Nieuws van de Socialistische Partij


TIP: Behalve acties heeft de SP nog veel meer activiteiten. Je kunt daarover alles te weten komen op de Praktijk-pagina's.

Debat met de minister over de Evaluatie Opsporingsmethoden - eerste termijn Jan de Wit


29-06-99

De heer De Wit (SP): Mevrouw de voorzitter!
Ik wil beginnen met de vertrouwelijke informatie die de minister gisteren aan de Kamer heeft
verstrekt. Ik ben daar niet bij aanwezig
geweest. Ik heb daar drie redenen voor. Ik
wil dit graag vooraf gezegd hebben. In de
eerste plaats vind ik dat het debat met de
Kamer zoveel mogelijk in de openbaarheid
moet plaatsvinden. Het verstrekken van vertrouwelijke informatie draagt het risico in zich dat
gegevens en informatie te veel en onnodig
als vertrouwelijk worden bestempeld, hetgeen
het debat in de Kamer lam legt, het parlement
beperkt en vervolgens het risico inhoudt
dat tegenover de buitenwereld de indruk wordt
gewekt dat de Kamer en de minister afspraken
maken over het debat dat vervolgens in de
openbaarheid plaatsvindt. Met andere woorden
en in de sfeer waarover wij het hebben: de
schijn wordt gewekt dat er tussen Kamer en
minister een deal gesloten wordt. Die schijn
moet in ieder geval naar de mening van de
SP-fractie vermeden worden.
Voorzitter! Gelet op de hoeveelheid spreektijd
die ik heb, zal ik mij beperken tot het stellen van een aantal vragen. Ik begin met de parallelimporten in de periode 1991-1994.
Na het verschijnen van het rapport van de
commissie was er discussie over de vraag
of er sprake was van harde feiten of van
aanwijzingen. Erkent de minister inmiddels
dat er sprake is van harde feiten en dat

15.000 kilo cocane is doorgevoerd met medewerking van politie, douane of de FIOD? Als dat zo
is, waarom heeft de minister dan in eerste
instantie na het bekend worden van hoofdstuk

5 met deze bevindingen zo sceptisch gereageerd tegenover de buitenwereld? Kan de minister
een verklaring geven voor de reactie van
het openbaar ministerie na het verschijnen
van het rapport dat in wezen de belangrijkste
bevindingen van de commissie bagatelliseerde?
Wat vindt de minister van deze reactie? Geeft
deze niet aan dat er binnen het OM nog steeds
sprake is van een bepaalde cultuur, tekenend
voor de opvatting over de verhouding met
de minister, maar zeker met de Kamer?
Over de parallelimporten na 1994 stelt de
minister dat er geen duidelijke aanwijzingen
zijn dat met behulp van de deltamethode nog
parallelimporten plaatsvinden, noch dat er
sprake is van betrokkenheid van individuele
overheidsfunctionarissen. De commissie-Kalsbeek spreekt over aanwijzingen. Kan de minister
op dit verschil in beoordeling ingaan? Waarom
vindt hij het noodzakelijk dat er strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt als er geen sprake
is van duidelijke aanwijzingen?
Ook voor mij geldt de vraag wie wat op welk
moment wist, althans kon en behoorde te weten.
Dat betreft in de eerste plaats het college
van procureurs-generaal. De commissie-Kalsbeek
geeft in volgorde aan dat in februari 1997
en november 1997 het college is genformeerd
en vervolgens op 6 oktober 1998 ook over
de 15.000 kilo. Wat heeft het college gedaan
met deze kennis? Wat vindt de minister van
het optreden van het college? Was dat adequaat
en kordaat? Heeft het college de nodige inspanningen geleverd om deze zaak tot op de bodem uit
te zoeken?
Is het de minister nu bekend in hoeverre
de ambtelijke top op de hoogte was en, zo
ja, op welk moment? De commissie-Kalsbeek
heeft aangegeven dat zij in augustus 1998
heeft geconstateerd dat in het overdrachtsdossier geen informatie aanwezig was. De commissie
heeft vervolgens aan ons gemeld dat op 6
oktober 1998 de minister op hoofdlijnen is
genformeerd door het college, waarbij niet
duidelijk is wat die hoofdlijnen waren. Op

26 maart 1999 heeft de commissie de minister zelf genformeerd over alle feiten, zelfs
meer dan in het rapport is vastgelegd. De
commissie heeft in mei 1999 opnieuw informatie
verstrekt aan de minister.
Wat heeft de minister precies in oktober

1998 te horen gekregen? Wat heeft hij vervolgens gedaan met die informatie? Heeft hij opgetreden en, zo ja, wat heeft hij gedaan en, zo nee,
waarom vond hij die informatie, ook al was
zij op hoofdlijnen, niet alarmerend genoeg
om onmiddellijk op te treden? Heeft hij van
het college van procureurs-generaal verlangd
dat hij periodiek op de hoogte gehouden zou
worden? Wat vindt hij van het feit dat hij
door het college slechts op hoofdlijnen werd
genformeerd en na oktober 1998 in feite
niet meer? Is dat volgens de minister de
normale gang van zaken? Is dat laksheid,
onwil, onvermogen of vond het college dat
oprecht niet nodig? Wat vindt de minister
van deze cultuur? Heeft de minister voldoende
vertrouwen in het college voor de komende
periode, met name gezien de onderzoeken die
nog moeten plaatsvinden? Welke afspraken
heeft de minister gemaakt over informatie-uitwisseling tussen hem en het college? Waarom heeft de
minister de Kamer niet vanaf oktober 1998
genformeerd over hetgeen hij heeft gehoord?
Uit de media is gebleken dat de minister
officier van justitie Snijders, die het voortouw heeft genomen in het onderzoek, op een zijspoor heeft gezet. Klopt dat? En, zo ja, wat zijn
de motieven daarvoor geweest?
Ik wil ten slotte met betrekking tot dit
onderwerp nog iets zeggen over het overdrachtsdossier. Is het juist, zoals door de ex-procureur-generaal Docters van Leeuwen is vermeld, dat het college en ook minister Sorgdrager vanaf begin 1997
op de hoogte waren? Wat heeft de voormalige
minister en wat heeft ook de secretaris-generaal bij de overdracht gemeld aan deze minister?
Wat vindt hij van het feit dat zich in het
overdrachtsdossier geen informatie over deze
zaak bevond?
Mevrouw de voorzitter! Ik wil voorts iets
zeggen over de deal met de topcrimineel.
De commissie-Kalsbeek concludeert aan de
hand van wat zij gezien heeft, dat er sprake
is van een overeenkomst die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. De facto kan in dit geval
niet meer tot strafvervolging van deze topcrimineel worden overgegaan en tegelijkertijd is onduidelijk wat de tegenprestatie van de topcrimineel
is. De officier van justitie kon daar tegenover de commissie geen duidelijk antwoord op geven.
Opvallend is dat de minister de afspraak

-- zo die er al is, maar in ieder geval wat er is -- niet ziet als een deal. Het zou
slechts een verklaring zijn van de desbetreffende crimineel, waarna nog moet worden beoordeeld
of hij in aanmerking komt voor een deal.
Kan de minister het verschil in beoordeling
tussen de commissie en hemzelf verklaren?
Vervolgens hebben het college en het ministerie toestemming gegeven voor deze deal. Wist
de minister zelf van deze deal of predeal
af en wat vindt hij daarvan? Kan hij uitleggen
waarom de crimineel op vrije voeten is? Is
dat door het hof bepaald? Waarom heeft de
minister het wetsvoorstel bij de Kamer ingediend terwijl de praktijk lijkt af te wijken van
dit wetsvoorstel?
In eerdere debatten heeft de SP-fractie
haar grote bezwaren geuit tegen deals. En
nu wordt weer bevestigd dat wij in dat opzicht
de verkeerde kant uit dreigen te gaan. Nog
zorgwekkender is dat de praktijk afwijkt
van de richtlijnen die er op dit moment zijn.
De vraag is daarom: hoeveel van dit soort
deals zijn inmiddels gesloten? Is het de
minister bekend en hoe kan het dat dit is
geschied met toestemming van het college
en van het ministerie van Justitie? Wijst
dit ook niet op een cultuur bij de top van
het openbaar ministerie, die primair is gericht op het vangen van boeven en daarvoor wel
wat wil schuiven met de regels? Ik kom ten
slotte te spreken over het integraal onderzoek, zoals voorgesteld door de commissie. Ik heb
vorige week al duidelijk gemaakt dat de SP-fractie dat punt van harte onderschrijft. Wij vinden
ook dat een dergelijk onderzoek met voortvarendheid ter hand moet worden genomen. Mijn opvatting
over de rol van de Kamer is echter dat wij
niet in eerste instantie ook hier weer aanstonds zouden moeten besluiten tot een ad-hoccommissie die vertrouwelijk op de hoogte wordt gesteld.
Wij moeten er in eerste instantie van uitgaan
dat de minister omtrent de voortgang van
het onderzoek rapporteert aan de vaste commissie voor Justitie en eventuele andere commissies
en dat afhankelijk van de situatie besloten
kan worden tot het instellen van een ad-hoccommissie. Desnoods kan die commissie vertrouwelijk
worden genformeerd als dat noodzakelijk
is en daartoe aanleiding bestaat.

Deel: ' Bijdrage SP debat Evaluatie Opsporingsmethoden '




Lees ook