Ministerie van Financien

Titel: Bevoegdheden Algemene Rekenkamer inzake artikel 54 Comptabiliteitswet

DIRECTIE WETGEVING, JURIDISCHE EN BESTUURLIJKE ZAKEN

Aan:

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

G 99/449

17 november 1999

Onderwerp

Tijdens het overleg met uw kamer op 15 oktober 1998 inzake de schenking door De Nederlandsche Bank (Victory Boogie Woogie) heb ik op een vraag van de heer Vendrik toegezegd schriftelijk te zullen ingaan op de interpretatie van artikel 54 van de Comptabiliteitswet.

Deze brief strekt daartoe. Over de inhoud van de brief is overleg gevoerd en overeenstemming bereikt met de Algemene Rekenkamer.

Artikel 54

Artikel 54, eerste lid, van de Comptabiliteitswet, zoals dit sinds de vijfde wijziging luidt, geeft de bevoegdheden weer waarover de Algemene Rekenkamer beschikt bij de uitvoering van rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek bij onderdelen van het Rijk.

Deze bevoegdheden betreffen: kassen en voorraden op nemen, alsmede het onderzoeken van administraties, documenten en andere informatiedragers op door haar aan te geven wijze, alles voorzover de Rekenkamer zulks voor de uitoefening van haar taak nodig acht.

Eveneens indien de Rekenkamer dat voor haar taak nodig acht, zijn ministers ingevolge het tweede lid van artikel 54 gehouden de Algemene Rekenkamer desgevraagd inlichtingen te verstrekken.

De onderzoeksbevoegdheden van de Rekenkamer en de verplichting van ministers om inlichtingen te verstrekken zijn in algemene bewoordingen gesteld. Artikel 54 bevat terzake geen uitdrukkelijke beperkingen, behoudens de band die er moet bestaan met de uitoefening van de taak van de Rekenkamer.

Reikwijdte

Over de reikwijdte van artikel 54 valt uit de parlementaire totstandkoming van de vijfde wijziging van de Comptabiliteitswet weinig af te leiden. Wel kan uit de toelichting bij het eerste lid worden opgemaakt dat de wetgever gekozen heeft voor een formulering waarbij zeker werd gesteld dat de Rekenkamer en haar ambtenaren of ingehuurde deskundigen in ieder geval toegang zouden hebben tot de administraties. Ook indien deze zijn opgenomen in geautomatiseerde systemen. Aldus lijken de algemeen geformuleerde bevoegdheden een directe relatie te hebben met het onderzoek van de administraties.

Een relatie die op zich weinig verwondering behoeft te wekken. Dit is nu eenmaal van oudsher de taak van de Rekenkamer. Ook in de artikelen 17 en 18 van de Wet houdende instructie voor de Algemeene Rekenkamer (Stb. 1841, 40) was de inlichtingenplicht van de ministers en waren de onderzoeksbevoegdheden (toen nog als plicht geformuleerd) van de Rekenkamer in algemene bewoordingen gesteld. Als enige beperking gold ook toen dat het moest gaan om zulke inlichtingen als de aard harer werkzaamheden medebrengt en toelaat. En die werkzaamheden betroffen de controle op de uitgaven en ontvangsten. In de memorie van antwoord valt dan ook te lezen dat de aan de Rekenkamer te verschaffen inlichtingen en bescheiden op die controle betrekking moeten hebben en meer ook niet. In den regel kan de Rekenkamer ook bezwaarlijk haar toezicht verder uitstrekken, of zij zou deel aan de administratie moeten nemen, hetgeen nooit hare roeping kan wezen ... .

Ook uit de latere wetgeving met betrekking tot de Algemene Rekenkamer (Stb. 1917, 442 en Stb.1922, 194) blijkt enerzijds een op zich algemene formulering van de verplichting en de bevoegdheden, maar anderzijds een toch beperkte betekenis door de directe relatie met de controle op de financiële administraties.

Met de introductie van de doelmatigheidscontrole is een belangrijke wijziging ingezet met betrekking tot het onderwerp van onderzoek. Een wijziging die geleidelijk ook inhoudelijk van invloed is geweest op de rechtmatigheidscontrole.

Het primaire aandachtspunt van de Rekenkamer is daardoor namelijk gaandeweg minder cijfermatig geworden; minder gericht op de financiële administratie van de uitvoering van de begroting. Het controle-object werd aanzienlijk ruimer. Zowel de totstandkoming als de uitvoering en evaluatie van beleid werden onderwerp van onderzoek. En daarmee nam de bestuurlijke en politieke gevoeligheid van de onderzoeken toe. Vanzelfsprekend heeft dit zijn neerslag gevonden in de verslagen en tussentijdse rapportages van de Rekenkamer, hetgeen uiteindelijk ook resulteerde in een grotere belangstelling vanuit het parlement en de pers voor de werkzaamheden van de Rekenkamer. Deze ontwikkeling in de bestuurlijke en politieke gevoeligheid en betekenis van de door de Rekenkamer onderzochte onderwerpen heeft evenwel geen consequenties met zich gebracht voor de inlichtingenplicht en bevoegdheden bedoeld in artikel 54.

Uit de schriftelijke voorbereiding van de Comptabiliteitswet 1976 en de discussie met de Tweede Kamer inzake de artikelen 68, 69, lid 1, 70 en 77, lid 2 (tezamen het huidige 54) blijkt dat het onderwerp wel aan de orde is gekomen, maar niet principieel is bediscussieerd.Tot een uitdrukkelijke clausulering van de bevoegdheden in de Comptabiliteitswet is het dan ook niet gekomen.

Vertrouwelijkheid en openbaarheid

Een ander aspect van de reikwijdte betreft de uitstraling in de richting van de openbaarheid. Artikel 54 ziet naar de letter niet op dat aspect, met uitzondering van de specifieke bepaling met betrekking tot de begrotingsartikelen geheim. Evenmin is in de Comptabiliteitswet op enige andere plaats een uitdrukkelijke beperking opgelegd voor wat betreft de openbaarmaking door de Rekenkamer van (vertrouwelijke) gegevens, verkregen in het kader van een onderzoek bij het Rijk 1.

Het bovenstaande kan alleen passen in onze staatsrechtelijke verhoudingen als regering en Rekenkamer daarmee vanuit hun eigen verantwoordelijkheid prudent omgaan. Een vergelijking kan worden gemaakt met de wijze waarop de informatieplicht van een minister aan de Staten-Generaal uit hoofde van artikel 68 van de Grondwet is geclausuleerd. Een minister of staatssecretaris dient het parlement desgevraagd die inlichtingen te geven waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de Staat. Ook artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Parlementaire Enquête geeft dit als criterium voor het al dan niet ter beschikking stellen van bescheiden. Het tweede lid van dit artikel gaat nog verder door te bepalen dat de notulen van de ministerraad niet aan een enquêtecommissie worden overgelegd, tenzij de ministerraad zelf anders bepaalt. Uit de
totstandkomingsgeschiedenis van dit artikellid blijkt dat de meerderheid van de Tweede Kamer er van uitging dat een inzagerecht met betrekking tot de notulen van de ministerraad in de weg zou staan aan een vrije gedachtewisseling in de Raad. Hoewel strikt genomen daartoe op grond van artikel 54 wel bevoegd neemt ook de Rekenkamer (vrijwillig) geen kennis van notulen van de ministerraad.

Gesteld kan worden dat de regering of een individuele minister verantwoordelijk is voor de wijze waarop met vertrouwelijke informatie wordt omgegaan. Deze verantwoordelijkheid behelst niet alleen de ministeriële verantwoordelijkheid tegenover de Staten-Generaal maar ook een verantwoordelijkheid ten opzichte van derden waarop die informatie betrekking heeft of waar die informatie vandaan komt. Doorbreking van de vertrouwelijkheid kan -zoals de vergelijking met artikel 68 van de Grondwet leert- strijdigheid opleveren met het belang van de Staat. De beoordeling of daarvan sprake is, moet en kan ook alleen voorbehouden zijn aan de regering. Evenzo is dan ook de beoordeling of doorbreking van de vertrouwelijkheid verantwoord is en of de informatie met andere woorden openbaar gemaakt kan worden een taak en verantwoordelijkheid van de regering. Die verantwoordelijkheid kan niet met anderen worden gedeeld of aan anderen worden toebedeeld. Bij de Wob ligt dit in zoverre anders dat daar de (verticale) relatie overheid-burger in het geding is en de bescherming van de burger bij een geschil een onafhankelijk oordeel gewenst maakt. Dat verschilt principieel van de (horizontale) relatie tussen verschillende onderdelen van de overheid.

De hierboven geformuleerde verantwoordelijkheid van de regering loopt in de verhouding tussen de regering en haar controleur, de Algemene Rekenkamer, samen met de bevoegdheid die de wetgever aan de Rekenkamer heeft gegeven zelf te beslissen over de openbaarmaking van haar verstrekte informatie met inbegrip van vertrouwelijke informatie. In de praktijk kunnen die verantwoordelijkheid van de regering en de bevoegdheid van de Rekenkamer slechts in goede banen worden geleid indien beide partijen bereid zijn in concrete situaties goed overleg te plegen met gevoel voor ieders staatsrechtelijke positie.

Uitgangspunten en afspraken

Regering en Rekenkamer zijn het er over eens, dat op grond van het bovenstaande in gevallen waarin vertrouwelijke informatie wordt verstrekt de volgende handelwijze wordt gevolgd.

A. Verschaffing vertrouwelijke informatie aan de Algemene Rekenkamer

Uitgangspunt dient te zijn dat de Rekenkamer op grond van artikel 54 alle informatie krijgt die zij ten behoeve van haar controle nodig heeft. Tot die informatie behoort zonder uitzondering ook de informatie die naar haar aard of naar de opvatting van de minister vertrouwelijk is. Uit de formulering van het tweede lid en het eerste lid, onder c, van artikel 54 blijkt dat niet van belang is of en zo ja, hoe de informatie is vastgelegd.

B. Vertrouwelijke informatie en rapportage door de Algemene Rekenkamer

Over de vraag of vertrouwelijke informatie in de rapportage van de Rekenkamer wordt opgenomen en op welke wijze, voert de Rekenkamer overleg met de minister. Vervolgens beslist de Rekenkamer.2 Een uitzondering geldt indien de minister in afwijking van de Rekenkamer van mening is, dat de vertrouwelijke informatie niet in een rapport van de Rekenkamer mag worden opgenomen, omdat dat strijdig zou zijn met het belang van de Staat in de zin van artikel 68 van de Grondwet. Immers geldt in dat geval als uitgangspunt, dat indien in een voorkomend geval strijdigheid met het belang van de Staat aan de orde is de Rekenkamer desgevraagd de garantie moet kunnen geven dat de betrokken informatie niet aan de openbaarheid wordt prijsgegeven. Van vermelding van de informatie in haar rapportage aan de Staten-Generaal kan dan geen sprake zijn. Ware dit anders dan zou de Staten-Generaal via de rapportage door de Rekenkamer de beschikking krijgen over informatie die zij met een beroep op artikel 68 van de Grondwet of zelfs in het kader van een parlementaire enquête niet zou krijgen.

Indien het overleg tussen een individuele minister en de Rekenkamer over de vertrouwelijkheid van bepaalde informatie niet tot overeenstemming leidt en de betrokken minister daarbij een beroep doet op het belang van de Staat, dient de minister daarover het gevoelen van de ministerraad in te winnen. Zulks overeenkomstig de te volgen procedure in het geval een individuele minister voornemens is met een beroep op artikel 68 van de Grondwet bepaalde informatie aan de Staten-Generaal te onthouden. Indien de ministerraad het standpunt van de betrokken minister overneemt, zal de Rekenkamer de informatie vertrouwelijk behandelen en in haar rapportage slechts melding maken van het bestaan van de vertrouwelijke informatie onder aantekening dat openbaarmaking van die informatie naar de mening van de ministerraad strijdig is met het belang van de Staat.

Het eindoordeel over de vraag of de regering zich in een voorkomend concreet geval terecht op het belang van de Staat beroept komt uiteraard toe aan de Staten-Generaal, waarbij wel zij aangetekend dat ook dan de regering niet rechtstreeks gedwongen kan worden de informatie te verstrekken.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

Deel: ' Brief Financien bevoegdheden Algemene Rekenkamer '




Lees ook