Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief BUZA werkzaamheden veiligheidsraad maart 2000
Gemaakt: 18-4-2000 tijd: 12:14


26301 Lidmaatschap Veiligheidsraad
Nr. 24 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 11 april 2000
Hierbij bied ik u mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking een verslag aan over de werkzaamheden van de Veiligheidsraad in de maand maart 2000.
ALGEMEEN

De Veiligheidsraad werd in maart voorgezeten door Bangladesh. De voorzitter van het sanctiecomité Angola presenteerde een rapport aan de Veiligheidsraad, waarin werd geconcludeeerd dat de sancties tegen UNITA op grote schaal waren geschonden. De Raad zal in april de aanbevelingen ter verbetering van het regime bespreken.

De logistieke voorbereidingen voor de ontplooiing van de tweede fase van de VN-missie naar de Democratische Republiek Congo, MONUC, gaan door, ondanks de zorgwekkende veiligheidssituatie in het land. De Veiligheidsraad ontving verder briefings over de situatie in Guinee-Bissau, Westelijke Sahara, Sierra Leone en Somalië. Van de reis van Ambassadeur van Walsum naar Afrika heb ik U separaat verslag gedaan (vide mijn brief van 21 maart jl.).

De Raad aanvaardde unaniem een resolutie over Irak, waarmee de Raad de verhoging goedkeurde van de allocatie van reserve-onderdelen voor de Iraakse olie-industrie van 300 naar 600 miljoen USD per fase.

De civiele (UNMIK) en militaire (KFOR) leiding van de internationale operatie in Kosovo, respectievelijk Kouchner en Generaal Reinhardt, informeerden de Raad over de situatie in Kosovo.

De Raad was verontrust over de ontwikkelingen in Afghanistan mede naar aanleiding van nieuwe gevechten. Er bestond enig optimisme over de situatie in Bougainville, waar door de ondertekening van het Loloata-akkoord een belangrijke stap voor het vredesproces was gezet. De eerste meerpartijen-verkiezingen in Tadzjikistan waren, hoewel niet vlekkeloos verlopen, een stap in de richting van de vestiging van een democratische traditie in het land. De VN-missie in Haïti is beëindigd. Het nieuwe VN-kantoor (MICAH) zal het proces van vredesopbouw ondersteunen.

Er vonden twee open debatten plaats, respectievelijk over humanitaire aspecten van Veiligheidsraad-kwesties en over ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van voormalige strijders in een post-conflict situatie.

AFRIKA

Angola
De voorzitter van het sanctiecomité Angola, de Canadese Ambassadeur Fowler, presenteerde op 15 maart het rapport van het expertpanel dat in mei 1999 was ingesteld om te onderzoeken op welke wijze en door wie de door de Raad ingestelde sancties tegen UNITA waren geschonden en hoe de effectiviteit van het sanctie-regime zou kunnen worden verbeterd. Dit rapport gaat u zo spoedig mogelijk toe. Het rapport van het panel concludeerde dat de sancties tegen UNITA op grote schaal waren geschonden door individuen en overheden in en buiten Afrika. Schendingen van de sancties waren tot nu toe altijd ongestraft gebleven, hetgeen de geloofwaardigheid van de Raad in het geding bracht. Fowler riep de Veiligheidsraad op om met behulp van de 39 aanbevelingen van het rapport de effectiviteit van het sanctieregime te verbeteren en daarmee de geloofwaardigheid van de Raad te herstellen. Essentieel was het instellen van een monitoring mechanisme.
Leden van de Raad spraken grote waardering uit voor het expertpanel. Het rapport had de hypocrisie blootgelegd waarmee VN-lidstaten in het openbaar UNITA veroordeelden terwijl tegelijkertijd hun onderdanen (of de autoriteiten zelf) Savimbi heimelijk ondersteunden. Het stelselmatig ontduiken van sancties tegen UNITA had een politieke oplossing in de weg gestaan met alle desastreuze gevolgen van dien voor de Angolese bevolking. De Veiligheidsraad zal binnenkort de aanbevelingen van het rapport bespreken.

Nederland wees erop dat ook Afrikaanse regionale organisaties als SADC (South-Africa Development Community) en ECOWAS (Economic Community West African States) een rol zouden kunnen spelen in de uitvoering van de aanbevelingen van het expertpanel. Voorts benadrukte Nederland dat het probleem van de inzet van strategische hulpbronnen ter financiering van conflicten verder reikte dan de "diamanten in Afrika" en bepleitte dat de Raad hier aandacht aan besteedde.

Een aantal niet-leden van de Veiligheidsraad had verzocht een interventie te mogen houden, aangezien zij in het rapport van het panel werden genoemd. Het openlijk noemen van "man en paard" in het rapport leidde tot een serie ontkenningen, ontkrachtingen en verwijten aan het adres van het panel. Fowler antwoordde dat het expertpanel een zeer hoge standaard had toegepast en dat aan de beschuldigingen meerdere getuigenissen ten grondslag hadden gelegen.

Ethiopië/Eritrea
Op 14 maart besprak de Veiligheidsraad de situatie met betrekking tot het conflict tussen Ethiopië en Eritrea. In een persverklaring sprak de Raad steun uit voor het vredesproces en de inspanningen van de OAE en riep Ethiopië en Eritrea op medewerking te verlenen aan de OAE en zich constructief op te stellen. De Raad gaf aan de situatie in beide landen nauwlettend te zullen blijven volgen.
Democratische Republiek Congo
Assistent Secretaris-Generaal Annabi gaf op 22 maart een overzicht van de schermutselingen die plaatsvonden in de Democratische Republiek Congo (DRC). Zo zouden in het zuidoosten DRC-troepen de aanval op Kongolo hebben ingezet en de Rwandese troepen hebben teruggedrongen. DRC-troepen zouden zich aan het versterken zijn voor een aanval in het noorden. MONUC was nog steeds niet in staat om routine vluchten voor onder meer bevoorrading uit te voeren. De Veiligheidsraad stelde in een persverklaring dat bij het voortgaan van de gevechten geen sprake kon zijn van ontplooiing van de tweede fase van MONUC.
Op 28 maart informeerde Onder Secretaris-Generaal Miyet de Raad over zijn reis naar de DRC. Hij had van alle partijen de verzekering gekregen dat men volledig achter het Lusaka-akkoord stond en implementatie van de terzake doende resolutie 1291 ondersteunde. Gezien recente militaire ontwikkelingen (o.a. troepenversterkingen) kon dit evenwel niet zonder meer voor juist worden aangenomen. De internationale gemeenschap zou nog grotere druk op de partijen moeten uitoefenen hun verplichtingen na te komen. Miyet gaf de Raad in overweging met dat doel een missie naar de partijen te zenden. De Raad was unaniem van mening dat dit zinvol was. Over doel en mandaat van de missie zal nader overleg plaatsvinden. De logistieke voorbereidingen voor de ontplooiing van MONUC II gaan door, ook om te voorkomen dat de partijen straks de VN als zondebok zouden aanwijzen, mocht het akkoord geen stand houden.

Ambassadeur Van Walsum lichtte de Raad in over zijn bevindingen tijdens zijn recente reis naar het Grote Merengebied. Het was naar zijn mening noodzakelijk de balans in aandacht voor territoriale integriteit van de DRC en veiligheidszorgen van Rwanda en Uganda te handhaven. Alle partijen waren ondanks de meningsverschillen bereid om met de Veiligheidsraad samen te werken en naar oplossingen te zoeken.

De Secretaris-Generaal wees op 31 maart erop dat het politiek comité op grond van het Lusaka-akkoord zeer urgent bijeen diende te komen en dat zo spoedig mogelijk een status of forces agreement met alle partijen moest worden overeengekomen zodat geen verdere vertraging zou ontstaan bij de ontplooiing van MONUC. De Joint Military Commission diende als permanente structuur in Kinshasa te worden gevestigd.

Guinee-Bissau
Onder Secretaris-Generaal Prendergast lichtte op 29 maart het rapport van de Secretaris-Generaal over de situatie in Guinee Bissau toe. Het feit dat er een einde aan de transitieperiode was gekomen was een belangrijke stap voorwaarts; de militaire junta zou nu geen rol meer in het politieke proces mogen spelen. De internationale gemeenschap mocht nu niet op zijn lauweren gaan rusten, omdat vooral de economische situatie nog zorgwekkend was. Het aankomende bezoek van een missie van de Wereldbank was in dit verband erg belangrijk. Prendergast concludeerde dat de ontwikkelingen in Guinee-Bissau illustreerden dat de internationale gemeenschap met beperkte middelen toch resultaat kon boeken. De Veiligheidsraad verwelkomde de positieve ontwikkelingen. Nederland stelde dat het belangrijk was om de situatie in het land op de agenda van de Raad te houden. Ook is de Nederlandse bereidheid om wederom 500.000 gulden aan het Trustfund voor UNOGBIS bij te dragen gemeld. Ten slotte benadrukte Nederland dat het demobilisatie-programma zo spoedig mogelijk een aanvang moest nemen. De Raad aanvaardde een presidentiële verklaring.

Sierra Leone
Op 8 maart vond in de Veiligheidsraad een spoedbriefing plaats naar aanleiding van de berichten over aanhoudende gruweldaden van rebellengroeperingen in Sierra Leone. Assistent Secretaris-Generaal Annabi bevestigde de berichten. In een enkel geval was UNAMSIL er in geslaagd om tussenbeide te komen. In de persverklaring sprak de Raad zorg uit over de ontvangen berichten en werd gesteld dat de gepleegde daden onaanvaardbaar waren in het licht van het Lomé-akkoord. De rebellengroepering RUF en zijn leider Sankoh werden met name genoemd.
Assistent Secretaris-Generaal Annabi schetste op 13 maart een somber beeld van de voortgang met betrekking tot de uitvoering van het Lomé-vredesakkoord. Het trage verloop van het proces van ontwapening, demobilisatie en reïntegratie, de voortdurende mensenrechtenschendingen en het gebrek aan medewerking van RUF-rebellenleider Sankoh waren de voornaamste obstakels. De Veiligheidsraad sprak zich uit voor een snelle en volledige ontplooiing van UNAMSIL op basis van het Veiligheidsraad-mandaat.

Onder Secretaris-Generaal Miyet deed op 28 maart verslag van zijn reis naar Sierra Leone. Ook hij bevestigde de moeizame voortgang. Onder de bevolking heerste er nog steeds de angst dat vijandelijkheden opnieuw konden uitbreken. In zijn gesprekken in Sierra Leone had Miyet benadrukt dat UNAMSIL in het hele land ontplooid moest worden; het feit dat UNAMSIL in het zuid-oosten kon gaan opereren was een belangrijke stap vooruit. Bij President Kabbah had Miyet gesteld dat deze nu ernst moest maken met de hervormingen van leger en politie. Voor het ontwapenings, demobilisatie en reïntegratie-programma ("DDR"-programma) waren meer middelen nodig. Hij stelde dat als UNAMSIL niet in het hele land ontplooid werd, het DDR-programma niet effectief geïmplementeerd zou kunnen worden. In een persverklaring sprak de Veiligheidsraad steun uit voor het vredesproces en onderstreepte het belang van actieve committering van alle partijen, van internationale coördinatie en het respecteren van het bestaande sanctieregime.

Somalië
In een briefing voor de Veiligheidsraad op 29 maart meldde Onder Secretaris-Generaal Prendergast dat de Organisatie van Afrikaanse Eenheid het vredesinitiatief van Djibouti inmiddels officieel ondersteunde, doch dat dit initiatief de nodige weerstand opriep van de strijdende partijen. Zij achtten zichzelf niet adequaat vertegenwoordigd en weigerden vooralsnog deel te nemen aan de nationale verzoeningsconferentie die in Djibouti volgende maand zal plaatsvinden. Prendergast stelde dat er onder de 'civil society' in Somalië veel steun voor het vredesproces bestond. Zelfs in Puntland en Somaliland waren demonstraties geweest ter ondersteuning van de inspanningen van Djibouti. De leiders leken dan ook niet de opvattingen van hun eigen achterbannen te vertegenwoordigden. De leden van de Raad waren in grote lijnen positief over het initiatief van Djibouti.
Westelijke Sahara
Assistent Secretaris-Generaal Annabi informeerde de Veiligheidsraad op 13 maart over de recente incidenten in Smara en Laayoune, die minder hevig waren geweest dan de persberichten hadden doen aanzien. Annabi benadrukte, in reactie op verwijten aan het adres van Polisario dat de VN-missie in de Westelijke Sahara (MINURSO) zich niet actiever had opgesteld, dat het MINURSO-mandaat niet in ordehandhaving voorzag.
MIDDEN-OOSTEN

Irak
De Secretaris-Generaal opende de open bijeenkomst in de Veiligheidsraad over Irak op 24 maart. Volgens hem was de humanitaire situatie in Irak een moreel dilemma voor de VN. De VN zou in grotere mate verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de humanitaire situatie in Irak dan het regime zelf. Irak kon echter op korte termijn de zorgwekkende humanitaire situatie ten goed keren door mee te werken aan alle Veiligheidsraad-resoluties. Bovenal moest een oplossing voor het probleem van de 'holds' worden gevonden.
Nederland wees op de verplichting van Irak om uitvoering te geven aan de Veiligheidsraad-resoluties, met name resolutie 1284, zijnde de snelste en meest effectieve weg tot opschorting en uiteindelijke opheffing van sancties. Nederland wees erop dat Irak de eerste verantwoordelijke was voor de humanitaire situatie in het land. Nederland sprak enerzijds waardering uit voor die delegaties die de voorgelegde contracten grondig evalueerden op "dual use concerns", maar anderzijds was het huidige niveau van de 'holds' onduldbaar hoog (geschat op USD 1.77 miljard). Dit klemde te meer nu alarmerende berichten over de humanitaire situatie waren ontvangen, met name over de verontrustend hoge kindersterfte in Irak. Als voorzitter van het sanctiecomité Irak, gaf de Nederlandse Ambassadeur aan nog steeds te wachten op het groene licht van de Iraakse regering voor een reis naar Irak.

De Verenigde Staten namen van de gelegenheid gebruik om uitvoerig en gedetailleerd de Amerikaanse positie uiteen te zetten, als tegenwicht voor de steeds zwaardere kritiek op de Verenigde Staten in verband met de grote aantallen door de Amerikanen opgelegde holds, die de uitvoering van het olie-voor-voedsel programma ondermijnden. De Verenigde Staten wezen op de toename van de oliesmokkel door Iraanse territoriale wateren. Uitvoerend Directeur van UNICEF, mevrouw Bellamy, wees aan het einde van het debat erop dat het sanctieregime niet de enige factor was die hoge kindersterfte tot gevolg had. Het gebrek aan investeringen door de Iraakse regering in de civiele sector was een andere zwaarwegende factor.

In vrijwel alle speeches kwam de erbarmelijke staat van de Iraakse-olie-industrie aan de orde. De aanbeveling van de Secretaris-Generaal tot verhoging van de toekenning van middelen voor het reserve-onderdelen programma van 300 naar 600 miljoen USD per fase kon op algemene steun rekenen. De Veiligheidsraad aanvaardde op 31 maart unaniem de resolutie terzake. Een brief aangaande sancties ten aanzien van Irak gaat u separaat toe.

EUROPA

Bosnië-Herzegovina
De Veiligheidsraad ontving op 22 maart een open briefing over de situatie in Bosnië-Herzegovina en over de voortgang van de VN-missie (UNMIBH). Assistent Secretaris-Generaal Annabi kon melden dat sedert het verschijnen van het rapport van de Secretaris-Generaal het Bosnische driekoppige presidentschap overeenstemming had bereikt over de organisatie van de grenspolitie. Alle leden van de Raad sloten zich aan bij de bevindingen van het laatste rapport van de Secretaris-Generaal, namelijkj dat er weliswaar sprake was van vooruitgang maar dat deze zeer langzaam verliep door de gebrekkige medewerking van partijen aan de opbouw en aan het functioneren van gemeenschappelijke instellingen. Meer specifiek betoonden de leden zich bezorgd over het blijken van deze geringe bereidheid aan Kroatische zijde inzake Mostar en die van de Republika Srpska inzake de aanstelling van politieagenten uit minderheden. Veel delegaties spraken hun teleurstelling uit over de gebrekkige implementatie van de Verklaring van New York. Nederland uitte kritiek op de gang van zaken rond de Kieswet en de dreigende ongrondwettig-verklaring van de ministerraad. Het viel moeilijk in te zien hoe Bosnië-Herzegovina verder in internationale structuren kon worden ingebed zolang het parlement niet in staat was essentiële stappen naar de ontwikkeling van een democratie te nemen.
Kosovo
De Veiligheidsraad kreeg op 6 maart in een "private meeting" een briefing van de civiele (UNMIK) en militaire leiding (KFOR) van de internationale operatie in Kosovo, respectievelijk Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN Kouchner en Generaal Reinhardt. Kouchner wees op het feit dat UNMIK in slechts acht maanden veel had bereikt: 800.000 vluchtelingen waren teruggekeerd, scholen, universiteiten, ziekenhuizen waren heropend, de demilitarisering van KLA was uitgevoerd en er was een begin gemaakt met de opbouw van bestuur. Er was dus veel tot stand gebracht, maar UNMIK was op een cruciaal punt aangekomen. UNMIK zou falen als aan de minderheden geen veiligheid kon worden gegarandeerd. Daartoe was meer politie en een functionerend justitieel apparaat nodig. Met de Albanese Kosovaren moest worden overlegd teneinde duidelijkheid te krijgen wat de in resolutie 1244 vervatte substantiële autonomie moest inhouden; in ieder geval geen onafhankelijkheid, aldus Kouchner. Kouchner stelde gemeenteraadsverkiezingen in het najaar in het vooruitzicht die legitieme vertegenwoordigers moesten opleveren voor een begin van democratische verhoudingen en niet moest ontaarden in een verkapt referendum over de toekomstige status. Na een klemmend beroep aan donoren om tot snelle effectuering van toezeggingen te komen, nodigde Kouchner de Veiligheidsraadleden uit tot een bezoek aan Kosovo om zich ter plaatse van de situatie op de hoogte te stellen.
Generaal Reinhardt ging in op de hoofdtaken van KFOR. Sedert het aantreden van KFOR was de veiligheid verbeterd en het geweld afgenomen, maar er heerste nog steeds een sfeer van straffelooosheid en de situatie van minderheden baarde zorgen. Met betrekking tot de terugkeer van vluchtelingen tekende hij aan dat tegenover de succesvolle terugkeer van Albanese Kosovaren het feit stond dat een groot aantal Servische ontheemden nog niet was teruggekeerd. KFOR en UNMIK werkten nauw samen op het gebied van humanitaire hulp en de ondersteuning van het civiel bestuur. Net zoals Kouchner, verklaarde Reinhardt dat een goed functionerend justitieel systeem van cruciaal belang was. Hij bepleitte de aanstelling van internationale ambtenaren als rechters en openbare aanklagers, omdat onder Servische en Albanese magistraten geen onbevooroordeelde rechtsbedeling mogelijk was.

Vrijwel alle Veiligheidsraadleden, waaronder Nederland gaven blijk van hun grote waardering voor hetgeen Reinhardt en Kouchner onder zeer moeilijke omstandigheden tot stand hadden gebracht. De Russische Ambassadeur Lavrov klaagde echter over het gebrek aan samenwerking met de FRJ. Hij meende dat UNMIK en KFOR vaker de Veiligheidsraad zouden moeten consulteren over de te nemen stappen. Nederland vroeg aandacht voor het lot van de Albanese vermisten en gevangenen in de FRJ en riep Belgrado op daarover opening van zaken te geven. Een Speciale VN-gezant terzake zou binnenkort worden benoemd.

AZIE

Afghanistan
Op 3 maart werd de Veiligheidsraad tijdens een ingelaste briefing geïnformeerd over de recent opgelaaide gevechten in Afghanistan. Volgens Speciaal Vertegenwoordiger Vendrell was onduidelijk of partijen alleen gebruik maakten van gunstig weer, of dat het hier ging om inleidende beschietingen van een grootschalig voorjaarsoffensief. Wel waren het de hevigste gevechten in maanden. Niet duidelijk was wie begonnen was met de gevechten; beide partijen gaven de ander de schuld. In elk geval was het Vendrell duidelijk geworden dat de partijen niet geïnteresseerd waren in een staakt-het-vuren. De Taliban dachten nog steeds militair de overwinning te kunnen behalen en het United Front wilde eerst een betere militaire positie bevechten voordat het naar de onderhandelingstafel wilde gaan. Buurlanden waren volgens Vendrell zeer bezorgd over de ontwikkelingen, met name Tadzjikistan dat zijn grens militair versterkte. Voorts waren de gevechten een ernstige belemmering voor de transporten van hulpgoederen naar ontheemden. Het was verder zorgwekkend dat de strijd was losgebarsten aan de vooravond van vredesbesprekingen in Djeddah.
In een persverklaring spraken de leden van de Raad hun ontzetting uit over de berichten van een nieuw offensief en herhaalden zij hun eis van onmiddellijke beëindiging van de gevechten en hervatting van de onderhandelingen. De Raad onderstreepte dat het onaanvaardbaar is dat de Taliban niet hadden voldaan aan de eisen van eerdere Veiligheidsraad-resoluties, met name resolutie 1267, die onder meer uitlevering van Osama bin Laden beoogt, op straffe van (inmiddels in werking gestelde) sancties. De Raad bevestigde bereid te zijn additionele maatregelen te overwegen om volledige uitvoering van die resolutie te bereiken.

De Veiligheidsraad besprak op 20 maart opnieuw de situatie in Afghanistan. Persoonlijk Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal Vendrell deed verslag van zijn reis in de regio. Enerzijds was het bemoedigend dat de zogenaamde "6+2" (buurlanden van Afghanistan plus de Verenigde Staten en Russische Federatie) hun inspanningen wilden versterken, maar anderzijds bleek het onderlinge wantrouwen over elkaars bedoelingen nog zo groot, dat de wapentoevoer naar Afghanistan op peil kon blijven. Vendrell hoopte de contacten met de twee partijen in het conflict te kunnen verstevigen en de dialoog tussen de 6+2 landen te verdiepen. De aanwezigheid van UNSMA, de VN-waarnemersmissie in Afghanistan, zou worden versterkt. Ook wilde hij proberen de inspanningen van de niet-vechtende groeperingen in Afghanistan aan te moedigen. Nederland meende dat vredesinitiatieven moesten worden aangemoedigd, maar dat wel zorgvuldig diende te worden gecoördineerd.

Arlacchi, Uitvoerend Directeur van het UN Office for Drug Control and Crime Prevention (UNDCCP), meende dat op korte termijn grenscontroles en medewerking van lokale autoriteiten in het vernietigen van de drugsinfrastructuur een oplossing kon zijn voor het probleem van de drugshandel uit Afghanistan. Op de lange termijn was alleen een oplossing mogelijk indien het probleem bij de wortel zou worden uitgerukt. Arlacchi bepleitte in dit verband internationale financiële hulp ten behoeve van een UNDCCP-programma ter diversificatie van gewassen teneinde de Afghaanse boeren een alternatief te beiden voor de papaverteelt. Tijdens aanstaande expertbijeenkomsten in Wenen zullen deze actiepunten nader worden besproken met het oog op een regionaal actieplan.

Bougainville
Assistent Secretaris-Generaal Turk verzorgde op 29 maart een optimistisch getoonzette briefing over de situatie in Bougainville. Het op 23 maart getekende Loloata-akkoord tussen de regering van Papoea Nieuw Guinea en de belangrijkste Bougainvillese leiders was een belangrijke stap voor het vredesproces. In dit akkoord is afgesproken dat Bougainville een autonome status zal krijgen en dat Papoea Nieuw Guinea "acknowledges the aspirations for a binding referendum on independence as called for by the Bougainvillean leaders". Een onduidelijke formulering, die uitdrukkelijk geen committering aan een referendum bevat, maar toch politiek gezien een vooruitgang betekent door de reflectie van politieke wil. Volgens Turk hield het staakt het vuren stand. Bougainville bleef echter lijden onder een gebrek aan civiel gezag en effectieve politie. Nederland vroeg aandacht voor de slechte staat van de economie van Bougainville. In een persverklaring verwelkomde de Veiligheidsraad het Loloata-akkoord en onderstreepte het belang van spoedige goedkeuring ervan door het parlement van Papoea Nieuw Guinea.
Tadzjikistan
Assistent Secretaris-Generaal Annabi maakte in een briefing voor de Veiligheidsraad op 10 maart de voorlopige uitslagen bekend van de verkiezingen in Tadzjikistan op 27 februari. De Democratische Volkspartij verwierf 33 zetels, de Communistische Partij 7 en de Islamitische Herlevingspartij 2. In een aantal districten moeten nieuwe verkiezingen worden gehouden, omdat geen winnaar uit de bus was gekomen. De OVSE en de VN waren bij de voorbereidingen en begeleiding van de verkiezingen betrokken geweest. Positief was dat de eerste meerpartijen-verkiezingen zonder ernstige incidenten waren verlopen. De verkiezingen hadden echter verder niet aan internationale normen voldaan; er waren onvoldoende onafhankelijke kiescomité's en bijna driekwart van de kiezers had hun stem zonder legitimatie kunnen uitbrengen. Toch waren de verkiezingen een stap in de richting van de vestiging van democratische tradities in het land. Na de briefing intervenieerden alleen Rusland en China. Zij hoopten dat de onvolkomenheden een positieve bejegening van de kant van de Veiligheidsraad niet in de weg zouden staan. Rusland bepleitte nadrukkelijk voortzetting van de VN-presentie.
Tijdens een open briefing op 21 maart bleek de Raad unaniem van oordeel dat de weg naar volledige verzoening en democratie in Tadzjikistan, na de eerste multi-partij verkiezingen, nog niet was voltooid, maar dat de toekomst er hoopvol uitzag. Alle leden steunden het voorstel van de Secretaris-Generaal om in Tadzjikistan, na afloop van het mandaat van de VN-missie ter plaatse (UNMOT) op 15 mei a.s., een VN "peacebuilding office" op te zetten, naar analogie van dergelijke VN-kantoren in de Centraal Afrikaanse Republiek en Guinee-Bissau. De Secretaris-Generaal zou binnenkort concrete voorstellen doen. Nederland steunt deze "peacebuilding"-kantoren, aangezien het past in de door Nederland voorgestane integrale benadering In een presidentiële verklaring verwelkomde de Raad het feit dat voor het eerst pluralistische parlementaire verkiezingen waren gehouden. Conform Nederlandse wens werd daarbij wel opgemerkt dat deze verkiezingen bepaald niet vlekkeloos waren verlopen. UNMOT had een belangrijke rol in het democratiseringsproces gespeeld, aldus de presidentiële verklaring. Het voornemen van de Secretaris-Generaal om UNMOT terug te trekken bij het verlopen van het mandaat werd gesteund, terwijl de Raad met belangstelling de voorstellen van de Secretaris-Generaal over voortgezette presentie afwachtte.

Oost-Timor
De open briefing door Assistent Secretaris-Generaal Annabi op 21 maart schetste een voorzichtig optimistisch beeld van de situatie in Oost-Timor. Hij bevestigde dat nog ongeveer 100.000 vluchtelingen in kampen in West-Timor zaten. Ongeveer de helft zou willen terugkeren naar Oost-Timor. UNTAET had er bij de Indonesische regering op aangedrongen publiekelijk te verklaren dat degenen die besloten terug te keren hun recht op pensioen niet zouden verspelen. De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) was bezig met de implementatie van een programma dat Oost-Timorezen in het buitenland aanmoedigde om terug te keren en bij de wederopbouw van het land behulpzaam te zijn. Annabi beaamde dat de criminaliteit in Oost-Timor snel toenam. Er bestond inmiddels een mechanisme waarbij het Indonesische leger en UNTAET gezamenlijk de grens observeerden. De civiele politie nam in sterkte toe en zou, volgens Annabi de komende maanden geheel ontplooid zijn. De wederopbouw van het land zou nog een lange tijd in beslag nemen. Een uitgewerkt ontwikkelingsplan was nog niet gereed. De samenwerking tussen UNTAET en het Oost-Timorese leiderschap verliep voorspoedig. De National Consultative Council vergaderde regelmatig en was een nuttig mechanisme voor de Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal om met de Oost-Timorezen te overleggen. Inmiddels hadden ook twee pro-autonomiegroeperingen zitting genomen in de Raad.
Nederland verwelkomde het onderzoek van een panel van Oost-Timorese en buitenlandse rechters naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Vooralsnog waren 300 moorden onderzocht. Er waren nog onderhandelingen gaande tussen de Indonesische regering over uitwisseling van informatie. Nederland benadrukte het belang van het begrip 'ownership" dat een centrale rol diende te spelen bij alle voorstellen en beslissingen van UNTAET en andere actoren om demoralisering van de in Oost-Timor gebleven bevolking te voorkomen.

LATIJNS-AMERIKA

Haïti
Onder Secretaris-Generaal Miyet informeerde op 3 maart de Veiligheidsraad inzake Haïti en de overgang van de bestaande VN-politiemissie (MIPONUH) naar het nieuwe VN-kantoor ter ondersteuning van de vredesopbouw (MICAH, International Civilian Support in Haïti). In dit verband herhaalde hij de oproep van de Secretaris-Generaal om bijdragen te leveren aan het Trustfund voor MICAH, waaruit personeel betaald moest worden. De Provisionele Verkiezingsraad had besloten om de verkiezingen drie weken uit te stellen. De eerste verkiezingsronde zou nu op 9 april plaatsvinden, de tweede op 19 mei. De leden van de Raad waren in de persverklaring vol lof over de wijze waarop de overgang naar MICAH plaatsvond. De internationale gemeenschap moest nog lang bij Haïti betrokken blijven, waarbij de nodige aandacht aan de kernoorzaken van de moeilijke situatie in Haïti, armoede en onderontwikkeling besteed moest worden.
De Veiligheidsraad aanvaardde op 15 maart de voorzittersverklaring waarmee het mandaat voor de missie in Haïti, MIPONUH formeel werd beëindigd. Het is nu aan de nieuwe missie MICAH, gemandateerd door de Algemene Vergadering om het verkiezingsproces en het door ECOSOC ontwikkelde strategisch raamwerk voor de ontwikkeling van Haïti in goede banen te leiden.

ALGEMEEN

Internationale vrouwendag
De voorzitter van de Veiligheidsraad legde op 8 maart een persverklaring af ter gelegenheid van Internationale Vrouwendag. De verklaring richtte zich op vrouwen in gewapende conflicten. Op Nederlands initiatief bevat de verklaring een krachtig pleidooi voor "gender mainstreaming" op elk beleidsniveau bij de aanpak van gewapende en andere conflicten.
Open debat over humanitaire aspecten van VR-kwesties Op 9 maart vond in de Veiligheidsraad een open debat plaats onder leiding van de Minister van Buitenlandse zaken van Bangladesh over "Maintaining Peace and Security: Humanitarian Aspects of the Issues before the Security Council". In zijn inleiding wees de Secretaris-Generaal op de noodzaak de vicieuze cirkel van veiligheidscrises naar humanitaire crises te doorbreken. Bij vredesonderhandelingen was het nodig vroegtijdig rekening te houden met humanitaire aspecten.

Na afloop aanvaardde de Raad een voorzittersverklaring die onder andere de volgende elementen bevatte:
- humanitaire crises konden het best vermeden worden door het voorkomen van conflicten; conflicten konden op hun beurt het best vermeden worden door armoedebestrijding en economische ontwikkeling
- humanitaire hulpverleners dienden toegang te hebben tot conflictgebieden en hun veiligheid moest worden gegarandeerd
- adequate financiering voor humanitaire programma's
- adequate training voor personeel van vredesmissies in internationaal humanitair recht en mensenrechten
- betere coördinatie tussen de verschillende actoren op het gebied van humanitair hulpverlening.
Nederland vroeg bijzondere aandacht voor de aansprakelijkheid voor misdaden als noodzakelijke basis voor verzoening. Ook stelde Nederland de problematiek van de ontheemden aan de orde; er mocht geen verschil in hulp en bescherming worden gemaakt tussen burgers, louter vanwege het al dan niet hebben van een vluchtelingenstatus.

Sancties
De Veiligheidsraad debatteerde op 10 maart over een document van het Secretariaat over sancties. In de Raad bleek behoefte te bestaan aan een discussie over het instituut van de sancties. De Raad kwam overeen een werkgroep op te richten met betrekking tot algemene en operationele kwesties van sancties. De werkgroep zal zich richten op "lessons learned", opties voor meer gerichte sancties en de verbetering van het sanctie-regime en een versterking van de ondersteuning van de verschillende Veiligheidsraad-sanctiecomité's.
Open bijeenkomst over ontwapening, demobilisatie en reïntegratie De Veiligheidsraad hield op 23 maart een open bijeenkomst over ontwapening, demobilisatie en reïntegratie ("DDR") van voormalige strijders in een post-conflict situatie. De Secretaris-Generaal bepleitte integratie van DDR in vredesregelingen en/of in het mandaat voor vredesoperaties in plaats van toevoeging later. Daardoor konden DDR-activiteiten uit verplichte bijdragen worden betaald, in plaats van afhankelijk te zijn van vrijwillige bijdragen. Aandacht moest worden geschonken aan het regionale aspect van de (illegale) verspreiding van (kleine) wapens en aan de geldbronnen voor de aankoop van wapens. De Secretaris-Generaal wees op de ontwikkeling van nieuwe mechanismen van DDR, zoals het aanstellen van een Child Protection Adviser in DDR-operaties in gebieden waar kindsoldaten waren ingezet.

Behalve de leden van de Veiligheidsraad voerden 15 lidstaten het woord, onder andere Portugal namens de EU en Algerije namens de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. Alle sprekers zwaaiden de Secretaris-Generaal uitvoerig lof toe voor diens rapport. Alle delegaties onderstreepten het belang van de politieke wil van voormalig strijdende partijen tot vrede en uitvoering van DDR-operaties, het gevaar van kleine wapens en van illegale wapenhandel, de noodzaak bijzondere aandacht te geven aan kinderen en vrouwelijke militia en de wenselijkheid van ontwikkelingssamenwerking ter bestrijding van de diepere oorzaken van conflicten en ter herleving van de economie in een post-conflict situatie. Elementen die terug zijn te vinden in de presidentiële verklaring die na afloop van de zitting werd aangenomen. De Nederlandse interventie legde daarnaast nog de nadruk op het belang van betrokkenheid van de voormalige strijders bij DDR-activiteiten en het kweken van vertrouwen in een post-conflict situatie.

De Minister van Buitenlandse Zaken
J.J. van J.J. van Aartsen
Bijlage is niet elektronisch beschikbaar

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief BUZA werkzaamheden Veiligheidsraad maart 2000 '




Lees ook