Ministerie van Defensie





Kamervragen en antwoorden


Verarmd uranium

11-04-2000

Onderwerp
In Kosovo achtergelaten verarmd uranium.
Het gebruik van munitie met verarmd uranium in ex-Joegoslavië.
Uw brief/kenmerk
6 maart 2000 - 2990007890
23 maart 2000 - 2990008740

Ons nummer
d 2000001284

Datum
11 April 2000

Onder verwijzing naar de bovengenoemde brieven bieden wij u hierbij aan de antwoorden op de schriftelijke vragen van de Tweede-Kamerleden M.B. Vos en Harrewijn over in Kosovo achter-gelaten verarmd uranium (ingezonden 3 maart 2000) alsmede vragen van de Tweede-Kamerleden M.B. Vos en Marijnissen over het gebruik van munitie met verarmd uranium in ex-Joegoslavië (ingezonden 22 maart 2000).

De minister van Buitenlandse Zaken
J.J. van Aartsen

en

De minister van Defensie
Mr. F.H.G. de Grave

Antwoorden op vragen van de leden HARREWIJN en M.B. VOS (GL) van 3 maart 2000 over in Kosovo achtergelaten verarmd uranium (2990007890).

Vraag 1,2 en 3
Hebt u kennisgenomen van de brief van het 'Department of the Airforce, 11th wing' inzake afgevuurde projectielen in Kosovo? Was deze informatie binnen de NAVO bekend? Zo ja, waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd?
Hoe beoordeelt u de veronderstelling van Dan Fahey dat de hoeveelheid door de Amerikaanse luchtmacht in Kosovo en Servië achtergelaten verarmd uranium 9,5 ton bedraagt?
Kunt u de Kamer nader informeren over de door de NAVO geschatte hoeveelheid verarmd uranium in Kosovo en Servië? Zo neen, waarom niet?
Antwoord
Ja. De op 31 januari 2000 aan een particulier verzonden brief is mij via de Kamerleden de heer Harrewijn en mevrouw M.B. Vos bekend geworden. Deze brief geeft geen inzicht in de hoeveelheid munitie met verarmd uranium die is gebruikt gedurende Allied Force. Nederland heeft uitsluitend inzicht in wapentechnische aspecten van door de afzonderlijke bondgenoten gebruikte munitietypen door de informatie die Nederland via de Navo ontvangt.

Vraag 4 en 5
Is KFOR bezig met het opruimen van genoemde projectielen in Kosovo? Zo neen, waarom niet? Hoeveel van deze 30 mm projectielen zijn door de Nederlandse genietroepen teruggevonden bij demilitarisering? Is er sprake van het markeren van gebieden waar deze projectielen zich bevinden? Zo neen, waarom niet? Zo ja, in hoeverre worden de NGO's en de bevolking geattendeerd op deze nogo area's?

Antwoord
Indien projectielen of munitiedelen, waaronder munitiedelen met verarmd uranium, worden aangetroffen, wordt het gebied gemarkeerd. Zo worden de lokale bevolking en NGO´s geattendeerd op de aanwezigheid van dit materiaal, waarna het zo spoedig mogelijk wordt geruimd. Nederlandse eenheden hebben tot dusver één kogel gevonden.
Vraag 6
Is het waar dat verarmd uranium zich bij voorkeur ook nestelt in het skelet (de calciumhuishouding) en vandaar uit de aanmaak van nieuw bloed beïnvloed? Zo ja, in hoeverre is een urineonderzoek relevant om een concentratie van verarmd uranium te meten? Waarom is er bij de Nederlandse militairen uit Kosovo geen isotopenonderzoek uitgevoerd teneinde concrete contaminatie vast te stellen?
Antwoord
De als gevolg van Allied Force in de bodem achtergebleven concentratie verarmd uranium is, op basis van de nu beschikbare informatie en wetenschappelijke inzichten, nauwelijks hoger dan de van nature in de bodem aanwezige radioactieve concentratie. Er is volgens experts op het gebied van de stralingshygiëne geen reden aan te nemen dat het gehele gebied ernstig is besmet. Er is evenmin aanleiding te veronderstellen dat het verblijf in Kosovo een extra risico met zich meebrengt. Lokaal, bijvoorbeeld in en om een voertuig dat is vernietigd door munitie met verarmd uranium, kan een verhoogde hoeveelheid verarmd uranium aanwezig zijn. Daar mogen alleen werkzaamheden worden verricht als maatregelen ter persoonlijke bescherming zijn genomen.

De risico´s van verarmd uranium zijn tweeledig. Er is een toxisch effect en een risico als gevolg van ioniserende straling. Het stralingsrisico is afhankelijk van de mate van blootstelling aan verarmd uranium. Voor de berekening van de dosis is van belang of het lichaam geheel of gedeeltelijk is bestraald. De stralingsdosis kan zijn veroorzaakt door inwendige besmetting als gevolg van opname van radioactieve deeltjes in het lichaam, door externe bestraling en door contact met de huid.

Inhalatie van uraniumstof is de belangrijkste oorzaak van inwendige besmetting. Verwijdering geschiedt door het natuurlijk reinigingsmechanisme van de luchtwegen en oplossing in het bloed. Van de in het lichaam geraakte oplosbare (verarmd) uraniumverbindingen verdwijnt ongeveer 50% snel via de urine; de rest wordt opgenomen in het botweefsel en in zachte weefsels, waarbij voortdurend uitwisseling met het plasma plaatsvindt. Een deel van deze oplosbare verbindingen wordt op termijn alsnog uitgescheiden; een klein deel blijft echter in het lichaam achter. Door de toxiciteit van uranium kunnen de in het plasma opgeloste uraniumverbindingen tot schadelijke effecten leiden. Zoals ook geldt voor andere zware metalen, zijn de nieren het meest bevattelijk voor deze schadelijke effecten. Ze kunnen resulteren in een verminderde nierfunctie.

Van ingeademde en in de ademhalingswegen terecht gekomen uraniumoxidedeeltjes lost een zeer gering deel in het plasma op. Vooral deeltjes die in de longen achterblijven vormen een stralingsrisico. In de stralingsbescherming wordt uitgegaan van het rechtstreekse verband tussen de stralingsdosis en de grootte van het risico op gezondheidsschade, bijvoorbeeld het ontstaan van kwaadaardige tumoren.

Om op een interne besmetting te kunnen controleren, is het van belang na een eventueel incident zo snel mogelijk urinemonsters van betrokkenen te nemen. De totale uraniumbelasting kan door ´retentiemodellen´ worden berekend.

Bij het personeel dat een 30 mm kogel heeft gevonden zijn, op grond van adviezen van defensiedeskundigen op het gebied van de stralingshygiëne, per betrokkene drie urinemonsters genomen. Twee monsters werden zo snel mogelijk na het incident genomen en één monster na een week. In alle monsters lag de hoeveelheid uranium beneden de detectielimiet van drie microgram per liter. Gezien de korte tijdsduur tussen eventuele besmetting en het nemen van het urinemonster zou een inwendige besmetting zeker zijn gedetecteerd. Op basis van de gevonden uitslag is een inwendige besmetting derhalve uitgesloten. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Berekening van risico´s door externe bestraling leerde dat er geen significante externe bestraling is opgetreden. Ten opzichte van de achtergrondstraling was er geen additionele stralingsdosis. Uitlezing van de door de betrokken militairen gebruikte
thermoluminescentiedosismeters (TLD's) bevestigden deze berekening. De door rechtstreeks contact ontvangen huiddosis was dermate klein dat geen enkel korte of langetermijneffect te verwachten is.
Antwoorden op vragen van de leden M.B. Vos (GL) en Marijnissen (SP) van 22 maart 2000 over in Kosovo achtergelaten verarmd uranium (2990008740).

Vraag 1 en 2
Heeft u kennisgenomen van de brief van 7 februari jl. van NAVO Secretaris-Generaal Lord Robertson aan de Secretaris-Generaal van de V.N. met nog niet volledige informatie over de locaties en hoeveelheid verarmd uranium in Kosovo? Zo ja, waarom is de Kamer hier niet over ingelicht? Kunt u de betreffende brief alsnog aan de Kamer doen toekomen? Bent u bereid de NAVO tot spoed aan te manen om alle gebieden in ex-Joegoslavië waar zich mogelijk munitie met verarmd uranium bevindt, openbaar te maken? Zo neen, waarom niet?
Antwoord
Ja. De Kamer is meegedeeld (in de antwoorden op de vragen van de Kamerleden de heren Marijnissen en Harrewijn en mevrouw M.B. Vos, ingezonden respectievelijk 22 oktober en 23 november 1999) dat de regering er in Navo-verband op aandringt dat het bondgenootschap volledige medewerking verleent aan het onderzoek van de UNEP/UNCHS Balkans Task Force naar het gebruik van wapens met verarmd uranium. Navo-overleg heeft geresulteerd in de bijgevoegde brief van 7 februari 2000. In het Algemeen Overleg van 16 maart 2000 over de situatie op de Balkan gaf de minister van Defensie aan de Kamer in het antwoord op de kamervragen over verarmd uranium verder te informeren.
Vraag 3 en 6
Waarom wordt er in het document slechts informatie gegeven over een beperkt gedeelte van het voormalig Joegoslavië, te weten Kosovo? Op welke wijze en door wie wordt de bevolking van voormalig Joegoslavië voorgelicht over de risico's van verarmd uranium? Hoe verklaart u het verschil tussen het bericht van de NAVO dat er in totaal 31.000 'rounds of DU ammunition' afgevuurd werden door alle NAVO troepen en de brief van het 'Department of the Airforce, 111th wing' die aanhaalt dat er 37.550 'rounds of 30 mm ammunition' afgevuurd werden door de Amerikaanse luchtmacht alleen?

Antwoord
De Navo heeft bekendgemaakt dat gedurende de operaties boven Kosovo 31.000 stuks 30 mm munitie met verarmd uranium zijn gebruikt. Over de hoeveelheid verschoten 30 mm munitie van andere typen zijn geen mededelingen gedaan. Voorzover kon worden vastgesteld is munitie met verarmd uranium niet gebruikt bij missies boven de rest van de Federale Republiek Joegoslavië. Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen van de Kamerleden de heer Harrewijn en mevrouw M.B. Vos (ingezonden 3 maart 2000), heeft Nederland uitsluitend inzicht in de door de afzonderlijke bondgenoten gebruikte munitietypen door de informatie die Nederland via de Navo ontvangt.

Vraag 4
Op welke wijze en door wie worden militairen en medewerkers van internationale organisaties die werkzaam waren en zijn in voormalig Joegoslavië, voorgelicht over de risico's van verarmd uranium?
Antwoord
Nederlands defensiepersoneel wordt vóór uitzending zowel schriftelijk als mondeling geïnformeerd over mogelijke gezondheidsrisico´s van ioniserende straling, inclusief verarmd uranium. Bijzondere aandacht wordt besteed aan voorzorgsmaatregelen. Indien NGO´s ter plaatse hun activiteiten afstemmen met de lokale Nederlandse militaire vertegenwoordiger, staat hun deze informatie ter beschikking. NGO´s zijn echter altijd zelf verantwoordelijk voor hun medewerkers.
Vraag 5 en 7
Op welke wijze worden de gevolgen van het gebruik van verarmd uranium voor de nationale gezondheid gemonitored? Heeft de bevolking van voormalig Joegoslavië toegang tot medische zorg bij ziektes veroorzaakt door verarmd uranium? Zo neen, is de minister van Buitenlandse Zaken bereid om binnen de EU verband te pleiten voor het ter beschikking stellen van financiële middelen daartoe ongeacht de bestaande sancties tegen ex-Joegoslavië? Onder wiens verantwoordelijkheid zal de resterende munitie met verarmd uranium opgeruimd worden? Hoe lang zal dit duren?

Antwoord
Voor de gezondheidszorg in Kosovo is de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) primair verantwoordelijk. De WHO en het interimbestuur van de Verenigde Naties in Kosovo (UNMIK) zijn in de herfst van 1999 door een medisch team van het Amerikaanse leger gewezen op de aanwezigheid van resten van munitie met verarmd uranium. UNMIK geeft op dit moment geen prioriteit aan het monitoren van de gevolgen van de aanwezigheid van verarmd uranium op de gezondheid.

UNMIK en de WHO richten zich in Kosovo primair op het creëren van een leefomgeving waar de gezondheidsomstandigheden voldoen aan de minimale eisen: de preventie van besmettelijke ziekten, het monitoren van de waterkwaliteit en het bestrijden van ongedierte. Voorts besteedt UNMIK de nodige aandacht aan milieuvervuiling, met name aan de luchtvervuiling als gevolg van elektriciteitsopwekking met bruinkool en de verspreiding van zware metalen in de omgeving van de Trepca-mijnen ten noorden van Mitrovica.

Indien UNMIK het in de toekomst wenselijk acht om een monitoringssysteem naar de gevolgen van de aanwezigheid van verarmd uranium in Kosovo op te zetten, is de regering bereid hiervoor in EU-verband aandacht te vragen.

Deel: ' Brief Defensie over in Kosovo achtergelaten verarmd uranium '




Lees ook