Ministerie van Financien

Titel: Teruggave BPM taxi's (90% criterium)

Brief d.d. 23 juli 1999 betreffende BPM en taxis (VB99/01517)

D.d. 8 maart 1999 heeft de Staatssecretaris Kamervragen beantwoord met betrekking tot een controle van taxibedrijven (zie Info-bulletin nr. 99/266). In antwoord 5 op de Kamervragen is medegedeeld dat nader overleg met de ondernemers in de branche zou plaats vinden met name over de wijze waarop een taxi-ondernemer aannemelijk kan dan wel dient te maken of hij aan de eisen die aan het verkrijgen van teruggaaf van BPM worden gesteld, voldoet. Inmiddels heeft dit overleg plaatsgevonden met het Koninklijk Nederlands Vervoer en is het volgende overeengekomen.

Ingevolge artikel 16 van de wet BPM, juncto artikel 14 van het uitvoeringsbesluit BPM, kan onder voorwaarden achteraf teruggaaf van BPM worden verleend in drie gelijke jaarlijkse termijnen. Teruggaaf is mogelijk voor personenautos, die geheel of nagenoeg geheel als taxi zijn gebruikt. Onder geheel of nagenoeg geheel dient in dit verband te worden verstaan : voor ten minste 90% (van het totaal aantal kilometers). De teruggaaf bedraagt nihil indien de personenauto in de voorafgaande periode van een jaar niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer. Dit impliceert dat de taxi-ondernemer, die verzoekt om teruggaaf van BPM, aannemelijk moet maken dat aan dit 90%-criterium is voldaan. De wijzen waarop dit kan gebeuren, zijn nader toegelicht in de brief van 8 maart 1999, kenmerk VB99/446.

Uit deze brief blijkt, dat de verklaring van de ondernemer, dat de personenauto voor ten minste 90% als taxi is gebruikt, kan worden getoetst aan de hand van de door de ondernemer bijgehouden administratie waarbij in eerste instantie moet worden gedacht aan de vastlegging van het gebruik van de desbetreffende auto, de kilometeradministratie. Afhankelijk van de omstandigheden kan dit een administratie zijn per rit, per dienst of per dag. Wanneer de inspecteur meent, dat de kilometeradministratie op zichzelf onvoldoende is voor een adequate toetsing, dan kunnen nadere gegevens, neergelegd in de bedrijfsadministratie van de ondernemer (bijvoorbeeld bij contractvervoer: de inhoud van contracten en facturen), in de beoordeling worden betrokken. Biedt ook deze administratie in onvoldoende mate aangrijpingspunten voor een adequate toetsing, dan is het totaalbeeld dat de Belastingdienst heeft van de ondernemer die om teruggaaf van BPM heeft verzocht, relevant. Bij de vorming van dit beeld kunnen -zoals blijkt uit de brief van 8 maart 1999- onder meer de uitkomsten van door de Belastingdienst bij de ondernemer ingestelde onderzoeken in het kader van andere belastingmiddelen, zoals inkomstenbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting, van belang zijn.

De taxi-ondernemer kan -zoals moge blijken uit hetgeen hiervoor is opgemerkt- verschillende vormen van onderbouwing aanvoeren teneinde aannemelijk te maken dat hij heeft voldaan aan het 90%-criterium. Het is vervolgens aan de inspecteur om aan de hand van de door de Staatssecretaris in de brief van 8 maart 1999 uitgezette lijnen en genoemde criteria te beoordelen of de taxi-ondernemer hierin in voldoende mate is geslaagd.

Deel: ' Brief Financien betreffende BPM en taxi's '




Lees ook