Partij van de Arbeid


Den Haag, 14 februari 2000

BIJDRAGE VAN PETER REHWINKEL (PVDA) AAN HET NOTA-OVERLEG OVER DE NOTA 'MEER VOOR MEER. UITBREIDING TEGEMOETKOMING STUDIEKOSTEN: DE TWEEDE FASE' EN ONDERZOEKEN NIBUD EN REGIOPLAN

We spreken vandaag over de nota Meer voor Meer die gaat over verruiming van de tegemoetkoming studiekosten. 'Meer voor meer' is precies wat mijn partij bedoelde toen zij in haar verkiezingsprogramma schreef dat de tegemoetkoming in de studiekosten verruimd zou moeten worden. In dat verkiezingsprogramma staat: 'Op die manier kan worden bevorderd dat jongeren van 16/17 jaar, die nu nog vaak hun schoolopleiding afbreken, meer kansen krijgen en meer worden gestimuleerd om de opleiding te voltooien.' De Partij van de Arbeid had als enige hiervoor in haar program geld gereserveerd, namelijk 300 miljoen gulden. Meer geld dus voor meer huishoudens met schoolgaande kinderen. Meer geld beschikbaar voor meer mensen, is ook wat uiteindelijk in het regeerakkoord werd afgesproken. Mijn fractie is blij met de nota Meer voor Meer, die de tweede fase behandelt van de enkele jaren geleden ingezette verruiming van de tegemoetkoming studiekosten. Ik dank de minister voor de uitwerking die hij aan de regeerakkoordvoornemens in Meer voor Meer heeft gegeven. Maar het kan beter en nog meer, en daarover zo dadelijk. In het regeerakkoord spraken we af dat de tegemoetkoming aan ouders met een relatief laag inkomen zou worden aangepast aan de stijgende prijzen van boeken, leermiddelen en overige schoolkosten. Verder zou het bereik van de regeling worden uitgebreid, zodat ouders met een inkomen tot circa. 60.000 gulden een belangrijker tegemoetkoming gaan ontvangen in de kosten van onderwijs. En tenslotte was het de bedoeling een armoedeval zoveel mogelijk te vermijden. In de eerste fase is een begin met de uitvoering van deze voornemens gemaakt, nu is het zaak om in de tweede fase de afspraken uit het regeerakkoord volledig uit te voeren. Misschien goed om nog even terug te kijken naar die eerste fase. Al in die eerste fase werd de tegemoetkoming in de studiekosten voor de belastbare inkomens tot ruim 40.000 gulden verhoogd met 150 gulden, terwijl de inkomens van 40.000 tot 52.000 gulden er 950 of 1450 gulden op vooruitgingen (omdat deze inkomensgroepen in het vervolg ook voor een vergoeding voor de overige studiekosten in aanmerking kwamen). Als PvdA-fractie vonden we de vooruitgang voor de allerlaagste inkomens nogal scheef in vergelijking tot die van de iets hogere inkomens. Gelukkig was er binnen de coalitie en ook met de minister overeenstemming te bereiken over een extra verhoging voor de allerlaagste inkomensgroepen in de tweede fase. Belangrijk was ook de afspraak dat er onderzoek zou worden verricht naar de precieze omvang van de studiekosten, Er leek sprake te zijn van hogere kosten dan als uitgangspunt werden genomen, vooral veroorzaakt door stijgende boekenprijzen, invoering van de tweede fase in het voortgezet onderwijs en de introductie van de informatie- en communicatietechnologie. Dit onderzoek werd verricht door het NIBUD en bevestigde ons eerlijk gezegd in onze bange vermoedens. Van kostendekkendheid bleek bij de tegemoetkoming studiekosten in het geheel geen sprake te zijn, zelfs niet voor de allerlaagste inkomens. Het NIBUD constateerde een gat van soms honderden guldens tussen de WTS-vergoeding en de werkelijk gemaakte kosten. Dit was voor ons reden om bij de algemene beschouwingen in september van het afgelopen jaar een motie in te dienen en later van de heer De Hoop Scheffer te ondertekenen waarin aan de regering werd gevraagd om de tegemoetkoming studiekosten voor de inkomenscategorie tot 52.000 gulden per 1 februari van dít jaar (verder) te verhogen - en dus niet pas in september 2001. Het is duidelijk dat dit nog niet is gelukt en dat stelt mijn fractie teleur. Wij dringen aan op uitvoering van de motie: ouders worden nu met hoge kosten geconfronteerd en met name de toegankelijkheid van het onderwijs voor leerlingen met ouders in de laagste inkomensgroepen dreigt in gevaar te komen. Ik kom hier aan het eind van mijn betoog op terug. Eén van de conclusies die de minister in de nota Meer voor Meer trekt, is dat de vergoedingen op basis van de WTS moeten worden gebaseerd op onvermijdelijke kosten. Daarnaast vindt hij het niet wenselijk om de wet aan individuele omstandigheden aan te passen. Dat kan ik allebei goed volgen. Maar ik vraag me af waar de minister eventuele uitzonderlijk hoge reiskosten onder schaart voor een kind dat ver weg op school gaat omdat die opleiding niet in de buurt voor handen is? Het klinkt mij als "onvermijdelijk". Ik voel dan ook voor een mogelijkheid in de wet om dit soort heel uitzonderlijke gevallen wat extra te kunnen geven. Begrijp me goed, het gaat mij net als de minister niet om een wettelijke regeling voor individuele omstandigheden, ook niet om een over-gedifferentieerde regeling, maar wel om maatwerk (waar ook een landelijke regeling in moet kunnen voorzien). Het staat nogal hard in 'Meer voor meer': "De kosten die ouders maken omdat ze een duurder alternatief prefereren, komen voor eigen rekening. Dat geldt ook voor individuele situaties, waarin de schoolkosten noodgedwongen hoger uitkomen." Bijvoorbeeld bij de opleidingen dierverzorging en onderwijs moeten grote afstanden worden overbrugd. Ik vraag daar de aandacht voor. Overigens zou ik ook van de minister graag eens horen of hij mogelijkheden ziet om de oorzaken van de hoge onderwijskosten weg te nemen (zoals hoge boekenprijzen, hoge ouderbijdragen en voor ouders boven de inkomensgrens het hoge lesgeld). In Meer voor Meer staat dat scholen de vrijheid hebben om hun eigen leermiddelen te kiezen en dat ouders de hoogte van de eigen bijdrage kunnen laten meewegen bij de keuze van de school. Ze kunnen daarvoor de schoolgids raadplegen. Met betrekking tot een notitie over de schoolboekenprijzen heeft mijn fractie een aantal weken geleden verschillende indringende vragen gesteld. We hebben erop gewezen dat de afnemers van leermiddelen zich bevinden in de positie van gebonden gebruikers en de vraag is of bij het verlenen van een ontheffing op het verbod van verticale prijsbinding recht is gedaan aan deze specifieke positie. Ik hoor hier ook graag een opvatting in algemene zin van de minister over. Mag ik verder aan deze minister, die ook het hoger onderwijs in portefeuille heeft, de principiële vraag voorleggen: waarom acht U enerzijds een differentiatie van collegegelden geen reële optie, zei U in het HOOP-debat van enkele weken geleden dat - als je al tot flexibilisering zou willen overgaan - je met bandbreedtes moet gaan werken om de toegankelijkheid te waarborgen én bent U anderzijds niet bereid om de middelbare schoolkosten van ouders te voorzien van een plafond (hetgeen ook al eens vanuit de SGP is gesuggereerd)? Het lesgeld is het afgelopen schooljaar fors omhoog gegaan, met maar liefst 268 gulden, en staat nu op 1775 gulden. Volgens de Les- en cursusgeldwet moet het lesgeld eenmaal in de drie jaar worden vastgesteld op twintig procent van de personele en materiële kosten per leerling in het voortgezet onderwijs. In de twee tussenliggende jaren mag de minister het lesgeld verhogen op basis van indexering. De systematiek van de herijking van het lesgeld zit dus zo in elkaar dat extra investeringen van de overheid een hoger lesgeld tot gevolg hebben. En aangezien in deze kabinetsperiode forse investeringen in het onderwijs hebben plaatsgevonden, en ook nog zullen plaatsvinden, ontstaat de toch niet volstrekt redelijke uitkomst dat ouders hierdoor ook fors moeten gaan betalen. We waren daarom enthousiast over het antwoord van de minister op vragen van collega Schutte om de huidige herijkingssystematiek te verlaten en het lesgeld jaarlijks te gaan indexeren op basis van de algemene prijsontwikkeling. Dit antwoord ligt er echter al weer bijna een jaar en ik vraag me af wat de voorgang is. Voor het lesgeld zullen vergelijkbare restitutie- en vrijstellingsgronden gaan gelden als bij de studiefinanciering. Vanwege de transparantie en de uitvoerbaarheid zal echter niet, zo schrijft de regering, een maandsystematiek maar een kwartaalsystematiek van toepassing zijn. Wat mij betreft wordt te beknopt aangegeven waarom geen maandsystematiek mogelijk is, zoals bij de restitutie van het collegegeld. Is zo'n maandsystematiek bij de tegemoetkoming studiekosten voor de instellingen volstrekt niet uitvoerbaar, luidt mijn concrete vraag.

Dan kom ik nu bij de verhoging van de normbijdragen WTS en ook bij de invoering van de door de minister voorgenomen glijdende schaal voor de inkomens boven de 52.000 gulden. Wij vinden het uiteindelijke beeld niet zo evenwichtig als het zou moeten zijn; van de door ons verlangde kostendekkendheid voor zelfs de laagste inkomens is geen sprake en bovendien wordt de tekst van het regeerakkoord wel erg uitgerekt. Maar laat ik positief beginnen. De variant die de minister kiest voor invoering van de glijdende schaal, namelijk een vast kortingspercentage in plaats van een (met een glijdende schaal te bereiken) maximuminkomen van 60.000 gulden, heeft op zich onze steun. Bij een vast kortingspercentage wordt voor ouders die de meeste kosten maken relatief meer geld vrijgemaakt dan voor ouders met lagere kosten en dat lijkt ons gerechtvaardigd. Ik kom zo dadelijk nog wel te spreken over het percentage van 25% dat de minister voorstaat. Eerst wil ik nog eens preciezer kijken naar de uitkomsten van het NIBUD-onderzoek. Voor het VBO, MAVO en de onderbouw HAVO/VWO zijn de onderwijskosten door het NIBUD berekend op 1000 tot 1046 gulden. De tegemoetkoming voor inkomens tot 40000 gulden zal zijn per jaar 1018 gulden, voor inkomens tussen de 40000 en 52000 gulden 968 gulden. Conclusie: voor hele groepen ouders in deze inkomenscategorieën zal de WTS geen kostendekkendheid bieden. Wat is de situatie in de bovenbouw HAVO/VWO? Daar zijn de kosten berekend op 1202 tot 1437 gulden. Komt de tegemoetkoming studiekosten in de buurt van deze 1437 gulden? In het geheel niet: ouders met kinderen in de bovenbouw van HAVO/VWO en een inkomen tot 40.000 gulden krijgen 1168 gulden per jaar, de inkomensgroep daarboven kan aanspraak maken op 1118 gulden. Voor wat betreft de beroepsopleidende leerweg ligt het gecompliceerder. Daar verschillen de kosten aanmerkelijk, namelijk tussen de 830 en 1955 gulden per jaar. Vooral de technische richtingen hebben hogere kosten. Voorzitter, óók toen wij hier eerder over spraken, heb ik aangegeven absoluut geen overcompensatie van kosten te willen. Misschien mag ik mij overigens de opmerking veroorloven dat degenen die toen al op kostendekkendheid voor in ieder geval de laagste inkomens aandrongen, voortdurend werden gewaarschuwd voor overcompensatie. Langzamerhand is gelukkig breder het inzicht ontstaan dat de tegemoetkoming studiekosten fors moest worden verhoogd. Overcompensatie wil ik ook nu vermijden. In dat verband vraag ik me af of niet een differentiatie van tegemoetkoming bij de beroepsopleidende leerweg mogelijk is. De vergoeding is daar 1449 gulden, terwijl bijvoorbeeld de kosten voor de opleiding apothekersassistente op 830 gulden worden geraamd. Aan de andere kant moeten we ook zien dat de opleiding informatietechnologie 1955 gulden kost en dan schiet de tegemoetkoming studiekosten meer dan 500 gulden tekort. Je zult maar ouders uit de laagste inkomensgroep hebben: dan kan de neiging ontstaan iets anders te kiezen. Hoewel ik weet dat de kosten van nogal wat richtingen binnen de beroepsopleidende leerweg in de buurt van de tegemoetkoming komen (al hou je ook bij het MLO bijna 400 gulden over) wil ik de minister toch vragen of een differentiatie uitvoeringstechnisch volstrekt niet mogelijk is. Probleem is zoals gezegd vooral dat de technische richtingen van de beroepsopleidende leerweg zo duur zijn, de tegemoetkoming dus volstrekt niet toereikend, en ik wijs nog maar eens op het streven naar meer studenten voor techniek. Ik sprak over een uitrekking van het regeerakkoord; nu wil ik aangeven wat ik daar mee bedoelde. Hoewel we het als PvdA-fractie eens zijn met de door de minister gekozen systematiek voor een glijdende schaal, krijgen we het volgende resultaat bij een kortingspercentage van 25% voor ogen. We zijn aan het rekenen geslagen en ontdekten dat belastbare inkomens tot boven de 90000 gulden voor tegemoetkoming in de studiekosten in aanmerking zouden komen. Ik zeg er meteen bij: dit is het geval bij de beroepsopleidende leerweg en met drie schoolgaande kinderen, dus in een situatie van hoge onderwijskosten waarbij een vergoeding zeker welkom zal zijn. U zult het echter met me eens zijn dat op deze manier een heel plezierige interpretatie wordt gegeven aan het regeerakkoord, waarin letterlijk staat dat ouders met een belastbaar inkomen tot ca. 60000 gulden een belangrijker tegemoetkoming gaan ontvangen bij de bestrijding van de kosten van het onderwijs. De minister schrijft in Meer voor Meer dat een kortingspercentage van 25% haalbaar lijkt; hier spreekt een zekere ambitie voor dit percentage uit. Bij een kortingspercentage van bijvoorbeeld 35% zouden nog inkomens tot 80000 gulden in aanmerking komen voor tegemoetkoming studiekosten. Zo dadelijk weeg ik de ambities van de minister af tegen die van de PvdA-fractie. Waar zouden onze ambities anders kunnen liggen dan bij het streven naar kostendekkendheid voor de lagere inkomens? Met hulp van het ministerie, waarvoor dank, hebben we een tweetal varianten laten doorrekenen. Zoals al eerder aangegeven is bij het NIBUD, als het om de kosten van het onderwijs gaat, telkens sprake van minimum- en maximumkosten. Zo liggen de kosten van de bovenbouw HAVO/VWO tussen de 1202 en 1437 gulden. Onze minimumvariant gaat ervan uit dat in ieder geval de minimumkosten worden vergoed, in het geval van de bovenbouw HAVO/VWO dus 1202 gulden. Dit zou volgens de berekeningen van het ministerie in het voortgezet onderwijs 3,5 miljoen gulden kosten en daarbij is ervan uitgegaan dat alle inkomensgroepen zouden worden vergoed (dus ook boven de 52.000). Op basis van de maximumvariant worden de door het NIBUD berekende maximumkosten van het onderwijs vergoed. Voor alle kinderen in het VBO, MAVO, HAVO en VWO kost dit 28 miljoen gulden. Wij hóuden de ambitie om in ieder geval voor de laagste inkomens kostendekkendheid te garanderen. Maar, zoals ik net heb aangegeven, dat kost geld. Laat ik daar het volgende over zeggen. Als bij de beroepsopleidende leerweg een differentiatie in vergoeding voor goedkope en dure opleidingen mogelijk zou zijn, zou dat naar verwachting van het ministerie budgettair neutraal kunnen geschieden. Vervolgens kom ik terug bij het kortingspercentage van de glijdende schaal voor het voortgezet onderwijs. Als we dat kortingspercentage niet op 25 maar op 26% zouden vaststellen, nota bene hetzelfde kortingspercentage als in de studiefinanciering, levert dat 4 miljoen gulden op. Welke inkomensgrenzen daarbij horen, is afhankelijk van de hoogte van de norm en het aantal WTS-kinderen in het gezin, maar het zal doorlopen tot belastbare inkomens (ik zeg uitdrukkelijk: belastbare inkomens) van even onder de 90000 gulden. En met 4 miljoen gulden, voorzitter, heb ik mijn minimumvariant al betaald. Ik vraag de minister én de collega's om de beide varianten serieus te willen overwegen. Ongetwijfeld zal ook nu weer voor overcompensatie worden gewaarschuwd. Maar ik constateer dat we de schoolboekenprijzen nog steeds niet onder controle hebben en dat de onderwijskosten ongetwijfeld verder zullen stijgen. En ik constateer dat terecht de vraag is opgeworpen of na de invoering van de tweede fase niet ook als gevolg van de invoering van het VMBO een kostenstijging is te verwachten. En tenslotte constateer ik dat uit het Regioplan-onderzoek blijkt, dat de manier waarop gemeenten en scholen studiekosten vergoeden, sterk verschilt. Er is echt de kans dat bij het ontbreken van regelingen kinderen tussen de wal en het schip vallen. In de brief van de minister van 2 november staat dat het kabinet in overleg zal treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om te voorkomen dat - waar de WTS kostendekkend is - door gemeenten ook een vergoeding voor diezelfde kosten wordt gegeven. Ik zou heel wat liever hebben dat het kabinet met de VNG in overleg treedt om kostendekkendheid te garanderen! Ziet de minister mogelijkheden voor de verplichting voor scholen om een fonds in te stellen als kinderen tussen de wal en het schip dreigen te vallen? Net als in de studiefinanciering stelt de minister voor om ook in de tegemoetkoming studiekosten rekening te houden met het aantal kinderen, de telkinderen. Het lijkt zo logisch om met het aantal schoolgaande kinderen binnen één gezin rekening te houden dat ik het bijna vergat te noteren als pluspunt van de plannen. Maar bij deze alsnog. De systematiek van de WTS gaat terecht aansluiten bij de systematiek van de studiefinanciering ten aanzien van telkinderen. Wellicht kan de berekenings- en toewijzingssytematiek van beide regelingen eens worden vergeleken. Het lijkt mij wenselijk dat ook wordt bekeken of de regelingen wel goed op elkaar aansluiten. Er bereiken mij geluiden dat middelbare scholieren die net over de grens naar school gaan en 18 jaar worden, niet altijd van een van de twee regelingen gebruik kunnen maken. Is de minister bereid daar eens zeer aandachtig naar te kijken? In onze vorige discussie over uitbreiding van de tegemoetkoming studiekosten in de eerste fase heb ik uitdrukkelijke waardering geuit voor de peiljaarverlegging van t-3 naar t-2. In de nota Meer voor Meer is het voornemen opnieuw opgenomen. Is het echt niet mogelijk om eerder dan in 2002 uit te gaan van het peiljaar t-2? Dan kom ik bij een aantal financiële vragen, ons aangereikt door de staf van de commissie voor de Rijksuitgaven. Op bladzijde 43 van het kamerstuk geeft tabel 13 een overzicht van de extra uitgaven voor de WTS vanaf 1999 tot en met 2005. De tabel bevat de bedragen die met verschillende mutaties in de WTS zijn gemoeid, te weten 'uitgaven WTS 1e fase', 'uitgaven WTS 2e fase - verhoging van het normbedrag' en 'WTS 2e fase - korting van 25% incl. telkinderen'. In de toelichting onder de tabel staat: 'De bovenstaande reeks is echter niet geheel zonder risico. De berekening van de uitgaven wordt voornamelijk bepaald door het aantal extra gerechtigden dat door een hogere inkomensgrens in aanmerking zal komen voor een tegemoetkoming.' De omvang van deze groep leerlingen is onbekend. Wat zijn echter de onzekerheidsmarges: wat is de minimale en maximale omvang van deze groep leerlingen? Wat zijn de bijbehorende minimale en maximale bedragen die hiermee gemoeid zijn? Daar kan toch wel iets over worden gezegd. Over de meerjarenraming wordt op pagina 45 onderaan opgemerkt dat de leerlingenraming een stijging van het aantal leerlingen toont en dat het lesgeldbedrag jaarlijks stijgt. Beide zaken veroorzaken een opwaartse trend in de meerjarenramingen. De vraag rijst echter of dit verwerkt is in de meerjarenraming zoals die in tabel 13 wordt gepresenteerd? De uitgaven WTS 1e fase vertonen inderdaad een licht stijgende lijn. De uitgaven WTS 2e fase - verhoging van het normbedrag blijven echter van 2002 tot en met 2005 constant op 16 miljoen, terwijl de uitgaven WTS 1e fase - korting van 25% incl. telkinderen van 2002 tot en met 2004 dalen en in 2005 weer licht stijgt. Kan de minister ons op dit punt opheldering verschaffen? In de paragraaf Leerlingen in deeltijd MAVO/HAVO/VWO, blz. 41 en 42 van de nota, gaat de minister in op ondoelmatigheden in de WTS regeling. Het gaat daarbij enerzijds om niet-gebruik (de doelgroep van de regeling wordt niet bereikt), en anderzijds om gebruik van de regeling door mensen die buiten de doelgroep vallen doordat bijvoorbeeld bij de inkomenstoets niet naar het partnerinkomen wordt gekeken. Het is op zich positief dat de nota een dergelijke paragraaf bevat, waarin dit soort doelmatigheidsvraagstukken rondom de uitvoering van de regeling aan de orde komen. Ik heb echter nog wel een aantal vragen. Kan de minister aangeven, hoeveel mensen ten onrechte geen gebruik maken van de WTS-regeling? En hoeveel mensen gebruik maken van de regeling terwijl deze eigenlijk niet voor hen is bedoeld? Welke bedragen zijn hiermee gemoeid? De minister schrijft in tamelijk algemene termen over de problemen en mogelijke oplossingen: "het moment lijkt nu aangebroken om te onderzoeken of de regelgeving moet worden aangepast. ....... Het is misschien een betere weg om aan te sluiten bij de voorzieningen die er al zijn voor de lagere inkomens op gemeentelijk niveau, bijvoorbeeld de bijzonder bijstand." (pag. 42 bovenaan). Kan de minister aangeven, welke concrete beleidsalternatieven hij heeft onderzocht dan wel binnenkort gaat onderzoeken om de geconstateerde problemen op te lossen, en op welke termijn hij hierover aan de Kamer wil rapporteren? Ik noteer met nadruk dat de regering geen bezuiniging voor ogen heeft.

Ik kom tot een afronding. Wij zijn blij met de vergaande verruiming van de tegemoetkoming studiekosten, waarvan inmiddels sprake is. Er is echter nog steeds een gat tussen de kosten die ouders voor schoolgaande kinderen maken en de vergoeding die ze daarvoor ontvangen. Zo'n gat is met name voor ouders met lagere inkomens moelijk te overbruggen. Daarnaast moeten we constateren dat de minister het regeerakkoord wel erg oprekt. De WTS-regeling wordt aanmerkelijk verder verruimd dan tot de circa 60.000 gulden belastbaar inkomen, waar het regeerakkoord over spreekt. Met procentpuntjes valt heel wat voor lagere inkomens te bereiken, zo zal hopelijk duidelijk zijn geworden. Wat zeker ook van belang is, is dat ouders eerder dan in september 2001 de sterk gestegen onderwijskosten krijgen gecompenseerd. De PvdA-fraktie wil dat de reeds gedane Kameruitspraak zo snel mogelijk wordt uitgevoerd. Begrijpen we het goed dat - als de minister al bij voorjaarsnota budget weet vrij te maken - de normvergoeding in het voorgezet onderwijs voor september 2001 slechts voor de inkomenscategorie 40.000 gulden met 50 gulden wordt verhoogd? Vijftig gulden houdt niet over als je honderden guldens per jaar tekort schiet. Ook bij de inkomens van 40.000 tot 52.000 gulden spreken we over lagere inkomens, waarvoor we op de korte termijn graag iets zouden doen. Ik vraag tenslotte dan ook aan de minister of hij mogelijkheden ziet om voor september 2001 meer voor meer mensen te doen!

Deel: ' Bijdrage PvdA aan nota-overleg tegemoetkoming studiekosten '




Lees ook