Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief BUZA overeenkomst inz afschaffing van de visump licht

Gemaakt: 11-4-2000 tijd: 9:59


3


27069 (R1650) Overeenkomst tussen de regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de regering van de Republiek Letland, anderzijds, inzake de afschaffing van de visumplicht; Brussel, 9 juni 1999
Nr. 1 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 mart 2000

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen de op 9 juni 1999 te Brussel totstandgekomen Overeenkomst tussen de regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de regering van de Republiek Letland, anderzijds, inzake de afschaffing van de visumplicht (Trb. 1999, 118). 1)

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor Nederland en de Nederlandse Antillen gevraagd.

Aan de Gouverneur van de Nederlandse Antillen is verzocht hogergenoemde stukken op over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen.

De Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen is van deze overlegging in kennis gesteld.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

J.J. van J.J. van Aartsen


1) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie
Ter griffie van de Eerste en van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

ontvangen op 31 maart 2000.

De wens dat het verdrag aan de

uitdrukkelijke goedkeuring van de

Staten-Generaal wordt onderworpen

kan door of namens een van de Kamers

of door ten minste vijftien leden

van de Eerste Kamer dan wel dertig

leden van de Tweede Kamer of door

de Gevolmachtigde Minister van de

Nederlandse Antillen te kennen worden

gegeven uiterlijk op 30 april 2000.

TOELICHTENDE NOTA

Ingevolge het op 16 december 1998 door het Uitvoerend Comité van Schengen genomen besluit, zijn de Schengen-landen gehouden de visumplicht ten aanzien van de Baltische staatsburgers af te schaffen (Besluit van 16 december 1998, SCH/COM-ex (98) 53, 2de herz.).

Het op 2 oktober 1997 te Amsterdam totstandgekomen Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten bevat een protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie (Trb. 1998, 11, blz.
98). Dat protocol voorziet in een incorporatie van de Schengen-samenwerking in het Unie- en Gemeenschapsrecht. Bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 is hieraan uitvoering gegeven en heeft het besluit van 16 december 1998 van het Uitvoerend Comité van Schengen een rechtsgrondslag gekregen in artikel 62, tweede lid, onder b, van titel IV van het EG-Verdrag (zie geconsolideerde tekstversie van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Trb. 1998, 13).

Artikel 62, aanhef en tweede lid, onder b, van het EG-Verdrag draagt de Raad van de Europese Unie op binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam volgens de procedure van artikel 67 van het EG-Verdrag maatregelen vast te stellen inzake de overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten, houdende voorschriften inzake visa voor voorgenomen verblijven van ten hoogste drie maanden. Maatregelen uit hoofde van deze bepaling met betrekking tot de Baltische staten zijn door de Raad nog niet vastgesteld. Zolang deze maatregelen niet zijn genomen, zijn de lidstaten bevoegd visumafschaffingsverdragen te sluiten met de Baltische staten. Hierbij moet worden opgemerkt dat de Baltische staten niet voorkomen op de communautaire lijst van staten waarvan de onderdanen een visum nodig hebben bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten. Die lijst vormt de bijlage bij Verordening (EG) nr. 574/1999 van de Raad van de Europese Unie van 12 maart 1999 ter bepaling van de derde staten waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum (PbEG 1999, L
72, blz. 2).

Door het sluiten van de visumafschaffingsverdragen met de Baltische staten wordt voldaan aan de verplichting die op Nederland rust om het genoemde op 16 december 1998 door het Uitvoerend Comité genomen besluit uit te voeren. De bevoegdheid tot het sluiten van visumafschaffingsverdragen onder deze omstandigheden verdraagt zich ook met het Protocol betreffende de buitenlandse betrekkingen van de lidstaten in verband met de overschrijding van de buitengrenzen, gehecht aan het Verdrag van Amsterdam (Trb. 1998, 11, blz. 113). Dit Protocol heeft geen betrekking op het visumbeleid van de lidstaten. Uit dit Protocol kan niet worden afgeleid dat op gebieden waarop het geen betrekking heeft, in algemene zin geen bevoegdheid tot het sluiten van verdragen meer zou bestaan.

Op grond van de op 11 april 1960 te Brussel tussen de Beneluxlanden totstandgekomen Overeenkomst inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied (Trb.
1960, 40), kan Nederland visumafschaffingsverdragen uitsluitend aangaan tezamen met de twee Beneluxpartners. De Beneluxlanden zijn reeds met diverse staten een dergelijk verdrag aangegaan.
De visumafschaffingsverdragen zijn in Benelux-verband gekoppeld aan de totstandkoming van overnameverdragen. Met betrekking tot Letland is tegelijkertijd met de totstandbrenging van het
visumafschaffingsverdrag een Overeenkomst betreffende de overname van onregelmatig verblijvende personen ondertekend (Trb. 1999, 117). Die Overeenkomst regelt de overname door de overeenkomstsluitende partijen van eigen onderdanen alsmede de overname van derden aan wie het niet is toegestaan het grondgebied van de andere partij binnen te komen of aldaar te verblijven.

Op grond van het onderhavige visumafschaffingsverdrag hebben onderdanen van elk van de drie Beneluxlanden, die zich voor kort verblijf van ten hoogste drie maanden naar Letland willen begeven, hiervoor geen visum nodig. Hetzelfde geldt voor onderdanen van Letland, die zich naar de Beneluxlanden willen begeven. Het paspoortvereiste blijft bestaan, terwijl ook de overige voorwaarden voor toelating ter zake van een kort verblijf van kracht blijven. Voor toelating ten behoeve van een periode langer dan drie maanden is een voorafgaande toestemming nodig, een zogenaamde machtiging tot voorlopig verblijf.

Het verdrag bevat de voor visumafschaffingsverdragen gebruikelijke bepalingen, met dien verstande dat de bepalingen met betrekking tot de overname van eigen onderdanen zijn neergelegd in het genoemde overnameverdrag.

Hoewel in het verdrag de regeringen worden genoemd als verdragspartijen, zal het verdrag uiteraard tussen de staten gelden.

Het onderhavige verdrag wordt vanaf 1 juli 1999 voorlopig toegepast, hetgeen noodzakelijk werd geacht omdat nagenoeg alle Schengen-landen de visumplicht voor onderdanen van de Baltische staten hebben afgeschaft. Letse onderdanen kunnen dan visumvrij naar deze Schengen-landen toegaan en van daaruit ongecontroleerd over de gemeenschappelijke binnengrenzen Nederland inreizen.

Het onderhavige verdrag voorziet in de mogelijkheid om de toepassing ervan tot de Nederlandse Antillen en Aruba uit te breiden. De regering van de Nederlandse Antillen heeft de wens daartoe nog niet kenbaar gemaakt. De regering van Aruba heeft laten weten, van de mogelijkheid van uitbreiding geen gebruik te willen maken.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

J.J. van Aartsen

DE MINISTER VAN JUSTITIE,

A.H. Korthals

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief BUZA inzake afschaffing visumplicht '




Lees ook