Ministerie van Financien

Titel: Hardheidsclausule met betrekking tot Bpm

Aan:

de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal,

mevrouw J. van Nieuwenhoven

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

CV 123. 781 /AJ

VB98/1478

11 februari 1999

Onderwerp

Hardheidsclausule met betrekking tot Bpm

Geachte mevrouw Van Nieuwenhoven,

Blijkens uw brief met bovenvermeld kenmerk waarvan de beantwoording tot mijn spijt is vertraagd, heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal zich verenigd met het verslag van de Commissie voor de verzoekschriften over het adres van de heer Reuvekamp te Amstelveen inzake een aan deze belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenautos en motorrijwielen (Bpm).

Voor het in het adres aan de orde zijnde concrete geval oordeelde de Commissie voor de verzoekschriften dat de naheffingsaanslag op grond van de wetsgeschiedenis gezien de voor dat geval van gelding zijnde feiten en omstandigheden zich niet leende voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarmee sanctioneerde zij de uitvoering van de Wet Bpm op dit punt door de Belastingdienst. De Commissie is evenwel van oordeel dat nader overleg met haar geboden is over de vraag of de wetgever deze gevolgen volledig heeft overzien en heeft bedoeld bij de aanvaarding van de Wet Bpm en verbindt daaraan het voorstel voor een overleg om te bezien of niettemin in gevallen als dat van het adres ruimte zou moeten zijn voor toepassing van de hardheidsclausule.

Met betrekking tot de vraag of in termen van de hardheidsclausule in gevallen als het onderhavige ter zake van de heffing van Bpm sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard meen ik dat het hierna volgende aan een nader overleg richting zal moeten geven.

De Wet Bpm heeft als uitgangspunt dat een in Nederland wonende natuurlijke persoon ter zake van het gebruik van de weg in Nederland met een personenauto de hier bedoelde belasting betaalt. Normaliter geschiedt dit langs de weg van de registratie van een auto, door de opneming van de tenaamstelling in het door de Dienst voor het Wegverkeer aangehouden register van opgenomen kentekens. Wordt gebruik gemaakt van de weg in Nederland met een niet hier te lande geregistreerde auto dan is er op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Wet Bpm belasting verschuldigd. Het belastbare feit wordt in dat geval gevormd door, kort geformuleerd, het aanvang maken van het gebruik van de weg met de auto.

Onder de wetgeving die van kracht was voor de inwerkingtreding van de Wet Bpm was het belastbaar feit de invoer. Ter zake daarvan was de belasting direct verschuldigd. De doelstelling om de heffing bij de eerste ingebruikneming op het Nederlandse wegennet te realiseren, is onder de Wet Bpm voortgezet. Vandaar dat in de memorie van toelichting bij die wet is gesteld dat de ter zake verschuldigde belasting terstond verschuldigd zal zijn. In voorkomende gevallen zal onmiddellijk een naheffingsaanslag kunnen worden uitgereikt. Bij de aanpassingswet (zie hoofdstuk 10 van deze memorie) zal in de Invorderingswet 1990 worden opgenomen dat deze naheffingsaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 868, nr 3, p. 20). In het vervolg op de hier aangehaalde passage is nader ingegaan op de ratio van de wetsbepaling op grond waarvan ook in het onderhavige geval de (na)heffing van Bpm heeft plaats gevonden.

De Wet Bpm voorziet voor gevallen waarin iemand door omstandigheden, die gelegen kunnen zijn in de arbeidsverhouding of in de persoonlijke omstandigheden, gebruik moet of wil maken van een niet in Nederland geregistreerde auto in de mogelijkheid, zoals die ook onder de oude wetgeving bestond, om door een vergunning af te geven door de inspecteur toch met een buitenlandse auto, zij het in een beperkt aantal gevallen, in Nederland van de weg gebruik te maken. Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 14 van de Wet Bpm en heeft nadere uitwerking gevonden in de artikelen 2, 3 en 4 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenautos en motorrijwielen 1992 en is in het algemeen bekend bij degenen die voor zo een vrijstelling in aanmerking komen. De op basis van deze bepalingen te verlenen vergunning is strikt persoonsgebonden hetgeen de (aspirant)vergunninghouder duidelijk bekend gemaakt pleegt te worden.

Het wegvallen van de fiscale grenzen en daarmee van een mogelijkheid voor de Belastingdienst om controle uit te oefenen op de binnen Nederland komende personen(autos) leidt noodzakelijkerwijs tot een helder beleid bij de uitvoering van de onderhavige wet.

Gezien het vorenstaande zal omzichtig moeten worden omgegaan met het creëren van ruimte om de omstandigheden van het individuele geval in de beoordeling te betrekken. Ik aarzel daarbij. Voorts zal dit niet kunnen zonder een daartoe strekkende aanpassing van de wetgeving.

Uiteraard ben ik bereid met de vaste commissie voor Financiën nader in overleg te treden op dit punt.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN,

W.A. Vermeend

Deel: ' Brief Financien over hardheidsclausule m.b.t Bpm '




Lees ook