Ministerie van Defensie


Brieven van de minister/staatssecretaris van Defensie aan de Eerste/Tweede Kamer der Staten-Generaal

Aan: De Voorzitter van de Vaste Commissie voor Defensie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Ons nummer CNO 98/055/99001450

Datum 7 mei 1999

Onderwerp onderzoek Nationale ombudsman ongevallen AP-23 mijn

Naar aanleiding van het verschijnen van het rapport van de Nationale ombudsman over de ongevallen in 1983 en 1984 met de AP-23 mijnen heeft uw Commissie bij brief van 22 april 1999 te kennen gegeven een inhoudelijke reactie te willen ontvangen op het rapport.

Ik realiseer me dat het rapport en de publiciteit hierover bij de overlevenden en nabestaanden vele jaren na het gebeuren van beide ongevallen wederom gevoelens heeft losgemaakt en nieuw leed heeft veroorzaakt . Ik betreur dat in hoge mate en in het bijzonder betreur ik de door Defensie in het verleden gemaakte fouten. Ik heb dit ook in een brief aan de overlevenden en nabestaanden laten weten.

De Nationale ombudsman heeft het onderzoek uitgevoerd op verzoek van uw Commissie omdat die van mening was dat het tot nu toe heeft ontbroken aan definitieve waarheidsvinding. Dit heeft voor de Commissie in sterke mate belemmerend gewerkt op het sluiten van de dossiers, terwijl een dergelijke afronding ook in het belang is van betrokkenen. De Nationale ombudsman heeft in zijn omvangrijke rapport een groot aantal feiten en veel informatie opgenomen over een periode die begint in 1958 met de ontwikkeling van de AP-23 mijn. Het rapport van de Nationale ombudsman is grotendeels gebaseerd op bekende informatie maar levert op een aantal punten andere conclusies op. Mede op grond daarvan komt de Nationale ombudsman in zijn rapport tot een groot aantal punten van kritiek op de gedragingen van Defensie.

Daarom wil ik nu, meer dan 15 jaar na het ongeval in het leslokaal in 1983 en bijna 15 jaar na het ongeval dat de heer Ovaa in 1984 is overkomen, alle aandacht richten op de betekenis die het rapport kan hebben voor de overlevenden en nabestaanden, de hulp en bijstand die Defensie aan hen kan bieden en de lessen die Defensie kan en moet leren voor de toekomst. Lessen die moeten verzekeren dat de afwikkeling en nazorg open en zorgvuldig plaats vinden.

Ik neem het rapport derhalve als uitgangspunt bij mijn verdere handelen jegens de overlevenden en nabestaanden.

De Nationale ombudsman heeft in zijn zeer uitgebreide rapport een drietal gedragingen onderzocht.

A. Het handhaven van de AP-23 mijn (met name lot AI 68-2) in de arsenalen van defensie en het te koop aanbieden van deze mijn aan derden, (mede) bezien in het licht van de problemen bij de ontwikkeling van de mijn en de (bijna)-ongevallen met de mijn. B. De door het Ministerie van defensie gegeven informatie over de toedracht van de ongevallen op 18 juli 1983 en 14 september 1984. C. De afwikkeling van beide hiervoor genoemde ongevallen voor wat betreft de nazorg aan en begeleiding van nabestaanden en andere betrokkenen.

Allereerst constateer ik dat de ontwikkeling van de AP-23 mijn in de jaren vijftig en zestig in feite een mislukking is geweest. Onmiddellijk na het verschijnen van het beproevingsverslag van de Munitie Onderzoekingsdienst van 11 november 1970 hadden maatregelen moeten worden genomen. Het is zeer ernstig en het valt zeer te betreuren dat dit niet is gebeurd. De verwisseling van oefenmunitie met scherpe mijnen waardoor op 18 juli 1983 twee scherpe mijnen in het leslokaal op de legerplaats Oldebroek belandden, had nooit mogen gebeuren.
De risico's verbonden aan het manco van deze mijn hebben ook in latere jaren niet altijd geleid tot maatregelen die gelet op de veiligheid van het eigen personeel en van derden vereist waren.

De veiligheid van het personeel vereist onze bijzondere en voortdurende aandacht, zeker waar met munitie wordt gewerkt. Het risico dat ongevallen plaatsvinden kan hierbij niet geheel worden uitgesloten. Wel is het de taak van Defensie als werkgever om dit risico zo klein mogelijk te maken. In de jaren na beide ongevallen is een proces in gang gezet met name gericht op de verbetering van de veiligheid van de munitieverwerking en van de munitieherkenbaarheid. In de periode van 1987 tot 1992 werden bij de Koninklijke Landmacht diverse maatregelen ter verbetering op dit gebied ingevoerd (onder andere voorschriften over de herkenbaarheid van munitie). Aanvullend ontstond de behoefte aan een totaal en integraal managementsysteem voor de munitieveiligheid. In aansluiting op ontwikkelingen in het bedrijfsleven werd in 1994 aangevangen met het opzetten en invoeren van een Safety Rating Systeem' (SRS). Begin 1996 is begonnen met de implementatie van dit systeem onder begeleiding van het civiele certificeringsbedrijf Det Norske Veritas.

De Nationale ombudsman heeft onder meer kritiek op de wijze waarop de Tweede Kamer door Defensie is geïnformeerd over beide ongevallen. De Nationale ombudsman komt op een aantal punten tot een ander oordeel dan door Defensie in het (recente) verleden is geformuleerd en aan de Tweede Kamer is medegedeeld.

De kritiek van de Nationale ombudsman bevestigt de eerder door Defensie opgedane ervaring dat een onderzoek naar de oorzaak van een ongeval breed moet worden opgezet. In de informatie aan betrokkenen en de Tweede Kamer moet er voor worden gewaakt dat het oordeel over oorzaak en omstandigheden van een ongeval te absoluut wordt geformuleerd als dit niet met zekerheid kan worden gesteld. Zo spoedig mogelijk dienen Tweede Kamer en betrokkenen te worden geïnformeerd over het onderzoek.

Tegelijkertijd blijkt steeds opnieuw dat er vragen zijn die achteraf niet altijd volledig te beantwoorden zijn ook al zal dit in de beleving van nabestaanden en overlevenden onbevredigend zijn. Het is mijn stellige overtuiging dat een onderzoeksteam zich niet dient te wagen aan speculaties.

Feit is dat Defensie aansprakelijk is voor beide ongevallen: er zijn door Defensie fouten gemaakt vóór en bij de afwikkeling van beide ongevallen en dat betreur ik zeer.
In 1983 is dat niet duidelijk genoeg aan overlevenden en nabestaanden gemeld; de aansprakelijkheid had door Defensie direct expliciet aanvaard moeten worden.
Dat Defensie eerst in 1997 de aansprakelijkheid heeft aanvaard voor het ongeval dat de heer Ovaa is overkomen is schrijnend voor de nabestaanden. Alle informatie over de omstandigheden rond het ongeval had nadrukkelijk bij de oordeelsvorming betrokken moeten worden en zou in dat geval tot een ander oordeel over de aansprakelijkheid hebben moeten leiden.

Met uitzondering van degenen die te kennen hebben gegeven geen enkel contact meer te willen met Defensie en een persoon wiens huidige adres nog niet kon worden achterhaald, heb ik de nabestaanden en overlevenden een brief gestuurd. Op korte termijn zullen zij door medewerkers van Defensie worden benaderd. Daarbij zal worden besproken op welke wijze Defensie hen hulp en bijstand kan verlenen. Hulpverleners van Defensie zijn daarvoor beschikbaar. Indien gewenst kan ook externe hulp worden ingeschakeld op kosten van Defensie. Ook zal de schadeafwikkeling opnieuw worden bezien om na te gaan of mensen in dit opzicht niet te kort zijn gedaan.

Zoals ik reeds eerder aan uw Commissie heb laten weten behoeft de werkwijze van Defensie bij calamiteiten belangrijke verbetering. Die verbeteringen betreffen in het bijzonder de slagvaardigheid en de communicatie. Deze onderwerpen komen ook in het veranderingsproces bij Defensie aan de orde. De Nationale ombudsman onderstreept in zijn rapport het belang hiervan. Juist aan overlevenden en nabestaanden moet de Defensie-organisatie actief informatie geven over de toedracht van een ongeluk en moet zij open ingaan op de bij hen bestaande vragen. Daarom richt ik nu al mijn aandacht op de hulp en bijstand die Defensie hen nu nog kan bieden.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

H.A.L. van Hoof

Deel: ' Brief Defensie inzake onderzoek ongevallen AP-23 mijn '




Lees ook