. Vorig jaar heeft de Partij van de Arbeid gevraagd om binnen de regels van het Regeerakkoord te komen tot een intensivering van het buitenlands- en ontwikkelingsbeleid voor herkomstlanden primair in multilateraal kader zoals IOM en de EU. Daar is o.i. te weinig mee gebeurd. Wat is nu de stand van zaken met Noord-Irak-zie onze motie- en is de Regering bereid dit beleid verder en in andere regio's te versterken? Ook hier is een coördinerende rol van BZ geboden. 8.
9. Ik concludeer. Veel buitenlands beleid dat aan het einde van deze eeuw om inhoud vraagt heeft te maken met globalisering en met conflicten en met een adekwate rol van ons land daarbij.
10. We sluiten ook een tijdperk af. De dekolonisatie is echt en definitief voorbij. Het monument voor de slavernij moet er nu echt snel komen.
11. Het bezoek van Minister Herfkens aan Indonesië was goed getimed, niet te vroeg en ook niet te laat. De PvdA hecht aan betere betrekkingen met Indonesië en samenwerking die ook betrekking heeft op burgers daar waarmee zoveel Nederlanders zich verwant voelen. Het is te hopen dat dit ook na de verkiezingen Suriname met dat land een mogelijkheid wordt.

Meer in het algemeen zal de noodzaak van een cultuur van preventie, zoals Van der Stoel zei, veel van het Kabinet vragen. Ik wens het daarbij alle succes toe.

Deel: ' Bijdrage PvdA aan begrotingsbehandeling buitenlandse zaken '




Lees ook