Partij van de Arbeid


16 februari 2000

BIJDRAGE VAN SHARON DIJKSMA (PVDA) AAN HET ALGEMEEN OVERLEG OVER HET VMBO

Vandaag bespreken wij de invoering van het vmbo. Het betreft een belangrijke vorm van voortgezet onderwijs, waarin zo'n 60 % van de scholieren terechtkomt. Op de agenda staan voldoende stukken die een uitgebreide bespreking rechtvaardigen: zes brieven van de staatssecretaris over het vmbo en daarnaast zijn een brief over de implementatie van de vernieuwingen en een Rekenkamerrapport over het procesmanagement bij het ministerie geagendeerd. Een uitgebreide brief van 17 december j.l. over de voortgang van de invoering van het vmbo en het eindrapport is nog aan de agenda worden toegevoegd.

De brieven hebben betrekking op de vmbo-infrastructuur, de implementatie van de vernieuwingen, het concept-eindexamenbestuit mavo/vbo, de regionale verwijzingscommissies, de examenprogramma's voor maatschappijleer en kunstvakken I en de toelating tot praktijkonderwijs en leerwegondeersteunend onderwijs. Uit het onderwijsveld zijn onder andere stukken binnengekomen van de onderwijsraad, werkgeversorganisaties en de schoolleidersvereniging VVO. De PvdA-fractie wil nu op het algemeen overleg aandacht besteden aan de ontwikkelingen rond de aanvragen van afdelingen, de examenprogramma's, de facilitering, zorgleerlingen en tenslotte het tijdpad.

De infrastructuur van het nieuwe VMBO

Het voorbereidend beroepsonderwijs kent tot nu toe het probleem van teveel kleine afdelingen en de kwaliteit van het onderwijs lijdt daaronder. Vanuit deze gedachte heeft de fractie van de PvdA steeds steun uitgesproken voor een herschikking van het aantal afdelingen in het VBO. Als nu alle huidige aanvragen van scholen voor intrasectorale programma's in de beroepsgerichte leerwegen zouden worden gehonoreerd, dan zou dit leiden tot een groter aanbod bij per saldo hetzelfde aantal leerlingen (de zogenaamde verdunning) en dat zou neerkomen op verzwakking van de vbo-afdelingen terwijl juist een versterking was beoogd. Nu lijken scholen nog altijd weinig toeschietelijk bij de onderlinge uitruil van afdelingen, maar dit is mede ingegeven door een tevens nagestreefde verschuiving van de leerlingenstroom van mavo-c naar het vbo. Om die reden heeft de PvdA-fractie er herhaaldelijk op aangedrongen om heldere prognoses te maken ten aanzien van die verwachte verschuiving van leerlingen. Een dergelijk instrument schept in ieder geval een beetje licht in de duisternis voor scholen die ook niet altijd kunnen voorzien wat er op hen afkomt.

De staatssecretaris stelt nu dat de problematiek van kleine afdelingen vooral speelt bij de technische opleidingen en dat de verschuiving slechts in beperkte mate zal plaatsvinden naar de technische sector. Nu lijkt de staatssecretaris daarmee uit te stralen: mooi, probleem opgelost! Maar daarin vergis ik mij vast. Want de vereniging van schoolleiders VVO vindt bijvoorbeeld dat de staatssecretaris maatregelen zou moeten treffen om mavo-c-leerlingen toe te leiden naar technische beroepen. Mijn fractie is het daar mee eens. Los van de problematiek van de te kleine afdelingen is het natuurlijk zorgwekkend dat zo weinig leerlingen van plan zullen zijn in de technische beroepen hun leerweg te kiezen, zeker gezien de tekorten op onze arbeidsmarkt en het belang van techniek meer in het algemeen. Hoewel de staatssecretaris in haar brief van 17 december j.l. wel aangeeft met de stichting Axis in gesprek te willen gaan over mogelijke oplossingen lijkt mij een nieuwe promotie-campagne op dit punt echt onvoldoende. Ik wil de staatssecretaris vragen op deze opvatting te reageren.

Ondertussen ontstaan er ook vormen van samenwerking tussen scholen zoals de zogenoemde Zwolse variant, waarbij een leerling staat ingeschreven bij de ene school maar sectorvakken en/of het beroepsgerichte programma volgt op de andere school. In Almere werkt men aan een nog verdergaande Almeerse variant. De PvdA-fractie bepleit dat scholen binnen de grenzen van de redelijkheid creatief met zulke samenwerkingsvormen aan de slag kunnen gaan.

Desalniettemin zal alle creativiteit van de wereld niet tegenhouden dat er toch afdelingen moeten worden opgedoekt. Inmiddels heeft de staatssecretaris een aantal doelmatigheids-criteria opgesteld die moeten gelden als leidraad. Mijn fractie is van mening dat de herschikking van afdelingen binnen enkele maanden afgerond moet zijn. Het ligt daarom voor de hand om vanuit het departement toch meer de regie op dit punt in handen te nemen dan de staatssecretaris in een vorig overleg met de Kamer heeft voorgesteld. Tenslotte lijkt het bij de herschikking van belang ook naar het totaal aanbod van onderwijs in de regio's te kijken. In principe moet in iedere regio natuurlijk het brede pakket aan leerwegen voorhanden zijn.

Examenprogramma's

De Onderwijsraad heeft een advies uitgebracht bij het ontwerp-eindexamenbesluit voor de leerwegen mavo en vbo. De kritiek van de onderwijsraad richt zich op een aantal zaken, die ik - ook vanwege enkele tegemoetkomingen van de staatssecretaris- niet allemaal de revue wil laten passeren.

Het gewicht van het schoolexamen (het vroegere schoolonderzoek) ten opzichte van centraal examen bij basisberoepsgerichte leerweg verschilt van die bij de andere leerwegen. Bij de basisberoepsgerichte leerweg wordt de verhouding 2:1 terwijl die bij de andere leerwegen 1:1 wordt. Ondanks bezwaren van de onderwijsraad houdt de staatssecretaris, mijns inziens terecht, vast aan deze uitzonderingspositie. Voor deze verhouding bestaat steun in het onderwijsveld, zo meldt zij - anders zou de basisberoepsgerichte leerweg duidelijk zwaarder worden. Ik wil graag weten welke organisaties hun explicite steun voor deze maatregel hebben uitgesproken? Daarnaast lijkt het mij zeer verstandig om ruim de tijd te nemen met de introductie van het centraal examineren in de basisberoepsgerichte leerweg. Ik ben benieuwd of de pilot en het sleutelnetwerk al enige gegevens hebben opgeleverd. Kan de staatssecretaris iets daarover mededelen?

De schoolleidersvereniging VVO klaagt dat de huidige opzet van de kerndoelen onvoldoende ruimte biedt voor de beoordeling op praktische vaardigheid. Natuurlijk volgt de discussie over de basisvorming nog later dit voorjaar. Maar het is onmogelijk om de vernieuwingen in VMBO los te zien van hetgeen er in de basisvorming gaande is. De discussie over dit thema zal wat mij betreft dan ook zeer veel aansluiting moeten vinden bij vernieuwingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Ik wil de staatssecretaris dan ook vragen op deze klacht van de vereniging van schoolleiders te reageren.

Bij de invoering van de profielen havo en vwo werden we in de praktijk geconfronteerd met problemen van overladenheid. Het lijkt de PvdA-fractie van belang dat bij het vmbo zulke eventuele problemen snel in beeld moeten komen en daarom vragen wij de staatssecretaris om reeds in een vroeg stadium de vinger aan de pols te houden en eerder dan in 2001 te rapporteren.

Over de vakken maatschappijleer en kunstvakken I wil mijn fractie het volgende melden. Het uitstel van de invoering van de kunstvakken I heeft de instemming van de PvdA. De beoordeling van het vak maatschappijleer met een cijfer wijzen wij af. Voor leerlingen in de beroepsbegeleidende leerweg zou het een verzwaring betekenen en voor leerlingen in de theoretische leerweg een verlichting. In feite komt het neer op een verlaging van het niveau van de theoretische leerweg en daar is de PvdA-fractie niet voor.

De positionering van het VMBO

De staatssecretaris meldt in haar reactie op het rapport Eindexamenbesluit Mavo/VBO daarnaast dat zij naast de mensen van de theoretische leerweg (de vroegere mavo) ook de gediplomeerden van de gemengde leerweg wil toelaten tot het havo. Het is een mededeling die als het ware als een donderslag bij heldere hemel komt. Voorzitter, ik ben het er bovendien mee oneens. De gemengde leerweg verschilt van de theoretische leerweg slechts door een enkel beroepsgericht vak. In het algemeen plaatsen de werkgevers-organisaties bijeen in de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties (RCO) al grote vraagtekens bij de gemengde leerweg. Zij beschouwen deze leerweg als een overblijfsel uit de periode voordat er sprake was van intrasectorale programma's, terwijl het volgen van één beroepsgericht vak nauwelijks meerwaarde heeft voor de aansluiting op het beroepsonderwijs. Nu wil ik met dit citaat geen nieuwe discussie over de leerwegen openen, ik gebruik het slechts ter illustratie. Staatssecretaris Adelmund wil kennelijk de toegankelijkheid van het havo vergroten; met andere woorden: zij wil het onderwijs aanpassen aan de kleine groep die via havo naar hbo doorstroomt, terwijl de overgrote meerderheid via het secundair beroepsonderwijs verderstroomt. Alsof het havo een betere beroepsvoorbereiding zou vormen. Enkele schoolleiders waarschuwen voor het gevaar dat het beroepsonderwijs dreigt te worden uitgehold. Op deze wijze krijgt het beroepsonderwijs nooit de bedoelde stevige positie. Het vooruitzicht op toelating tot het havo kan immers een vlucht uit de beroepsgerichte leerwegen teweeg brengen. Ik wil de staatssecretaris deze bezwaren voorleggen. Vele reacties hebben namelijk betrekking op dit punt en het zal in ieder geval een hoofdpunt van discussie worden.

Vanuit de hoorzitting is door vele deskundigen aangedrongen op de gedachte van het ongedeelde vmbo. De overheid zou, wanneer ze de integratie van het voormalige mavo en vbo echt serieus neemt, dit ongedeelde vmbo als uitgangspunt moeten nemen. Ik denk dat het laatste woord over de positionering van het vmbo nog niet is gezegd. Maar het is te eenvoudig om de gerechtvaardigde zorgen van mensen in het onderwijsveld af te doen met het afwijzen van een structuurdiscussie. Ik zit niet op een dergelijke discussie te wachten, maar het moet mogelijk zijn om ook de beroepsgerichte leerwegen een echte kans te bieden. Ik ga ervan uit dat ook de staatssecretaris daarop valt aan te spreken.

Facilitering

De ervaringen met de invoering van de Tweede Fase leren dat bij onderwijsvernieuwingen de facilitering veel aandacht verdient.

De Onderwijsraad heeft twijfels geuit over de financiële consequenties over de bezetting van praktijklokalen bij de praktische component van examens. De staatssecretaris stelt dat examens kunnen worden gespreid over een grotere periode doordat toetsen eerder kunnen worden afgenomen dan de centrale examens. Ik wil de staatssecretaris vragen hoe zij daarbij wil voorkomen dat op deze manier de ene leerling aanmerkelijk meer tijd krijgt om zich bepaalde vaardigheden eigen te maken dan de andere.

Door verschillende actoren in het onderwijsveld is gewezen op de positieve effecten die het instellen van een innovatie-fonds voor het vmbo zou kunnen hebben. Mijn fractie ziet daar zeker de voordelen van. Het zou het hele implementatieproces een geweldige oppepper kunnen geven. Zie bijvoorbeeld het probleem van ontwikkeling van leermethoden voor sommige beroepsgerichte vakken. Is de staatssecretaris bereid om een dergelijke gedachte over te nemen?

De schoolboeken vormen ook bij het vmbo een punt van aandacht. De ervaringen met de invoering van de Tweede Fase hebben geleerd dat we zeer voorzichtig moeten zijn met het idee dat de boeken op tijd klaar zullen zijn, maar nog recent hebben zij gemeld dat zij inderdaad op tijd klaar zullen zijn met de leermiddelen. Ook de planningen van afzonderlijke uitgevers wijzen erop dat ze op schema liggen. Het ministerie hanteert de tijdige beschikbaarheid van leermiddelen als vast agendapunt in de besprekingen met de uitgevers. Ik wil de staatssecretaris vragen of zij ook zicht houdt op de vermoedelijke prijsontwikkeling.

Zorgleerlingen

Het leerwegondersteunend en praktijkonderwijs zijn bedoeld voor voormalige doelgroepen van zorg: ivbo, vso-lom en vso-mlk. Voor toelating van leerlingen zijn criteria geformuleerd met betrekking tot IQ, leerachterstand en sociaal-emotionele problemen. Op basis van die criteria geven Regionale Verwijzingscommissies voortgezet onderwijs (RVC's) adviezen aan de scholen. In het schooljaar 1999-2000 hebben de RVC's hun eerste ervaringen kunnen opdoen. Ze hebben de scholen adviezen gegeven, geen beschikkingen, en scholen konden beargumenteerd afwijken van de gegeven adviezen. Bij de evaluatie van de ervaringen van 1999-2000 bleek dat de criteria iets te streng waren geformuleerd. De staatssecretaris stelt nu enige versoepelingen voor en wil bijvoorbeeld de RVC's de mogelijkheid geven om in individuele gevallen beargumenteerd af te wijken van de IQ-bovengrens bij 120. Waarom neemt zij het advies van de commissie om het IQ als grens te vervangen door andere criteria niet in zijn geheel over?

Daarnaast wil staatssecretaris Adelmund het schooljaar 2000-2001 gebruiken als tweede proefjaar voor de nieuwe toelatingcriteria tot leerwegondersteunend en praktijkonderwijs. Geconstateerde knelpunten zoals onvolledige dossiers die scholen insturen en onvoldoende communicatie worden gericht aangepakt.

In het algemeen lijkt de opstelling van de staatssecretaris mij verstandig. Een gevaar schuilt nog in mogelijk strategisch gedrag van scholen bij de toelating van leerlingen. Indien zich volumestijgingen voordoen, dan zal zij maatregelen nemen in de financiering van het leerwegondersteunend en praktijkonderwijs vanaf het schooljaar 2001-2002. Ik wil de staatssecretaris vragen of de maatregelen bij volumestijgingen zó kunnen worden ingekleed dat de goeden niet hoeven te lijden onder de kwaden (scholen die strategisch gedrag vertonen)

Er is helaas nog onvoldoende duidelijkheid over de toekomst van het zorgbudget. Veel van de betrokkenen uit het onderwijs maken zich daar ernstige zorgen over. De staatssecretaris geeft aan dat zij een extra inspanning wil leveren om meer duidelijkheid te scheppen over de wijze waarop het zorgbudget na 2002 gestalte krijgt. We hebben in het verleden een "go or no go"-amendement aangenomen om te bezien of het verantwoord is de integratie van het zorgonderwijs in het reguliere VO ook financieel in te bedden op de tijd die we hebben afgesproken. Ik moet heel eerlijk zeggen dat mijn fractie hier met een dilemma kampt. Het is te vroeg om nu al te zeggen dat er sprake is van een "no go". Het is eveneens te vroeg om te stellen dat er hoe dan ook sprake is van een situatie waarin we gewoon doorgaan op de ingeslagen weg.

Er moet echt op korte termijn duidelijkheid komen over de toekomst van het zorgbudget, desnoods dient er een alternatief te worden ontwikkeld dat in werking treedt wanneer de afgesproken route om welke reden dan ook niet kan worden gevolgd. Daarbij is het zeer noodzakelijk om de nu bestaande expertise niet te verkwanselen. Kan de staatssecretaris daarvoor zorgen? Voor de zomer moeten we dan een beslissing nemen over dit belangrijke vraagstuk.

Tijdspad invoering

Voor scholen is het van groot belang dat zij weten welke stappen op welk moment dienen te worden gezet en voor de Kamer is het hard nodig dat zij weet welke zaken op welk moment staan te gebeuren. Bij onduidelijkheid zouden scholen een afwachtende houding kunnen aannemen en moet de Kamer vervolgens maar afwachten welk beeld er uit de voortgangsrapportages naar voren komt en bij problemen de zaak bijsturen. Voor de PvdA-fractie vormt uitstel geen panacee waarmee alle problemen kunnen worden bezworen. De ontwikkelingen bij de zorgbudgetten, de examens voor de basisberoepsgerichte leerweg en de introductie van nieuwe vakken moeten snel helder worden en op basis van het algehele beeld zal de PvdA-fractie haar standpunt bepalen over de voortgang van de invoering. De PvdA-fractie vindt dat er daartoe een implementatieplan moet worden opgesteld met een tijdspad en verschillende beoordelingsmomenten. Wil de staatssecretaris dit op korte termijn toezeggen? Het is hard nodig dat het vmbo een feit wordt en juist daarom moeten alle betrokkenen weten wanneer en op welke wijze zij aan zet komen.

Deel: ' Bijdrage PvdA aan het algemeen overleg over het VMBO '




Lees ook