Partij van de Arbeid


Den Haag, 9 december 1999

BIJDRAGE VAN MARIËTTE HAMER (PVDA) AAN HET ALGEMEEN OVERLEG AUTONOMIE EN DEREGULERING IN HET ONDERWIJS

De PvdA-fractie deelt de mening van de minister dat veranderingen in het onderwijs vaak een reactie zijn op maatschappelijke ontwikkelingen. Volgens de minister hebben de instellingen meer bewegingsvrijheid nodig om op deze maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen inspelen. Ze moeten een zelfstandige positie innemen en vraaggericht te werk gaan. De PvdA-fractie deelt deze opvatting maar vindt het wel van belang dat de overheid goede kaders en structuur moet bieden voor deze instellingen; een overheid die zorgt voor kansen voor iedereen. Daarbij is duidelijk een verschil op te merken tussen de positie van enerzijds primair en voortgezet onderwijs en anderzijds het hoger onderwijs. In het hoger onderwijs kan de mate van autonomie sterker zijn en past in dit beeld een grotere mate van vraagsturing. De bve-sector bevindt zich tussen deze twee posities in. De minister noemt vier ijkpunten voor de rol van de overheid: kwaliteit, toegankelijkheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid voor het bestel.

Kwaliteit
Kwaliteit is de basis van een vitaal bestel. In een hoogontwikkelde samenleving biedt kwalitatief goed onderwijs mensen kansen om hun talenten te ontdekken, te ontwikkelen en te gebruiken. Pas als de voorzieningen kwaliteit hebben, krijgt de toegankelijkheid ervan betekenis. De PvdA-fractie is van mening dat bij verdergaande autonomievergroting en een sterkere marktoriëntatie het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek belangrijker zal worden. In een hoog ontwikkelde samenleving als de Nederlandse waar een beroep wordt gedaan op de kennis en vaardigheden van hoger opgeleiden neemt het belang van kwalitatief hoogwaardig onderwijs alleen maar toe.

Deze lijn om sterker te sturen op kwaliteit wordt in het HOOP verder uitgewerkt door de opheffing van de Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO) en in het verlengde hiervan de afschaffing van de toets op de macrodoelmatigheid. Hogescholen kunnen in het vervolg zelf aangesproken worden op investeringsbeslissingen met betrekking tot het onderwijsaanbod. De PvdA-fractie heeft grote vraagtekens bij de wijze waarop deze maatregel wordt ingevuld. Zij hecht niet aan de ACO als zodanig het wel belangrijk dat bij het starten van een nieuwe opleiding door middel van een toets vooraf aannemelijk gemaakt wordt dat de opleiding van voldoende kwaliteit zal zijn en dat er geen onnodige verdubbeling met andere opleidingen plaats vindt. Tevens hoort de minister een eindoordeel te kunnen geven. Zij wil de minister daarom verzoeken om bij de behandeling van het HOOP met een helder voorstel te komen.

Andere punten met betrekking tot kwaliteit, die in het HOOP een eerste uitwerking hebben gekregen, zijn onder andere Europese kwaliteitsnormen, interne kwaliteitszorg op basis van studentoordelen, docentenkwaliteit en het opheffen van belemmeringen voor bestuurlijke fusies tussen universiteiten en hogescholen.

Volgens de minister moet de kwaliteit van het onderwijs worden afgemeten aan internationale normen. De PvdA-fractie vraagt zich af of dit een juiste veronderstelling is omdat Nederland ten opzichte van andere Europese landen een voorsprong heeft op het gebied van kwaliteitszorg. Ze denkt dan ook dat de nationale maatstaven gehandhaafd moeten blijven.

Studenten zijn over het algemeen goed op de hoogte van de kwaliteit van het onderwijs van hun instelling. In het verlengde hiervan is het dan ook van belang dat de regelgeving voldoende ruimte aan opleidingscommissies geeft om goed te kunnen functioneren. Ook de plaats van de opleidingscommissies ten opzichte van andere medezeggenschapsorganen verdient aandacht. Het is van belang dat de opleidingscommissies door andere medezeggenschapsorganen erkend worden. Tevens moet er aandacht besteedt worden aan de werving van studenten voor de commissies. Het animo is voorral in het hbo erg laag.

Goede kwaliteit van het onderwijs gaat ook gepaard met docentenkwaliteit. Een docent heeft namelijk de nieuwste kennis paraat en de juiste didactische vaardigheden beschikbaar om deze kennis op een goede manier te verspreiden. Daarbij is het van belang dat de docent zich blijft bijscholen. Dit werkt door in de kwaliteit van de kennis van de student.

De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) zal zodanig aangepast worden dat bestuurlijke fusies tussen hbo en wo mogelijk worden. Bij een bestuurlijke fusie tussen hogescholen en universiteiten blijft sprake van afzonderlijke kwaliteitszorgsystemen en verschillende bekostigingsmodellen voor het hbo en wo. In internationaal opzicht komt steeds vaker de vraag naar voren over het handhaven van het binaire stelsel. De PvdA-fractie vraagt zich af of de kwaliteitszorgsystemen vanuit dit perspectief gehandhaafd kunnen blijven. Tevens vraagt zij zich af of het ene taboe (fusie tussen instellingen) nu niet wordt ingeruild voor een ander taboe, namelijk het onmogelijk maken van inhoudelijke samenwerking tussen hbo- en wo-opleidingen.

Toegankelijkheid
Wanneer aan het kwaliteitscriterium voldaan is, vindt de PvdA-fractie het van belang dat iedereen de kans krijgt om een startkwalificatie te halen. Dit is vooral noodzakelijk met betrekking tot de positie van het secundair beroepsonderwijs. Volgens de bewindslieden zouden er daarom naast het voltijds dagonderwijs andere, gelijkwaardige mogelijkheden aangeboden moeten worden. De PvdA-fractie heeft met belangstelling kennis genomen van het voorstel van de minister om de diplomatermijn te verlengen tot tien jaar. Studenten krijgen hierdoor meer mogelijkheden voor het opdoen van commissie en werkervaring buiten hun studie. De studiefinanciering sluit aan bij deze verlenging, aangezien studiefinanciering per maand ontvangen wordt. Het collegegeld dient echter in termijnen betaald te worden, waardoor het voor kan komen dat een student collegegeld betaalt zonder daadwerkelijk onderwijs te volgen. Is het geen mogelijkheid om het collegegeld ook per maand in plaats van per termijn af te dragen?

Doelmatigheid en verantwoordelijkheid
In de relatie tussen de overheid en de instellingen zal de nadruk minder gaan liggen op sturing door de overheid vooraf. De verantwoording door de instellingen achteraf zal meer aandacht krijgen. Een belangrijk aandachtspunt is de verhouding tussen interne en externe verantwoording. Een goede interne verdeling van de verantwoordelijkheden bevordert de kwaliteit en bestuurlijke slagkracht van de instelling, maar is ook van positieve invloed op de publieke verantwoording. De PvdA-fractie vindt het van belang dat het interne toezicht goed en transparant geregeld is. De minister zal op korte termijn met de hogescholen van gedachten wisselen over intern toezicht van hogescholen en de relatie met het overheidstoezicht. Bij de behandeling van het HOOP zullen we hier nader op ingaan. Meer ruimte en variëteit voor instellingen vraagt volgens de PvdA-fractie om verdere vergroting van de zichtbaarheid van prestaties die instellingen met de gegeven middelen leveren. Het beleid dient dan ook op dit punt aangescherpt te worden. Instellingen krijgen de mogelijkheid om zich steeds meer te gaan profileren. Dit bevordert volgens de minister de samenwerking tussen de instellingen, waardoor er een gevarieerder onderwijsaanbod ontstaat. De PvdA-fractie vindt het van belang dat de instellingen aan bepaalde minimumeisen voldoen en de belangrijke ontwikkelingen blijven volgen. Daarbij moet de toegankelijkheid gewaarborgd blijven. Toelatingsexamens, verplichte extra studiekosten en universiteiten die zich gaan profileren als elite-onderwijsinstelling zijn uit den boze.

BVE
In de bve-sector is er sprake van een grote hoeveelheid regelingen. Tevens kent de bve-sector veel verschillende functies en actoren waardoor er ook regelgeving voor een grote diversiteit aan onderwerpen noodzakelijk is. De PvdA-fractie zou het een goede stap vinden wanneer hier meer samenhang tussen komt. Een analyse van de WEB in het licht van deregulering zal onder andere aan de orde komen bij de behandeling van de vernieuwingsmonitor bve. De bve-sector gaf in het rondetafelgesprek aan dat zij van oordeel zijn dat zij zich op weg naar een vergelijkbare positie als het hbo begeven. Zij zien dit in een jaar of vijf tot stand komen, maar hebben nu nog de pijn van de vele fusies in de benen. Zij hopen daarom op een begeleidend proces vanuit de overheid naar meer autonomie. Met name op het punt van het voortijdig schoolverlaten en educatie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid en instellingen van noodzakelijk belang.

Tenslotte wordt in de beleidsbrief niet of nauwelijks ingegaan op de consequenties van de uitwerking van meer gemengde financiering (naast de overheid, bedrijven en sponsors ook aanspreken met betrekking tot financiering). Welke bedoelingen heeft de minister omtrent dit punt? Is hij bekend met de omvang die het nu al in het hoger onderwijs en de bve-sector heeft?. Is hij van plan deze omvang nog meer te laten toenemen? Welke stappen gaat hij ondernemen om hier meer zicht op te krijgen? Het mag duidelijk zijn dat voor de PvdA-fractie toegankelijkheid en kwaliteit niet in gevaar mogen komen. Daarom kunnen we deze trend ook niet zomaar aan ons voorbij laten gaan. Bij de behandeling van het HOOP willen dan ook explicieter in gaan op de vraagsturing door studenten en de kansen van een vouchersysteem voor studenten hierbij.

Deel: ' Bijdrage PvdA overleg autonomie en deregulering onderwijs '




Lees ook