Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Vaste Commissie

voor Buitenlandse Zaken van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

Den Haag

Directie Europa

Afdeling West-Europa

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 14 april 1999
Kenmerk DEU-160/99
Blad /6
Bijlage(n) E-mail la.kleinjan@deu.minbuza.nl
Betreft Nadere informatie over de nasleep van de arrestatie

door Turkije van PKK-leider Òcalan

Zeer geachte Voorzitter,

Met verwijzing naar het verzoek, bij brief met kenmerk Buza 12/99 d.d.
11 maart 1999, van de Griffier van Uw Commissie, om nadere informatie over de nasleep van de arrestatie door Turkije van PKK-leider Òcalan, heb ik de eer U als volgt te berichten. Ik sluit hierbij aan op mijn beantwoording van schriftelijke vragen terzake (Aanhangsel 865, 866,
869 en 919), alsmede op de brief aan de Voorzitter van de Tweede kamer d.d. 19 februari 1999 inzake de gijzelingsactie in de Griekse residentie (nr. 26.417/2).

Hieronder wordt per hoofdstuk ingegaan op de deelaspecten zoals gevraagd door de Commissie.

De nasleep van de arrestatie van PKK-leider Òcalan

Procesgang

Op 17 februari jongstleden werd PKK-leider Òcalan door de Turkse autoriteiten naar het eiland Imrali overgebracht. De open gevangenis aldaar wordt momenteel speciaal voor hem omgebouwd in een privé-gevangenis. Inmiddels is Òcalan meermalen bezocht door zijn Turkse advocaten.

De openbare aanklagers van de Staatsveiligheidsrechtbank in Ankara hebben inmiddels hun preliminaire verhoren afgerond. Het Turkse Openbare Ministerie acht de bewijslast tegen de PKK-leider overtuigend en zal naar verwachting de doodstraf eisen, in lijn met de ernst van de tenlastelegging, die onder meer staatsondermijnende activiteiten en hoogverraad omvat. In Turkije behoeft een door een rechtbank uitgesproken doodstraf bekrachtiging door het Turkse Parlement, waarna de President van de Turkse Republiek als laatste zijn handtekening moet zetten. Sinds 1984 is de doodstraf in Turkije niet meer voltrokken.

Situatie in Turkije

Direct na de arrestatie van PKK-leider Òcalan heeft Eerste Minister Ecevit de PKK-aanhangers opgeroepen om de strijd op te geven. Een wet is in voorbereiding om PKK-spijtoptanten tegemoet te komen. Vanwege de verkiezingen op 18 april aanstaande wordt de behandeling daarvan vertraagd. Tevens heeft de regering-Ecevit nieuwe initiatieven aangekondigd voor de sociaal-economische ontwikkeling van Zuid-Oost Turkije. De problemen aldaar kunnen, volgens uitspraken van Turkse zijde, ten goede worden gekeerd door investeringen, een goede rechtshandhaving en meer intensieve handel met het gebied. De Europese Commissie heeft overigens in 1997, in het kader van het MEDA-fonds, een voorstel ter stimulering van de sociaal-economische ontwikkeling van Zuid-Oost Turkije voorgelegd aan het Europees Parlement, dat daaraan vooralsnog zijn goedkeuring onthoudt.

Als gevolg van de arrestatie van Òcalan heeft de viering van het Koerdisch Nieuwjaar (21 maart - Newroz) een grimmiger karakter gekregen dan in voorgaande jaren het geval was. Rond de betreffende datum zijn arrestaties verricht hetgeen de algemene sfeer - met name voor wat betreft de mensenrechten - in Turkije geen goed heeft gedaan. De afgelopen weken zijn enkele PKK-acties gepleegd in Turkije, waarbij slachtoffers vielen te betreuren.

De kwestie-Òcalan en de Raad van Europa

Comité van Ministers

Nederland heeft in het kader van de Raad van Europa bij de Turkse regering aangedrongen op een rechtsgang in overeenstemming met Europese normen, zoals onder meer vastgelegd in het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Turkije is partij bij een aantal belangrijke verdragen op dit terrein en is daarmee gebonden aan een zorgvuldige en onafhankelijke rechtsgang. Om een eerlijke en onafhankelijke procesgang te waarborgen, heeft Nederland in de Raad van Europa voorts gepleit voor het zenden vaneen delegatie namens het Comité van Ministers, die zich zou kunnen vergewissen van een juiste en eerlijke rechtsgang in het proces.

Hoewel de Turkse wetgeving formeel geen plaats inruimt voor (internationale) waarnemers bij processen -een situatie die vergelijkbaar is met de meeste andere Europese landen-, heeft de Turkse regering zowel in Ankara als in Straatsburg toegezegd de aanwezigheid van buitenlandse vertegenwoordigers mogelijk te maken. Overigens bepaalt uiteindelijk de rechter in kwestie of een specifiek proces voor het publiek toegankelijk is.

Een delegatie, door de Raad van Europa afgevaardigd ingevolge artikel
31 van de Europese Conventie ter vermijding van Marteling en Vernederende Behandeling en Bestraffing, is in de gelegenheid geweest hem te bezoeken.

Europese Hof voor de Rechten van de Mens

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg heeft Turkije een aantal vragen gesteld met betrekking tot de arrestatie en detentie van Òcalan, alsmede met betrekking tot de mogelijkheid van contact met zijn advocaten. Vervolgens heeft het Hof, bij wijze van interim-maatregelen, de Turkse regering verzocht aan Òcalan de procedurele rechten op basis van het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden te garanderen, de rechten van de verdediging te respecteren (in het bijzonder de mogelijkheid voor Òcalan om effectief contact te hebben met zijn raadslieden), alsmede te verzekeren dat het recht van Òcalan om zijn zaak voor het Hof te brengen, wordt gerespecteerd. In antwoord hierop is van de kant van de Turkse autoriteiten te kennen gegeven dat het proces volgens de wettelijke procedures zal verlopen.

De zaak-Çiraklar

Inzake de vraag van de Vaste Commissie naar de zaak-Çiraklar, diene het volgende. Het betrof hier een klacht bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens tegen Turkije, waarbij klager de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het 'Izmir National Security Court' betwistte. In zijn arrest van 28 oktober 1998 is het Hof uitgegaan van de vraag welke waarborgen de status van de militaire rechters, die deel uitmaken van genoemd 'Izmir National Security Court', aan klager boden. De door het Hof getrokken conclusie is dat, gelet op de verbondenheid van deze militaire rechters met het leger, de vrees van klager voor een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van dit gerecht objectief gerechtvaardigd is, hetgeen naar de mening van het Hof een schending betekent van artikel 6 para. 1 van het EVRM. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa zal erop toezien dat de Turkse autoriteiten maatregelen treffen om een dergelijke schending voor de toekomst uit te sluiten.

De gevolgen van de uitspraak in de zaak-Çiraklar op het proces-Òcalan zullen uit de procesgang moeten blijken. De Turkse President en de regering hebben laten weten bereid te zijn de wetgeving aan te passen in de door het Hof gewenste zin. Een dergelijke wetswijziging zou evenwel voor het proces-Òcalan te laat komen: hij zal namelijk worden berecht volgens de thans vigerende wetgeving, hetgeen zal betekenen dat de samenstelling van de rechtbank in het Òcalan-proces gelijk zal zijn aan die in de zaak-Çiraklar.

De kwestie-Òcalan en de betrekkingen EU - Turkije

Met de verklaring van de Algemene Raad van 22 februari 1999 beoogt de Europese Unie zowel een eerlijke procesgang voor de PKK-leider alsook een politieke oplossing voor de situatie in Zuid-Oost Turkije te bewerkstelligen. De EU-verklaring benadrukt - evenals de Nederlandse nationale verklaring van 16 februari jl. - de noodzaak van een eerlijk aan internationale normen beantwoordend proces, dat zich kenmerkt door openheid. In de EU-verklaring wordt Turkije expliciet opgeroepen internationale waarnemers tot het proces toe te laten. De verklaring ging de Kamer reeds toe (nr. 26.417/3).

De kwestie van de positie van de Koerdische minderheid is bij herhaling door de Europese Unie bij Turkije aan de orde gesteld. Daarbij is andermaal duidelijk gemaakt dat respect voor rechten en identiteit van minderheden één van de Kopenhagen-criteria is. Helaas heeft Turkije na de Europese Raad van Luxemburg in december 1997 de politieke dialoog met de Europese Unie opgeschort, waardoor het belangrijkste communicatiekanaal van de Unie op dit moment niet kan worden aangewend. Het spreekt vanzelf dat de behandeling van de Koerdische minderheid in Turkije, alsmede de kwaliteit van de procesgang tegen Òcalan, vooraanstaande onderwerpen tussen de EU en Turkije zullen blijven.

Ook tijdens het zogenoemde Gymnich-overleg van 13 en 14 maart jongstleden kwam de kwestie-Òcalan opnieuw kort aan de orde. Ik berichtte daarover in mijn brief aan de Kamer van 16 maart 1999 (nr.
21.501-02/284).

Naar aanleiding van het Griekse optreden in de kwestie-Òcalan is in Griekenland een drietal ministers afgetreden. De Turkse kritiek op Griekenland nam hiermee overigens geenszins af. Als gevolg van één en ander staan de Grieks-Turkse betrekkingen onder verhoogde spanning. De Turkse regering heeft gedurende de afgelopen periode ook regelmatig geïndiceerd zich niet te kunnen vinden in de wijze waarop diverse andere landen van de Europese Unie zich hebben opgesteld in de kwestie-Òcalan.

Opstelling van Nederland

In aanvulling op hetgeen hierboven over de Nederlandse opstelling in de Raad van Europa en de Europese Unie is gesteld, diene het volgende.

In bilaterale contacten met de Turkse autoriteiten, zowel in Ankara, als in Nederland - met de Turkse Ambassadeur - is in de afgelopen periode herhaaldelijk te kennen gegeven dat adequate juridische bijstand en toegang van zijn advocaten tot betrokkene een essentieel onderdeel vormen van de zorgvuldige rechtsgang die voor Òcalan wordt bepleit. Daarbij is tevens de Turkse weigering van toegang tot Turkije van de advocate Mevr. Bòhler aan de orde gesteld.

Gebleken is dat de Turkse autoriteiten niet het voornemen hebben buitenlandse advocaten toegang tot PKK-leider Òcalan te verlenen. De Turkse regering stelt zich op het standpunt dat het contact dient te verlopen via Turkse advocaten (volgens vigerende Turkse wetgeving zijn slechts advocaten van Turkse afkomst gemachtigd voor een Turkse rechtbank op te treden). De Nederlandse regering zal zowel in bilaterale als multilaterale contacten blijven benadrukken dat de PKK-leider een zorgvuldige rechtsgang dient te krijgen, waarvan toegang tot zijn advocaten een essentieel onderdeel vormt.

Op 18 februari 1999 publiceerde het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken een persbericht, stellende dat de Turkse Ambassades in het buitenland waren geïnstrueerd om protesten te organiseren tegen de advocaten van PKK-leider Òcalan. Zoals ik reeds stelde naar aanleiding van schriftelijke vragen van het lid Mevr. Vos, wordt een dergelijke oproep volstrekt ongepast geacht vanwege de inhoud ervan alsook omdat Ambassades ingevolge een dergelijke oproep zouden handelen op een wijze die in strijd is met artikel 41 van de Weense Conventie inzake diplomatieke betrekkingen.

Ik heb het EU-voorzitterschap gevraagd bij het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken tegen deze oproep protest aan te tekenen. Het voorzitterschap stelde de kwestie aan de orde tijdens een onderhoud van de Duitse Staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken met de Turkse Ambassadeur in Bonn. Voorts zijn aan de Turkse Ambassadeur hier ter stede onze bezwaren kenbaar gemaakt. Van de kant van de Nederlandse Ambassade in Ankara zijn de Turkse autoriteiten op hoog ambtelijk niveau eveneens op deze kwestie aangesproken. Er is overigens niet gebleken van enigerlei daadwerkelijke actie van Turkse zijde zoals bedoeld in genoemde oproep.

Tenslotte

De Regering is van mening dat de rechten en de culturele identiteit van de Koerdische minderheid in Turkije door de Turkse overheid dienen te worden gerespecteerd. Het gaat hierbij om de positie van de Koerdische minderheid binnen de bestaande grenzen in de regio. Teneinde voor een dergelijk respect het juiste klimaat te scheppen volgt de regering een 'tweesporenbeleid': het aanmoedigen van een dialoog tussen de Turkse overheid en gematigde Koerdische organisaties in combinatie met het economisch tot ontwikkeling brengen van Zuid-Oost Turkije.

Mede om die reden pleit Nederland in de EU voor herstel van de politieke dialoog met Turkije, het vrijgeven van de financiële middelen in het kader van de Douane Unie, alsmede de spoedige invulling en financiering van de Europese Strategie voor Turkije, zoals aangenomen door de Europese Raad te Cardiff in juni 1998.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J.J. van Aartsen

Deel: ' Brief BUZA inzake arrestatie PKK-leider Òcalan '




Lees ook