Ministerie van Financien

Titel: Aanvullende alleenstaande-ouderaftrek

DIRECTIE ALGEMENE FISCALE POLITIEK

Aan:

De voorzitter van de Vaste Commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

Fin-99-71/VWS-99-293

AFP99/120U

20 augustus 1999

Onderwerp

Aanvullende alleenstaande-ouderaftrek

In uw brief van 5 maart 1999 vraagt u om een reactie op de brief van mevrouw Houtman en mevrouw Den Bak, betreffende de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek. Naar aanleiding van uw verzoek, kan ik u, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het volgende mededelen.

De fiscale erkenning van de bijzondere positie van het eenoudergezin is terug te vinden in de huidige alleenstaande-ouderaftrek (tariefgroep 4). De alleenstaande-ouderaftrek is destijds ingevoerd als een financiële tegemoetkoming voor de geringe draagkracht en de bijzondere positie van de alleenstaande ouder. Deze aftrek hangt samen met de kosten die zijn verbonden aan het als alleenstaande ouder voeren van een huishouding met afhankelijke kinderen.

Daarnaast heeft de alleenstaande ouder die werkzaamheden buiten het eigen huishouden verricht recht op een extra tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang in de vorm van een aanvullende alleenstaande-ouderaftrek (tariefgroep 5). Voorwaarde hierbij is wel dat, gedurende tenminste zes maanden van het kalenderjaar, een kind dat bij aanvang van dat jaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt tot het huishouden van de alleenstaande ouder behoort.

De reden voor de alleenstaande-ouderaftrek is derhalve niet gelegen in het feit dat de alleenstaande ouder voorziet in de kosten van levensonderhoud van de kinderen. Met deze kosten wordt immers zowel ten aanzien van gehuwden en ongehuwd samenwonenden als ten aanzien van alleenstaande ouders uitsluitend rekening gehouden via de kinderbijslag of de vervangende buitengewone lastenaftrek.

Overigens staat de leeftijdsgrens van 12 jaar in de fiscale wetgeving niet op zichzelf. Met deze leeftijdsgrens wordt aangesloten bij bestaande regelingen, bijvoorbeeld in de sfeer van de tegemoetkoming in de kosten ter zake van de reguliere kinderopvang, waarbij in het algemeen geldt dat kinderopvang nodig wordt geacht in de leeftijd van 0 tot 12 jaar.

De ratio hier achter is dat van kinderen ouder dan 12 jaar maatschappelijk gezien mag worden verondersteld dat zij zover zijn opgegroeid dat kinderopvang geen vereiste meer is (Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 18 519,nr. 5).

Er kan worden geconstateerd dat er inmiddels geen sprake meer is van een eensluidende maatschappelijke opvatting dat kinderen ouder dan 12 jaar geen behoefte meer hebben aan opvang. Een aandachtspunt is dus dat werkende ouders met kinderen in de tienerleeftijd, kosten kunnen maken voor die opvang. In 1998 is het programma Tieneropvang van start gegaan. Bij brief van 16 november 1998 met kenmerk DJB/PJB-98.5228 is de vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hierover geïnformeerd. Het doel van dit experimentele programma is drieledig:
a. zicht krijgen op behoeften en opvattingen van tieners en ouders;
b. praktijkervaring opdoen met inhoud en organisatie van tieneropvang;

c. een maatschappelijk en beleidsmatig perspectief formuleren.

Het streven is begin 2002 een advies, mede op basis van de resultaten van de experimenten, beschikbaar te hebben op grond waarvan politieke besluitvorming kan plaatsvinden over de toekomst van tieneropvang.

Voor een algemene verruiming van de aanvullende alleenstaande ouderaftrek is vooralsnog dan ook geen aanleiding.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Ik zou u willen vragen dit antwoord ook door te geleiden aan de vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die ook de brief van mevrouw Houtman en mevrouw Den Bak heeft ontvangen.

De Staatssecretaris van Financiën,

Deel: ' Brief Financien over aanvullende alleenstaande-ouderaftrek '




Lees ook