Partij van de Arbeid


Den Haag, 22 november 1999

BIJDRAGE VAN TINEKE WITTEVEEN-HEVINGA (PVDA) AAN HET NOTAOVERLEG OVER DE NOTA RUIMTELIJK ECONOMISCH BELEID

Algemeen
De fractie van de PvdA spreekt haar waardering uit over het feit dat ter voorbereiding van de Vijfde nota ruimtelijke ordening het thema ruimte en economie expliciet in de Nota ruimtelijk economisch beleid aan de orde wordt gesteld. Ook is het een uitstekende zaak dat deze nota een start maakt met de omschakeling van het achterhaalde regionaal economisch beleid dat immers slechts gericht was op het wegwerken van achterstanden. Continuering van dat concept zou voorbij gegaan zijn aan de waarde van een modern ruimtelijk economisch beleid op regionaal niveau. Het is dus goed dat er een andere weg wordt ingeslagen. Ik ga eerst in op de voorliggende nota als bouwsteen voor de Vijfde nota en daarna aandacht geven aan het onderdeel regionaal ruimtelijk economisch beleid.

I. De Nota ruimtelijk economisch beleid als bouwsteen voor de Vijfde nota ruimtelijke ordening In de nota schetst het kabinet de beleidslijnen om het vestigingsklimaat in Nederland te versterken. Er staan veel positieve elementen in waaronder de aandacht voor de stadseconomie. De PvdA ziet de nota als een belangrijke inventarisatie en analyse van de knel- en aandachtspunten op dit terrein. De Nota ruimtelijk economisch beleid behandelt thema's zoals vestigingsfactoren, mainports, economische ontwikkelingsassen en economie in de regio. Het is een stuk dat bestaande instrumenten en problemen beschrijft. Ook als inventarisatie is de nota geslaagd maar de formulering van een onderbouwde visie met richtinggevende uitgangspunten richting 2010-2030 met betrekking tot het hoe en waarom van de economische inrichting komt het toch te weinig uit de verf. Het gaat erom dat vanuit de economische invalshoek een visie wordt gegeven op de uitgangspunten van het te verwachten ruimtebeslag van de al dan niet gewenste economische activiteiten. Aangegeven dient te worden hoeveel ruimte daarvoor naar de mening van Economische Zaken zal moeten worden gebruikt. Ik wil aan de hand van de door de PvdA voorgestane leidraad duurzame economische ontwikkeling (geen onnodige nieuwe claims op open/groene ruimte) enige aanknopingspunten bieden voor een bijdrage aan de door Economische Zaken te leveren bouwstenen voor de Vijfde nota.

Kernpunt van ons standpunt is dat Nederland op zijn tellen moet passen. Nederland is een klein land met weinig ruimte en die mogen we niet langer onnodig verspillen door alsmaar nieuwe open of groene ruimtes sluipenderwijs als het ware "in te pikken" terwijl er betere oplossingen zijn, zoals het beter gebruiken van bestaande bedrijfsterreinen en woningbouwgebieden of het meer gebruik te maken van waterwegen in plaats van b.v. nieuwe wegen aan te leggen. Het standpunt van de PvdA-fractie is dat we zuinig moeten omspringen met de schaarse ruimte in ons land

We moeten ervoor zorgen dat daar waar Nederland grootstedelijke functies met internationale allure kan ontwikkelen dat ook daadwerkelijk gebeurt. We moeten ervoor zorgen dat daar waar sprake is van natuurgebieden met internationale allure die ook effectief beschermd worden tegen bedreigende ontwikkelingen. Dit zijn natuurlijk extremen met een internationale dimensie waarbinnen vele schakeringen en identiteiten aanwezig zijn. Het gaat erom hoe een zodanig toekomstgericht ruimtelijk economisch beleid ontwikkeld kan worden dat bijdraagt aan het behoud en de ontwikkeling van een modern vestigingsklimaat dat naadloos toegesneden kan worden op de behoeften van de volgende eeuw.

Zoals u weet, leeft bij de PvdA-fractie de gedachte van een meerkernenstad. Dat wil zeggen dat je steden maakt tussen de steden en dat je dus echt kiest voor de ouderwetse scheiding tussen stad en land, maar dan op een veel groter schaalniveau dan thans. Dan spreken we over Groningen-Assen, over Hengelo- Enschede, Arnhem-Nijmegen, Zaanstad-Amsterdam-Haarlemmermeer en Den Haag-Rotterdam-Delft-Zoetermeer. De druk op de ruimte is in Nederland groot. Vooral de ontwikkeling van verstedelijking en infrastructuur is opvallend. Het areaal bebouwd nam in de periode 1970-1993 met ruim 140% toe tot ruim 4.500 km2. Deze ontwikkelingen hebben effecten op landschapskwaliteiten en de kwaliteit van natuurgebieden. We kunnen nog zo' n goed fiscaal of technologiebeleid en een goed opgeleide beroepsbevolking hebben, maar als onze woon-, werk- en leefomgeving niet meer voldoet aan de nieuwe behoeften van toekomstige generaties, eisen en inzichten ook voor wat betreft de ecologische aspecten, als we de open en groene elementen in ons land verwaarlozen, dan zullen we een concurrentiefactor van formaat gaan missen. De moderne consument zal de factor open en groene ruimte steeds meer waarderen. Dat betekent dat we de ruimtelijk economische ontwikkelingen niet op zijn beloop moeten laten, dat wil zeggen dat het hier en daar corrigeren van de marktprocessen onvoldoende zal zijn, maar dat er een sturend beleid ontwikkeld moet worden in het kader van de Vijfde nota. Hoe kijkt de Staatssecretaris tegen een dergelijke benadering aan?

Ik kom tot wat concretere punten en opmerkingen betreffende een aantrekkelijk toekomstig vestigingsklimaat.


* Bedrijfsterreinen
Bij de behandeling van de begroting Economische Zaken heeft mijn collega Hindriks hierover al uitgebreid gesproken. Terecht schenkt de Nota veel aandacht aan het nijpende probleem van een tekort aan bedrijventerreinen. Wanneer zal de Kamer geïnformeerd worden over de kwantitatieve doelstellingen van de TIPP regeling? Zal dat een duidelijk inzicht bieden in de omvang van de problematiek en de mate waarin herstructurering van bestaande bedrijventerreinen kan bijdragen aan de oplossing van het probleem? Zal het ook inzicht geven in hoeverre extra bedrijventerreinen daadwerkelijk bijdragen aan de economische ontwikkeling uitgedrukt in werkgelegenheid? Een positieve beantwoording op deze vragen vinden wij belangrijk omdat de PvdA-fractie een herstructureringsplan en een bedrijfsterreinenplan met klem bepleit. Eveneens met het oog op het zo goed mogelijk benutten van de schaarse ruimte vragen wij de staatssecretaris te onderzoeken met welk instrument binnenstedelijk gebied sterker kan concurreren met uitleggebieden. Wij denken dat een regulerende heffing en een vereveningsfonds een goed instrument kunnen zijn.


* Met betrekking tot werking van de grondmarkt in zijn algemeenheid wachten wij overigens het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) af.


* Groene ruimte als vestigingsfactor
Mijn fractie is van mening dat het element groene ruimte als factor van economisch nut wordt onderschat. Te vaak wordt in het kader van economische discussies in een hoek geplaatst waar het allang niet meer hoort. Natuurlijk hebben natuurwaarden een intrinsieke waarde die niet noodzakelijkerwijs in economisch nut hoeven te worden uitgedrukt; ook de waarde die ecosystemen met hoogwaardige eigenschappen ten aanzien van biodiversiteit hebben, is op macromondiaal niveau alom erkend. Maar toch kan het waardevol zijn om, naast de economische waarde van een bedrijfsterrein als vestigingsfactor, om ook op microniveau de economische waarde van groene ruimte als vestigingsfactor te berekenen. Volgens het kabinet is het lastig de economische waarde van groene ruimte vast te stellen. Er zouden verschillende waarderingsmethodieken zijn. Toch zijn deze antwoorden voor mij niet dermate ontmoedigend dat ik de staatssecretaris niet zou willen vragen een poging te wagen om juist ook sterk te staan in de discussies over de Vijfde nota. Immers, ook in uw eigen nota wordt op diverse plaatsen gewezen op de trend dat de consument steeds meer waarde hecht aan een goed en gezonde woon-, werk- en leefomgeving. De keuze tussen werkgelegenheid, bouwen en groen hoeft niet per se altijd ten faveure van het eerste uit te vallen. Het volbouwen van plaatsen waar de groene ruimte nu schaars is, heeft gevolgen die nauwelijks nog omkeerbaar zijn. Een ook vanuit economisch oogpunt manifeste waardering voor open en groene ruimte zou wel eens een win-win situatie kunnen opleveren. Economische belangen en belangen van natuurbehoud komen zo in elkaars verlengde te liggen.

(Het voorzien in de behoefte aan natuurgebieden, open ruimte en een gezond leefmilieu voor huidige en toekomstige generaties zou niet meer moeten wedijveren met andere aanwendingen van de schaarse middelen, zo stelt prof. Heertje terecht.)


* Het beter benutten van waterwegen
Steeds meer wint de gedachte veld van het water als ordenend principe. Ook hier vragen wij ons af of er in het kader van discussies over de Vijfde nota niet nadrukkelijk naar win-win situaties gekeken moet worden met betrekking tot de versterking van het vestigingsklimaat en andere belangen. De binnenvaart is een milieuvriendelijke vervoerswijze. Het doet geen buitenproportionele aanslag op de groene ruimte. De economische schade van de fileproblematiek anno 1999 wordt op 1,7 miljard geschat, zo blijkt uit het antwoord op vraag 51. Tot en met 2030 wordt nog een verdrievoudiging van het vrachtvervoer verwacht. De congestieproblematiek op de wegen wordt door een intensiever gebruik van de waterwegen verlicht. De omschakeling van de binnenvaartondernemer van vervoerder naar logistiek dienstverlener kan, samenvattend, een duurzame, positieve bijdrage leveren aan de versterking van het vestigingsklimaat in Nederland in het kader van een efficiënt goederenvervoer. Het zal bijdragen aan de bereikbaarheid van de economische centra in ons land. Dan moet er wel sprake zijn van een optimale infrastructuur, zowel nationaal als Europees. De branche zelf heeft daarover zinvolle publicaties geleverd; zie de nota Binnenvaart: veelzijdig vervoer met visie, het perspectief ondersteund door het ministerie van Verkeer en Waterstaat, het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam en het blad Schuttevaer. De PvdA-fractie zou graag zien dat de regering duidelijker ingaat op hoe zij de economische en ecologische voor- en nadelen van het gebruik van waterwegen ziet. Kan de staatssecretaris hierop ingaan?


* De corridorontwikkeling
Nederland heeft te kampen met een schaarste aan ruimte; met andere woorden er is een geweldig probleem ten aanzien van de druk op de ruimte voor de verschillende functies. Voor de aanpak daarvan mogen we niet wachten tot na 2010. Het is dan ook goed van het kabinet te vernemen dat het niet de bedoeling is dat de Vijfde nota pas in 2010 in werking treedt. Het is ook verstandig dat het kabinet inmiddels van mening is dat in de praktijk niet kan worden geëxperimenteerd met corridors. De PvdA-fractie verwacht wel van het kabinet dat er in de Vijfde nota voorstellen voor maatregelen worden opgenomen voor een tijdige oplossing van de ruimtedruk. Mag ik ervan uitgaan dat de staatssecretaris daar ook zijn best voor zal doen en daarin de opmerkingen en suggesties zal meenemen zoals in het vorengaande door mij gedaan?

Ik ga nu wat nader op enkele punten die niet of onvoldoende belicht in de Nota ruimtelijk economisch beleid.


* Ruimtebeslag ondergrond
Als we kijken naar de discussies over de ruimtelijke ordening, dan constateren we dat het gebruik van de ondergrond eveneens een relevant thema is. Dat geldt ook op het regionale niveau waar provincies hard werken aan een toekomstvisie richting 2030. Kijk alleen naar de huidige verschillen van inzicht tussen het ministerie van Economische Zaken en het provinciaal bestuur van Drenthe met betrekking tot het gebruik van de ondergrond. Ligt het niet voor de hand dat ook het ministerie van Economische Zaken ten aanzien van het gebruik van de ondergrond (denk aan de aanleg van kabels ten behoeve van het elektronisch dataverkeer, ondergrondse parkeeruimtes of aan gasopslag c.q. andere vormen van ondergronds opslag) zijn wensen richting Vijfde nota kenbaar maakt? Wat is de reactie van de staatssecretaris?


* Ruimtebeslag doelstellingen (duurzame) energie Wij hebben vragen gesteld over mogelijk toekomstig ruimtebeslag voor de toepassing van duurzame energie. De antwoorden verwijzen naar diverse nota's, maar in die nota's wordt nauwelijks ingegaan op de behoefte aan ruimtebeslag. Of het zou al moeten zijn de erkenning van de locatieproblematiek voor de plaatsing van windmolens. De regering zal ervoor moeten zorgen dat de ruimtelijke inpassing van andere vormen van duurzame energie geen onverwachte obstakels zullen vormen. Want dat zal zeker de economische haalbaarheid verder wegbrengen. Kan de staatssecretaris daarop nader ingaan?


* (Eco)toerisme en recreatie
Toerisme en recreatie is een beleidsterrein dat zeker ook Economische Zaken aangaat. Wij vinden dat het kabinet een te onduidelijke en terughoudende positie inneemt. De Nota ruimtelijk economisch beleid verwijst nogal naar andere nota's. Dat er een goede samenhang dient te zijn tussen de diverse ministeries, die zich met toerisme bezighouden, onderschrijf ik. Waaraan het echter ontbreekt, zeker gezien het feit dat deze sector van groeiend economisch belang wordt, is een duidelijke visie van de rijksoverheid op hoe zij de rol van het toerisme en het beslag op de ruimte van die sector ziet en in welke richting zij deze zou willen sturen. Teveel wordt overgelaten aan de lagere overheden en de sector zelf. Hoe denkt de regering b.v. over haar rol bij de aanleg van grote recreatieprojecten die wellicht provinciegrenzen of mogelijk landsgrenzen overschrijdende gevolgen hebben? Is deze bouwsteen niet ook bij uitstek een kans om een visie met betrekking tot ecotoerisme, vooral als onderdeel van locale economieën te ontwikkelen?


* Internationale context
> Rol mainports
Op een van de door Economische Zaken gehouden conferenties luidde de kritiek dat deze nota een visie op de internationale context onderbelicht. Met name ook daar waar het gaat over de rol van de Nederlandse mainports binnen het zgn. noordwest metropolitaan gebied. Hoe zal deze noodzakelijke bouwsteen voor de Vijfde nota?

> Pro-actief beleid grensregio's
Al heel lang wordt er in de grensregio's gewerkt aan de ontwikkeling van samenhangend ruimtelijk economisch beleid. Het antwoord op onze vraag op welke wijze de regering de samenwerking tussen grensregio's op een meer pro-actieve wil stimuleren, vinden wij niet stimulerend genoeg. Het lijkt erop alsof een grensoverschrijdend beleid afhankelijk wordt gemaakt van initiatieven van de Europese Unie. Maar die tijd lijkt ons nu wel achter de rug: de regio's zijn er meer dan rijp voor, de rijksoverheid dient dat met een pro-actief beleid te ondersteunen. In het Zuiden speelt b.v. de vraag in hoeverre er afstemming kan plaatsvinden met de gebieden over de grens op het punt van de ruimtelijke claims. Daarbij gaat het over infrastructuur en bedrijventerreinen. Vergelijkbare behoeftes zijn er in de andere grensregio's. Een pro-actieve aanpak aan beide kanten van de grens kan wellicht ook de behoefte aan extra steunsubsidies doen verminderen omdat samenwerking in plaats van concurrentie de prioriteit zal krijgen. Wil de staatssecretaris hier op reageren?


* Clusters en linkages
De staatssecretaris zal ongetwijfeld weten dat men in het Noorden met speciale belangstelling heeft kennis genomen van de onderzoeksresultaten van prof. Oosterhaven, getiteld Clusters en linkages in beeld, een toepassing op de regio's Noord-Nederland, Groot-Amsterdam/NZKG en Groot Rijnmond. De uitkomsten van dit onderzoek moeten bijdragen aan het zo goed mogelijk besteden van gelden van Economische Zaken voor ruimtelijk economisch beleid. Dat onderzoek zet vraagtekens bij de door velen veronderstelde, grote uitstraling van de mainports naar de nationale economie. Een kwartje subsidie in b.v. Noord-Nederland zou meer rendement opleveren dan een kwartje in een van de mainports. Mag de PvdA-fractie ervan uitgaan dat het kabinet met betrekking tot deze conclusie met een gedegen oordeel komt? Uit het antwoord op vraag 37 over dit onderzoek leid ik overigens af dat de conclusies betrokken zullen worden bij het aangekondigde onderzoeksprogramma naar de relatie tussen ICT, economie, ruimte en mobiliteit. Wat is de verhouding tussen dit aangekondigde onderzoeksprogramma en de inventarisatie economische effecten (IEE) van mainports? Wat is het tijdpad in relatie tot de Vijfde nota (vraag 87)?

II. Samenhangend ruimtelijk economisch beleid

De PvdA-fractie onderschrijft de al bij de Nota Ruimte voor de regio's (1995) geponeerde mening dat het traditionele regionaal economisch beleid veranderd moest worden in een modern ruimtelijk economisch beleid, en dat het economisch potentieel - breed opgevat - in alle regio's moest worden versterkt. Het gaat erom op welke wijze alle regio's kunnen bijdragen aan de nationale welvaart en andersom. Regiovisies en regiocontracten zijn een belangrijk instrument. De nota zegt daarover echter heel weinig. Ook de antwoorden op de hierover gestelde vragen bieden niet veel extra helderheid. Wat is de rol van Economische Zaken en hoe verhoudt die zich met die van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties? Ligt het niet voor de hand dat juist Economische Zaken aangeeft wat onder het begrip regio moet worden verstaan? Minister Pronk voert in het kader van de voorbereiding van de Vijfde nota gesprekken met de regio's Noord, Oost, Zuid en West. Is dat niet een benadering die ook geschikt zou zijn voor de vormgeving van een ruimtelijk economisch beleid? Vanzelfsprekend is daarbinnen dan plaats voor regiovisie's. De PvdA-fractie zou het zeer toejuichen als Economische Zaken meer initiatief neemt om met provincie- en gemeentebesturen in overleg te treden om een echt regionaal beleid van de grond te tillen. Voor Noord-Nederland is dat gebeurd. Voor Zuid-Nederland ook; daar heeft echter Binnenlandse Zaken het voortouw. In dit verband zijn wij van mening dat de provincies en samenhangende regio's binnen de door de rijksoverheid gestelde voorwaarden, uiteraard ook binnen de toekomstige lijnen van de Vijfde nota, meer zelf initiatieven moet kunnen ontplooien om de regionale economische ontwikkeling te sturen. Desgevraagd heeft de staatssecretaris een overzicht gemaakt van de beschikbare instrumenten. Toch komt dat tamelijk verbrokkelt over.

(In par. 4.4. van de nota is aangegeven langs welke wegen dit gebeurt:
- via samenwerking en de ontwikkeling va ruimtelijke economische kennis (b.v. via Convenant IPI en VNG en de bedrijfslocatiemonitor);
- via het verlenen van financiële prikkels (b.v. de TIPP en het stadseconomiebudget);
- via de versterking van het organiserend vermogen in de regio (b.v. via de ROM's en Syntens))

De PvdA-fractie vindt dit toch een verbrokkeld instrumentarium. Het geeft de provincies/ gemeenten onvoldoende mogelijkheid om een samenhangend gebiedgericht en arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen. De ervaringen in Noord-Nederland wijzen dat ook uit. De financieringskanalen zijn volstrekt sectoraal geregeld met alle gevolgen van dien. Gezien het feit dat er op provinciaal c.q. lokaal niveau veel kennis aanwezig is over economische knelpunten aldaar, nodigen wij de regering uit instrumenten te ontwikkelen waarmee de uitvoering van een samenhangend regionaal economisch beleid gestalte kan krijgen.

III. Europese steunkaart en Langman


* Europese steunkaart
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de invulling van de Europese steunkaart?


* Langman
De fractie van de PvdA heeft nadrukkelijk verzocht om een monitoringsysteem voor wat betreft de uitvoering van het Langman-akkoord. Het ging ons daarbij vooral om de invulling van de controletaak van het parlement met betrekking tot het inlopen van de werkgelegenheidsachterstanden waar het hele Langman-pakket om begonnen is. Hoewel arbeidsplaatsen worden er per programma verwacht en hoe verloopt de realisering daar van in de praktijk? Een dergelijk monitoringssysteem is des te urgenter omdat de regering in de onderhavige nota min of meer suggereert dat het extra beleid in principe in 2006 beëindigd zou kunnen worden. Niets zou mooier zijn dan dat. Maar dan wil ik wel graag periodiek kunnen controleren of de invulling van de benodigde 43.0000 extra arbeidsplaatsen daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Dat komt in de periode 2000 tot en met 2006 neer op een dikke 7.000 arbeidsplaatsen per jaar. Of rekent de staatssecretaris met de periode tot en met 2010? De tijd begint te dringen dat de Kamer nu eindelijk deze noodzakelijke informatie ontvangt. Kan de staatssecretaris toezeggen dat deze gegevens zo spoedig mogelijk aan de Kamer worden gezonden? Er bestaat immers geen verschil van mening over de noodzaak ervan.

Deel: ' Bijdrage PvdA notaoverleg ruimtelijk economisch beleid '




Lees ook