Tweede Kamer der Staten Generaal

ocw00000.290 brief min ocw inzake lerarentrek in de vier grote steden Gemaakt: 1-3-2000 tijd: 10:5

De voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Zoetermeer, 28 februari 2000

Onderwerp

Lerarentrek in de vier grote steden

Hierbij zend ik u ter kennisneming het eindrapport `lerarentrek in de vier grote steden 1997/1998'. Dit rapport bevat de uitkomsten van een onderzoek dat door Regioplan Onderwijs en Arbeidsmarkt is uitgevoerd naar de instroom en uitstroom van leraren op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs in de vier grote steden in de schooljaren 1997/1998 en 1998/1999. Onderzocht is of er sprake is van `lerarentrek' van achterstandsscholen naar niet-achterstandsscholen.

In het onderzoek wordt als `achterstandsschool' aangemerkt:

? een basisschool met meer dan 70% 1.90 leerlingen;

? een school voor voortgezet onderwijs waaraan voor ten minste 50% van de leerlingen CUMI-faciliteiten worden gegeven.

Samenvatting van de onderzoeksresultaten

1 Algemeen

Ten opzichte van de situatie in de schooljaren 1994/1995 en 1995/1996 is de uitstroom van leraren naar andere scholen binnen hetzelfde onderwijsveld toegenomen. Deze toename van de mobiliteit wordt toegeschreven aan de toenemende krapte op de arbeidsmarkt.

De mobiliteit in de vier grote steden is groter dan in de rest van Nederland.

Er is echter geen sprake van een massale uittocht van leraren uit de vier grote steden naar plaatsen buiten de Randstad.

2 Basisonderwijs

Tweederde van het totaal aantal achterstandsscholen bevindt zich in de vier grote steden. Ongeveer een derde van de basisscholen in de vier grote steden is een achterstandsschool.

In het basisonderwijs is er binnen de vier grote steden nauwelijks verschil in uitstroom naar andere scholen voor primair onderwijs tussen achterstandsscholen (scholen met meer dan 70% 1.90 leerlingen) en niet-achterstandsscholen. Deze uitstroom bedraagt 5.6% resp. 5.8%.

De onderzoekers concluderen dat de lerarentrek aan achterstandsscholen die is geconstateerd bij de meting van de uitstroom in de schooljaren 1994/1995 en 1995/1996, een tijdelijk verschijnsel is geweest. De leraren die niet wilden werken op een achterstandsschool, zijn inmiddels naar een niet-achterstandsschool vertrokken. De krapper wordende arbeidsmarkt in de grote steden bood daarvoor de gelegenheid. De onderzoekers concluderen dan ook dat op de achterstandsscholen een gemotiveerde groep leraren overblijft.

Aangezien de krapte op de arbeidsmarkt buiten de vier grote steden pas later is toegenomen, is daar nog wel sprake van een lerarentrek van achterstandsscholen naar niet-achterstandsscholen.

3 Voortgezet onderwijs

De achterstandsscholen in het voortgezet onderwijs bevinden zich hoofdzakelijk in de vier grote steden (14 van de 16 achterstandsscholen). Ongeveer 15% van de scholen voor voortgezet onderwijs in de vier grote steden is een achterstandsschool.

In het voortgezet onderwijs is binnen de vier grote steden de uitstroom naar andere VO-scholen op achterstandsscholen groter dan op niet-achterstandsscholen (4.8% t.o.v. 3.2%).

De onderzoekers constateren dat de krapte op de arbeidsmarkt in het voortgezet onderwijs later is ontstaan dan in het basisonderwijs. Als de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt voor het voorgezet onderwijs de ontwikkelingen in het basisonderwijs volgen, verwachten de onderzoekers dat ook in het voortgezet onderwijs de lerarentrek op achterstandsscholen waarschijnlijk binnen een paar jaar verdwenen is.

Relatie met de arbeidsmarktsituatie

In het basisonderwijs is geen sprake meer van een lerarentrek op achterstandsscholen en in het voortgezet onderwijs zal de lerarentrek op achterstandsscholen waarschijnlijk binnen een paar jaar verdwijnen. Dit betekent echter niet dat hiermee het onderscheid tussen achterstandsscholen en niet-achterstandsscholen ten aanzien van de problemen bij de vacaturevervulling zijn verdwenen. Zoals blijkt uit de Arbeidsmarktbarometers voor het primair en voortgezet onderwijs hebben achterstandsscholen in de regel meer problemen met het vervullen van vacatures dan niet-achterstandsscholen.

Om op korte termijn een bijdrage te leveren aan de verbetering van de positie van achterstandsscholen op de arbeidsmarkt wordt ter invulling van de motie-Melkert (Tweede Kamer, 1999-2000, 26800, nr.9) voor de schooljaren 1999-2000 en 2000-2001, een extra budget aan deze scholen toegekend. Basisscholen met 70% of meer leerlingen met een gewicht van 1.90 en de overige scholen voor primair onderwijs met 50% of meer leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond ontvangen per schooljaar f. 5170,- per formatieplaats.

Scholen voor voortgezet onderwijs met 15% of meer cumi-vo leerlingen ontvangen in de kalenderjaren 2000 en 2001:

? een vaste voet per school van f. 100.000,- en

? een bedrag per cumi-vo leerling van f.200,-.

Het bevoegd gezag is vrij in de besteding van deze aanvullende vergoeding voor zover deze wordt aangewend voor personeelsbeleid en of verbetering van arbeidsomstandigheden die kunnen bijdragen aan een vermindering van de arbeidsmarktknelpunten.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(drs. L.M.L.H.A. Hermans)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Hermans (OCW) en rapport lerarentrek vier grote steden '




Lees ook