Ministerie van Financien

Titel: Brief Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs

Aan:

De voorzitter van de vaste kamercommissie van Financiën

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BGW98-3122U

27 januari 1999

Onderwerp

Brief Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs

Bijgaand zend ik u ter informatie een kopie van de brief van de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs inzake beleid Verzekeringskamer met betrekking tot de rekenrente en het door mij gegeven antwoord.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

Aan:

De Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs

Nieuwe Parklaan 11

2597 LA DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

3 dec 1998

BGW 98-3122U

Onderwerp

Beleid Verzekeringskamer t.a.v. rekenrente

In antwoord op uw brief van 3 dec. 1998 over het beleid van de Verzekeringskamer inzake de te hanteren rentevoeten door verzekeraars en pensioenfondsen deel ik, mede namens de Staatssecretaris het volgende mede:

De Verzekeringskamer heeft op 17 november 1998 op grond van haar wettelijke bevoegdheid dringend geadviseerd om de bovengrens van de rekenrente die levensverzekeraars moeten hanteren voor het vaststellen van de voorzieningen voor nieuwe produktie, te verlagen van 4% naar 3%. Voorts is levensverzekeraars gevraagd om voor 1 januari 1999 inzicht te geven in hun solvabiliteitspositie indien ook voor de aanwezige portefeuille van verzekeringscontracten de rekenrente zou worden verlaagd. Dit dringend advies raakt alleen verzekeraars en niet pensioenfondsen.

Bij circulaire van 11 januari 1999 is de invoeringsdatum waarop de voorziening getoetst dient te worden op een kapitaalmarktrente van 3% uitgesteld tot 1 augustus 1999, vanwege administratief technische redenen.

De Verzekeringskamer heeft de verantwoordelijkheid om in het kader van het solvabiliteits-toezicht prudente criteria voor te schrijven bij het vaststellen van de voorzieningen ten behoeve van polishouders. Juist het gegeven dat de huidige lage kapitaalmarktrente niet zozeer veroorzaakt wordt door kortstondige ontwikkelingen maar eerder structureel van karakter lijkt, brengt de Verzekeringskamer er toe genoemd beleid te voeren.

De geadviseerde verlaging van de rekenrente heeft alleen betrekking op die (pensioen)-verzekeringsovereenkomsten waarvoor het de verzekeraar vrij staat de premiehoogte vast te stellen (nieuwe produktie). Dit kan gevolgen hebben voor nog af te sluiten (pensioen)-verzekeringen met een gegarandeerde uitkering.

Voor lopende contracten, nieuwe deelnemers in collectieve contracten en nieuwe verzekeringen waarbij geen sprake is van een gegarandeerd eindkapitaal (bijv. beleggingsverzekeringen, pensioenverzekeringen op basis van beleggingseenheden) heeft het dringend advies geen directe gevolgen.

Het advies van de Verzekeringskamer impliceert geen herwaarderingsverplichting voor verzekeraars en pensioenfondsen. De gevolgen voor de loonkosten zijn vooralsnog beperkt en voor zover optredend niet de consequentie van het advies van de Verzekeringskamer, maar het gevolg van de lage kapitaalmarktrente. Het premiebeleid van een pensioenfonds is afhankelijk van de pensioentoezeggingen, het aanwezige vermogen, de beleggingsmix en de daarmee samenhangende beleggingsperformance.

Ten aanzien van de vennootschapsbelasting kan worden opgemerkt dat een lage kapitaalmarktrente over het algemeen minder gunstig is voor de winstgevendheid van verzekeraars dan een hoge kapitaalmarktrente. In totaliteit bezien echter, zal de lagere kapitaalmarktrente juist een positief effect hebben op de opbrengst van de vennootschaps-belasting, omdat in andere sectoren van de economie de winsten onder invloed van de lagere rente een positieve impuls krijgen.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

Bijlage: 1 kopie van brief aan NFB

Deel: ' Brief Financien inzake beleid Verzekeringskamer rekenrente '




Lees ook