Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

Binnenhof 4

Den Haag
directie Sociale en Institutionele Ontwikkeling

afdeling Maatschappelijke Samenwerking en Institutionele Ontwikkeling (DSI/MY)

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 16 november 1999
Kenmerk DSI/MY-1078/99
Blad /3
Bijlage(n) --
Betreft ODA-gesubsidieerde particuliere sector

Bij mijn brief van 21 september j.l., kenmerk DSI/MIJ 794/99, bood ik u de jaarverslagen van verschillende particuliere organisaties aan. Aan het slot van deze brief heb ik opgemerkt voor de begrotingsbehandeling terug te komen op de relatie ODA - gesubsidieerde particuliere sector. Hierbij was mijn overweging dat mijn streven naar een grotere beleidseffectiviteit en een groter maatschappelijk draagvlak elkaar kunnen versterken op voorwaarde dat sprake is van een duidelijke coherentie in beleid en in uitvoering.

Sinds 1974 (Zandvoort I akkoord met de mfo's) wordt het merendeel van de OS fondsen bestemd voor particuliere organisaties besteed via de Medefinancierings- organisaties verenigd in het GOM. In de jaren daarna zijn daar enkele organisaties bijgekomen met wie de Minister voor O.S. een programmasubsidierelatie heeft gesloten: de vakbeweging (VMP), de VNG (GSO) en de PSO. Ook de 'direct funding' van ngo's in OS-landen is ondertussen zeer omvangrijk geworden. Buiten de gesubsidieerde organisaties ontstaan echter allerlei nieuwe particuliere organisaties. Deze kunnen bogen op toenemende steun vanuit de bevolking vooral vanwege hun duidelijke en vraaggerichte presentatie. Sommigen van hen kunnen terecht bij een van de GOM-partners of bij een van de andere organisaties met wie ik een subsidierelatie heb, maar voor vele anderen geldt dat niet; De bemiddelende rol die met name de medefinancieringsorganisaties geacht worden te spelen naar het nederlands particuliere veld is gaandeweg kleiner geworden. Ik vraag me af of al deze ontwikkelingen het niet nodig maken nog eens na te denken hoe dit bestel er in de 21ste eeuw uit zou moeten zien.

De Subsidiewet en de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken dienen ertoe om de toegang tot fondsen uit de OS begroting transparanter te maken. Particuliere organisaties die voor hun beleid financiele ondersteuning door de overheid wensen kunnen van deze regeling gebruik maken; dit uiteraard wel onder voorwaarde dat ze voldoen aan de in de Subsidieregeling gestelde criteria; deze hebben daarmee een drempelfunctie. Binnen de criteria heb ik een zekere ruimte voor interpretatie en weging. Ik stel me voor deze ruimte zo in te vullen dat tegemoet kan worden gekomen aan financieringsbehoeften van nieuwe organisaties in het particuliere veld. Binnen mijn departement worden nu de eerste ervaringen met de Subsidieregeling opgedaan. Mijn verwachting is dat de Subsidieregeling de toegankelijkheid voor particuliere organisaties tot de OS fondsen zal vergroten.

Het gaat echter niet alleen om toegang van particuliere organisaties tot OS fondsen en verbreding van het draagvlak maar tevens om de vraag hoe tot een effectieve afstemming van beleid kan worden gekomen. Ik vind dit een belangrijk onderwerp omdat de rol van het particulier initiatief in ontwikkelingsbeleid een zeer essentiele is.

In mijn brief van 21 september j.l. heb ik reeds opgemerkt hoezeer ik het werk van de particuliere organisaties op prijs stel. Voor ontwikkeling is een actieve civil society van belang. Een overheid bouwt geen civil society; dat doen particulieren en zij zijn daarom een onmisbare schakel in het ontwikkelingsproces. Particulieren stellen hun eigen prioriteiten en zijn autonoom in eigen kring. Dit geldt zolang ze met eigen fondsen werken. Zodra overheidssubsidie aan het particulier initiatief wordt gegeven impliceert dit dat de overheid eigen voorwaarden moet stellen en keuzes kan maken. In het verleden is dit tezeer in algemene zin gebeurd; beleidskaders als onderdeel van programma financierings overeenkomsten konden ruim geinterpreteerd worden waardoor gewenste coherentie in beleid niet minimaal was gegarandeerd. Ik wil deze beleidskaders specifieker invullen, maar dan wel via een participatief proces waarin de particulieren zelf natuurlijk meespreken. Met dit participatieve proces is al een eerste begin gemaakt door samen met de mfo's werkafspraken te maken. Deze werkafspraken zullen, mede op basis van daarmee opgedane ervaring, worden uitgediept. Beleidsafstemming tussen overheid en particuliere organisaties aan nederlandse zijde kan leiden tot maximale additionaliteit tussen overheid en particulier initiatief.

Met betrekking tot de aansluiting van de werkzaamheden van de overige gesubsidieerde particuliere organisaties: het is mijn inzet te bezien hoe hun werkzaamheden meer en meer kunnen worden geconcentreerd in de landen die voorkomen op de 17+3 lijst of op één of meer van de thematische landenlijsten.

Gebaseerd op argumenten die samenhangen met het specifieke karakter van de betreffende organisaties kunnen daar landen aan worden toegevoegd. Immers degehanteerde criteria voor gouvernementele samenwerking hoeven niet altijd relevant te zijn voor ieder particulier kanaal. Wel is ook voor deze kanalen verdere concentratie wenselijk m.n. op de armere ontwikkelingslanden.

De aard van de werkzaamheden in het kader van armoedebestrijding en opbouw van lokale capaciteit is onderwerp van gesprek in het reguliere overleg dat ik met deze organisaties voer.

Het is mijn indruk dat vragen over de rol van het particulier initiatief in ontwikkelingssamenwerking niet alleen bij mij leven. Het onderwerp houdt ook de particuliere organisaties zelf bezig. Voor een debat over de rol van het particuliere initiatief is derhalve een breed draagvlak. Medefinancierings- en andere door de overheid gesteunde particuliere organisaties zijn zich in toenemende mate bewust dat ze bepaald niet het hele veld aan organisaties vertegenwoordigen en bezinnen zich op de rol die ze kunnen spelen binnen een veranderend draagvlak. Met name denken de organisaties na hoe zij vanuit hun betrekkelijk autonome positie ontvankelijk blijven voor maatschappelijke invloeden en hoe het belang en de inrichting van de niet gouvernementele hulpverlening past binnen het totaal van de nederlandse ontwikkelingssamenwerking.

M.b.t. de medefinancieringsorganisaties ga ik ervan uit dat het recent in gang gezette Interdepartementaal Beleids Onderzoek (IBO) van het medefinancierings programma een belangrijke input in de herbezinning kan opleveren. Het IBO zal met name kijken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het medefinancierings kanaal als instrument voor armoedebestrijding. Daartoe wordt onder meer gekeken naar de relatie tussen het nederlandse particuliere veld en de mfo's alsmede naar de relatie tussen mfo's en overheid.

Tenslotte is het van belang voor overheid en particulier initiatief om te weten of de complementaire rol die elke partij heeft adequaat wordt vervuld. Nadere precisering en verduidelijking van een ieders rol is hiertoe voorwaarde en kan alleen slagen in een interactief proces tussen alle betrokkenen. U moet erop rekenen dat deze discussie tijd nodig heeft en niet gemakkelijk tot conclusies zal leiden. De rol van particuliere organisaties in ontwikkelings samenwerking heeft altijd uw warme belangstelling gehad en alvorens te komen met definitieve beleidsconclusies zal ik gaarne te gelegener tijd met u van gedachten wisselen op basis van mijn voorlopige bevindingen.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Deel: ' Brief BUZA inzake ODA-gesubsidieerde particuliere sector '




Lees ook