Ministerie van Financien

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal

Plein 2

2511 CR Den Haag

Datum Uw brief Ons kenmerk (Kenmerk)

FM 2001-1567 M

Onderwerp

Besluit Financile Bijsluiter


1. Algemeen


In de nota Informatieverstrekking aan de consument van financile diensten is een aantal beleidsinitiatieven aangekondigd dat tot doel heeft de consument van financile diensten zodanig te informeren over de aard en risico's van financile producten, dat deze een goede en verantwoorde afweg maken bij de aanschaf van die producten. Deze beleidsinitiatieven beogen de markttransparantie - en daarmee de marktwerking - te bevorderen en zodo consument in staat te stellen verschillende financile producten te vergelijken. Een belangrijk beleidsinitiatief is in dit verband de ontwikkeling Financile Bijsluiter voor complexe financile producten (destijds nog aangeduid als 'kernpuntendocument').

In de brief van 11 januari 2001 en in de beantwoording van de vragen naar aanleiding van deze brief bent u nader genformeerd over de voortga de ontwikkeling van de Financile Bijsluiter. Hierin werd onder meer beschreven dat de Raad van Financile Toezichthouders (RFT) is verzocht de Fin Bijsluiter te ontwikkelen. Vanwege de toegenomen vervlechting van financile producten is immers een cross-sectorale invulling van de Financile Bi van groot belang. In bijgevoegd advies, dat op 5 juli jl. van de RFT werd ontvangen, wordt het resultaat beschreven van het onderzoek dat de RFT h verricht naar de voorwaarden waaraan een Financile Bijsluiter dient te voldoen. Op basis hiervan heeft de RFT, na consultatie van de Consumentenbo representatieve organisaties van de marktpartijen, een standaardmodel voor de Financile Bijsluiter ontwikkeld.

Uitgangspunt hierbij vormt het ontwerp-Besluit Financile Bijsluiter dat het juridische kader voor dit model bevat en de toezichthouders de bevoegd geeft om, door het vaststellen van nadere regels, de Financile Bijsluiter te concretiseren. Het ontwerp-Besluit is in het kader van de voorhangpro bijgevoegd.

De RFT rondt deze maand de consultatie van de Consumentenbond en de representatieve organisaties van de marktpartijen over de nadere regels af en v de regels in het vierde kwartaal van dit jaar te kunnen publiceren.

De RFT constateert in zijn advies onder meer dat bij consumenten een brede behoefte bestaat aan de informatievoorziening die de Financile Bijsluit kan bieden. Er zullen met de in het RFT-advies opgenomen reiktwijdte op jaarbasis ca. 25 miljoen financile producten worden verhandeld waarvoor de

verplichting tot het verstrekken van een Financile Bijsluiter zal gaan gelden. Door de invoering van de Financile Bijsluiter kan de informatiever aan de consument met betrekking tot die producten in belangrijke mate verbeteren. Dit betekent dat van de marktpartijen een aanzienlijke inspanning gevergd om aan deze verplichting te kunnen voldoen. In de afweging over de reikwijdte van de verplichting tot het verstrekken van de Financile Bij alsmede bij het vaststellen van het moment waarop deze verplichting wordt ingevoerd, is gezocht naar een evenwicht tussen deze lastenverzwaring voo bedrijfsleven en het gerechtvaardigde belang van consumenten bij een goede informatievoorziening.

In het onderstaande wordt kort ingegaan op de hoofdpunten van het RFT-advies.


2. Inhoud van het RFT-advies


Opzet

De RFT hanteert terecht het uitgangspunt dat de Financile Bijsluiter een bondig, voor de consument toegankelijk document moet worden. Ook moet de Financile Bijsluiter voor de consument als zodanig identificeerbaar zijn. Hiertoe heeft de RFT een standaardmodel ontwikkeld waarin met name infor moet worden gegeven over:

de aard en het doel van het product;

een beschrijving van de met het product samenhangende financile risico's;

de verplichtingen voor de afnemer;

een indicatie van het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten;

de voorwaarden waaronder de afnemer van het product de overeenkomst tussentijds kan opzeggen, alsmede de daaraan verbonden kosten en de o gevolgen;

de fiscale aspecten van het product;

informatie over het toezicht op de aanbieder en de toepasselijke klachten- en garantieregeling(en).

Voor een aantal onderdelen, zoals bijvoorbeeld de indicatie van de financile risico's, worden door de RFT standaardformuleringen voorgeschreven. O de RFT voor de presentatie van de kosten en van de voorbeeldrendementen standaardmodellen ontwikkeld die het mogelijk moeten maken om verschillende (soorten) producten goed met elkaar te kunnen vergelijken.

Deze modellen heeft de RFT door het NIPO laten toetsen door middel van een consumentenonderzoek. Dit heeft ertoe geleid dat de geteste modellen op aantal punten zijn vereenvoudigd. Zo heeft de RFT er onder meer toe besloten geen specificatie van de kosten te verlangen die aan een product verbo zijn. Uit het NIPO-onderzoek blijkt namelijk dat de consument met name genteresseerd is in de netto-opbrengst die bij een bepaalde inleg uiteindel worden verwacht.

Risico-indicator

In zijn advies besteedt de RFT ook aandacht aan een kwantitatieve risico-indicator waarmee complexe producten in een bepaalde risicocategorie kunne ingedeeld. De Raad is voornemens een kwantitatieve risico-indicator in de Financile Bijsluiter te laten opnemen, als aanvulling op de kwalitatieve risico-indicaties. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat het voornoemde onderzoek van het NIPO aantoont dat de consument al snel overvoe met informatie.

De ontwikkeling van een risico-indicator die bovendien niet alleen theoretisch houdbaar is, maar tevens de consument correcte informatie verschaft risico dat gelopen wordt, die qua presentatie begrijpelijk is voor de consument, werkbaar is voor de aanbieders van financile producten en tot slo toetsbaar is voor de toezichthouders, blijkt een zeer moeilijke opgave.

De RFT heeft in zijn advies reeds aangegeven dat een kwantitatieve risico-indicator wellicht niet op tijd gereed zou zijn voor de invoering van de Financile Bijsluiter. Onlangs heeft de RFT bevestigd dat de ontwikkeling van een dergelijke risico-indicator meer tijd vergt. Wel zal de Financil Bijsluiter reeds bij aanvang een kwalitatieve (tekstuele) risico-indicatie bevatten. Ik ga er vanuit dat deze de consument afdoende zal informeren bij aanschaf van een financieel product, een goed oordeel te kunnen vormen over de financile risico's die daarbij worden gelopen.

Reikwijdte en gelijk speelveld

Een belangrijke doelstelling van de Financile Bijsluiter is het bevorderen van de mogelijkheden om producten met elkaar te kunnen vergelijken. Van toegenomen vervlechting van de producten is het daarbij van belang dat producten die in verschillende sectoren van de financile markten worden aa op consistente wijze en waar mogelijk aan identieke informatieverplichtingen worden onderworpen. Zo zullen producten die door verzekeraars worden aangeboden moeten kunnen worden vergeleken met producten van banken of beleggingsinstellingen indien deze producten in gelijke behoeften van de con kunnen voorzien.

Daarbij moet worden vermeld dat het, ingevolge richtlijn nr. 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 2000 niet mogelijk is om de verplichting tot het verstrekken van een Financile Bijsluiter op te leggen aan financile ondernemingen die hun dienst producten langs elektronische weg aanbieden vanuit een vestiging in een andere EU-lidstaat. Dit is in de toelichting op het ontwerp-Besluit Financi Bijsluiter ook nader uitgewerkt. In Europees verband worden door Nederland inspanningen geleverd om ook in EU-verband tot harmonisatie van informatieverplichtingen, zoals ook in de FB zijn opgenomen, te komen.

Vooralsnog wordt de verplichting tot het verstrekken van een Financile Bijsluiter beperkt tot zogenaamde complexe financile producten. Dit beteke ieder geval dat voor producten die bestaan uit meerdere productsoorten en waarvan n van de elementen een beleggingskarakter kent, zoals effectenl levensverzekeringen met een beleggingscomponent, een Financile Bijsluiter zal moeten worden opgesteld en verstrekt. De aanschaf van dergelijke pro heeft voor de consument immers vaak verstrekkende financile gevolgen, terwijl de aard en de op elkaar inwerkende risico's van deze producten dikwi eenvoudig te doorgronden zijn. Voor deze producten ligt de verplichting tot het verstrekken van een Financile Bijsluiter voor de hand.

De grote verscheidenheid aan producten die wordt aangeboden en de snelheid waarmee nieuwe producten op de financile markten worden gentroduceerd, het niet zinvol een 'waterdichte' definitie van complex product op te stellen. Om deze reden is in het concept-Besluit Financile Bijsluiter gekoze een flexibele aanpak. Die houdt onder andere in dat de toezichthouders de reikwijdte van de verplichting om een Financile Bijsluiter op te stellen uitbreiden en beperken. Langs deze wijze kunnen waar wenselijk ook andere producten onder de reikwijdte worden gebracht van de plicht om een Financ Bijsluiter te verstrekken. Dit kan met name van belang zijn voor producten die formeel niet onder de definitie van complex vallen, maar die substit zijn met producten die wel complex zijn in de zin van het ontwerp-Besluit Financile Bijsluiter.

De verplichting om voor alle financile producten een Financile Bijsluiter actief te verstrekken zou een aanzienlijke verzwaring van de administra lasten voor marktpartijen met zich brengen. De voordelen van het actief verstrekken aan consumenten van een Financile Bijsluiter lijken op zichzel voor alle producten op te wegen tegen de lasten die dit met zich mee zou brengen. Vanuit de gelijk speelveld gedachte en volledige transparantie is groot mogelijke reikwijdte vanzelfsprekend wel aantrekkelijk.

De RFT geeft in zijn advies aan dat producten van beleggingsinstellingen die op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Wtb) een vergunni hebben, zullen worden aangewezen als complexe financile producten. Als argumentatie geeft de Raad op: "De Raad heeft vastgesteld dat beleggingsinstellingen een belangrijk marktsegment hebben bij de aanschaf van consumenten van financile producten. Met het oog op de bevordering v vergelijkbaarheid van financile producten komt het de Raad juist voor beleggingsinstellingen onder onderhavige verplichtingen te brengen. Daar kom dat in de praktijk is gebleken dat beleggers weinig inzicht hebben in met name de risico's en kosten die verbonden zijn aan (het deelnemen in) beleggingsinstellingen." (p. 18).

Naar ik begrijp, beziet de RFT nog, anders dan in het RFT-advies werd opgemerkt, of het voor natura-uitvaartverzekeringen en voor de meer eenvoudig levensverzekeringsproducten wenselijk is deze als complex financieel product aan te wijzen.

Hypotheken, anders dan beleggingshypotheken, zullen vooralsnog niet worden aangewezen als complex financieel product. Dat neemt niet weg dat onder vanuit de gelijk speelveld gedachte ook voor die producten optimale transparantie wenselijk is en dat de RFT kan besluiten om op enig moment tot uitbreiding van de FB-plicht voor die producten over te gaan.

Bij het aanwijzen van andere producten gaat het om een afweging tussen de meerwaarde transparantie en vergelijkbaarheid en de meerkosten in termen administratieve lasten. In geval van een positieve balans zou uitbreiding, bijvoorbeeld voor hypotheken, zeer wel in de rede kunnen liggen. Het toe gebruik van internet en de hierdoor mogelijke toename van elektronische verstrekking van de Financile Bijsluiter bieden hiertoe een gunstig perspe De bijbehorende administratieve lasten voor het bedrijfsleven dienen daarbij vanzelfsprekend wel binnen redelijke grenzen te blijven.

Wellicht kan de Financile Bijsluiter in de nabije toekomst dan ook nog uitbreiding vinden in het streven om door middel van een zo groot mogelijke reikwijdte een bijdrage te leveren aan meer transparantie en betere onderlinge vergelijkbaarheid van financile producten. Gezien de potentieel hog administratieve lasten zal de wijze van verstrekking daarbij een punt van aandacht zijn.

Ik zal de RFT nog verzoeken mij nader te informeren over de gemaakte afwegingen die hij hanteert om producten al dan niet aan te wijzen.

Wijze van verstrekking

In de Financile Bijsluiter is actieve verstrekking als basis genomen. Op deze wijze wordt bevorderd dat de consument daadwerkelijk kennis neemt va informatie die de Financile Bijsluiter bevat. Daarmee krijgt de consument de juiste instrumenten in handen om het financile product te kiezen dat beste past bij zijn behoeften. Actieve verstrekking legt wel een zware administratieve last op aan de financile instellingen. Passieve verstrekkin andere kant, vereist dat de consument zelf actief informatie opvraagt.

Bij de vaststelling van de reikwijdte en wijze van verstrekking dient dan ook steeds een goede afweging te worden gemaakt tussen de toegevoegde informatiewaarde voor de consument en de toename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Het is aan de RFT om, vanzelfsprekend alleen de wettelijke (europeesrechtelijke) kaders, deze precieze afweging te maken, en hierin de ontwikkelingen naar een transparantere markt te betrekken aanzien van de wijze van verstrekking kunnen vanzelfsprekend op enig moment, in het licht van gewijzigde omstandigheden nadere afwegingen aan de or komen. De RFT kan dan ook zowel de reikwijdte als de wijze van verstrekking van de Financile Bijsluiter aanpassen.

Bij handel van beleggingsproducten via de effectenbeurs overweegt de RFT van momenteel om van passieve verstrekking uit te gaan, vanwege het feit d dit geval sprake is van handel met derden, zonder dat de "primaire" aanbieder hiervan op de hoogte is. Wel wordt de primaire aanbieder de verplicht opgelegd de Financile Bijsluiter aan de consument te verstrekken indien die daarom verzoekt.

Wettelijke vormgeving en uniforme handhaving

De verplichting tot het verstrekken van de Financile Bijsluiter wordt gebaseerd op diverse sectorale financile toezichtwetten die qua systemat sterk van elkaar verschillen. Tijdens de ontwikkeling van de Financile Bijsluiter is gebleken dat deze verschillen het technisch minder eenvoudig de regelgeving met betrekking tot de Financile Bijsluiter voor alle toezichtwetten hetzelfde te laten zijn.

Zoals aangekondigd in de nota Informatieverstrekking aan de consument van financile diensten wordt na afronding van de implementatie van de aangek beleidsinitiatieven, nader onderzoek gestart naar de wenselijkheid van een uniform regelgevend kader voor de eisen voor informatieverschaffing voor financile producten. Over de uitkomsten van dit onderzoek zal de Tweede Kamer worden genformeerd.

Nauw verwant aan deze problematiek is het thema dat de verplichting om een Financile Bijsluiter te verstrekken, evenals alle andere verplichtingen betrekking tot de Financile Bijsluiter, zal worden gehandhaafd door verschillende sectorale toezichthouders. Dit vereist een goede samenwerking tu toezichthouders. Zowel de interpretatie van de wettelijke voorschriften en de daarop gebaseerde nadere regelgeving als de wijze waarop feitelijk op naleving zal worden toegezien, zal immers door de toezichthouders zoveel mogelijk op uniforme wijze dienen te geschieden. De RFT zal de nodige maat moeten nemen om deze uniformiteit te waarborgen.

Overigens heb ik bij brief van 12 september De Nederlandsche Bank, de Pensioen- en Verzekeringskamer en de Stichting Toezicht Effectenverkeer inmid gevraagd om twee lijnen uit te werken die voortvloeien uit gezamenlijke verkenningen van het ministerie van Financin en de toezichthouders over de vormgeving van het toezicht op de financile marktsector. Een toezichtarchitectuur langs deze lijnen biedt mogelijkheden ter bevordering van deze uniformiteit.

Invoering

De RFT heeft geadviseerd om de Financile Bijsluiter in te voeren met ingang van 1 januari 2002 met dien verstande dat het verstrekken van een Fina Bijsluiter gedurende een overgangsperiode van 6 maanden zou plaatsvinden op basis van een aanbeveling van de toezichthouders, waarna per 1 juli 200 een daadwerkelijke verplichting kan worden overgegaan. De 6 maandsperiode wordt hierbij beschouwd als implementatietermijn. De RFT baseert zich bij advies op het standpunt van de representatieve organisaties dat de marktpartijen een dergelijke periode nodig zullen hebben om de Financile Bijslu daadwerkelijk in te voeren.

Mede gelet op het feit dat de RFT verwacht de nadere regelgeving eerst eind dit jaar definitief te kunnen vaststellen, heb ik besloten dit advies o volgen.

Evaluatie

Zoals aangekondigd in de brief ter beantwoording van Kamervragen met betrekking tot de voortgangsrapportage informatieverstrekking is gekozen vo juridische structuur die het mogelijk maakt om zo nodig snel te reageren, indien potentile verbeteringen zich aandienen. Vanzelfsprekend zal terughoudendheid moeten worden betracht met dit instrument.

Voorts zal 2 jaar na de invoering van de Financile Bijsluiter een algehele evaluatie plaatsvinden met betrekking tot functioneren, lengte, volledi begrijpelijkheid, vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid van de Financile Bijsluiter.


3. Verwante onderwerpen

Eenvoudige wijzingen

In de nota Informatieverstrekking aan de consument van financile diensten wordt melding gemaakt van aanpassing van de wettelijke informatiebepalin betrekking tot reclame-uitingen en een verwijzing naar informatie over de toezichthouders en klachten- en garantieregelingen.

Het voornemen is om deze zogenaamde "eenvoudige wijzigingen" tegelijk in te voeren met de Financile Bijsluiter. Dit betekent dat instellingen slec nmaal hun foldermateriaal behoeven aan te passen. Derhalve zal ook de invoering van de eenvoudige wijzigingen op 1 juli 2002 plaatsvinden. De marktpartijen hebben aangegeven voor de implementatie daarvan een periode van 3 maanden nodig te hebben. Derhalve zal de algemene maatregel van bes waarin die eenvoudige wijzigingen zijn opgenomen, in ieder geval voor 1 april 2002 moeten zijn gepubliceerd in het Staatsblad. Voorafgaand aan publ zal dit besluit bij uw Kamer worden voorgehangen.

De Minister van Financin,

Aan de Koningin

Datum Uw brief Ons kenmerk (Kenmerk)

FM 2001-

Onderwerp

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdende regels met betrekking tot het door financile ondernemingen ter beschikking stellen van een financile bijsluiter

bij complexe producten

Blijkens de mededeling van de plaatsvervangend Directeur van Uw kabinet van 8 juni 2001, nr. 01.002848, machtigde Uwe Majesteit de Raad van zijn advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 30 2001, nr. W06.01.0266/IV, bied ik U hierbij aan.

In reactie op het advies van de Raad van State merk ik het volgende op, waarbij de volgorde van de punten wordt aangehouden zoals die door d is gehanteerd.


1. De Raad acht de in artikel 2, eerste lid, gekozen formulering omtrent het

tijdstip waarop de financile bijsluiter aan een afnemer ter beschikking moet worden gesteld, onduidelijk. Daarnaast stelt hij voor om een definiti nemen van het begrip "aanbieden", waarbij aansluiting zou kunnen worden gezocht bij het in de effectenwetgeving geldende uitgangspunt dat degenen d effecten aanbieden een aanbieding schriftelijk aankondigen. Blijkbaar doelt de Raad hierbij op het voorschrift in de effectenwetgeving om bij het a van effecten een prospectus uit te brengen.

In het ontwerp-besluit is sprake van het ter beschikking stellen van een financile bijsluiter "voor of bij het sluiten van een overeenkomst houdt in dat dit document ter beschikking moet worden gesteld op het moment dat partijen wederzijds verplichtingen aangaan. Het begrip "voor het sl van de overeenkomst" komt reeds voor in de Regeling Informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 (en de daaraan voorafgaande regeling uit 1994

Van berichten dat met de hantering van dit begrip in de praktijk problemen worden ondervonden is ondergetekende nimmer gebleken.

De suggestie van de Raad om de aanbieder van alle onder het besluit vallende financile producten voor te schrijven dat hij zijn aanbod schr doet, is niet overgenomen. Uitgangspunt van het besluit is dat aanbieders van complexe financile producten hun aanbod in beginsel in iedere vorm k doen en dat de toezichthouders dienaangaande nadere regels kunnen stellen. De aanbieders dienen er daarbij wel voor zorg te dragen dat de (potenti afnemer tijdig, dat wil zeggen voordat hij zich formeel bindt, op overzichtelijke en duidelijke wijze wordt genformeerd over de essentile kenmerk het betrokken product. Mede op basis van de op deze wijze te verstrekken informatie kan de afnemer beslissen of hij al dan niet tot aanschaf van he betrokken product overgaat.

Een definitie van het begrip "aanbieden" draagt naar de mening van ondergetekende niet bij aan de duidelijkheid omtrent het tijdstip waarop de fina bijsluiter beschikbaar moet worden gesteld.


2. De Raad acht het niet uitgesloten dat met betrekking tot financile producten waarvoor naast een financile bijsluiter tevens een prospectus beschikbaar dient te worden gesteld, doublures kunnen ontstaan in beide typen voorlichtingsmateriaal. Hij beveelt daarom aan in de nota van toelich te gaan op de verhouding tussen de nieuwe informatieplicht en de reeds bestaande.

De toezichthoudende autoriteiten, samenwerkend in de Raad van Financile Toezichthouders (RFT), zullen bij het opstellen van de vrijstelling ontheffingen ingevolge artikel 2, derde lid, er uiteraard op toezien dat voor de producten waarvoor (tevens) een prospectus is voorgeschreven, een betrokkenen duidelijke procedure geldt. In de nota van toelichting is daaromtrent een passage opgenomen.


3. De Raad meent dat juist de situaties waarin een product snel verkocht wordt, om adequate informatieverstrekking aan de afnemer vragen en dat van de aan de toezichthouders geboden vrijstellingsmogelijkheid een beperkt gebruik zou moeten worden gemaakt.

Het eerste deel van deze opmerking wordt dezerzijds onderschreven. Daarom is dan ook voor financile ondernemingen in het vierde lid van art de verplichting opgenomen om in die gevallen waarin de vrijstelling of de ontheffing betrekking heeft op het tijdstip van het ter beschikking stell de afnemer er van in kennis moeten stellen dat hij toch onverwijld een financile bijsluiter kan eisen. De afnemer is er derhalve volledig van op d dat hij de in de financile bijsluiter vervatte informatie direct ter beschikking kan krijgen en deze informatie kan betrekken bij zijn afwegingen betrokken product al dan niet af te nemen.

Voor wat betreft de opmerking van de Raad dat de toezichthouders een beperkt gebruik moeten maken van de vrijstellingsmogelijkheid, wordt op volgende gewezen. De toezichthouders mogen ingevolge artikel 2, derde lid, de hun toegekende bevoegdheid om vrijstelling of ontheffing te verlenen gebruiken indien de normale procedure van het verplicht vooraf ter beschikking stellen van de financile bijsluiter, de handel in het betreffende p onevenredig zou belemmeren of de belangen die de financile bijsluiter beoogt te beschermen anderszins voldoende worden gewaarborgd. Door deze bepa de vrijheid van de toezichthouders dus ingekaderd.

Het voorstel van de Raad om van verleende vrijstelling mededeling te doen in de Staatscourant is overgenomen in artikel 2, derde lid., met d verstande dat daarbij de mededelingsplicht is uitgebreid tot verleende ontheffingen. Het is immers zeer wel denkbaar dat kennisneming van een onthe hoewel betrekking hebbend op een afzonderlijk financieel product, ook relevant kan zijn voor anderen dan de direct bij dat product betrokken aanbie

Naar aanleiding van de opmerking dienaangaande van de Raad zijn internetaanbiedingen niet meer opgenomen als voorbeelden van uitzonderingen regel dat een financile bijsluiter beschikbaar moet zijn.

De opmerking van de Raad dat telefonische aanbiedingen niet als uitzondering kunnen worden gezien indien deze zogenaamd "cold calling"-aanbie betreffen, wordt onderschreven. Met de in de toelichting bedoelde telefonische aanbiedingen wordt niet gedoeld op de in artikel 26 van de Nadere Re toezicht effectenverkeer 1999 verboden aanbiedingen. Dergelijke aanbiedingen zijn en blijven verboden. Het telefonisch benaderen van potentile afn door andere aanbieders blijft toegestaan.


4. Ingevolge het advies van de Raad is in de tweede alinea van de toelichting op artikel 3 naast het reeds genoemde voorbeeld, een tweetal andere voorbeelden opgenomen van wat de toezichthouders kunnen voorschrijven ter concretisering van de in de financile bijsluiter op te nemen informatie.


5. De Raad constateert terecht dat het ontwerpbesluit zich mede richt op de
financile ondernemingen uit andere lidstaten van de EU met een buitenlandse vergunning, die in Nederland complexe producten op de markt brengen. D een belemmering vormen voor het vrij verrichten van diensten, waarvoor evenwel objectieve rechtvaardigingsgronden kunnen bestaan.

Het stellen van nationale eisen aan dergelijke aanbieders is toegestaan, zolang op het betrokken terrein in EU kader nog geen (richtlijn)bepa tot stand zijn gekomen. Met betrekking tot de verstrekking van informatie als bedoeld in dit besluit zijn voor de financile ondernemingen waarop h besluit betrekking heeft geen Europese bepalingen tot stand gekomen.

Wel wordt er op gewezen dat richtlijn nr. 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2000 betreffen bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PbEG L 178), voo elektronische dienstverlening het oorspronglandbeginsel introduceert. De toepassing van dit beginsel brengt met zich dat, na implementatie van deze richtlijn, die per 17 januari 2002 moet plaatsvinden, de verplichting om een financile bijsluiter te verstrekken niet zal gelden voor aanbieders d vanuit een andere lidstaat grensoverschrijdend en langs elektronische weg in Nederland producten aanbieden. Die aanbieders zullen de informatie aan afnemers moeten verstrekken op basis van de bepalingen in hun nationale recht, zoals aangepast aan de richtlijn.


6. De Raad acht het niet uitgesloten dat er complexe financile producten
zijn die onder de aanmeldingsplicht vallen van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 j betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG v juli 1998 (PbEG L 217). De Raad beveelt daarom aan om in de toelichting in te gaan op het al dan niet bestaan van een aanmeldingsplicht krachtens d richtlijn.

Naar de mening van ondergetekende is de richtlijn ingevolge de indicatieve lijst van bijlage VI bij de richtlijn, niet van toepassing op fin producten die worden aangeboden door financile ondernemingen als omschreven in het besluit. Desalniettemin bestaat het voornemen om het besluit te kennisneming aan de Commissie te zenden. Bij die gelegenheid zal de Commissie er uitdrukkelijk op worden gewezen dat naar de mening van de regering sprake is van een aanmeldingsplicht krachtens de betrokken richtlijn.


7. De in de bijlage onder het eerste, derde en vierde gedachtestreepje vermelde tekstvoorstellen zijn overgenomen.
Dit geldt niet ten aanzien van het voorstel in het tweede gedachtestreepje. Door hantering van het begrip "uitsluitend" in het eerste lid va artikel 3, wordt bewerkstelligd dat financile ondernemingen juist de in dat lid genoemde onderwerpen in de financile bijsluiter opnemen: niet mee ook niet minder. Dit laat onverlet dat de toezichthoudende autoriteit ingevolge het derde lid kan bepalen dat daarnaast nog andere informatie dient worden opgenomen. De toelichting op dit punt is verduidelijkt.

Evenmin is het tekstvoorstel in het vijfde gedachtestreepje overgenomen. Door de fiscale aspecten van het product te specificeren naar type zou de financile bijsluiter het algemene karakter verliezen en zou de indruk kunnen postvatten dat de verstrekte informatie ziet op individuele ge en in die zin als maatwerk kunnen worden beschouwd. Een dergelijke situatie is uitdrukkelijk niet beoogd.

Tenslotte zijn in de Nota van toelichting de in guldens luidende bedragen omgezet in eurobedragen.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwe besluiten.

De Minister van Financin,

BESLUIT VAN:

Nr.

houdende regels met betrekking tot het

door financile ondernemingen ter beschikking

stellen van een financile bijsluiter bij

complexe producten

(Besluit financile bijsluiter)

Op de voordracht van Onze Minister van Financin van .............., no. ., Generale Thesaurie, Directie Financile Markten, Afdeling Marktgedrag;

Gelet op artikel 26, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet artikel 12, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverk en artikel 85a, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

De Raad van State gehoord (advies van ...........);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financin van .......;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onde


a. financile onderneming:


1. een kredietgever, een leverancier of een kredietbemiddelaar als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet;


2. een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet toezicht

beleggingsinstellingen;


3. een effecteninstelling als bedoeld in artikel 11, eerste en vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

4. een kredietinstelling of een financile instelling als bedoeld in artikel 85a, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;


b. afnemer: de afnemer of de potentile afnemer van een door een financile onderneming verstrekte of aangeboden financile dienst of financieel pr voorzover die geacht kan worden niet te handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf;


c. complex product: een financile dienst of een financieel product, opgebouwd uit componenten die behoren tot verschillende soorten financile die financile producten en waarvan de waarde van ten minste een der componenten afhankelijk is van de ontwikkeling op financile markten of andere mar


d. financile bijsluiter: een door een financile onderneming aan een afnemer ter beschikking te stellen document waarin met betrekking tot een com product informatie wordt gegeven over de essentile kenmerken van het desbetreffende product;


e. toezichthoudende autoriteit: de Nederlandsche Bank voor zover het betreft het toezicht op financile ondernemingen ingevolge de Wet op het consumentenkrediet, de Wet toezicht beleggingsinstellingen of de Wet toezicht kredietwezen 1992, of de Stichting Toezicht Effectenverkeer voor zove betreft het toezicht op financile ondernemingen ingevolge de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Artikel 2


1. Een financile onderneming draagt er zorg voor dat voor complexe producten die zij aanbiedt een actuele financile bijsluiter beschikbaar is en aan een afnemer voor of bij het sluiten van een overeenkomst inzake een complex product, kosteloos ter beschikking wordt gesteld.


2. De toezichthoudende autoriteit stelt regels omtrent de wijze waarop een financile bijsluiter ter beschikking wordt gesteld en wordt gehouden.

3. De toezichthoudende autoriteit kan met betrekking tot door haar aan te wijzen complexe producten geheel of gedeeltelijk vrijstelling of ontheffi verlenen van het eerste lid of van de op grond van het tweede lid vastgestelde regels, indien de in het eerste lid genoemde verplichtingen of de op van het tweede lid vastgestelde regels de handel in het betreffende complexe product onevenredig zou belemmeren of de belangen die met de financil bijsluiter worden beoogd te beschermen anderszins voldoende worden gewaarborgd. Aan een vrijstelling en een ontheffing kunnen beperkingen worden ge voorschriften worden verbonden. Van een op grond van dit lid verleende vrijstelling of ontheffing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.


4. Indien de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft op het tijdstip van het ter beschikking stellen van een financile bijsluiter, draagt een financile onderneming er zorg voor dat een afnemer voor of bij het sluiten van een overeenkomst inzake een complex product, er van in kennis wordt dat hem desgevraagd, onverwijld en kosteloos een financile bijsluiter ter beschikking wordt gesteld. In ieder geval wordt aan de afnemer in een de geval binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst kosteloos een financile bijsluiter ter beschikking gesteld.


5. De toezichthoudende autoriteit kan een andere financile dienst of financieel product dan bedoeld in artikel 1, onderdeel c, eveneens aanwijzen complex product, indien dit ten behoeve van de vergelijkbaarheid van complexe producten met deze financile dienst of financieel product in verband goede informatieverstrekking aan afnemers wenselijk is. Van deze aanwijzing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.


6. Op de financile dienst of het financile product dat ingevolge het vijfde lid is aangewezen is het eerste lid van toepassing met ingang van de dag van de vierde kalendermaand na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin van deze aanwijzing mededeling wordt gedaan.

Artikel 3


1. In de financile bijsluiter worden, onverminderd het derde lid, in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoordingen, uitsluitend de volg onderwerpen behandeld:


a. de vermelding dat het een financile bijsluiter betreft, welk product het betreft en de naam en het adres van de financile onderneming;

b. informatie over de doelstellingen van de financile bijsluiter en over het toezicht op de financile onderneming;

c. de aard en het doel van het product;

d. informatie over de met het product samenhangende financile risico's;

e. de verplichtingen voor de afnemer;

f. informatie over het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product
verbonden kosten;


g. de mogelijkheid of onmogelijkheid voor de afnemer om de overeenkomst binnen een korte
periode na het sluiten van de overeenkomst of anderszins tussentijds op te zeggen, de daaraan verbonden kosten en de overige gevolgen;


h. fiscale aspecten van het product;

i. de op de overeenkomst van toepassing zijnde klachtenregeling of klachtenregelingen;
j. de op de overeenkomst van toepassing zijnde garantieregeling of garantieregelingen.


2. De toezichthoudende autoriteit stelt regels inzake de informatie die in ieder van de in het eerste lid bedoelde onderdelen van de financile bij wordt opgenomen en inzake de wijze waarop die informatie wordt vermeld.


3. De toezichthoudende autoriteit kan, in het belang van een goede informatieverstrekking aan afnemers, regels stellen inzake de informatie die naa het eerste lid genoemde informatie in de financile bijsluiter wordt opgenomen en inzake de wijze waarop die informatie wordt vermeld.


4. De in het tweede en derde lid bedoelde regels kunnen voor verschillende complexe producten verschillend luiden.
Artikel 4


1. Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 33d, eerste lid, van de Wet toezicht

beleggingsinstellingen, wordt bepaald op de wijze, voorzien in bijlage A.


2. Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 48d, vijfde lid, van de Wet toezicht

effectenverkeer 1995, wordt bepaald op de wijze, voorzien in bijlage B.


3. Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 90d, vijfde lid, eerste volzin, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992, wordt bepaald op de wijze, voorzien in bijlage C.


4. De toezichthoudende autoriteit kan het bedrag van de boete lager stellen dan in
de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financile bijsluiter.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Financin,

Bijlage A, bedoeld in artikel 4, eerste lid

Artikel 1

Het bedrag van de boete voor overtreding van de voorschriften, gestel krachtens de artikelen 2, eerste tot en met vierde lid, en 3, eerste tot en met derde lid, van dit besluit, bedraagt

5.445.

Artikel 2


1. Indien een boete wordt opgelegd, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete de volgende categorie-indeling naar eigen vermogen van toepas met de daarbij behorende factor:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: beleggingsinstellingen met een eigen vermogen van minder 453.800; Factor 1;

Categorie II: beleggingsinstellingen met een eigen vermogen van ten m 453.800 maar minder dan 4.538.000; Factor 2;

Categorie III: beleggingsinstellingen met een eigen vermogen van ten 4.538.000 maar minder dan 45.378.000; Factor 3;

Categorie IV: beleggingsinstellingen met een eigen vermogen van ten m 45.378.000 maar minder dan 453.780.000; Factor 4;

Categorie V: beleggingsinstellingen met een eigen vermogen van ten mi 453.780.000; Factor 5.


2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, genoemd in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor, behorende bij de categorie naar eigen vermo bedoeld in het eerste lid.


3. Indien de gegevens omtrent het vermogen niet aan de toezichthoudende autoriteit beschikbaar zijn gesteld, kan zij aan degene aan wie de boete wo opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door haar te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldo dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

Bijlage B, bedoeld in artikel 4, tweede lid

Artikel 1

Het bedrag van de boete voor overtreding van de voorschriften, gestel krachtens de artikelen 2, eerste tot en met vierde lid, en 3, eerste tot en met derde lid, van dit besluit, bedraagt

5.445.

Artikel 2


1. Indien een boete wordt opgelegd, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete de volgende categorie-indeling naar eigen vermogen van toepas met de daarbij behorende factor:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen eigen vermogen van minder dan 136.100; Factor 1;

Categorie II: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen eigen vermogen van ten minste 136.100 maar minder dan 272.300; Factor 2;

Categorie III: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappe een eigen vermogen van ten minste 272.300 maar minder dan 453.800; Factor 3;

Categorie IV: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen eigen vermogen van ten minste 453.800 maar minder dan 4.538.000; Factor 4;

Categorie V: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen eigen vermogen van ten minste 4.538.000; Factor 5.


2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, genoemd in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor, behorende bij de categorie naar eigen vermo bedoeld in het eerste lid.


3. Indien de gegevens omtrent het vermogen niet aan de toezichthoudende autoriteit beschikbaar zijn gesteld, kan zij aan degene aan wie de boete wo opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door haar te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldo dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

Bijlage C, bedoeld in artikel 4, derde lid

Artikel 1

Het bedrag van de boete voor overtreding van de voorschriften, gestel krachtens de artikelen 2, eerste tot en met vierde lid, en 3, eerste tot en met derde lid, van dit besluit, bedraagt

5.445.

Artikel 2


1. Indien een boete wordt opgelegd, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal van toepassi de daarbij behorende factor:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: kredietinstellingen met een balanstotaal van minder dan
45.378.000; Factor 1;


Categorie II: kredietinstellingen met een balanstotaal van ten minste
45.378.000 maar minder dan 453.780.000; Factor 2;

Categorie III: kredietinstellingen met een balanstotaal van ten minst
453.780.000 maar minder dan 4.537.800.000; Factor 3;

Categorie IV: kredietinstellingen met een balanstotaal van ten minste
4.537.800.000 maar minder dan 45.378.020.000; Factor 4;

Categorie V: kredietinstellingen met een balanstotaal van ten minste 45.378.020.000; Factor 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, genoemd in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor, behorende bij de categorie naar balanstotaa bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het balanstotaal niet aan de toezichthoudende autoriteit beschikbaar zijn gesteld, kan zij aan degene aan wie de boet opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door haar te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldo dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

NOTA VAN TOELICHTING

A. Algemeen


1. Inleiding


In de Nota informatieverstrekking aan de consument van financile diensten is een vergelijkende analyse gemaakt van de voorschriften in de versc financile sectoren met betrekking tot informatieverstrekking aan de consument. Voor het opstellen van deze analyse bestonden verschillende redenen riep de snelle productontwikkeling op de financile markten de vraag op of de regelgeving nog adequaat is. De tweede aanleiding was de toenemende v van de grenzen tussen financile sectoren, waardoor steeds minder sprake is van verschillende deelmarkten in de financile sector. Deze ontwikkelin ertoe om te bezien of de regelgeving vanuit een sectoroverstijgend perspectief nog consistent is. De regelgeving is immers veelal sectorgewijs onts in een markt met vervagende grenzen tussen aanbieders en tussen producten bestaat het gevaar van overlap en van niet langer te motiveren verschille derde aanleiding vormde de overweging dat de eigen verantwoordelijkheid van de consument in een steeds dynamischer financieel speelveld, zijn basis vinden in adequate informatieverstrekking.

Algemene bevinding uit de analyse is dat vanuit sectoroverstijgend perspectief bezien, verbeteringen mogelijk en nodig zijn. Deze concentreren zich kernbegrippen informatie over toezicht, inhoudelijke consistentie van informatie, verstrekkingswijze van informatie, inzichtelijkheid en naleving v regelgeving.

Uit de analyse blijkt dat productvervlechting en vervaging van sectorale grenzen belangrijke tendensen in de financile sector zijn, waardoor de keuzemogelijkheden voor consumenten toenemen. Zo kan een consument die voor langere tijd een bedrag opzij wil zetten, kiezen tussen een bancair pro een verzekeringsproduct en een beleggingsproduct. Hij moet dan wel de mogelijkheid hebben om zulke producten - uit verschillende sectoren - met de beschikbare informatie goed te vergelijken. De informatie voor de consument moet derhalve inzicht bieden in de wezenlijke kenmerken van een product de mogelijkheid bieden om deze te vergelijken met alternatieven. Van belang daarbij zijn niet alleen de relevante kenmerken van de onderscheiden pr maar ook die van de aanbieders. Waar adequate informatie beschikbaar is, heeft de consument vervolgens een eigen verantwoordelijkheid in het gebrui daarvan.

In de Nota informatieverstrekking aan de consument van financile diensten leidde deze uitkomsten tot de aankondiging van een aantal beleidsinitiat En van deze initiatieven was de aankondiging van het beleidsvoornemen om voor complexe financile producten een financile bijsluiter verplicht te stellen. In de financile bijsluiter wordt een omschrijving gegeven van de belangrijkste kenmerken van het betreffende product met als doel de (pot afnemer informatie te verschaffen over die productkenmerken, waaronder de financile risico's, het rendement en de kosten van het betreffende produ

In de eerste plaats dient de financile bijsluiter de afnemer in staat te stellen zich een beeld te vormen van datgene wat hij voornemens is aan te schaffen. Welke verplichtingen hij daarbij op zich neemt en wat hij daarvoor terug krijgt. In de tweede plaats moet de in de financile bijsluiter informatie hem de mogelijkheid bieden om complexe financile producten onderling met elkaar te vergelijken, ook wanneer het verschillende soorten p betreft. Uitgangspunt hierbij is dat de financile bijsluiter een voor de gemiddelde afnemer begrijpelijk en leesbaar document zal moeten zijn. Het derhalve niet te omvangrijk mogen zijn en in begrijpelijke bewoordingen moeten worden geformuleerd. Duidelijk moge zijn dat de wens om enerzijds he document leesbaar te houden en anderzijds over alle kernpunten van het complexe product nuttige informatie te verstrekken, een zekere tegenstrijdig zich bergt en derhalve spanning oproept.

Om aan deze spanning het hoofd te bieden is een flexibele en slagvaardige aanpak vereist. Met het onderhavige besluit worden daarom alleen de grond en de algemene uitgangspunten voor de financile bijsluiter vastgelegd. Op basis daarvan zullen de financile toezichthouders, in het kader van de Financile Toezichthouders (RFT), tot nadere uitwerking van het financile bijsluiter overgaan. Deze nadere uitwerking is ultimo 2001 afgerond. Ten aanbieders van complexe producten voldoende tijd te verschaffen om de benodigde voorbereidingen te treffen, is de invoering van de plicht om een fi bijsluiter ter beschikking te stellen voorzien per 1 juli 2002. Dit zal gelden voor zowel nieuwe complexe producten als voor reeds bestaande comple producten.

In verband met de bestaande verschillen in systematiek van de toezichtswetten, vindt de implementatie van de beschreven voorschriften plaats op verschillend niveau van regelgeving. Ten aanzien van kredietinstellingen, beleggingsinstellingen en effecteninstellingen, geschiedt dit onder meer onderhavige besluit, terwijl dit voor verzekeraars bij ministerile regeling geschiedt, te weten in de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998. Het ligt in het voornemen deze verschillen in de aard van de regelgevende instrumenten op te heffen door middel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel Actualisering en harmonisatie financile toezichtswetten.


2. Inhoud van de financile bijsluiter

Zoals in paragraaf 1 aangegeven is de financile bijsluiter bedoeld om de (potentile) afnemer van een complex financieel product te informeren ove belangrijkste kenmerken van een dergelijk product. De RFT heeft in dit verband als belangrijke informatie bij het aanbieden van zo'n product gedentificeerd:

de aard en het doel van het product;

een indicatie van de met het product samenhangende financile risico's;

de verplichtingen voor de afnemer;

een indicatie van het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten;

de (on)mogelijkheid voor de afnemer van het product om de overeenkomst tussentijds op te zeggen, de daaraan verbonden kosten en de overig gevolgen;

de fiscale aspecten van het product;

informatie over het toezicht op de aanbieder en de toepasselijke klachten- en garantieregeling(en).

De verstrekking van deze informatie is vereist voor alle complexe producten. De toezichthouders dienen, in het kader van de RFT, voor zover mogelij uniforme regels op te stellen waarin wordt geconcretiseerd op welke wijze informatie over deze kernpunten moet worden opgenomen en moet worden vers Hierbij zullen, bijvoorbeeld voor een indicatie van het risico en voor de kosten- en rendementsweergave, tevens standaarden worden gentroduceerd d aanbieder zal moeten toepassen.

Bovengenoemde informatie is relevant voor alle complexe producten. Voor bepaalde producten kan het echter wenselijk zijn om daarnaast ook informati andere productkenmerken verplicht te stellen. Als voorbeeld kan worden gewezen op beleggingshypotheken. De eerdergenoemde informatie die in de fina bijsluiter moet worden opgenomen, bevat geen onderdeel waarin hypotheekspecifieke informatie over dit product kan worden toegelicht. Voor dergelijk gevallen is de toezichthouder de bevoegdheid gegeven om voor te schrijven dat bepaalde aanvullende informatie eveneens in de financile bijsluiter worden verstrekt.

Ter verwerking van Europeesrechtelijke verplichtingen kan het daarenboven noodzakelijk zijn om additionele informatie voor te schrijven.


3. De producten waarvoor een financile bijsluiter moet worden verstrekt

De financile bijsluiter heeft in het bijzonder een meerwaarde bij complexe financile producten. In het onderhavige besluit is als uitgangspunt ge dat de financile bijsluiter moet worden verstrekt voor complexe producten. In het kader van dit besluit wordt een financieel product als 'complex' aangemerkt indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan.

In de eerste plaats moet het product zijn opgebouwd uit verschillende productsoorten. Dat wil zeggen dat het product moet bestaan uit componenten d behoren tot afzonderlijke productcategorien die in de regel ook als afzonderlijk product kunnen worden verkregen. Zo bestaat een beleggings-verzek uit een verzekeringscomponent en uit een beleggingscomponent (bijv. een beleggingsfonds). Beide componenten kunnen in principe ook afzonderlijk wor aangeschaft.

Om onder de definitie van complex product te vallen is het overigens niet vereist dat de productsoorten waaruit het complexe product is opgebouwd o daadwerkelijk als afzonderlijk product verkrijgbaar zijn. Doorslaggevend is of het product kenmerken heeft die tot verschillende financile product kunnen worden gerekend.

In de tweede plaats geldt de voorwaarde dat n van de productsoorten een beleggingskarakter kent, dat wil zeggen dat de waarde ervan afhankelijk i ontwikkelingen op de financile markten - b.v. de aandelenmarkt of de valutamarkt - of op andere markten. Het is met name bij dit deel van het prod belang dat de afnemer zich bewust is van de risico's die met het geld dat hij inlegt worden gelopen.

Als voorbeelden van complexe producten kunnen worden genoemd: levensverzekeringen met een beleggingscomponent, beleggingshypotheken en effecten-lea producten.

De grote verscheidenheid aan producten die worden aangeboden en de snelheid waarmee nieuwe producten op de markt worden gentroduceerd, brengen met dat het niet zinvol is een 'waterdichte' definitie van complex product op te nemen in dit besluit. Hierbij speelt tevens mee dat de opvattingen ove wenselijkheid om voor bepaalde typen producten een financile bijsluiter verplicht te stellen kunnen veranderen. In de praktijk kan blijken dat bep producten die aanvankelijk als eenvoudig worden aangemerkt, op een gegeven moment toch veel onduidelijkheid bij de consument blijken op te roepen. bijvoorbeeld aan de orde zijn in het kader van vergelijkingen ten behoeve van de keuze tussen diverse complexe en minder complexe producten. Ook he omgekeerde kan het geval zijn.

Om deze reden is gekozen voor een flexibele aanpak. Uitgaande van de hierboven besproken definitie van complex product beschikken de toezichthouder twee instrumenten om de reikwijdte van dit besluit te verfijnen. In de eerste plaats kan op grond van artikel 2, derde lid, de reikwijdte worden be De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft in dat verband gewezen op producten als een betaalrekening, waarbij de mogelijkheid wordt geboden 'rood' te staan. De rente voor het 'rood' staan is afhankelijk van ontwikkelingen op de financile markten. Hoewel dit product in letterlijke zin o definitie van complex product valt, kan de vraag worden gesteld of het voor de hand ligt om voor dit product een financile bijsluiter verplicht te stellen.

In de tweede plaats is in artikel 2, vijfde lid, de toezichthouders de bevoegdheid gegeven om producten die niet onder de definitie van complex pro vallen, wel als zodanig aan te merken. Op deze wijze kan worden zekergesteld dat alle producten waarvoor dit toegevoegde waarde heeft, onder de rei worden gebracht van de plicht om een financile bijsluiter ter beschikking te stellen. Deze mogelijkheid is gericht op producten die substitueerbaa met producten die wel complex zijn in de zin van dit besluit. Zo kan het bijvoorbeeld wenselijk zijn om ook voor andere hypotheekvormen dan de beleggingshypotheek een financile bijsluiter verplicht te stellen, teneinde de onderlinge vergelijkbaarheid van deze verschillende hypotheekvormen bevorderen. Als andere producten waaraan in dit kader kan worden gedacht, kunnen worden genoemd beleggingsproducten en bepaalde levensverzekeringen


4. Tijdstip en wijze van ter beschikking stellen en houden van de financile bijsluiter

Uit de doelstelling van de financile bijsluiter volgt als basisregel dat de afnemer voor of bij het sluiten van de overeenkomst over dit document moeten kunnen beschikken. De financile bijsluiter is immers onder meer bedoeld om producten met elkaar te vergelijken.

In de precieze vormgeving van de nadere regelgeving inzake tijdstip en wijze van ter beschikking stellen en houden van de financile bijsluiter moe rekening kunnen worden gehouden met de aard van financile producten en met de (administratieve) lasten en consequenties die voortvloeien uit de te beschikking stelling. Zo worden bepaalde financile producten doorgaans aangeschaft zonder schriftelijke overeenkomst en zonder face-to-face contac aanbieder en afnemer. Beleggingsproducten worden ook telefonisch of per acceptgiro gekocht. Indien het aanbieden van een financile bijsluiter voor aan zo'n transactie verplicht zou worden gesteld, dan wordt het praktisch onmogelijk om dergelijke producten snel te verhandelen. Vanuit de doelste van de financile bijsluiter is het gewenst dat de afnemer van financile producten tijdig over een financile bijsluiter kan beschikken. In het li de bovenbeschreven thematiek is het in de nadere invulling van deze doelstelling en het besluit, wenselijk om rekening te kunnen houden met de karakteristieken van de diverse financile producten. Tevens kunnen meer algemene overwegingen en ontwikkelingen rond de transparantie van de markt positie van de afnemers en de potentile reikwijdte van de verplichting tot het beschikbaar stellen en houden van een financile bijsluiter, een ro in de afwegingen om tot een optimale transparantie te komen. De toezichthoudende autoriteiten kunnen dan ook nadere regels stellen omtrent de wijze een financile bijsluiter ter beschikking wordt gesteld en wordt gehouden, waarbij vanzelfsprekend een optimale positionering van de consument op d financile markten voorop dient te staan.


5. Toetsing en handhaving van de financile bijsluiter

De verantwoordelijkheid voor het opstellen en het ter beschikking stellen van de financile bijsluiter ligt bij de aanbieder van een complex produc moet zelf bepalen welke van zijn producten vallen onder de verplichting een financile bijsluiter ter beschikking te stellen. Bij eventuele vragen vanzelfsprekend bij de toezichthouders terecht. Het is echter uitdrukkelijk niet de bedoeling dat een aanbieder elke financile bijsluiter eerst aa toezichthouder zou moeten voorleggen alvorens deze te mogen gebruiken.

De toetsing van de financile bijsluiter vindt derhalve achteraf plaats. De toezichthouders beschikken hierbij, evenals dit het geval is met betrek een groot aantal andere bepalingen in de financile toezichtswetten, over de bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke boetes en dwangsommen bi overtreding van de in dit verband gestelde voorschriften.


6. Administratieve lasten voor het bedrijfsleven
Het invoeren van de verplichting om een financile bijsluiter ter beschikking te stellen vormt voor financile ondernemingen een kostenpost. Deze k moeten worden gezien tegen de achtergrond van de verbetering van de informatieverstrekking aan afnemers en de economische voordelen die uit de invo van de financile bijsluiter voortvloeien, waarop in deze paragraaf nader wordt ingegaan.

Voor het bepalen van de administratieve lasten die voortvloeien uit de invoering van de financile bijsluiter, is de NVB en het Verbond van Verzeke gevraagd een schatting hiervan te maken. Op basis van deze schatting kan een raming worden opgesteld van de lasten die de introductie van de financ bijsluiter in totaal voor de financile sector met zich brengt. Dat het in deze fase niet mogelijk is dit bedrag nauwkeurig vast te stellen heeft t oorzaken. In de eerste plaats zal door de toezichthouders nog nader moeten worden bepaald voor welke producten de financile bijsluiter verplicht z worden gesteld. Voor de berekening is thans als uitgangspunt genomen dat, op jaarbasis, de financile bijsluiter voor circa 25 miljoen producten te beschikking moet worden gesteld.

In de tweede plaats is het klaarblijkelijk niet eenvoudig de kosten per financile bijsluiter te bepalen. Zo lopen zowel de vaste kosten als de var kosten in de opgaven van de NVB en van het Verbond uiteen. Ter illustratie: de NVB komt tot een variabele kostprijs van circa 4,-- per financile bijsluiter, terwijl het Verbond hiervoor een bedrag van circa 0,71 raamt. De kosten voor verstrekking op elektronische wijze bedragen volgens de 0,43. Zeker waar het transacties betreft die geheel op elektronische wijze worden afgehandeld, ligt het voor de hand dat ook de financile bijsluit elektronische wijze ter beschikking kan worden gesteld. In het besluit is hier nadrukkelijk rekening mee gehouden. Zo is niet als vereiste opgenome financile bijsluiter een schriftelijk document dient te zijn. Aan de toezichthouders wordt de mogelijkheid geboden om regels op te stellen ten aan de gevallen waarin verstrekking langs elektronische weg kan plaatsvinden (artikel 2, tweede lid).

In onderstaande berekening wordt de bandbreedte aangegeven van verwachte administratieve lasten. Hierbij is uitgegaan van opgaven van partijen. Bovenstaande voorbehouden in acht nemend komt het volgende beeld naar voren:

Bandbreedte administratieve lasten invoering financile bijsluiter per sector (mln. euro's)

2002 Structureel vanaf 2003 Internet (structureel)

Verzekeringssector 25,55 9,67 9,39

Bancaire Sector 103,01 80,27 12,71

Beleggingssector 27,18 21,19 3,31

Totaal 155,74 111,13 25,41

Met andere woorden als indicatie voor de structurele administratieve lasten kan worden aangenomen dat deze zich bevinden in de bandbreedte tussen en 111,13 miljoen. Uit deze bandbreedte blijkt dat, afhankelijk van de wijze van verstrekking belangrijke kostenbesparingen bereikt kunnen worden

Voor een onderbouwing van deze bedragen wordt verwezen naar de bijlage bij de toelichting.

Alternatieven

De hierboven genoemde bedragen illustreren dat afhankelijk van de wijze van verstrekking van de financile sector een aanzienlijke investering word verwacht. In verband daarmee is een aantal alternatieven overwogen die de omvang van deze investering zouden kunnen beperken.

In de eerste plaats is overwogen de informatieverstrekking op basis van zelfregulering te laten plaatsvinden. Dergelijke zelfregulering bestaat voo verzekeringssector al in de vorm van de Code Rendement en Risico. Daarnaast was ook de NVB voornemens een met deze Code vergelijkbare zelfregulerin stellen voor de bancaire sector. Een wezenlijke besparing zou dit evenwel niet opleveren, omdat de informatieverplichting bij zelfregulering voor e deel overeenkomt met de verplichtingen die in dit besluit worden gentroduceerd. Wel nuanceert deze constatering boven-genoemde bedragen. Immers, v de kosten die voortvloeien uit dit besluit in de plaats komen van kosten die ook op grond van zelfregulering zouden moeten worden gemaakt, is er ge sprake van extra lasten die aan het bedrijfsleven worden opgelegd.

Van het alternatief om de informatieverstrekking voor complexe producten via zelfregulering te regelen is derhalve afgezien. Daarbij heeft tevens e gespeeld dat ook bij marktpartijen de behoefte bestaat om door middel van wetgeving te verzekeren dat er ten aanzien van de informatieverstrekking gelijk speelveld wordt gecreerd.

In de tweede plaats is de reikwijdte van invloed op de administratieve lasten. De financile bijsluiter is in het besluit slechts verplicht gesteld complexe producten en niet voor alle financile producten. Zoals reeds is opgemerkt in paragraaf 3 is wel de ruimte gelaten om producten die niet o definitie van complex product vallen, wel aan te wijzen als complex product, opdat in voldoende mate een aansluiting met de markt en de keuzes die consument op de markt moet maken, bereikt kan worden. Een andere mogelijkheid om de reikwijdte te beperken is gelegen in de definitie van 'afnemer' mede ten behoeve van een beperking van de reikwijdte voor gekozen de groep personen aan wie de bijsluiter moet worden verstrekt, te beperken tot pe die geacht kunnen worden niet te handelen in het kader van een beroep of bedrijf.

In de derde plaats is overwogen om het vereiste dat de financile bijsluiter actief door de aanbieder moet worden verstrekt, te vervangen door een informatieplicht. Ook dit zou een besparing opleveren. Als basis voor de berekeningen is echter het actief ter beschikking stellen gehanteerd, omda bijdraagt aan een goede initile positionering van de financile bijsluiter en de afnemer actief aanzet tot waardering en vergelijking van financi producten. Het is van groot belang dat de afnemer bekend raakt met de financile bijsluiter zodat hij naast het reclamemateriaal dat bij het betref product verstrekt krijgt, ook kan beschikken over informatie die nadrukkelijk bedoeld is om de informatieverstrekking te verbeteren en zijn keuzepr vereenvoudigen. Met de reeds in gang gezette ontwikkelingen naar een transparantere markt met kritische afnemers kunnen vanzelfsprekend nadere afwe in het licht van gewijzigde omstandigheden aan de orde zijn. Ook de potentile reikwijdte van de financile bijsluiter kan hierin een element van a zijn.

Economische voordelen

De keuze die in dit besluit is gemaakt uit de verschillende alternatieven is gebaseerd op een afweging tussen de doelstellingen van dit besluit, te een goede informatieverstrekking aan de afnemer van financile producten, en de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Daarbij heeft tevens gespeeld dat van de invoering van de financile bijsluiter ook economische voordelen kunnen worden verwacht. Deze voordelen moeten beduidend groter geacht dan de administratieve lasten die de invoering van de financile bijsluiter op korte termijn met zich brengt.

Als eerste economisch voordeel kan worden genoemd de verbetering van de informatie-voorziening aan de afnemer. Hij wordt voorzien van begrijpelijke vergelijkbare informatie bij de aanschaf van een complex financieel product. De informatie in de financile bijsluiter stelt hem beter in staat om aanschaf van een financieel product te baseren op eigen kennis en inzicht in de werking van het product. Met behulp van de gestandaardiseerde infor de financile bijsluiter zal hij eveneens beter in staat worden gesteld een afweging te maken tussen verschillende financile aanbieders en product Tevens kan de advisering aan de aldus beter genformeerde afnemer hierdoor meer dan voorheen worden toegesneden op de omstandigheden van de individ afnemer, doordat minder tijd hoeft te worden genvesteerd in het verstrekken van algemene informatie.

Als voordelen gelden voorts de grotere transparantie op de financile markten en de stroomlijning en harmonisatie van regelgeving tussen de verschi sectoren. Dit leidt tot concurrentie onder beter vergelijkbare condities. Meer transparantie zal tevens kunnen leiden tot een scherpere concurrenti kosten en kwaliteit. Een hieruit voortvloeiende kostenverlaging bij de aanbieders van financile producten kan op termijn bovendien bijdragen aan versterking van de internationale concurrentiepositie van deze aanbieders.


7. Ingewonnen adviezen


Met betrekking tot het ontwerp-besluit is advies gevraagd aan de financile toezichthouders in het kader van de RFT, de NVB, het Verbond van Verzek en de Consumentenbond. Met de opmerkingen in deze adviezen is rekening gehouden. In deze paragraaf komen enkele elementen uit deze adviezen, voorzo betrekking hebben op het onderhavige besluit en niet reeds in de toelichting zijn verwerkt, aan de orde.

De Consumentenbond geeft in zijn advies aan dat hij als einddoel ziet dat voor alle financile producten een financile bijsluiter verplicht wordt In verband met de administratieve lasten die dit met zich zou brengen is hier vooralsnog van afgezien (zie paragraaf 6). De in paragraaf 3 behandel flexibele structuur biedt echter de mogelijkheid om de reikwijdte van dit besluit te verruimen.

De NVB en het Verbond van Verzekeraars spreken hun zorg uit over het aanvankelijk geplande moment van inwerkingtreding, te weten 1 januari 2002. De hecht aan een implementatieperiode van zes maanden, onder meer in verband met de inspanningen die de invoering van de euro en de nasleep van de Wet van de financile instellingen vergt. In overleg met deze organisaties is uiteindelijk besloten de formele inwerkingtredingsdatum vast te stellen o 2002. Teneinde enige flexibiliteit te behouden wordt in artikel 5 geregeld dat de inwerkingtreding van dit besluit bij Koninklijk Besluit geschiedt zijde van genoemde organisaties is overigens toegezegd dat financile ondernemingen in de periode tussen de publicatie van het besluit in het Staat
1 juli 2002 er naar zullen streven om op vrijwillige basis reeds over te gaan tot het verstrekken van een financile bijsluiter.

In de tweede plaats geeft de NVB aan, te hechten aan een uniforme uitwerking van dit besluit door de verschillende toezichthouders. Ook het Verbond Verzekeraars merkt op dat moet worden voorkomen dat een ongelijke uitoefening van bevoegdheden door de toezichthouders er toe leidt dat er een onge speelveld onstaat. Het bevorderen van een gelijk speelveld tussen de verschillende financile sectoren en daarmee van een zo uniform mogelijke toep van bevoegdheden door de toezichthouders ligt mede ten grondslag aan dit besluit. Het ligt tevens besloten in de wijze waarop de verplichting tot h verstrekken van de financile bijsluiter wordt uitgewerkt, te weten door de toezichthouders gezamenlijk in het kader van de RFT. In aanvulling op p
2 kan hierover nog worden opgemerkt dat de afzonderlijke toezichthouders in het kader van de RFT een gelijkgerichte verantwoordelijkheid hebben ten van dit onderwerp en dat zij verplicht zijn de uitoefening van hun bevoegdheden terzake op elkaar af te stemmen.

B. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Onderdeel a

Voor de definitie van het begrip financile onderneming is aangesloten bij de omschrijvingen in de artikelen die in de afzonderlijke wetten de rech vormen voor het onderhavige besluit. Hierdoor vallen in beginsel alle financile ondernemingen die in of naar Nederland financile diensten of prod aanbieden, onder de werkingssfeer van het besluit. Het betreft zowel financile ondernemingen die opereren vanuit een vestiging in Nederland, als z dit doen door middel van dienstverrichting vanuit een vestiging buiten Nederland. Voor het verlenen van diensten van de informatiemaatschappij als in richtlijn nr. 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische as van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PbEG L 178), die per 17 januari 2002 in de na wetgeving van de lidstaten moet zijn verwerkt, geldt echter het land van herkomst beginsel. Dat brengt met zich dat de buiten Nederland, elders bin Europese Economische Ruimte gevestigde financile ondernemingen voor deze diensten van de informatiemaatschappij niet zijn gebonden aan de verplich financile bijsluiter ter beschikking te stellen. Dergelijke aanbieders dienen informatie aan (potentile) afnemers te verstrekken op basis van het van hun land van herkomst.

Onderdeel b

Onder "afnemer" wordt in dit besluit verstaan de (potentile) afnemende wederpartij van de aanbiedende financile onderneming, voorzover deze geach worden niet te handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Deze definitie sluit in ieder geval de wederpartijen uit die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarnaast wordt met de woorden "voorzover die geacht kan worden" aansluiting gezocht bij het begrip 'profess zoals omschreven in paragraaf 9 van het FESCO Paper (00-FESCO-A) ter implementatie van artikel 11 van de richtlijn beleggingsdiensten . In dit wordt de mogelijkheid opengelaten dat particulieren die over voldoende kennis, ervaring en expertise beschikken, worden behandeld als professionele wederpartijen.

In de bestaande sectorale toezichtswetgeving worden in bepaalde gevallen aan afnemers andere benamingen gegeven. Zo wordt bij effectendienstverlen "clint" gesproken en bij beleggingsinstellingen van "belegger". Met de in dit besluit gehanteerde terminologie wordt niet beoogd een verschil aan brengen in de onderscheidenlijke doelgroepen.

Onderdeel c

Voor een toelichting op het begrip complex product wordt verwezen naa algemene deel van deze toelichting onder paragraaf 3.

Onderdeel d

Voor een toelichting op het begrip financile bijsluiter wordt verwezen naar het algemene deel van deze toelichting onder paragraaf 1.

Onderdeel e

Ingevolge de financile toezichtswetten zijn de Nederlandsche Bank en Stichting Toezicht Effectenverkeer belast met het toezicht op beleggingsinstellingen en kredietinstellingen, respectievelijk op effecteninstellinge kredietinstellingen en financile instellingen als genoemd in artikel 11 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Op basis van artikel 57 van de W het consumentenkrediet zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens die wet belast, de door de Minister van Financin aan ambtenaren. Als zodanig zijn daartoe ambtenaren van de Economische Controledienst aangewezen.

Consumentenkrediet wordt voor een belangrijk deel verstrekt door financile ondernemingen die reeds uit hoofde van de Wet toezicht kredietwezen 199 toezicht staan van de Nederlandsche Bank. Mede daarom bestaat het voornemen om bij de integrale herziening van de Wet op het consumentenkrediet, di aangekondigd in de brief van 7 juli 2000 van de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Financin , de Nederlandsche Bank te be met het toezicht op aanbieders van consumentenkrediet. Vooruitlopend op deze herziening zijn per 31 mei 2001 reeds de meeste uitvoeringsbevoegdhede kader van deze wet gemandateerd aan de Nederlandsche Bank. In dit licht bezien is er tevens voor gekozen de Nederlandsche Bank een regelgevende bev te geven ten aanzien van dit aspect van de Wet op het consumentenkrediet.

Artikel 2

In het eerste lid is vastgelegd dat aan de afnemer van een complex fi product voor of bij het sluiten van de overeenkomst een actuele financile bijsluiter ter beschikking dient te worden gesteld. De financile ondern hoeft dit document niet in alle gevallen eigenhandig te verstrekken. Door hantering van de formule "draagt er zorg voor" wordt aangegeven dat daarv bijvoorbeeld ook een tussenpersoon, een bemiddelaar of een gemachtigde kan worden ingeschakeld, waarmee de onderneming een contractuele relatie hee de verantwoordelijkheid van de onderneming zelf dat de afnemer de financile bijsluiter ter beschikking wordt gesteld, doet het inschakelen van der personen overigens niet af.

Daarnaast bepaalt het tweede lid dat de toezichthoudende autoriteit regels stelt inzake de wijze waarop een financile bijsluiter ter beschikking w gesteld en ter beschikking wordt gehouden. Deze regelstellende bevoegdheid ziet op het moment van ter beschikkingstelling, alsmede op de wijze waar dient te geschieden. Het ligt in de rede dat in bepaalde situaties wordt vastgesteld dat de financile bijsluiter niet in schriftelijke vorm beschi wordt gesteld, maar op andere wijze, zoals elektronisch.

Zoals gezegd is uitgangspunt dat voor alle complexe producten een actuele financile bijsluiter beschikbaar moet zijn. Dit betekent dat wijzigingen kenmerken van het product te allen tijde in de financile bijsluiter zijn verwerkt. Deze actuele bijsluiter zal voor of bij het sluiten van een overeenkomst ter beschikking moeten worden gesteld. Voor sommige complexe producten levert bijvoorbeeld het moment waarop de financile bijsluiter beschikking moet worden gesteld in de praktijk echter problemen op. Met name moet worden gedacht aan beleggingsproducten die veelal op elektronisch telefonisch of door het verzenden van een (accept)giro worden aangeschaft. Een schriftelijke overeenkomst komt daarbij niet tot stand, terwijl de a er in veel gevallen prijs op stelt dat de transactie op zeer korte termijn wordt geffectueerd. Indien in dergelijke gevallen de voorafgaande verst van een financile bijsluiter verplicht zou worden gesteld, zou dit betekenen dat de uitvoering van de transactie aanzienlijk wordt vertraagd. Voor beleggingsproducten, waarvan de waarde sterk afhankelijk is van koersbewegingen en snel handelen inherent is aan dit product, is een dergelijke ver niet wenselijk.

In het derde lid is daarom aan de toezichthoudende autoriteit de bevoegdheid gegeven om voor door haar aan te wijzen complexe producten geheel of gedeeltelijk vrijstelling of ontheffing te verlenen van de verplichting tot het ter beschikking stellen van een financile bijsluiter of van de reg omtrent de wijze waarop de financile bijsluiter ter beschikking moet worden gesteld. De vrijstelling is daarbij bedoeld om categorien producten v stellen van de verplichting om een financile bijsluiter ter beschikkking te stellen. De ontheffing ziet daarentegen op afzonderlijke producten. Bi opstellen van de vrijstellingen en ontheffingen zullen de toezichthoudende autoriteiten, samenwerkend in de RFT, er op toezien dat voor producten w (tevens) een prospectus is voorgeschreven, een voor betrokkenen duidelijke procedure geldt.

Het afwijken van het uitgangspunt dat aan de (potentile)afnemer voor of bij het sluiten van de overeenkomst waarbij hij een complex financieel pro aanschaft, een financile bijsluiter ter beschikking wordt gesteld, bergt het risico in zich dat bepaalde afnemers de gewenste bescherming zouden k ontberen. Teneinde dit bezwaar zoveel mogelijk te ondervangen is in het vierde lid vastgelegd dat in het geval de vrijstelling of ontheffing betrek heeft op het tijdstip waarop de financile bijsluiter moet worden verstrekt en de afnemer daarvan in beginsel dus niet vooraf kan kennisnemen, hij de aanbieder op moet worden gewezen dat hij dit document toch kan eisen voor hij tot het sluiten van de overeenkomst overgaat. De aanbieder is in d ook verplicht er voor zorg te dragen dat de financile bijsluiter onverwijld ter beschikking wordt gesteld.

In ieder geval zal de aanbieder in het geval van een complex product waarbij voorafgaande verstrekking van de financile bijsluiter niet is vereist toch voor moeten zorgen dat dit document binnen vier weken beschikbaar wordt gesteld. Weliswaar is de overeenkomst dan reeds tot stand gekomen en h deel van de inhoud dat voor de afnemer van belang is bij zijn beslissing om het betreffende product al dan niet aan te schaffen, inmiddels voor het grootste deel zijn waarde verloren, dit laat onverlet dat de financile bijsluiter ook informatie bevat die na de aanschaf zijn nut kan bewijzen. I bijzonder kan worden gewezen op de informatie over de mogelijkheden om de overeenkomst op te zeggen, over mogelijke klachten- en garantieregelingen de betreffende toezichthoudende autoriteit.

In het vijfde lid is bepaald dat de toezichthoudende autoriteit ook andere producten of diensten kan aanmerken als complex product, zodat daarvoor eisen gaan gelden als voor complexe producten. Verwezen wordt naar de laatste alinea van paragraaf 3 van het algemene deel van deze toelichting.

In het zesde lid, tenslotte, is geregeld dat er tussen het moment dat financieel product op grond van het vijfde lid wordt aangewezen en het moment dat de verplichting om een financile bijsluiter te hebben en ter bes te stellen, een periode van minimaal drie maanden ligt, zodat financile ondernemingen over voldoende tijd beschikken om zich op deze verplichtinge te bereiden.

Artikel 3

In het eerste lid wordt vastgesteld uit welke onderdelen elke financile bijsluiter moet zijn opgebouwd. Met deze vaste indeling en de bepaling dat document uitsluitend de genoemde onderdelen mag bevatten, wordt bewerkstelligd dat iedere financile bijsluiter dezelfde opbouw en indeling heeft. deze standaardisatie wordt de inzichtelijkheid bevorderd en wordt tevens de vergelijkbaarheid vergroot van de complexe producten waarbij het docume verstrekt. Dit laat overigens onverlet dat de toezichthoudende autoriteit ingevolge het derde lid van dit artikel kan bepalen dat daarnaast nog and informatie in de financile bijsluiter dient te worden opgenomen. Financile ondernemingen mogen echter geen onderwerpen aan de financile bijsluit toevoegen. Voor het geval zij aanvullende informatie aan afnemers wensen te verstrekken, zullen zij daarvoor een afzonderlijk document moeten opste

Zoals vermeld in het algemene deel van deze toelichting zullen de financile toezichthouders, in het kader van de RFT, zoveel mogelijk uniforme reg opstellen ter concretisering van de informatie die in de financile bijsluiter moet worden opgenomen. Zonder vooruit te lopen op de concrete invull de toezichthouders wordt opgemerkt dat zij bijvoorbeeld kunnen voorschrijven dat melding moet worden gemaakt van de gehanteerde maatstaven bij het berekenen van het rendement, van de wijze waarop de kosten aan de afnemer in rekening worden gebracht en van de wijze waarop de indicatie van het r wordt vastgesteld.

Voor een toelichting op het derde lid wordt verwezen naar het algemene deel van deze toelichting onder paragraaf 2.

Artikel 4

In de Wet van 28 oktober 1999, houdende opneming in de Wet toezicht beleggings-instellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet inzake de wisselkantoren, d melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996 en de Wet financile betrekkingen buitenland 1994, van bepalingen betreffende han door middel van een dwangsom of een bestuurlijke boete en van bepalingen betreffende de rechtsgang (Stb. 509), is voorzien in de mogelijkheid om ee passende boete op te leggen naar gelang de ernst van de overtreding van een voorschrift, opgenomen in de op die wetten gebaseerde algemene maatrege bestuur.

Artikel 4 van het onderhavige besluit strekt tot vaststelling van het tarief dat geldt bij schending van de voorschriften in dit besluit. In de bij bedoeld in artikel 33d, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, artikel 48d, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 e artikel 90d, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, zijn de overtredingen ingedeeld naar tarief-nummers, waarbij de zwaarte van de over een belangrijk element vormt bij de tariefnummer-indeling. Gezien het beperkte aantal artikelen dat op grond van het onderhavige besluit in aanmerk om opgenomen te worden in de bijlagen A, B en C bij dit besluit, is afgezien van het gebruik van de opsomming van tariefnummers in de artikelen 1 v bijlagen en kan worden volstaan met n boetebedrag, te weten 5.445,-. Hiermee is aangesloten bij het bedrag dat ten aanzien van verzekeraars ree
1999 is opgenomen in de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998.





Teneinde recht te doen aan het draagkrachtbeginsel zijn in de bijlagen bij het besluit categorie-indelingen opgenomen. Deze zijn gelijk aan de ind in de bijlagen, bedoeld in artikel 33d, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, artikel 48d, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en artikel 90d, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

De Minister van Financin,

Bijlage bij de Nota van toelichting

Inleiding

Deze bijlage bevat een indicatieve berekening van de administratieve lasten die aan financile ondernemingen worden opgelegd bij de invoering van d financile bijsluiter. De berekening is indicatief omdat betrouwbare gegevens die noodzakelijk zijn voor een meer dan indicatieve berekening niet voorhanden zijn. Wel is de berekening steeds gebaseerd op input van de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars en heeft afstemming met deze organisaties plaatsgevonden over de cijfers en uitgangspunten bij de berekening. De gehanteerde rekenmethoden zijn per sector verschillend, afhankelijk van de beschikbare informatie, alsmede van de sectorspecifieke situatie. Een en ander wordt per sector nader toegelicht.

Omvang van de financile sector

Om een beeld te scheppen van de financile sector, die een verzwaring van de administratieve lasten zal ondervinden als gevolg van de invoering van financile bijsluiter, is in tabel 1 een overzicht gegeven van de financile ondernemingen die actief zijn in Nederland.

Aangezien de reikwijdte van de verplichting tot het verstrekken van een financile bijsluiter beperkt is tot verstrekking door de aanbieder van com financile producten, zullen niet al deze ondernemingen daadwerkelijk te maken krijgen met een verzwaring van de administratieve lasten.

Schadeverzekeraars bieden, voor zover bekend bij het Verbond van Verzekeraars, geen complexe financile producten aan als bedoeld in dit besluit.

Gerekend is voorts met drie varianten:

Variant 1: Verstrekking op papier

Variant 2: Verstrekking op elektronische wijze

Variant 3: Verstrekking alleen op aanvraag

Per variant is een indicatieve berekening gemaakt van de kosten per sector.

Alleen voor de derde variant is volstaan met een berekening voor de bancaire sector.

Hierbij is steeds een uitsplitsing gemaakt naar variabele kosten, vaste kosten en eenmalige kosten (kosten van invoering):

Onderstaande kostenposten zijn hierbij gehanteerd, voor zover van toepassing:

Bij verstrekking op papier


1. Drukkosten



2. Papierkosten



3. Verzendkosten (niet in alle gevallen van toepassing)


4. Kosten transport kantorennet


5. Kosten van het op voorraad houden en opslag


6. Kosten bijbestellen


7. Kosten afhandelen vragen en verzoeken van klanten door callcentra en kantoren


8. Personeelskosten stafafdelingen


9. Ontwikkelingskosten van de financile bijsluiter


10. Overige ontwikkelingskosten van de financile bijsluiter


11. Kosten van aanpassing huidige brochures


12. Kosten van aanpassing programmatuur


13. Kosten extra servercapaciteit.





Niet al deze kosten zijn van toepassing op elke sector.

Aan de hand van voorhanden zijnde gegevens over de hoeveelheden producten, ondernemingen en/of marktaandeel van ondernemingen is vervolgens een extrapolatie gemaakt van de administratieve lasten voor een bepaalde sector.

Variant 1: Verstrekking op papier

Bancaire sector

Voor de bancaire sector heeft de NVB een consultatieronde gehouden bij 5 verschillende banken. Deze banken vertegenwoordigen gezamenlijk ongeveer 6 de bancaire markt.

Voorts is door de NVB een schatting gemaakt van het gemiddelde aantal producten van deze 5 banken, waarvoor een financile bijsluiter moet worden aangeleverd (2.500.000 financile bijsluiters per bank per jaar). Aan de hand van dit aantal, de variabele kosten en de vaste kosten zijn vervolgen gemiddelde kosten berekend van de 5 geconsulteerde banken. Daarna is met behulp van het marktaandeel van deze 5 banken een extrapolatie gemaakt naa sector als geheel.

Hierbij is impliciet uit gegaan van een vrij sterke link tussen vaste en variabele kosten, omdat in de opgave van de banken geen zuivere scheiding gemaakt tussen vaste en variabele kosten. De hoogte van de vaste kosten zal in de praktijk afhankelijk zijn van het marktaandeel van een bank. Hoe het marktaandeel des te minder geavanceerde (complexe) producten een bank maakt. De ontwikkelingskosten zullen voor deze banken dan ook aanzienlijk zijn. Bovendien zal bij een beperkt aantal te verstrekken financile bijsluiters de personele ondersteuning vanuit de bank minder groot van omvang Dit wordt bevestigd door de NVB.

Verzekeringssector

In de verzekeringssector worden de variabele kosten van invoering van de financile bijsluiter lager ingeschat, omdat binnen deze branche reeds gew wordt met een offerte die op papier wordt verstrekt in het kader van de Code Rendement en Risico. De variabele kosten blijven in deze variant volge Verbond van Verzekeraars dan ook beperkt tot drukkosten, papierkosten en kosten afhandeling vragen en verzoeken van klanten door call centra en kan De financile bijsluiter kan immers eenvoudigweg worden uitgedraaid en worden verzonden met het overige materiaal dat gelijktijdig aan de clint wo verstrekt, aldus het Verbond.

Hierin ligt ook een verklaring voor de lagere eenmalige kosten per verzekeraar en de lagere eenmalige en vaste kosten per verzekeraar. Informatiesy die in de bancaire sector geheel moeten worden opgezet bestaan in de verzekeringsbranche veelal reeds en hoeven dus niet apart te worden opgezet.

Aan de hand van het totale aantal levensverzekeraars (108) en het totaal aantal jaarlijks verkochte levensverzekeringen (800.000) is vervolgens een extrapolatie gemaakt van de kosten naar de gehele sector.

Beleggingssector

Over de beleggingssector zijn weinig betrouwbare gegevens voorhanden. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat er geen brancheorganisatie besta de sector als geheel. Gegevens over aantallen jaarlijks verstrekte (complexe) producten worden voor zover bekend niet bijgehouden.

Wel is bekend dat een onderdeel van n van de grote banken in Nederland een aandeel heeft in deze sector van ongeveer 33%.

Dit deel van de kosten is dan ook reeds meegenomen in de berekening van de administratieve lasten voor de bancaire sector. De bewuste bank heeft bo meegewerkt in de consultatieronde van de NVB. De administratieve lasten van deze bank komen ongeveer overeen met het gemiddelde van de geconsulteer banken. Derhalve is deze bank dan ook als uitgangspunt genomen bij de berekening van de kosten voor de gehele beleggingssector, die hiermee relatie eenvoudig geworden is. De reeds berekende gemiddelde administratieve lasten van een van de 5 geconsulteerde banken kan met 2 worden vermenigvuldigd komen tot de totale kosten van het nog te berekenen 66% deel van de markt. De kosten zijn hiermee ietwat hoog ingeschat, maar een nader verdeling i voorhanden.

Variant 2: Verstrekking op elektronische wijze

Wanneer de verstrekking van de financile bijsluiter op elektronische wijze plaatsvindt zal dit, met name voor de bancaire instellingen en beleggingsinstellingen, leiden tot een aanzienlijke verlaging van de administratieve lasten van de financile bijsluiter. Daarbij convergeren de va kosten per financile bijsluiter voor de verzekerings- en de bancaire sector.

Bancaire sector

Volgens de opgave van de NVB zou verstrekking van de financile bijsluiter op elektronische wijze kunnen leiden tot een forse reductie van de varia kosten.

Drukkosten, papierkosten, verzendkosten, kosten van transport, kosten van het op voorraad houden en opslag komen te vervallen. Wat blijft zijn de k voor call centra voor de beantwoording van vragen. Erbij komen de kosten voor de noodzakelijke extra servercapaciteit.

Verzekeringssector

Voor de verzekeringssector zal de afname van de variabele kosten volgens het Verbond van Verzekeraars geringer zijn als gevolg van het feit dat een kostenposten die wegvallen in de bancaire sector voor de verzekeringssector niet van toepassing zijn. Wel moet ook hier gerekend worden op extra ko voor uitbreiding van de servercapaciteit.

Bij ontbreken van een berekening van de variabele kosten voor de verzekeringssector is in overleg met het Verbond van Verzekeraars de aanname gedaa kosten hier gelijk zijn aan die van de banken. Gezien de kosten die wegvallen (dat zijn er aanzienlijk minder dan bij de banken) lijkt dit ook ree zijn.

Beleggingssector

Uit de berekeningsmethode volgt automatisch dat de kosten voor de beleggingssector eveneens aanzienlijk afnemen. Dit is echter ook verklaarbaar uit feit dat veel beleggingsinstellingen nu reeds veel zaken met clinten op elektronische wijze afhandelen. De extra administratieve lasten van de inv van verstrekking van de financile bijsluiter op elektronische wijze zouden dan ook veel geringer zijn dan bij verstrekking op papier.

Variant 3: Verstrekking alleen op aanvraag

De NVB is verzocht tevens een berekening te maken van de kosten die gemoeid zouden zijn met de invoering van de financile bijsluiter wanneer zou w volstaan met verstrekking op aanvraag. De besparing die hiermee gemoeid is (ongeveer 45 mln.) wordt enkel veroorzaakt door een reductie in het a verstrekte financile bijsluiters van 60%. Wanneer een dergelijke reductie ook in de andere sectoren zou plaatsvinden zou dit het ingezette kabinet ondermijnen. Ook de Tweede Kamer heeft reeds aangegeven te verwachten dat de financile bijsluiter actief verstrekt gaat worden.

OP WEG NAAR DE FINANCILE BIJSLUITER

Advies van de Raad van Financile Toezichthouders met betrekking tot de Financile Bijsluiter


5 juli 2001
INHOUDSOPGAVE


1 SAMENVATTING 1











2 ALGEMENE OPMERKINGEN 1







2.1 Inleiding 1







2.2 Ontwikkeling van de Financile Bijsluiter door de Raad 2


2.2.1 Bijdrage van Representatieve Organisaties en uw Ministerie 2


2.2.2 NIPO-onderzoek 2



2.2.3 De term 'Financile Bijsluiter' 3










3 DE FINANCILE BIJSLUITER 3







3.1 Inleiding 3







3.2 Doel van de Financile Bijsluiter 3






3.3 Vorm en inhoud van de Financile Bijsluiter 4


3.3.1 Vorm 4



3.3.2 Inhoud 4



3.3.3 Begrijpelijkheid en leesbaarheid 5






3.4 Rendementen en kosten 5



3.4.1 Inleiding 5



3.4.2 Tabellen en berekeningsmethoden voor geprognosticeerde rendementen


3.4.3 en kosten 5


3.4.3 De gekozen tabel voor rendement en kosten 6


3.4.4 Tabel Levensverzekeringen 6



3.4.5 Tabel Beleggingsinstellingen 7


3.4.6 Tabel Effectenlease product 7


3.4.7 Op te nemen standaard informatie 8






3.5 Risico's en de risicoindicator 9


3.5.1 Inleiding 9



3.5.2 Risico's in woorden benadrukken 9


3.5.3 Risico's kwantitatief benoemen: de risicoindicator 9


3.5.4 Methoden voor de berekening van een risicoindicator 10










4 WETTELIJK EN REGELGEVEND KADER 12






4.1 Inleiding 12







4.2 Wettelijke basis 13







4.3 De Algemene Maatregel van Bestuur 13


4.3.1 Tussenpersonen 14



4.3.2 Reclamevoorschriften 15



4.3.3 Evaluatie 15







4.4 De nadere regelgeving van de toezichthouders 15


4.4.1 Inleiding 15



4.4.2 De nadere regelgeving 15



4.4.3 Aangewezen producten 16







4.5 Europese omgeving 17











5 TOEZICHT EN CORDINATIE VAN HET TOEZICHT 17






5.1 Inleiding 17



5.2 Toezicht 17



5.3 Consistentie van interpretatie en uitvoering van de regelgeving 18


5.4 Leemtes en overlap in het toezicht 18


5.5 Cordinatie 19











6 INVOERING EN INWERKINGTREDING 19






6.1 Inleiding 19



6.2 De context van de Financile Bijsluiter 19


6.3 De termijn waarop de verplichtingen van kracht kunnen worden 20





















Bijlagen:


1. Commentaar van representatieve organisaties op kernpuntendocument (met uitzondering van commentaar op concept-besluit)


2. - Management summary: Financile bijsluiter voldoet aan behoefte (NIPO)


- Rapport: Financile bijsluiter kan beter (NIPO)

- Rapport: Financile bijsluiter voldoet aan behoefte (NIPO)

3. Opzet Financile bijsluiter


4. Nadere regelgeving toezichthouders (wordt nagezonden)










































1. SAMENVATTING






In hoofdstuk 2 wordt door de Raad geconstateerd dat er bij de consument behoefte is aan een heldere uitleg inzake een aan te schaffen financieel pr Bij het vormgeven van deze behoefte door middel van de Financile Bijsluiter alsmede het opstellen van dit advies heeft de Raad gebruikgemaakt van waardevolle bijdragen van zowel representatieve organisaties als uw Ministerie. Het NIPO-onderzoek heeft geleid tot wijzigingen in de eerste opzet Financile Bijsluiter. De Raad constateert dat de opzet thans op hoofdlijnen goed is.

Hoofdstuk 3 geeft een uiteenzetting van de inhoud van de Financile Bijsluiter en de overwegingen van de Raad over risico's, rendementen en kosten

De Raad kiest er voor voorlopig geen uniforme standaarduitvoering van de Financile Bijsluiter voor te schrijven. Gezien de noodzaak van toegankeli van het document zal er limitatief voorgeschreven worden welke informatie (indien van toepassing) moet worden opgenomen. Deels worden hiervoor standaardteksten verplicht gesteld. Inzake geprognosticeerde rendementen en kosten worden, naast vergezellende standaardteksten, bepaalde tabellen voorgeschreven. Inzake de weergave van de risico's verbonden aan een

product worden zowel een risicoindicator als, ter ondersteuning hiervan, enkele standaardteksten voorgeschreven. Specifiek wordt in dit advies inge het proces rondom de keuze voor en de uitwerking van een bepaalde risicoindicator.

In hoofdstuk 4 wordt op de uitgangspunten en de wijze waarop de juridische invoering heeft vorm gekregen ingegaan en worden bepaalde knelpunten gesignaleerd. Ten aanzien van de wettelijke basis zal het verplicht worden van de Financile Bijsluiter eerst mogelijk zijn nadat enkele wetswijzig zijn gerealiseerd.

Ten aanzien van uw conceptbesluit wijst de Raad op zijn gegeven advies. Daarnaast benadrukt hij nog openstaande problematiek rondom tussenpersonen reclame-voorschriften. De voorgenomen nadere regelgeving van de toezichthouders wordt besproken.

In hoofdstuk 5 onderbouwt de Raad de noodzaak tot cordinatie van de beleidsuitgangspunten van het toezicht op de naleving van de verplichtingen te aanzien van de Financile Bijsluiter.

In hoofdstuk 6 geeft de Raad de context weer binnen welke de Financile Bijsluiter zal functioneren en de randvoorwaarden waaraan de invoering naar mening zal moeten voldoen. Op basis van deze context en randvoorwaarden adviseert de Raad u het verplicht stellen van de Financile Bijsluiter te z de datum van 1 juli 2002. Daarbij wordt aangetekend dat de toezichthouders instellingen zullen aanbevelen al vanaf 1 januari 2002 een Financile Bi te hebben voor hun producten.


2. Algemene opmerkingen











2.1 Inleiding






Uw Nota 'Informatieverstrekking aan de consument van financile diensten' beoogde drie doelen te dienen. Het eerste doel was na te gaan of de regelgeving de positie van de consument voldoende beschermt en de consument voldoende in staat stelt genformeerde keuzen te maken. Het tweede doel positie van de consument van financile producten waar mogelijk te verbeteren. Ten slotte was het derde het bevorderen van markttransparantie. In d genoemde Nota wordt vervolgens een aantal beleidsinitiatieven aangekondigd. Een belangrijke positie hierbij wordt daarbij ingeruimd voor de Financi Bijsluiter (het kernpuntendocument). De Nota bepaalt hierover:

'...In het document zal een beperkt aantal gegevens komen te staan, waarmee de belangrijkste kenmerken worden gekarakteriseerd (bijvoorbeeld het so product, fiscale behandeling van de inleg/premie en uitkering van de premie.)'

Er moet vervolgens op relatief eenvoudige wijze inzicht worden gegeven in de eigenschappen van het product. U heeft de Raad verzocht u te adviseren vorm en de mate waarin uw beleidsvoornemens kunnen worden gerealiseerd.

De Raad deelt de doelstelling van uw beleidsvoornemens en staat zeer positief tegenover de introductie van een Financile Bijsluiter. Met de vervag de scheidslijnen tussen sectorale markten en de opkomst van gemengde financile producten wordt het voor de consument steeds moeilijker goed te doo wat voor een soort product hij of zij koopt. Uit het NIPO-onderzoek, waarover hieronder meer, is naar voren gekomen dat bij consumenten de behoefte om op heldere wijze uitleg te krijgen over een aan te schaffen financieel product. Het onderzoek wijst uit dat de door de Raad ontwikkelde Financi Bijsluiter aan die behoefte voldoet. Tussen de 60% en 70% van de ondervraagden gaf aan dat zij bij hun beslissing over de aanschaf van een financie product de Financile Bijsluiter 'zeker' zou gebruiken. Tussen de 20% en 30% gaf aan dit 'waarschijnlijk' te doen.


2.2 Ontwikkeling van de Financile Bijsluiter door de Raad










2.2.1 Bijdrage van Representatieve Organisaties en uw Ministerie

De Raad heeft bij de vormgeving van de Financile Bijsluiter de sectorale organisaties , hierna gezamenlijk aan te duiden als de Representatieve Organisaties, in een tweetal formele consultatieronden (vanaf 2000) en vele informele consultaties betrokken. U treft in Bijlage 1 bij dit Rapport afschrift van de brieven die de Raad in de formele consultaties heeft ontvangen. De Representatieve Organisaties hebben in de contacten met de Raad kennen gegeven eveneens positief te staan tegenover het idee van een financile bijsluiter. De Raad heeft met waardering geconstateerd dat de Representatieve Organisaties onverminderd constructief hebben meegewerkt aan de ontwikkeling van de Financile Bijsluiter. Zij hebben hun deskundig ideen en in het verleden opgedane ervaringen steeds vrijelijk met de Raad gedeeld en concepten en voorbeeldmodellen van de Raad van commentaar en suggesties voorzien. Een zelfde medewerking is verkregen van uw ministerie. Daarbij hebben betrokkenen zich vaak moeten laten leiden door de strakk planning van de Raad. De planning is mede door de inzet van deze betrokkenen gehaald.


2.2.2 NIPO-onderzoek


In april en mei van 2001 heeft het NIPO in opdracht van de Raad een consumentenonderzoek uitgevoerd naar de bruikbaarheid van een door de Raad ontw

ontwerp financile bijsluiter. Het NIPO is gevraagd om te bezien of het ontwerp aansloot op de wensen en behoeften van consumenten. Tevens werden a als volledigheid, inzichtelijkheid en begrijpelijkheid van het ontwerp getoetst. Het onderzoek viel uiteen in een kwalitatief deel (begin april) en kwantitatief deel (mei). De resultaten van deze twee onderzoeken zijn aan dit rapport gehecht als Bijlage 2. De resultaten uit het kwalitatief deel onderzoek waren voor de Raad aanleiding in het ontwerp wijzigingen aan te brengen. Uit het kwantitatieve deel van het onderzoek bleek dat de wijzig tot zodanige verbeteringen hebben geleid dat in het kwantitatief onderzoek het ontwerp positief door consumenten werd beoordeeld.


2.2.3 De term 'Financile Bijsluiter'

Ten slotte heeft de Raad het NIPO gevraagd om te onderzoeken of de in uw Nota genoemde term 'kernpuntendocument' voor de ondervraagde consumenten d was en of er te prefereren alternatieven waren. De term 'kernpuntendocument' werd door slechts 4% van de meer dan 600 ondervraagden als de beste aa Een meerderheid van de meeste respondenten vond dat de term 'financile productinformatie' het best voldoet. De term 'financile bijsluiter' werd d het best geacht. De Raad heeft overwogen dat de term 'financile product informatie' weliswaar een goede aanduiding is van de inhoud, maar dat deze aanduiding van het document zelf te algemeen en dus minder geschikt is.

De Raad heeft er zodoende voor gekozen om de term 'Financile Bijsluiter' als officile naam te hanteren.


3. De Financile Bijsluiter











3.1 Inleiding






De Raad heeft bij het ontwikkelen van de Financile Bijsluiter getracht een balans te vinden tussen adequate informatievoorziening enerzijds en begrijpelijkheid en overzichtelijkheid anderzijds in een voor alle betrokken financile producten uniforme vorm. Daarbij is de Raad uitgegaan van d informatiebehoefte van een 'gemiddelde' consument; met andere woorden een consument zonder specifieke kennis van de financile wereld, van de jurid finesses van zijn keuzes en de economische achtergronden van rendementen en risico's.

Dit hoofdstuk geeft de belangrijkste overwegingen weer van de Raad bij het maken van de opzet van de Financile Bijsluiter. In de consultatieronden Representatieve Organisaties zijn deze overwegingen steeds aan de orde gesteld en besproken. In Bijlage 3 van dit rapport is de opzet voor de Finan Bijsluiter toegevoegd.


3.2 Doel van de Financile Bijsluiter





De Financile Bijsluiter zal een document worden van een financile instelling dat de volgende doelen zal dienen:

primair: het geven van de belangrijkste kenmerken en risico's van een product opdat de consument zich snel en (relatief) eenvoudig een oo kan vormen over de aard van het product dat hij overweegt te kopen

secundair: het vergelijkbaar maken van verschillende producten van een zelfde soort

tertiair: het geven van de mogelijkheid tot het maken van keuzes tussen verschillende soorten producten.

De Financile Bijsluiter wordt gemaakt voor producten die hetzij vallen onder de definitie van complex product in het conceptbesluit (zie verder ho
4.3) hetzij zijn aangewezen in de nadere regelgeving van de toezichthouders (zie verder hoofdstuk 4.4). In de Financile Bijsluiter wordt naast de hoofdkenmerken van het product ook ingegaan op het risico, het (geprognosticeerde) rendement en de kosten van een product.

Uit het NIPO-onderzoek komt naar voren dat veel consumenten reeds in een vroeg stadium van de orintatie op financile producten een keuze maken te aanzien van het soort product dat zij wensen. De Raad beschouwt om die reden het doel van de vergelijkbaarheid tussen verschillende soorten product tertiair doel. Adequate en heldere informatieverschaffing over een financieel product staan voor de Raad voorop.


3.3 Vorm en inhoud van de Financile Bijsluiter






3.3.1 Vorm


De Raad onderkent dat een belangrijk ondersteunend uitgangpunt voor het succes van de Financile Bijsluiter zal zijn dat de Financile Bijsluiter a zodanig herkenbaar en identificeerbaar is. De Raad heeft er, vooralsnog, voor gekozen om geen uniforme standaarduitvoering van de Financile Bijslu voor alle betrokken instellingen voor te schrijven. Naar het oordeel van de Raad mogen instellingen, binnen bepaalde in de nadere regelgeving van d toezichthouders getrokken grenzen, de uitwerking van de Financile Bijsluiter in hun eigen (huis)stijl en op hun eigen wijze uitvoeren. Randvoorwaa zijn onder meer dat de Financile Bijsluiter in alle vormen waarin deze wordt gemaakt ten minste kwalitatief overeen moet komen met het overig mate van de instelling (te denken valt aan brochures, folders en dergelijke) of de andere aanprijzingen van de instelling voor het product. Op het d moet altijd prominent worden aangegeven dat het een Financile Bijsluiter is. De Financile Bijsluiter moet voor een consument duidelijk te ondersc zijn van het overige materiaal van de instelling. Standaardteksten (bijvoorbeeld waarschuwingen) moeten in de toepassing en lay-out gelijk zijn aan overige tekst. Ze mogen wel worden opgenomen in aparte kaders. Standaardteksten mogen in de presentatie en/of door (tekstuele) toevoegingen niet wo genuanceerd of worden tegengesproken. Waarschuwingen mogen uiteraard wl worden benadrukt.

De toezichthouders blijven bevoegd en zullen, indien in de praktijk blijkt dat Financile Bijsluiters niet aan de noodzakelijke herkenbaarheid en identificeerbaarheid voldoen, van hun bevoegdheid gebruikmaken om gedetailleerde regels uit te vaardigen over de inrichting en wijze van presentat de Financile Bijsluiter.


3.3.2 Inhoud

De Financile Bijsluiter moet een bondig, voor de consument zeer toegankelijk document worden. De Raad heeft ervoor gekozen om de toegankelijkheid bevorderen door het limitatief voorschrijven van informatie die altijd moet worden opgenomen en het limitatief voorschrijven van informatie die all worden opgenomen indien van toepassing.

De eerste categorie informatie, zijnde de verplichte informatie, zal voor alle producten een gelijke opzet, toon en informatieve waarde moeten hebb het eerste deel van de Financile Bijsluiter worden in een vaste volgorde de doelstelling van de Financile Bijsluiter, doelstelling of aard van he product, de wederzijdse prestaties, de risicofactoren, de toezichthouder, de klachtenregeling et cetera opgenomen (zie Bijlage 3). Er zijn voorges standaardvragen die door de instellingen beantwoord moeten worden in korte, goed te begrijpen antwoorden. Daarbij zullen de toezichthouders geen voorschriften uitvaardigen over hoe instellingen inhoudelijk of tekstueel voor specifieke producten moeten antwoorden. Dat dienen de instellingen, de meeste expertise over het product aanwezig is, zelf te doen.

Daarna volgt de tweede categorie informatie die bepaalde additionele productinformatie kan bevatten indien die informatie voor het product van toep is. Er is een limitatieve lijst van standaardkopjes voorgeschreven. Indien het onderwerp van een (of meerdere) van de kopjes niet van toepassing is betreffende product dan mag (mogen) deze kopje(s)achterwege worden gelaten. De kopjes zullen, als die voor het product van toepassing zijn, kort do instelling moeten worden toegelicht. En kopje is door de Raad onbenoemd: een instelling mag zelf bepalen of er nog additionele (product)informati gelet op de doelstelling van de Financile Bijsluiter voor een consument niet zou mogen ontbreken.


3.3.3 Begrijpelijkheid en leesbaarheid

Vooralsnog heeft de Raad er in de nadere regelgeving voor gekozen om deels standaard-teksten voor te schrijven. Deels zullen ook in algemene termen verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de door de instellingen te formuleren antwoorden in het eerste deel en het te redigeren proza in he deel van de Financile Bijsluiter.

De voorgeschreven standaardteksten hebben betrekking op die onderdelen van de Financile Bijsluiter die voor alle instellingen gelijk zullen zijn. algemene verplichtingen hebben betrekking op de leesbaarheid (bijvoorbeeld het gebruik van leesbare letters) en de begrijpelijkheid van de teksten (bijvoorbeeld het zoveel mogelijk vermijden van moeilijke of zeer technische termen). De Raad beziet thans of het opstellen van een facultatieve handleiding voor het taalgebruik in Financile Bijsluiters tot de rele opties behoort.


3.4 Rendementen en kosten







3.4.1 Inleiding


De Raad heeft geconstateerd dat instellingen over het algemeen op aanvaardbare wijze en binnen realistische grenzen prognoses voor rendementen in h commercile uitingen en overige documentatie geven. Niettemin, zo is de Raad gebleken, worden door bepaalde instellingen ook rendementen aan consum het vooruitzicht gesteld die in het beste geval zeer optimistisch en in het slechtste geval ronduit misleidend zijn. De Raad is voorts gebleken dat instellingen op zeer verschillende wijze de aard en hoogte van de kosten van een product presenteren. De Raad is van oordeel dat er in het algemeen onvoldoende transparantie is over aan consumenten in rekening gebrachte kosten.

Uit het NIPO-onderzoek is gebleken dat consumenten bij het lezen van de Financile Bijsluiter snel zullen kijken naar de tabellen van de (geprognosticeerde) rendementen. Daarmee is het belang van een juiste, realistische en verifieerbare weergave van de rendementen en kosten voor de bevestigd. De Raad meent dat in de Financile Bijsluiter een gestandaardiseerde tabel en een daaraan ten grondslag liggende gestandaardiseerde berekeningsmethode voor de rendementsweergaven dient te worden gehanteerd door de instellingen.


3.4.2 Tabellen en berekeningsmethoden voor geprognosticeerde rendementen en kosten

De Raad heeft drie tabellen ontwikkeld die fictieve rendementen en kosten weergeven voor fictieve producten. Het NIPO heeft de drie tabellen getest

De tabel waarin de kosten van producten inzichtelijk werden gemaakt en de rendementen in brutobedragen werden uitgedrukt bleek echter veel te ingew voor een belangrijk deel van de ondervraagden. Door de test van deze tabel werd de behoefte van de consumenten op het onderdeel van inzicht in bere kosten voor de Raad duidelijker. Consumenten hebben in het kader van een Financile Bijsluiter kennelijk niet zozeer behoefte aan meer inzicht in d van de kosten doch 'wat men inlegt en wat het uiteindelijk opbrengt'. Consumenten willen een 'nettoopbrengst' zien.

Deze tabel is niet verder getest; in de andere twee tabellen is uitgegaan van rendementen onder aftrek van kosten. Van de twee overgebleven tabelle voor elk van de drie sectoren (bancaire-, verzekerings-, en effectensectoren) twee voorbeelden voor rendement en kosten getest. De eerste tabel was uitgebreide tabel waarin berekeningen werden gegeven op basis van drie percentages, namelijk twee voorbeeldpercentages en een historisch rendementspercentage. De tweede tabel was een eenvoudiger, beknopt model.

De resultaten van de test tonen aan dat de uitgebreide tabel de voorkeur geniet van de ondervraagde consumenten. De Raad kiest er zodoende voor om hierna beschreven uitgebreidere tabel met voorgeschreven standaardteksten in de Financile Bijsluiter op te nemen.


3.4.3 De gekozen tabel voor rendement en kosten

De uitgangspunten van de tabel zijn voor de verschillende sectoren gelijk. De Raad onderkent echter dat bepaalde sectorspecifieke onderdelen tot uitdrukking moeten kunnen komen in de tabel. Zo kennen levensverzekeringen het begrip 'afkoopwaarde' en '(periodieke) premie', terwijl er bij beleggingsfondsen sprake is van opbrengst bij verkoop en (eenmalige) inleg. Bij bijvoorbeeld aandelenleaseproducten is er sprake van een lening met behorende rentelasten.

Er zijn, kort gezegd, drie uitwerkingen van de gekozen tabel. Voor het gemak zijn deze hieronder weergegeven voor de sectoren levensverzekering; beleggingsinstelling en effectenleaseproduct:


3.4.4 Tabel Levensverzekeringen


De afkoopwaarde bij een rendement van: Aan het
einde Totaal betaalde
van het jaarpremie I% 4% Op basis van historie


1 1.000



3 3.000



5 5.000



10 10.000



15 15.000


(elke 5
jaar) ||

N n*1.000


3.4.5 Tabel Beleggingsinstellingen





De opbrengst bij verkoop van een nmalige belegging van EUR 1.000 bij een rendement van:
Aan het
einde
van het jaar

i% 4% Op basis van historie


1



3



5



10



15


(elke 5
jaar)

N


3.4.6 Tabel Effectenlease product






Lening =
Opbrengst bij verkoop bij een EUR 1.000 Totaal bruto rendement van: betaalde
rente Op basis Aan het einde
van het jaar i% 4% van historie


1



3



5



10



15


(elke 5 jaar)

N

De toezichthouders zullen in hun nadere regelgeving de te hanteren rendementsweergave gedetailleerd uitwerken. Daarbij zullen de navolgende uitgangpunten worden gehanteerd:


1. Bij de berekeningen wordt uitgegaan van een initile storting/premie of van een periodieke storting/premie van EUR 1.000.


2. Instellingen dienen hun berekeningen uit te voeren voor de in de tabel genoemde tijdsperioden, tenzij het product een kortere looptijd hee dat geval dient gekozen te worden voor tijdsperioden die zoveel mogelijk overeenkomen met de perioden die in de tabel zijn voorgeschreven.


3. Bij deze berekeningen wordt uitgegaan van een standaardvoorbeeld, maar individualisering is toegestaan.


4. In de kolommen met voorbeeldberekeningen worden de afkoopwaarden (bij verzekeringsproducten) of de nettoverkoopopbrengsten (bij beleggingsproducten) weergegeven bij de voorgeschreven voorbeeldrendementen en op basis van het historisch rendement. Bij effectenleaseproducten wo tevens de bij het product behorende rentelasten vermeld.


5. Het eerste voorbeeldpercentage (i%) betreft het percentage dat afhankelijk is van de soort belegging c.q. risicoclassificering (een worst case-rendement). Het tweede voorbeeldpercentage (4%) is een voorgeschreven brutovoorbeeldrendement dat voor alle producten gelijk is (een vergelijkingsrendement).


6. De gehanteerde brutovoorbeeldpercentages worden voorgeschreven door de gezamenlijke toezichthouders.


7. De genoemde percentages (i% en 4%) betreffen brutojaarrendementen van de beleggingsportefeuille zelf, dus vr aftrek van kosten. De hoogt het bruto-historisch rendement wordt niet in het schema vermeld. In de tekst bij de tabel worden de nettorendementen vermeld.


8. Binnen de eigen groep (concern) van de aanbieder dienen de kosten van alle niveaus van de onderliggende beleggingsfondsen te worden meegen Indien hierbij sprake is van belegging in onderliggende beleggingsfondsen (buiten de eigen groep) waarbij de kosten niet in beeld kunnen worden geb dienen die kosten op 4 procentpunten van het gemiddeld belegd vermogen te worden gesteld. Deze hoge opslag is bedoeld als prikkel om inzicht te kri de kosten van de onderliggende instellingen en zo de transparantie te bevorderen. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de berekening van de netto-rendementen behorend bij de twee brutovoorbeeldrendementen. Dit is niet re bij het historisch rendement, omdat hier wordt uitgegaan van de ontvangen nettorendementen van onderliggende instellingen.


9. Wanneer de historie van de (onderliggende) beleggingsfondsen korter is dan tien jaar, mogen afkoopwaarden of opbrengsten bij verkoop niet vermeld; de kolom 'op basis van historie' wordt in dat geval niet ingevuld.


10. De weergegeven bedragen zijn nettobedragen, dat wil zeggen n aftrek van alle kosten, maar vr aftrek van belastingen.


11. Kosten zoals switchkosten bij beleggingsverzekeringen en kosten van aan- en verkoop van beursorders dienen afzonderlijk te worden vermeld bij toelichting op de tabel, als zijnde niet meegenomen in de nettorendementsberekening.


3.4.7 Op te nemen standaardinformatie

De Raad hecht aan het door de instellingen tot uitdrukking brengen van bepaalde informatie omtrent de aard van de rendementsweergaven. Uit het NIPO-onderzoek is naar voren gekomen dat consumenten niet altijd duidelijk is dat een rendementsweergave slechts een voorbeeld of prognose is en ni gegarandeerde opbrengst. Zodoende zullen bepaalde standaardteksten moeten worden opgenomen die verplicht in tekstblokken aan het begin en aan het e de paragraaf worden opgenomen.

De toezichthouders zullen voorschrijven dat aan het begin van de paragraaf de navolgende tekst moet worden opgenomen.

Het hieronder gegeven cijfervoorbeeld is alleen als voorbeeld bedoeld.

De uiteindelijke resultaten zijn niet te voorspellen. Het is dan ook waarschijnlijk dat uw daadwerkelijke rendement in de toekomst niet gelijk zal het hieronder vermelde.

Aan het einde van de paragraaf dient vervolgens de navolgende tekst te worden opgenomen.

De waarde van beleggingen kan fluctueren. Rendementen vanuit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Kijk in de risicoparagraaf van dez bijsluiter voor uw financile risico's.

Naar het oordeel van de Raad zal met deze teksten, in combinatie met de rest van de Financile Bijsluiter en in het bijzonder de paragraaf omtrent risico's beter gewaarborgd zijn dat consumenten geen verkeerde indruk krijgen van het uiteindelijk rendement van het product.


3.5 Risico's en de risicoindicator






3.5.1 Inleiding


Het belangrijkste argument voor de noodzaak van een Financile Bijsluiter is dat consumenten niet altijd adequaat genformeerd worden over de risic een product. In commercile uitingen en wervende teksten van instellingen wordt zelden nadruk op de specifieke risico's van het product gelegd. Voo uiteenzetting over de risico's van een product dient men veelal naar de onderliggende documentatie te kijken waarin in juridische en technische beg een en ander is verwoord. De Raad is van oordeel dat een heldere uitleg over de risico's in de Financile Bijsluiter onontbeerlijk is.

Het tweede doel van de Financile Bijsluiter is om de vergelijkbaarheid van producten met een beleggingscomponent te bevorderen. Met onderbouwde risicoindicaties zouden op vergelijkbare wijze beleggingsrisico's inzichtelijk gemaakt kunnen worden. De Raad heeft zodoende de wenselijkheid en mogelijkheid van de opname van een uniforme risicoindicator in de risicoparagraaf van de Financile Bijsluiter onderzocht.


3.5.2 Risico's in woorden benadrukken

De Raad onderkent dat het begrip 'risico's' voor consumenten verschillende betekenissen kan hebben. Zo heeft het NIPO de volgende interpretaties ge van het begrip: 'gevaren'; 'nadelen'; 'kosten'; 'verliezen'; '(tegenvallende) rendementen'. De Raad heeft in zijn ontwikkeling van de Financile Bi getracht met al deze verschillende interpretaties rekening te houden. Voor de Raad staat voorop dat 'verliezen' en '(tegenvallende) rendementen' belangrijke kenmerken van het begrip 'risico's' zijn. Zodoende wordt er een separate paragraaf in de Financile Bijsluiter opgenomen waarin de risi producten in begrijpelijke bewoordingen door de instellingen moeten worden beschreven. In de nadere regelgeving van de toezichthouders zal nade bepaald dat daarbij ingegaan moet worden op een aantal specifieke risico's.


3.5.3 Risico's kwantitatief benoemen: de risicoindicator

Met een uniforme risicoindicator wordt ernaar gestreefd de risico's van een product samen te vatten en terug te brengen tot n enkel kengetal. Een verkregen set (verschillende) kengetallen zou kunnen leiden tot een schaal waarop men de risico's van verschillende beleggingsproducten kan rangsch De voordelen hiervan voor de consument zijn dat bijna iedereen deze rangschikking 'intutief' en 'op het eerste oog' kan begrijpen. Onderlinge vergelijkbaarheid tussen producten kan met kwantitatieve risicoindices worden bereikt.

De Raad heeft het NIPO verzocht de wenselijkheid en effectiviteit van de risico-indicator te testen. Het resultaat uit de test was eenduidig beves

Het NIPO heeft een fictieve risicoindicator getest. Getest is een balk die in acht segmenten is onderverdeeld. Boven een van deze segmenten was de het (fictieve) product weergeven.

Het onderstaande is het relevante deel uit een van de geteste bijsluiters ('Empirevermogen').

' Empirevermogen is op basis van zijn eigenschappen ingedeeld in risicoklasse: 5

Empirevermogen

world wide

laag risico

zeer hoog risico


1 2 3
4 5
6
7
8






Het risico van een product met een 'laag risico' is vergelijkbaar met dat van een spaarrekening.

Het risico van een product met 'zeer hoog risico' is vergelijkbaar met beleggen in aandelen van vaak kleine bedrijven, die zich bezighouden met nie technologien.'

Het NIPO heeft vastgesteld dat de geteste risicoindicator goed werd begrepen ('hoe hoger de risicoklasse, des te hoger is de kans op een hoog rende maar ook de kans op een groot verlies'). De risicoindicator 'valt mensen op' en 'spreekt tot de verbeelding'. De consumenten beoordeelden de getest risicoindicator als zeer eenvoudig, inzichtelijk en behulpzaam.

Naast deze uiterst positieve beoordeling van de risicoindicator ziet de Raad echter ook knelpunten in een risicoindicator. De Raad kan in dat opzic resultaten van het onderzoek van CentER , die in opdracht van uw Ministerie de mogelijkheden voor het ontwikkelen van een risicoindicator heeft onderzocht, onderschrijven. Cijfers of schaalverdelingen suggereren een bepaalde exactheid. Die exactheid kan echter wel misleidend zijn. Een compl begrip als 'het risico van een product' wordt in de risico-indicator teruggebracht tot een enkel getal hetgeen de werkelijkheid (zeer) simplificeer zijn risico's immers sterk afhankelijk van de tijdshorizon waarover zij worden berekend. Het risicoprofiel van bijvoorbeeld een beleggingsfonds is termijn van n jaar een andere dan op een termijn van tien jaar. Het probleem van de tijdshorizon zou wellicht visueel kunnen worden ondervangen d risico's over verschillende looptijden in een risicomatrix weer te geven. De Raad betwijfelt echter of de consument zoiets nog begrijpt. Een ander aandachtspunt bij een enkel kengetal (of een set kengetallen) is dat een dergelijke benadering veranderende inzichten over de tijd niet kan weergev inzichten ten aanzien van de risico's van bijvoorbeeld een beleggingsfonds kunnen immers met de tijd sterk fluctueren. Recente voorbeelden hiervoor de technologiefondsen (met name internetfondsen) en telecommunicatiefondsen te vinden. Aannemelijk is dat Financile Bijsluiters bewaard worden en lange tijd (bijvoorbeeld op de einddatum na wellicht twintig jaar) te-voorschijn worden gehaald. De inzichten ten aanzien van de risico's kunnen da aanzienlijk zijn gewijzigd. De toezichthouders zullen in de nadere regelgeving bepalen dat de Financile Bijsluiter door instellingen, zolang het p nog aan het publiek wordt aangeboden, actueel moet worden gehouden. Het probleem van reeds uitgegeven Financile Bijsluiters, waarin een risicoindi gegeven die na verloop van tijd verouderd is, kan echter niet worden verholpen.

De Raad is van oordeel dat de voordelen van een risicoindicator wel opwegen tegen de nadelen. Daarbij wordt aangetekend dat een te introduceren risicoindicator met de nodige voorzichtigheid in de Financile Bijsluiter zal moeten worden gepresenteerd. Er zullen zodoende teksten worden voorge die het doel en de status van de risicoindicator beogen te verduidelijken.


3.5.4 Methoden voor de berekening van een risicoindicator

De Raad heeft verschillende methoden onderzocht om tot een uniforme risicoindicator te komen. Daarbij is de Raad uitgegaan van bepaalde randvoorwaa


* de aan de instellingen voor te schrijven methodiek voor de berekening mag niet, buiten bepaalde onvermijdelijke grenzen, leiden tot onjuiste info aan de consument


* de risicoindicator moet objectief zijn vast te stellen. Uitgangspunt van de regelgeving voor de Financile Bijsluiter is dat een instelling zelf methodiek toepast op zijn eigen product en dus zelf de risicoklasse berekent. Achteraf kan door de toezichthouder worden gecontroleerd of de bereke juist is. Iedere instelling moet dus op basis van een objectieve methode de risico's van een product op de schaal kunnen indelen. Verschillende instellingen moeten zodoende voor vergelijkbare producten tot een gelijke indeling komen


* er dient zoveel mogelijk te worden aangesloten bij gangbare methodes om tot risico-indelingen te komen. Tegenwoordig rangschikken veel instelling ten behoeve van hun brochuremateriaal en reclameuitingen, hun eigen producten naar oplopend risico. De risicoindeling in het kader van de Financil Bijsluiter moet hier voorzover mogelijk bij aansluiten.

De eerste door de Raad onderzochte mogelijke uitwerking van een risicoindicator was er een die slechts een drietal belangrijke risico-elementen van product tot uitdrukking bracht. Deze risicoindicator kent in beginsel slechts de categorien: 'uw inleg is gegarandeerd'; 'u kunt uw inleg kwijtrak kunt een schuld overhouden'. Een dergelijke risicoindicator geeft geen uitdrukking aan de risico's die samenhangen met beleggen: immers, er is geen differentiatie naar de risico's van de onderliggende waarden. Er kan, gezien het belang dat consumenten volgens het onderzoek van het NIPO aan de risicoindicator lijken te hechten, betwijfeld worden of een dergelijke risico-indicator aan de verwachtingen zou voldoen. De belangrijkste risico's echter wel, zoals hierboven is gememoreerd, in woorden tot uitdrukking gebracht.

De Raad heeft vervolgens twee kwantitatieve methoden als basis voor een risico-indicator onderzocht. Deze zijn:


- een methode gebaseerd op een model dat gebruikmaakt van de standaarddeviatie van de koersen van producten. Deze methode zou voor de hand als standaard-model voor de risicoindicator omdat de standaarddeviatiemethode bij veel instellingen al in gebruik is. Voor de toepassing van de standaarddeviatie als model voor de grote diversiteit aan producten die onder de Financile Bijsluiter- verplichtingen zullen vallen is hij echter geschikt. Dit hangt samen met het feit dat de standaarddeviatiemethode met name geschikt is voor producten met lineaire risico's, zoals aandelenfon Voor meer ingewikkelde producten, die ook onder de Financile Bijsluiter-verplichtingen zullen vallen, zoals clickfondsen, is deze methode minder g De Raad schat op basis van gesprekken met marktpartijen dat zo'n 20% van de aangeboden producten niet of niet goed met deze methode in een risicoin kan worden ondergebracht


- een methode die gebaseerd is op Value at Risk (VaR)-methodes voor de risicowaardering van financile producten. Deze methode kan wl wor toegepast op producten met niet-lineaire risico's. De Raad heeft geconstateerd dat de ontwikkeling van een VaR-methode voor de toepassing van de risicoindicator op korte termijn tijd niet te realiseren is. De voorhanden zijnde VaR-methode is bestemd om van dag tot dag de risico's van een ges portefeuille van bijvoorbeeld grote banken in kaart te brengen, terwijl de hier aan de orde zijnde producten voor de retail-markt een veel langere beleggingshorizon hebben. Voor de toepassing van de VaR-methode ten behoeve van de risicoindicator dient deze echter te worden herontwikkeld.

De VaR-methode geniet de theoretische voorkeur van de Raad, maar de Raad acht de mogelijkheden onzeker om de VaR-methode zo aan te passen dat die ( termijn) voor de risicoindicator geschikt gemaakt kan worden.

De Raad heeft zich, gezien de bovengeschetste problemen, georinteerd op mogelijke andere modellen die (tijdelijk) als basis zouden kunnen fungeren een risico-indicator. Vanuit de Representatieve Organisaties is de Raad een model gesuggereerd dat naar verwachting de uitwerking van een risicoin mogelijk zal maken. Dit model werkt op basis van een Scoresysteem. Kort gezegd komt deze methode er op neer dat een groot aantal producten in rango oplopend risico wordt geplaatst door deskundigen. De relevante risico's worden aan de hand van een vragenlijst gedentificeerd. Vervolgens wordt ee scoringsformule opgesteld die de relevante risico's weegt en de door de deskundigen bereikte rangorde reproduceert. Deze formule wordt vervolgens d toezichthouders vastgesteld als de methode om risico's van een product te rangschikken. De Raad is tezamen met de Representatieve Organisaties doen methode verder uit te werken. Het uitgangspunt is dat voor producten waarbij dat mogelijk is deze methode gecombineerd zal worden met een methodiek gebaseerd op standaarddeviaties.

Gelet op de omvang van dit project houdt de Raad er rekening mee dat de ontwikkeling van het Scoresysteem niet op korte termijn beschikbaar is. Ook onderzoek naar de mogelijkheden om de VaR-methode voor de risicoindicator aan te passen zal enige tijd in beslag nemen. De Raad zal dit najaar besl welke methode voor de onderbouwing van de risicoindicator zal worden gebruikt. Indien geen kwantitatieve methode op tijd gereed kan zijn zal in de Financile Bijsluiter voorshands met de meer kwalitatieve risicoparagraaf worden volstaan.


4. Wettelijk en regelgevend kader







4.1 Inleiding


In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitgangspunten van en de wijze waarop de juridische invoering vorm heeft gekregen en welke knelpunten de Raad nog signaleert. De Raad heeft daarbij de reacties van Representatieve Organisaties en de uitkomsten uit het NIPO-onderzoek betrokken. Voorzover nog eerder door de Raad bij uw ministerie aan de orde gesteld worden u aanbevelingen omtrent de juridische implementatie hieronder gedaan.

Zoals hiervoor in Hoofdstuk 3 is uiteengezet heeft de Raad ervoor gekozen om, met het oog op de bevordering van de inzichtelijkheid en onderlinge vergelijkbaarheid van producten, een basis-Financile Bijsluiter te ontwikkelen die voor alle betrokken sectoren verplicht zal worden. Dit vereist consistentie van regelgeving. Op de noodzaak van consistentie bij de toepassing van de regelgeving wordt in Hoofdstuk 5 separaat ingegaan.

Het uitgangspunt van het regelgevend kader van de Financile Bijsluiter is dat deze getrapt is: via een afdoende basis in de betrokken toezichtwett basis waarvan u bij een Algemene Maatregel van Bestuur regels kunt opleggen die de bevoegdheid geven aan de toezichthouders vervolgens nadere regel uit te vaardigen.


4.2 Wettelijke basis






De volgende wetten zullen als basis dienen voor de invoering van de Financile Bijsluiter: Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv), Wet toezich uitvaartverzekeringsbedrijf (Wtn), Wet toezicht beleggingsinstellingen (Wtb), Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte), Wet toezicht kredietwezen 19 (Wtk), Wet op het consumentenkrediet (Wck).

De Raad heeft de toereikendheid van de rechtsbasis van de betrokken wetten voor de introductie van de Financile Bijsluiter van de betrokkenen geanalyseerd. Uit deze analyse is gevolgd dat een aantal wetten op onderdelen dient te worden aangepast. Zowel Wtk 1992 (artikel 85a) als Wck (arti moeten worden gewijzigd. De specifieke grondslagen in de Wte 1995, Wtv 1993, Wtn en Wtb zullen voor de introductie van deze regelgeving in de optie Raad niet behoeven te worden gewijzigd. Het komt de Raad wenselijk voor om de wettelijke verankering van de regelgevende en de toezichtbevoegdheden alle wetten gelijk te laten zijn. In dat kader zou een spoedige wijziging van de artikelen 51 Wtv en 26 Wtn de voorkeur van de Raad genieten.

Het verplicht worden van de Financile Bijsluiter zal eerst mogelijk zijn als de wijzigingen van de Wtk en de Wck zijn gerealiseerd.

De Raad heeft separaat gekeken naar de wenselijkheid om te komen tot een afzonderlijke en specifieke (horizontale) rechtsbasis voor verplichtingen de informatieverstrekking aan consumenten voor alle aanbieders van complexe financile producten. Daarover heeft de Raad extern juridisch advies ingewonnen. Mede gezien de adviezen kan de Raad gelet op de toereikendheid van de huidige wetgeving (na de benodigde aanpassingen) en de wens tot inwerkingtreding van de verplichtingen omtrent de Financile Bijsluiter geen bijzonder voordeel vinden in een dergelijke horizontale regeling.


4.3 De Algemene Maatregel van Bestuur





Op grond van de vigerende wetten heeft u de bevoegdheid regels uit te vaardigen omtrent informatie die de onder de relevante toezichtwetten vallend instellingen moeten verstrekken aan afnemers van financile diensten en producten. Een daartoe strekkend conceptvoorstel voor een 'Besluit houdende met betrekking tot het door financile ondernemingen verstrekken van een kernpuntendocument bij complexe producten' (hierna: het conceptbesluit) is op 13 april 2001 aan de Raad en aan de Representatieve Organisaties ter consultatie voorgelegd.

In het conceptbesluit wordt geregeld dat voor gedefinieerde complexe financile producten een Financile Bijsluiter verplicht zal worden. Deze 'com producten kennen twee cumulatieve kenmerken: zij zijn opgebouwd uit verschillende productsoorten en ten minste n van die productsoorten heeft een beleggingskarakter.

Het conceptbesluit geeft daarnaast de toezichthoudende autoriteit(en) de mogelijkheid om andere dan in het conceptbesluit gedefinieerde producten a wijzen die onder de Financile Bijsluiter-verplichtingen vallen (zie hieronder hoofdstuk 4.4.).

Financile instellingen die een complex of aangewezen financieel product aanbieden dienen een Financile Bijsluiter voor (potentile) afnemers ter beschikking te hebben. Daarnaast geldt de verplichting om voor of bij het sluiten van de overeenkomst tot verwerving van een dergelijk product een Financile Bijsluiter ter beschikking te stellen aan de afnemer. Het conceptbesluit regelt vervolgens welke informatie in de Financile Bijsluiter verplicht moet worden opgenomen. De toezichthouders krijgen op grond van het conceptbesluit de mogelijkheid regels te stellen voor de wijze van het beschikbaar houden en het beschikbaar stellen van de Financile Bijsluiter alsmede voor de nadere invulling van de verplichte informatie in de Fina Bijsluiter. Daarnaast krijgen de toezichthouders de bevoegdheid om algemene vrijstellingen uit te vaardigen van bepaalde verplichtingen alsmede ind ontheffingen te verlenen.


4.3.1 Tussenpersonen


De Raad onderzoekt thans in het algemeen welke verbeteringen kunnen worden aangebracht in de vormgeving van het regelgevend kader inzake (rechts)pe die actief zijn op het gebied van bemiddeling bij financile diensten. Hierover zal de Raad u separaat adviseren.

De Raad stelt vast dat de voorschriften inzake de Financile Bijsluiter alleen ten aanzien van de normadressanten van de betrokken toezichtwetten ( verzekeraars, effectenbemiddelaars, et cetera) zijn af te dwingen. Voor hen geldt dat zij, in beginsel, hun eigen product aanbieden. De Raad is mening dat het eigenlijk niet zou moeten uitmaken via welk 'kanaal' een complex of aangewezen financieel product door een consument wordt betrokken elk complex of aangewezen financieel product hoort steeds een Financile Bijsluiter.

Teneinde dit te bereiken zullen de toezichthouders via hun nadere regelgeving een plicht introduceren die meebrengt dat voornoemde normadressanten voor dragen dat wanneer hun producten via een derde worden aangeboden, deze tussenpersoon de consument een Financile Bijsluiter verstrekt. De Raad evenwel in dat het desondanks mogelijk is dat een consument uiteindelijk geen kennis kan nemen van de Financile Bijsluiter omdat een tussenpersoon de inspanning van de normadressant, in gebreke blijft. De Raad adviseert u om - vooralsnog - terzake van deze groep tussenpersonen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij enkele niet-dwingende regels. Zo kan worden gedacht aan de Vrijwillige Gedragscode ten aanzien van precontractuele inform over hypotheken, de Gedragscode Informatieverstrekking Dienstverlening Intermediair, de Europese Gedragscode inzake het elektronisch betalingsverke FIN-NET (het Europees netwerk met betrekking tot zogenaamde 'out of court settlement' van geschillen ten aanzien van financile diensten). U wordt geadviseerd te bevorderen dat deze gedragscode(s) wordt/worden nageleefd. Daarnaast wordt u verzocht aan dit onderwerp in de toelichting op het conceptbesluit aandacht te besteden.

In dit verband vraagt de Raad verder de aandacht voor het navolgende. Het is zeer wel denkbaar dat een consument zich laat adviseren over de aansch financile producten, die - als deze zouden worden samengenomen tot n product - de kenmerken van een complex product zouden hebben. De vraag kan opkomen of op deze situatie de regels van de Financile Bijsluiter toepasselijk zouden moeten zijn. De Raad is van mening dat dit niet het geval is consument zich uitsluitend laat adviseren over de aanschaf van verschillende producten en de uiteindelijk aan te schaffen producten door middel van afzonderlijke overeenkomsten totstandkomen. Echter, indien bij de bemiddeling bij de totstandkoming van de aan te schaffen producten het voor de co kennelijk duidelijk is dat overeenkomsten als met elkaar samenhangende en van elkaar afhangende overeenkomsten worden gesloten, zouden naar het oor de Raad de regels voor de Financile Bijsluiter wel toepasselijk zijn.

Bij tussenpersonen die niet onder de reikwijdte van de betrokken wetten vallen is er thans geen mogelijkheid om hen te verplichten een Financile Bijsluiter op te stellen. Voor instellingen die als tussenpersoon fungeren die wel onder de betrokken wetten vallen zou een rechtstreekse verplicht daartoe uit het conceptbesluit moeten volgen. De Raad stelt vast dat het conceptbesluit op dit punt niet geheel duidelijk is. De Raad beveelt u aan conceptbesluit en/of de toelichting daarop op dit punt aan te passen of te verduidelijken.


4.3.2 Reclamevoorschriften


De nadere regelgeving van de toezichthouder kent bepaalde reclamevoorschriften. Zo zal een instelling in zijn reclameuitingen voor een complex of aangewezen financieel product kenbaar moeten maken dat er een Financile Bijsluiter over het product beschikbaar is. U wordt in dit verband in over gegeven uw voorgenomen reclameregels aan te vullen met dan wel te verwijzen naar deze voorschriften.


4.3.3. Evaluatie


De Raad kan de door u aan de Tweede Kamer toegezegde evaluatie van de effecten van de voorschriften inzake de Financile Bijsluiter onderschrijven komt de Raad wenselijk voor een passage over de voorgenomen evaluatie in de toelichting op het conceptbesluit op te nemen.


4.4 De nadere regelgeving van de toezichthouders






4.4.1 Inleiding


Gelet op de afwijkende toedeling van bevoegdheden voor het stellen van regels terzake van de Financile Bijsluiter in de Wtv en de Wtn, betreft het onderstaande formeel slechts lagere regelgeving op grond van de Wtk, Wtb, Wck en de Wte. De nadere regelgeving zal voorzover mogelijk op identieke moeten worden opgenomen in de Regeling Informatie-verstrekking aan verzekeringnemers 1998 en de Regeling informatieverstrekking Wtn.

Zoals in de inleiding van Hoofdstuk 4.3 is aangegeven geeft het conceptbesluit de rechtsgrondslag voor de betrokken toezichthouders om nadere regel stellen over de Financile Bijsluiter. Uitgangspunt voor de Raad hierbij is dat de onder de respectievelijke toezichtwetten uitgevaardigde regelgev zoveel mogelijk (tekstueel en inhoudelijk) gelijk is. Hier dient te worden aangetekend dat de STE reeds over lagere regelgeving beschikt (Bijlage 7 Regeling toezicht effectenverkeer) waarin voorschriften zijn opgenomen voor informatieverstrekking door effecteninstellingen. De STE beziet thans i hoeverre het mogelijk is om de beoogde regelgeving in dezelfde format en op dezelfde doorlopende wijze in de bestaande regelgeving van de STE te ve Uw ministerie beziet op gelijke wijze de mogelijkheden om de bestaande Ministerile Regelingen op grond van de Wtv en de Wtn aan te passen.


4.4.2 De nadere regelgeving


In Bijlage 4 treft u een afschrift van de conceptregelgeving zoals deze aan de Representatieve Organisaties zal worden voorgelegd ter formele consultatie. De Raad memoreert onderstaand een aantal belangrijke punten uit de conceptregelgeving hieronder:

de regelgeving zal bij inwerkingtreding niet alleen gaan gelden voor nieuwe complexe en aangewezen financile producten, maar ook voor be producten die aan het publiek worden aangeboden

de regelgeving heeft geen extraterritoriale werking voor instellingen; met andere woorden, behoudens Europeesrechtelijke verplichtingen d zullen Nederlandse instellingen niet verplicht worden Financile Bijsluiters ter beschikking te stellen voor producten die in het buitenland aan he publiek worden aangeboden. De Raad meent dat, mede gelet op het level playing field waarop Nederlandse instellingen in het buitenland moeten kunnen opereren, het onredelijk bezwarend zou zijn aan hen een dergelijke verplichting op te leggen

de regelgeving zal wel gelden voor buitenlandse instellingen die in Nederland complexe producten aanbieden, behoudens icbe's aan wie op b het Europees recht geen Financile Bijsluiter-verplichting kan worden opgelegd

de regelgeving maakt een onderscheid naar de verplichting een Financile Bijsluiter te hebben en een Financile Bijsluiter te verstrekken Representatieve Organisaties hebben de Raad onder de aandacht gebracht dat de verplichtingen ten aanzien van het verplicht verstrekken van een Fin Bijsluiter in de praktijk niet altijd mogelijk zullen zijn (bijvoorbeeld bij de verhandeling op de beurs van aandelen van beleggingsfondsen) en in gevallen zeer bezwaarlijk zullen voorkomen. De Raad zal zich in het kader van de formele consultatie van de Representatieve Organisaties verder ber over de wijze waarop met de verplichting om een Financile Bijsluiter te verstrekken praktisch kan worden omgaan zonder afbreuk te doen aan het level-playing field voor instellingen

er zal voor producten die nog aan het publiek worden aangeboden de verplichting zijn om de Financile Bijsluiter a tempo aan belangrijke wijzigingen aan te passen

in beginsel zijn exonoratieclausules in de Financile Bijsluiter niet geoorloofd, met uitzondering van een beknopte clausule dat de infor over het product in de Financile Bijsluiter niet volledig is en dat de (potentile) afnemer wordt aanbevolen kennis te nemen van de overige docume

de Raad hecht er belang aan dat bekendheid aan het bestaan van de Financile Bijsluiter wordt gegeven. Daaraan dienen de instellingen mee werken. Zo is dus in de regelgeving de verplichting opgenomen dat op relevante plaatsen in foldermateriaal en eventuele andere (reclame)uitingen a correspondentie over een complex of aangewezen financieel product het bestaan van een Financile Bijsluiter moet worden vermeld.


4.4.3 Aangewezen producten Mede gelet op de gr verscheidenheid aan financile producten die worden aangeboden en de snelheid waarmee nieuwe producten worden gentroduceerd, is in uw conceptbeslu bevoegdheid voor de toezichthouders gecreerd om bepaalde producten aan te wijzen die van een Financile Bijsluiter zullen moeten worden voorzien. Financile producten zullen worden aangewezen indien de toezichthouders van oordeel zijn dat de Financile Bijsluiter voor de consument toegevoegde heeft voor het beoordelen van het product. In beginsel zullen zeer eenvoudige producten, waarbij het voor de consumenten mogelijk is op eenvoudige informatie te achterhalen, niet worden aangewezen. De Raad onderkent daarbij wel dat het mogelijk is dat bepaalde producten die aanvankelijk als ee zijn aangemerkt toch onduidelijkheid bij consumenten oproepen. De toezichthouders zullen zodoende periodiek beoordelen of nieuwe of bestaande produ moeten worden aangewezen.

Vooralsnog zullen drie typen producten worden aangewezen. Mede gelet op de resultaten van de evaluatie van de informatieregels die thans gelden voo verzekeringsproducten zullen levensverzekeringen en natura-uitvaartverzekeringen onder de reikwijdte van de Financile Bijsluiter-verplichting gebracht worden. Voor verzekeraars komen de voorschriften voor het aanhouden en verstrekken van een Financile Bijsluiter in de plaats van de thans bestaande voorschriften voor het beschikbaar houden van de zogenoemde productleeswijzer. Daarnaast zullen alle beleggingsinstellingen die op grond Wtb een vergunning hebben eveneens worden aangewezen. De Raad heeft vastgesteld dat beleggingsinstellingen een belangrijke marktsegment hebben bij aanschaf van consumenten van financile producten. Met het oog op de bevordering van vergelijkbaarheid van financile producten komt het de Raad ju ook belegginstellingen onder onderhavige verplichtingen te brengen. Daar komt bij dat in de praktijk is gebleken dat beleggers weinig inzicht hebbe name de risico's en kosten die verbonden zijn aan (het deelnemen in) beleggingsinstellingen. Voor veel beleggers is het prospectus te omvangrijk en te doorgronden. Het prospectus wordt daarom weinig gelezen. De financile bijsluiter zal door zijn overzichtelijke opzet en beperkte omvang belangr bijdragen aan de adequate informatieverschaffing van de (potentile) belegger over de voor hem meest wezenlijke aspecten van de beleggingsinstellin


4.5 Europese Omgeving


De Raad heeft een aantal zaken over de (komende) Europese regelgeving onder uw aandacht heeft gebracht in zijn brief d.d. 23 april 2001 . De Raa nader externe juridisch advies ingewonnen over de raakvlakken met Europese regelgeving en Verdragen. Onder verwijzing naar het gestelde in voornoem signaleert de Raad dat in de komende jaren een aantal Europese initiatieven op het gebied van regelgeving met betrekking tot de informatieverstrekk financile producten te verwachten is (zo een aantal niet reeds in behandeling is). De Europese Commissie is doende om voor vele onderwerpen die on nationale regelgeving vallen, Europese regels tot stand te brengen. In dit kader adviseert de Raad u om in overweging te nemen om conceptnormen met betrekking tot de Financile Bijsluiter-verplichtingen vrijwillig aan te melden bij de Europese Commissie. Het komt de Raad voor dat hiermede mogel worden bewerkstelligd dat bij de redactie van de definitieve communautaire regelgeving rekening kan worden gehouden met de Nederlandse normen.


5 TOEZICHT EN DE Cordinatie VAN HET toezicht










5.1 Inleiding






In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de manier waarop op de regelgeving zal worden toezichtgehouden. De regelgeving zal, naar het oordeel van de Raad meebrengen dat er afstemming van de beleidsuitgangspunten van het toezicht zal moeten plaatsvinden tussen de toezichthouders onderling. De Raad onderscheidt in hoofdzaak twee belangrijke aanleidingen om de cordinatie van beleidsuitgangspunten tussen de toezichthouders te bevorderen. De belangrijkste reden voor afstemming is gelegen in het feit dat de regelgeving inhoudelijk in beginsel gelijk is voor de verschillende sectoren. De beginselen van behoorlijk bestuur voor de individuele toezichthouders brengen mee dat een toezichthouder nadrukkelijk rekening zal moeten houden me beleid van de andere toezichthouders.


5.2 Toezicht






De verantwoordelijkheid voor het opstellen, het ter beschikking houden en het ter beschikking stellen van de Financile Bijsluiter rust op de aanbi het product. Daarvoor gelden de regels van het conceptbesluit en de nadere regelgeving van de toezichthouders. De controle op de naleving van de regelgeving door de toezichthouders vindt achteraf plaats. En aspect van het toezicht behoeft hier aparte vermelding. De nadere regelgeving van de toezichthouders bepaalt dat Financile Bijsluiters naar waarheid moeten worden opgesteld. In het kader van het regulier toezicht door de toezichtho kan de naleving van deze verplichting in beginsel pas worden beoordeeld nadat een Financile Bijsluiter is opgesteld en uitgegeven. Uiteraard zulle toezichthouders indien zij worden geconfronteerd met Financile Bijsluiters die niet aan de normen voldoen de nodige (sanctie)maatregelen treffen. toezicht biedt echter voor de consument geen garantie dat de verstrekte informatie door een instelling over een bepaald product juist is.


5.3 Consistentie van interpretatie en uitvoering van de regelgeving





Het toezicht op de Financile Bijsluiter geschiedt achteraf door de drie afzonderlijke toezichthouders. De voorschriften van de Financile Bijsluit op basis van voornamelijk identieke regelgeving. De Raad heeft er - vooralsnog - voor gekozen om uit te gaan van bepaalde regels op hoofdlijnen (zi Hoofdstuk 3) voor de uitwerking van de Financile Bijsluiter. Er zijn thans geen voorschriften ten aanzien van lengte van de Financile Bijsluiter tekstopmaak, lettertype, format, soort papier, kleuren et cetera. Er zijn ook geen specifieke regels, zo die al mogelijk zouden zijn, om de leesbaa begrijpelijkheid van de Financile Bijsluiter objectief door de toezichthouders aan te toetsen. De voorschriften in de nadere regelgeving bieden zo ruimte voor interpretatie door de toezichthouders. Daarnaast biedt het conceptbesluit de mogelijkheid voor de toezichthouders om (algemene) vrijste en (individuele) ontheffingen uit te vaardigen respectievelijk te verlenen. De Raad onderkent, in het kader van de rechtsgelijkheid en het non-discriminatiebeginsel, de noodzaak voor de toezichthouders tot eenvormige toepassing van de regelgeving en de uitzonderingsmogelijkheden.

Ten slotte geldt voor de handhaving van de verplichtingen uit hoofde van de regelgeving over de Financile Bijsluiter dat bij niet naleving van de voorschriften de toezichthouders bevoegd zijn over te gaan tot toepassing van bestuurlijke boetes en dwangsommen. De Raad staat voor de toepassing bestuurlijke handhavinginstrumenten eveneens een eenvormig beleid door de afzonderlijke toezichthouders voor.


5.4 Leemtes en overlap in het Toezicht





Hierboven is in Hoofdstuk 4 de positie van de tussenpersonen besproken. De Raad heeft vastgesteld dat er omstandigheden zijn die meebrengen dat er rechtstreekse en eigen verplichting rust op een tussenpersoon om een Financile Bijsluiter te hebben en aan een potentile afnemer-consument te verstrekken. Deze vaststelling geldt ook ten aanzien van onder toezicht staande instellingen die als tussenpersoon een (enkelvoudig complex) financ product aanbieden dat niet sectoreigen is. Deze leemte acht de Raad ongewenst. Daarnaast zijn er theoretisch verschillende situaties denkbaar waari of meer toezichthouders (dan wel n toezichthouder uit hoofde van twee of meer verschillende toezichtwetten) betrokken zullen zijn bij de toetsing financile instelling op de naleving van de voorschriften over de Financile Bijsluiter. In dergelijke gevallen is sprake van een overlap van toezi Raad acht het, mede indachtig de signalen daaromtrent van de betrokken sectoren, ongewenst dat in geval van overlap van toezicht op deze identieke verplichting een financile instelling wordt geconfronteerd met twee (of meer) toezichthouders die beiden toezien op de naleving van hun eigen lage regelgeving (hoezeer ook zoveel mogelijk naar eenduidigheid in regelgeving voor de verschillende financile sectoren wordt gestreefd). De Raad huld uitgangspunt dat indien zich in de praktijk een dergelijke situatie van overlap mocht voordoen, de betrokken toezichthouders in overleg zullen kom een voor de betrokken instelling en de betrokken toezichthouders praktische oplossing. In deze oplossing zal ook aandacht worden besteed aan de vra van de betrokken toezichthouders in de Financile Bijsluiter dient te worden vermeld.


5.5 Cordinatie






De Raad zal de cordinatie tussen de toezichthouders voor de toepassing van de regelgeving bevorderen. Daartoe zal de Raad aandacht besteden aan consistentie van toepassing van de regelgeving en het gevoerd beleid. Indien er zich overlapzaken voordoen, zullen deze eveneens worden besproken.


6. Invoering en inwerkingtreding











6.1. Inleiding






Dit hoofdstuk geeft in grote lijnen de visie van de Raad weer ten aanzien van de context waarin de Financile Bijsluiter zal functioneren en de voo waaraan een succesvolle invoering van de Financile Bijsluiter zal moeten voldoen. Daarbij wordt voorzover mogelijk mede ingegaan op de opmerkingen Representatieve Organisaties en de adviezen van het NIPO. In dit Hoofdstuk wordt ten slotte ingegaan op de termijn waarop de Financile Bijsluiter visie van de Raad verplicht kan worden gesteld.


6.2 De context van de Financile Bijsluiter





In april en mei van 2001 is door het NIPO een onderzoek uitgevoerd naar de door de Raad gemaakte opzet voor de Financile Bijsluiter. De conclusies aanbevelingen over de inhoud van de Financile Bijsluiter zijn, zoals in de voorgaande Hoofdstukken is gebleken, veelal door de Raad overgenomen. N conclusies over de Financile Bijsluiter zelve is door het NIPO ook een aantal algemene zaken aan de orde gesteld waaraan de Raad, bij het uitwerke invoering van de Financile Bijsluiter, niet voorbij kan gaan .

Met name uit het kwalitatieve deel van het onderzoek kwam naar voren dat het voor veel consumenten moeilijk was de gevolgen van de aankoop van een financieel product te doorgronden. Het NIPO vond, in het algemeen, dat het kennisniveau van en interesse voor financile producten van de geselecte groep van respondenten als 'laag' moest worden gekwalificeerd. Voorts bleek dat de respondenten door hun onbekendheid met financile producten en h financieel toezicht in Nederland niet onmiddellijk het doel en de mogelijkheden van de Financile Bijsluiter konden bevatten. Zoals hiervoor is gem was de term 'risico' een complex begrip waaraan door sommige respondenten in het NIPO-onderzoek een onverwachte inhoud werd gegeven. Ook bleek dat doorvragen veel van de informatie, met name bijvoorbeeld tabellen, vaak niet (voldoende) begrepen werd.

De Raad meent dat het van groot belang is om de introductie van de Financile Bijsluiter vergezeld te doen gaan van een goede voorlichtingscampagne consumenten. Een goede en met zorg omklede invoering van de Financile Bijsluiter is minstens zo belangrijk voor het slagen als een goede opzet van Financile Bijsluiter zelf. Hiermee kunnen ook de grote inspanningen en de daarmee gepaard gaande hoge kosten die van de instellingen worden gevraa worden gerechtvaardigd.

Om de consument in staat de stellen de Financile Bijsluiter te gebruiken en een genformeerde keuze tussen producten te laten maken zal in de voorlichtingscampagne aandacht moeten worden besteed aan het doel van de Financile Bijsluiter en wat de Financile Bijsluiter voor consumenten kan betekenen bij hun keuzes.

Een voorlichtingscampagne over de Financile Bijsluiter zal zich, in de optiek van de Raad, echter niet tot louter de introductie van de Financile Bijsluiter kunnen beperken maar zal een meerjarenproject zijn.

De Raad heeft uit het NIPO-onderzoek de indruk overgehouden dat als consumenten van financile diensten in staat moeten worden gesteld een meer verantwoorde keus te maken veel meer nodig zal zijn dan alleen de introductie van een Financile Bijsluiter. In het rapport van de Sociaal-Economi Raad van november 2000 inzake consumenteneducatie, worden verschillende onderdelen van educatie genoemd en worden diverse partijen aangewezen die v consumenteneducatie verantwoordelijk zijn. Het zou buiten het bestek van dit Rapport vallen op de meer algemene problematiek van consumenteneducati gaan, doch voor de Raad staat vast dat bij uitstek voor financile producten moeite moet worden gedaan om consumenten de zelfstandigheid te geven d hen zou toewensen. In het algemeen is consumenteneducatie in brede zin geen verantwoordelijkheid van de financile instellingen, buiten de vereiste product-informatie om, terwijl ook de toezichthouders hierin slechts een beperkte rol zullen kunnen spelen.

De Raad is voornemens om dit najaar een opgesteld communicatie- en voorlichtingsplan gereed te hebben teneinde bekendheid met de Financile Bijslui vergroten. Daarover zal de Raad met uw ministerie van gedachten wisselen.


6.3 De termijn waarop de verplichtingen van kracht kunnen worden





U heeft aangegeven te hechten aan een invoeringsdatum van 1 januari 2002. De datum van de invoering zal door u bij afzonderlijk Koninklijk Besluit vastgesteld. De toezichthouders zullen, naar het zich laat aanzien, dit najaar de nadere regelgeving (behoudens de benodigde regelgeving voor de risicoindicator) voor de invoering van de Financile Bijsluiter publiceren. Met het oog op het bepalen van de datum waarop de verplichtingen van kr zullen worden van de Financile Bijsluiter, vraagt de Raad uw aandacht voor het volgende:

de formele wettelijke grondslag voor de verschillende sectoren moet tijdig en gelijktijdig geregeld zijn

de representatieve organisaties hebben de Raad aangegeven dat de instellingen naar verwachting zes maanden nodig hebben om de Financile Bijsluiter daadwerkelijk te kunnen invoeren in hun organisaties

de verplichtingen moeten voorzover mogelijk met het oog op het bereiken van de gewenste doelstellingen van de Financile Bijsluiter (inzichtelijkheid van het product en vergelijkbaarheid tussen producten) op dezelfde tijd voor alle betrokken producten worden ingevoerd

de beschrijving van de risicoindicatormethodiek zal waarschijnlijk niet eerder dan het vierde kwartaal van 2001 voor instellingen beschik zijn.

De Raad heeft in een eerste berekening vastgesteld dat de verplichtingen voor ten minste 4.500 producten zullen gaan gelden. Dit is een conservatie eerste schatting: een veelvoud daarvan mag niet worden uitgesloten.

De Representatieve Organisaties hebben de Raad voorgelicht over de benodigde aanpassingen en wijzigingen in de interne organisaties van de onder to staande instellingen om te kunnen voldoen aan de twee hoofdverplichtingen van de Financile Bijsluiter (het ter beschikking hebben en stellen van e Financile Bijsluiter) voor de complexe of aangewezen financile producten. Dit wordt geen geringe operatie voor de instellingen. Zo dienen de Fina Bijsluiters te worden geschreven, de rendementsweergaven en de risicoindicatoren te worden berekend en de sales- en marketingafdelingen erop worden voorbereid. Daarnaast dient de automatisering van de instellingen op de verplichtingen te worden aangepast en reclamecampagnes en de web sites erop worden ingericht De Raad onderschrijft het standpunt van de betrokken sectoren dat een dergelijke operatie onder normale omstandigheden een zestal zal vergen vanaf het moment dat de verplichtingen aan de betrokken instellingen bekend zijn gemaakt.

De Raad onderkent echter dat het jaar 2001 in verband met de euroconversie voor financile instellingen geen normaal jaar is. De euroconversie zal instellingen een groot beslag leggen op hun personele en technische capaciteiten. De Representatieve Organisaties hebben zeer nadrukkelijk onder de aandacht van de Raad gebracht dat indien geen rekening gehouden wordt met het beslag dat deze conversie met zich zal meebrengen een groot aantal instellingen in overtreding van de voorschriften zal raken indien deze voorschriften op 1 januari 2002 in de volle breedte zouden moeten worden uitgevoerd.

De Raad beveelt u aan de regelgeving van kracht te laten worden op de datum waarop kan worden verondersteld dat de naleving door alle betrokken instellingen daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Gelet op het bovenstaande lijkt de verplichte naleving van de regelgeving vanaf 1 januari 2002 mogelijk. De Raad geeft u daarom in overweging om op 1 juli 2002 alle instellingen die complexe of aangewezen financile producten aanbieden te verplichten een Financile Bijsluiter te hebben en deze te verstrekken.

De Raad meent dat er, met het oog op het belang van de Financile Bijsluiter voor consumenten, een inspanningsverplichting op de instellingen rust spoedigste over te gaan tot implementatie van de regelgeving. De toezichthouders zullen dit najaar hun nadere regelgeving vaststellen en publiceren toezichthouders zullen daarnaast een aanbeveling opstellen waarin instellingen worden verzocht de regelgeving vanaf 1 januari 2002 na te leven. De toezichthouders zullen vanaf de publicatie van de regelgeving tot het verplicht worden daarvan de implementatie door de instellingen nauwgezet volg


---


---

Kamerstukken II 1998/1999, 26 676, nr. 1

Kamerstukken II 2000/2001, 26 676, nr. 3

Kamerstukken II 2000/2001, 26 676, nr. 4

Wet toezicht kredietwezen 1992, Wet toezicht effectenverkeer 1995, Wet toezicht beleggingsinstellingen, Wet op het consumentenkrediet, Wet toez verzekeringsbedrijf 1993 en de Wet toezicht natura- uitvaartverzekeringsbedrijf.

Kamerstukken II, 2000/2001, 26 676, nr. 4.

Kamerstukken II 1998/99, 26676.

The Forum of European Securities Commissions.

Richtlijn nr 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van bel in effecten.

Kamerstukken II 1999/2000, 27231, nr. 1.

Aangeboden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal bij brief d.d. 8 juli 1999.

Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), het Verbond van Verzekeraars (het Verbond), de Vereniging van Commissionairs in Effecten, de Consumen de Vereniging Eigen Huis, de Vereniging van Vermogenbeheerders, het Nederlands Verbond van Uitvaartorganisaties en namens het beleidsoverleg beleggingsinstellingen Wereldhave, Robeco,VIB N.V.

Zoals aanprijzingen voor het betreffende product op de internetsite van de instelling.

Zie verder Hoofdstuk 4.4.

Zie verder Hoofdstuk 4.4.

Het Rapport 'Aanzet tot de ontwikkeling van een uniforme risicoindicator voor financile producten met een beleggingscomponent', juni 2000 van dr. Th. Nijman, dr. M. Das, dr. B.J.M. Werker.

Voor de Wtv en de Wtn is het anders geregeld. Ook hier is er sprake van getraptheid, zij het op grond van art. 51 Wtv en art. 26 Wtn, via een bestaande Ministerile Regeling in de Regeling informatie-verstrekking aan consumenten 1998 en de Regeling informatieverstrekking Wtn. Deze vorm va getraptheid is echter, zo heeft de Raad begrepen, van tijdelijke aard: er wordt via het thans in voorbereiding zijnde wetsvoorstel Actualisatie en Harmonisatie van de Toezichtwetten een grondslag voor een Algemene Maatregel van Bestuur in de Wtv en de Wtn gecreerd op gelijke wijze als die in
1992, Wte en de Wtb.






Behoudens effectenbemiddelaars.

Concept-Besluit houdende regels met betrekking tot het verstrekken van informatie door kredietinstellingen, beleggingsinstellingen en effecteninstellingen, toegezonden aan de Raad bij brief van 24 januari 2001 (kenmerk FM 2001-00098).

Deze bijlage zal u enkele dagen later worden nagezonden.

Rapport inzake Evaluatie Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998, d.d. 24 juli 2000.

Kenmerk RFT/2001/064.

Onder de uitdrukkelijke caveat van de erkenning van de Raad dat men gezien de beperkte opzet van het onderzoek voorzichtig met deze resultaten omgaan.

Deel: ' Brief Financien inzake besluit Financile Bijsluiter '




Lees ook