Ministerie van Financien

Titel: Reële stabilisatie van de Europese uitgaven

Aan:

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/98-1359m

31 december 1998

Onderwerp

Reële stabilisatie van de Europese uitgaven.

In het Europa-overleg van 9 december jongstleden kwam een tabel inzake Financiële Perspectieven 2000-2006 (FP, het toekomstige Europese maximum uitgavenkader) ter sprake, die uitgaat van een zogenoemde reële stabilisatie van het huidige uitgavenniveau voor de EU-15 in betalingskredieten (circa 85 mrd Euro). Naar aanleiding van enkele vragen die tijdens het overleg naar voren werden gebracht, heb ik toegezegd deze tabel schriftelijk nader toe te lichten.

De onderhandelingen over het toekomstige financiële kader worden gevoerd op basis van het voorstel voor Financiële Perspectieven (FP) van de Commissie van 18 maart 1998. Dit voorstel is vervat in tabel A, opgenomen in het U toegezonden voortgangsrapport aan de Europese Raad van Wenen. Daarin heeft de Commissie inmiddels conform verzoek van verreweg de meeste Lidstaten een visuele scheiding gemaakt tussen de uitgaven voor de huidige EU-15 enerzijds en de uitgaven voor respectievelijk pre-accessie en toetreding anderzijds, het zogenoemde ringfencen van de uitgaven.

In de eerste helft van dit jaar gaf een meerderheid van Lidstaten aan dat het Commissievoorstel geen rekening houdt met het feit dat de huidige Financiële Perspectieven reeds enkele jaren in belangrijke mate worden onderschreden bij de vaststelling van de EU-begroting. Verschillende Lidstaten, waaronder Nederland, verzochten daarom in de Ecofin van 12 oktober om een technische exercitie van de Commissie om te laten zien wat reële stabilisatie op circa 85 mrd Euro (niveau betalingen begroting 1999) voor de huidige vijftien lidstaten betekent. Het resultaat van deze exercitie is neergelegd in de tabel waarvan uw Kamer via de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken een concept-versie heeft ontvangen. Vervolgens is deze tabel ook opgenomen in het rapport aan de Europese Raad (tabel C: Illustration advocated by a number of member states).

De tabel vormt een illustratief voorbeeld van hoe reële stabilisatie op circa 85 mrd Euro, in dit geval een gemiddeld niveau van 85,8 mrd Euro aan EU-15 betalingen over de gehele FP-periode 2000-2006 eruit kan zien (zie de met een pijl gemarkeerde regel ceiling, appropriations for payments).

Zoals gebruikelijk luiden de FP in reële termen, in dit geval constante prijzen 1999. In de opmaak van de tabel is de pre-accessiesteun uit de individuele FP-categorieën gehaald en geplaatst in een nieuwe FP-categorie 7.

Bij de uitgaven voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is uitgegaan van reële stabilisatie op 40 mrd Euro zijnde ongeveer het peil van de uitgaven in de begroting 1999. Daarbij is de Landbouw-pre-accessiesteun van jaarlijks 520 mln Euro opgenomen in categorie 7; in categorie 1 blijft dan nog 39,5 mrd Euro over. Bij de Structuur- en Cohesie-enveloppe is niet het begrotingstotaal voor 1999 als uitgangspunt genomen. In lijn met het karakter van deze uitgaven - i.c. meerjarige steunprogrammas - is hier als uitgangspunt genomen het in reële termen op peil houden van de steun per hoofd van de bevolking in de gebieden die volgens de Commissievoorstellen in de periode 2000-2006 voor steun in aanmerking (blijven) komen. Rekeninghoudend met de Commissievoorstellen voor pre-accessiesteun vanuit de structuurfondsen ter grootte van 7 mrd Euro leidt dit tot een totaalenveloppe voor Structuur- en Cohesiefondsuitgaven van 200 mrd Euro aan vastleggingskredieten. Daarvan is 7 mrd Euro pre-accessiesteun geplaatst in categorie 7; er resteert over de periode 2000-2006 gesommeerd nog 193 mrd Euro voor categorie 2. Overeenkomstig de Commissie-voornemens om meer dan voorheen het accent bij de vastleggingen vroeger in de nieuwe FP-periode te leggen, toont de reeks een (licht) aflopend patroon naar 2006.

Bij de categorieën 3 (intern beleid) en 4 (extern beleid) is reële stabilisatie op het begrote niveau 1999 van 6 mrd Euro verondersteld. Vanuit categorie 4 is 1,5 mrd Euro PHARE-steun voor kandidaatlanden overgeheveld naar categorie 7. Er blijft dan 4,5 mrd Euro in categorie 4 over. Bij de administratieve uitgaven is eveneens uitgegaan van de begrote uitgaven 1999 (4,5 mrd. Euro) en bij de post reserves is de oorspronkelijke Commissiereeks overgenomen.

Optelling van de genoemde categorieën leidt tot de totaalreeks voor de vastleggingen Ceiling, appropriations for commitments . Bij het daarbijbehorende plafond voor de jaarlijkse betalingen (ceiling, appropriations for payments) is ook rekening gehouden met nog te verrichten betalingen op aangegane verplichtingen uit de huidige programmeringsperiode, met name die op het terrein van de structuurfondsuitgaven. Deze laatste slaan vooral neer in de eerste jaren van de nieuwe programmeringsperiode hetgeen de hobbel in de betalingen 2000-2003 verklaart. Gemiddeld over de hele periode 2000-2006 beloopt het jaarlijkse plafond voor de betalingen 85,8 mrd Euro.

De steun aan nieuwe toetreders is vervat onder de regel available for accession. Deze steun is - net zoals de bovengenoemde pre-accessiebedragen - ten opzichte van het oorspronkelijke Cie-voorstel ongewijzigd gebleven. In deze regel is een bedrag aan betalingskredieten opgenomen; het bedrag aan vastleggingskredieten is niet weergegeven. Bedacht dient te worden dat het niveau aan vastleggingskredieten, oftewel committeringen, zoals gebruikelijk (naijleffect) hoger ligt dan de betalingskredieten (kasuitgaven). Tevens dient bedacht te worden dat de Commissie terzake van de betalingskredieten voor toetreders straks gebruik wil maken van extra financiële ruimte die ontstaat doordat bij toetreding sprake is van een vergroot EU-BNP. Omdat deze FP-tabel betrekking heeft op de huidige 15 Lidstaten is in de tabel niet van deze extra ruimte uitgegaan.

Doelstelling Regeerakkoord

De taakstelling in het Regeerakkoord terzake van de Nederlandse EU-afdrachten zal bij een reële stabilisatie van de uitgaven zoals hierboven aangegeven ruwweg worden gehaald. Naarmate er in de verdere onderhandelingen echter aanpassingen plaatsvinden richting het oorspronkelijke Commissievoorstel, wordt het volledig realiseren van die taakstelling via alleen EU-uitgavenbeperking minder eenvoudig. Maar zoals bekend wil Nederland naast een meer beheerste EU-uitgavenontwikkeling ook een rechtvaardiger lastenverdeling tot stand brengen. Zaken als de introductie van een generiek nettobegrenzersysteem en het tot stand brengen van een gedeeltelijke nationale financiering van de GLB-uitgaven zullen ook een gunstig effect hebben op de Nederlandse afdrachten. Nederland heeft derhalve een aantal ijzers in het vuur waar het gaat om realisatie van de ombuigingstaakstelling.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

Deel: ' Brief Financien inzake stabilisatie Europese uitgaven '




Lees ook