Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief Justitie en sts just hoofdlijnennotitie vree mdelingenbesluit

Gemaakt: 4-4-2000 tijd: 15:24


26

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie

's-Gravenhage, 31 maart 2000

Onderwerp:

Hoofdlijnennotitie Vreemdelingenbesluit

In de brief van 7 maart jl. (5009927/00/DVB) van de tweede ongetekende over de procedure van de verdere behandeling van het wetsvoorstel Vreemdelingenwet 2000 en het wetsvoorstel Invoeringswet Vreemdelingwet
2000, is aangegeven dat het met het oog op het wetgevingsoverleg van
17 april aanstaande noodzakelijk is dat de Kamer geïnformeerd wordt over de hoofdlijnen van het nieuwe Vreemdelingenbesluit. De notitie waarin deze hoofdlijnen zijn neergelegd zenden wij U hierbij toe.
De Minister van Justitie,

A.H. Korthals

De Staatssecretaris van Justitie,

M.J. Cohen

Algemene toelichting op hoofdlijnennotitie

Bij de voorbereiding van de lagere regelgeving worden het bestaande Vreemdelingenbesluit (Vb), het Voorschrift Vreemdelingen (VV) en de Vreemdelingencirculaire (Vc) tot uitgangspunt genomen. Het daarin opgenomen bestaande beleid wordt in beginsel niet gewijzigd; wel is een vertaalslag nodig naar de (systematiek) van het wetsvoorstel.

Verder gelden de volgende uitgangspunten:

De lagere regelgeving wordt beter gestructureerd in die zin dat er minder verschillende niveaus bestaan.

In het Voorschrift Vreemdelingen worden zo min mogelijk materiële normen opgenomen. Deze zullen worden overgeheveld naar het Vreemdelingenbesluit. Getracht wordt het Voorschrift Vreemdelingen zoveel mogelijk te beperken tot de bestaande bijlagen bij het Voorschrift en de modellen die thans in de Vreemdelingencirculaire zijn opgenomen.

De huidige Vreemdelingencirculaire bevat een groot aantal inhoudelijke regels over met name het reguliere toelatingsbeleid. Overwogen wordt om een deel van deze beleidsregels in het Vreemdelingenbesluit op te nemen, waardoor deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift (avv) verkrijgen. Dat heeft gevolgen voor de toepassing door het bestuur. Anders dan bij een beleidsregel kent het avv geen inherente afwijkingsbevoegdheid. De uitzonderingen moeten dus in het avv zelf worden verdisconteerd. De omzetting in een avv heeft ook gevolgen de toetsing door de rechter. Beleidsregels kunnen op hun billijkheid worden beoordeeld; de toetsingsmarge bij avv's is veel kleiner.

Het criterium waarmee wordt bepaald of een beleidsregel in een avv kan worden omgezet is, of de beleidsregel in de praktijk voldoende is uitgekristalliseerd. Als dat niet het geval is, kunnen immers de daarbij behorende uitzonderingen niet goed worden omschreven.

Om te voorkomen dat er met de omzetting van beleidsregels in avv's er geen enkele beleidsruimte meer zou openstaan, zal het nieuwe Vreemdelingenbesluit niet worden «dichtgetimmerd».

Beleidsruimte blijft noodzakelijk en gewenst. Om die reden hebben wij er voor gekozen om de avv's zo veel mogelijk als facultatieve bepalingen te formuleren («kan-bepalingen»): «de verblijfsvergunning kan worden verleend, indien .... « . Daarin komt tot uitdrukking dat er geen verplichting bestaat om de verblijfsvergunning te verlenen, ook al wordt aan de voorwaarden voor verlening voldaan. Dat komt overeen met de huidige situatie. Bij beleidsregel zal dan worden bepaald in welke gevallen de verblijfsvergunning daadwerkelijk zal worden verleend. Deze beleidsregels blijven in de Vc opgenomen.

Eventuele uitzonderingen, bijvoorbeeld op de vereisten die in het normale geval worden gesteld, zullen in de regel imperatief worden geformuleerd. Dan gaat het om een bepaling als: «in afwijking van de hoofdregel, wordt het vereiste van voldoende middelen van bestaan niet gesteld indien....» Daarmee komt tot uitdrukking dat het om voorziene uitzonderingen gaat.

De indeling van de lagere regelgeving volgt zoveel mogelijk de indeling van de Wet, waardoor de inzichtelijkheid van de regelgeving wordt vergroot.

Het Vreemdelingenbesluit zal ook het mandaat regelen van bevoegdheden van de Minister aan de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee. Daardoor ontstaat een met het huidige artikel 1b van het Voorschrift Vreemdelingen vergelijkbare mandaatsregeling. Een afzonderlijke mandaatsregeling is zodoende niet vereist.

Werkdocument Hoofdlijnen vreemdelingenbesluit

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen

Afdeling 1: definitiebepalingen

Afdeling 2: de ACV

Paragraaf 1. Aanwijzing beschikkingen waarover advies wordt gevraagd

Paragraaf 2: Inrichting en werkwijze

Hoofdstuk 2: Toegang Hoofdstuk 3: Verblijf Afdeling 1: rechtmatig verblijf

Afdeling 2: de verblijfsvergunning regulier

Paragraaf 1: de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

Paragraaf 2: beperkingen en voorschriften

Paragraaf 3: geldigheidsduur

Paragraaf 4: algemene afwijzingsgronden voor verlening

Paragraaf 4: afwijzingsgronden voor verlenging

Paragraaf 5: intrekkingsgronden

Paragraaf 6: de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Paragraaf 7: procedurele bepalingen

Afdeling 3: de verblijfsvergunning asiel

Paragraaf 1: de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

Paragraaf 2 de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Paragraaf 3: procedurele bepalingen
Hoofdstuk 4: Grensbewaking, toezicht en uitvoering Afdeling 1: grensbewaking Paragraaf 1: voorzieningen in het belang van de grensbewaking Paragraaf 2: algemene verplichtingen voor personen in het kader van de grensbewaking Paragraaf 3: verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over land Paragraaf 4: verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee Paragraaf 5: verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over lucht Afdeling 2: toepassing van bevoegdheden van ambtenaren Afdeling 3: maatregelen van toezicht Paragraaf 1: kennisgeving van verandering van woon- of verblijfsplaats en vertrek naar het buitenland Paragraaf 2: het verstrekken van gegevens Paragraaf 3: medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie Paragraaf 4: het verlenen van medewerking aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning Paragraaf 5: aanmelding na binnenkomst in Nederland Paragraaf 6: periodieke aanmelding

Paragraaf 7: documenten
Hoofdstuk 5: Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen Paragraaf 1: vrijheidsbeperkende maatregelen Paragraaf 2: vrijheidsontnemende maatregelen Hoofdstuk 6: Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring Afdeling 1: verhaal kosten van uitzetting Afdeling
2: ongewenstverklaring Hoofdstuk 7: Rechtsmiddelen Hoofdstuk 8: Algemene en strafbepalingen Afdeling 1: gegevensverstrekkingen Afdeling 2: afwijking op grond van internationale verdragen Paragraaf
1: Benelux Paragraaf 2: EG en EER Paragraaf 3: Associatiebesluit EG/Turkije Paragraaf 4: Europees Vestigingsverdrag Paragraaf 5: Verdragsvluchtelingen en staatlozen Paragraaf 6: Duits Vestigingsverdrag, Nederlands-Zwitsers Tractaat Paragraaf 7: Associatieakkoorden Paragraaf 8: Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag Paragraaf 9: Overeenkomst Koninkrijk der Nederlanden en Suriname van 1975

Afdeling 3: Koppelingswet-artikelen

Hoofdstuk 9: Overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen

Afdeling 1: definitiebepalingen

Artikel 1 van het huidige besluit wordt als uitgangspunt gehanteerd. Verder geldt als uitgangspunt dat in deze afdeling alleen begrippen worden gedefinieerd voor zover deze nog niet in artikel 1 van het wetsvoorstel zijn opgenomen en op meerdere plaatsen in het Vreemdelingenbesluit gebruikt worden.

In deze afdeling zal worden bepaald (vgl. artikel 1a huidig Vb en VV) dat ter uitvoering van een verdrag waarbij de grenscontrole is verlegd naar buitengrenzen in nader te bepalen gevallen onder «Nederland» mede wordt verstaan het grondgebied van andere bij dat verdrag aangesloten landen waarover de werking van dat verdrag zich uitstrekt.

Tenslotte zal in deze afdeling worden bepaald (vgl. artikel 1b huidig VV) dat de bevoegdheden, die in het Vb worden genoemd, worden uitgeoefend namens Onze Minister, voor zover uit een wettelijk voorschrift niet anders voortvloeit. De korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee kunnen ondermandaat verlenen aan de onder hen ressorterende ambtenaren voor zover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de betreffende ambtenaar en de aard van de bevoegdheid of een wettelijk voorschrift zich daar niet tegen verzet.

Afdeling 2: de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken

In paragraaf 1 wordt op grond van artikel 2, vierde lid, onder b, van het wetsvoorstel een bepaling opgenomen waarin de beschikkingen zijn opgesomd waarover de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV) advies wordt gevraagd. Het betreft de beschikkingen die op pagina 87 van de nota naar aanleiding van het verslag zijn opgenomen.

In paragraaf 2 worden op grond van artikel 2, vijfde lid, van het wetsvoorstel, nadere regels gesteld over de inrichting en werkwijze van de ACV. Nu de ACV door de gewijzigde taak onder de Kaderwet adviescolleges valt, worden de bestaande voorschriften kritisch tegen het licht gehouden. Een aantal bepalingen over de inrichting en de werkwijze van de ACV die in het huidige Vreemdelingenbesluit zijn opgenomen onder hoofdstuk 1, kan in het nieuwe Vreemdelingenbesluit dan ook komen te vervallen omdat de daarin behandelde onderwerpen reeds zijn geregeld in de Kaderwet. Enkele andere bestaande artikelen moeten worden gewijzigd, teneinde de inhoud ervan in overeenstemming te brengen met het bepaalde in de Kaderwet. Verder voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid om van de Kaderwet adviescolleges af te wijken (vgl. de nota naar aanleiding van het verslag, p. 84).

In het nieuwe Vreemdelingenbesluit worden geen nadere regels gesteld over de beleidsadvisering door de ACV. Over de beleidsadvisering worden jaarlijks afspraken gemaakt tussen de ACV en de Staatssecretaris van Justitie; deze afspraken zullen worden neergelegd in de desbetreffende jaarplannen.

Hoofdstuk 2: Toegang In dit hoofdstuk zullen op basis van artikel 3, tweede en derde lid, van het wetsvoorstel nadere regels worden gesteld over de voorwaarden voor toegang. Hierbij gaat het om bestaande voorschriften uit het Vb, het VV en de Grensbewakingscirculaire: Vrijstelling van het visumvereiste (artikel 3, eerste lid, onder a, wetsvoorstel) Het Vreemdelingenbesluit zal regels bevatten over de vereiste visa. Daarbij gaat het om het doorreisvisum (inclusief het luchthaventransitvisum), het reisvisum en het mvv (thans geregeld in artikel 41 tot en met 43 van het Vb). In het nieuwe Vb zullen ook regels gesteld worden over terugkeervisa. Deze regels zijn thans opgenomen in de Vc. Artikel 3 van het wetsvoorstel laat ruimte om vrijstellingen van het visumvereiste op te nemen. Daarvan zal in het nieuwe Vb gebruik worden gemaakt. Er zullen geen nieuwe vrijstellingen worden opgenomen. De vrijstelling van het mvv-vereiste voor het verkrijgen van toegang wijzigt niet ten opzichte van de in het Voorschrift Vreemdelingen aangewezen staten of categorieën (vgl. artikel 16 VV en bijbehorende bijlagen). Openbare orde (artikel 3, eerste lid, onder b, wetsvoorstel) Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om regels te stellen over het weigeren van toegang ingeval de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde. Wij zullen hiertoe over te gaan en daarbij de bestaande regels tot uitgangspunt nemen. Dat betekent dat de toegang tot Nederland wordt geweigerd omdat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde oplevert, indien er ten aanzien van de vreemdeling concrete aanwijzingen zijn dat deze een inbreuk op de publieke rechtsorde heeft gepleegd of zal plegen, of dat de vreemdeling in het opsporingsregister of Schengen Informatie Systeem ter fine van weigering staat gesignaleerd. Deze regels zijn thans opgenomen in de Vreemdelingencirculaire (A3/2.2.1) en de Grensbewakingscirculaire (A4/6). Middelen van bestaan (artikel 3, eerste lid, onder c, wetsvoorstel) Het wetsvoorstel biedt eveneens de mogelijkheid om regels te stellen over het vereiste dat de vreemdeling moet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Deze zijn thans neergelegd in de Grensbewakingscirculaire (A3/2.2.1). Wij zullen in het nieuwe besluit elementen opnemen aan de hand waarvan kan worden bepaald of er voldoende middelen van bestaan zijn. Verder zullen wij enkele regels opnemen over het stellen van zekerheid in de vorm van het deponeren van een passagebiljet of een waarborgsom. Nadere voorwaarden (artikel
3, eerste lid, onder d, wetsvoorstel) Tot slot biedt het wetsvoorstel in artikel 3 de mogelijkheid om nadere voorwaarden te stellen in het kader van de toegangsverlening. Wij denken hierbij aan de in artikel
23 van het huidige besluit opgenomen verplichting dat de vreemdeling inlichtingen verstrekt en zonodig documenten overlegt over het doel en duur van het verblijf. Dit artikel 23 van het huidige besluit is een uitwerking van de overeenkomst van Schengen. Onder het nieuwe besluit moet deze bepaling worden vertaald naar een toegangsvoorwaarde. Bijzondere regels voor toegang, voortvloeiende uit de Beneluxovereenkomst en de overeenkomst van Schengen. De zogenaamde toegangsfaciliteiten op luchthavens en zeehavens voor passagiers en bemanningsleden, zoals die in de artikelen 17 en 18 VV zijn neergelegd blijven gehandhaafd. Wel worden zij vertaald naar de nieuwe systematiek van het wetsvoorstel. Deze regels betreffen met name toegang tot het Beneluxgrondgebied voor korte duur, indien niet over de vereiste visa wordt beschikt.

Weigering toegang asielzoekers (artikel 3, derde lid, wetsvoorstel)

De in artikel 43 van het huidige besluit neergelegde waarborg voor de vreemdeling, dat hij niet wordt uitgezet terwijl hij asiel wenst, zal in het nieuwe besluit worden overgenomen. In het wetsvoorstel is in artikel 3 voorzien in de verplichting tot het vragen van een bijzondere aanwijzing als een vreemdeling te kennen geeft dat hij asiel wenst. Als extra waarborg zal in het Vb worden bepaald dat deze vreemdeling onmiddellijk door een met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen belaste ambtenaar op de hoogte wordt gesteld van de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 26 van het wetsvoorstel.

Afschriftverplichting vervoerders (artikel 4 wetsvoorstel)

In het nieuwe Vreemdelingenbesluit wordt, op grond van artikel 4, derde lid, van het wetsvoorstel de afschriftplicht van vervoerders nader geregeld. De bestaande uitwerking van deze verplichting blijkt in de praktijk niet goed te werken. Om die reden zal in het nieuwe besluit een andere systematiek voorgesteld worden.

Bepaald wordt dat de vervoerder, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het wetsvoorstel het op de vreemdeling betrekking hebbende geldige document voor grensoverschrijding moet kunnen overleggen indien hij de vreemdeling rechtstreeks dan wel na transfer of transit naar Nederland vervoert vanaf een luchthaven die is aangewezen bij regeling van Onze Minister. De bijlage waarin de aangewezen luchthavens zijn opgenomen bij het huidige Voorschrift Vreemdelingen (bijlage 8b) blijft gehandhaafd. Wat wijzigt is, dat de koppeling van de afschriftplicht met het verstrekken van bemanningen- en passagierslijsten wordt losgelaten (vgl. de huidige artikelen 32a en 28 Vb). (Dat betekent overigens niet dat de verplichting om bemannings- en passagierslijsten te verstrekken zal vervallen; deze blijven bestaan).

Verder zullen dezelfde eisen worden gesteld aan het afschrift van het document, o.a. welke relevante gegevens het afschrift moet bevatten en de wijze van overdracht aan de ambtenaar belast met grensbewaking (vgl. huidig artikel 9c VV) .

Grenslogies (artikel 6, derde lid, wetsvoorstel)

Het Reglement regime grenslogies dat is gebaseerd op artikel 6, derde lid, is nu neergelegd in een afzonderlijke algemene maatregel van bestuur. Dit blijft een apart besluit en zal niet worden opgenomen in het nieuwe Vreemdelingenbesluit.

Hoofdstuk 3: Verblijf

Afdeling 1: rechtmatig verblijf

Artikel 8 van het wetsvoorstel ziet op het rechtmatig verblijf. Dit artikel behoeft slechts op twee punten nadere uitwerking in deze afdeling van het besluit omdat dit artikel voor een belangrijk deel reeds in het wetsvoorstel zelf en in andere onderdelen van het besluit wordt uitgewerkt. In onderhavige afdeling zullen slechts nadere regels worden gesteld als bedoeld in artikel 8, onder f en g, van het wetsvoorstel over het achterwege blijven van de uitzetting hangende een procedure over de aanvraag tot verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning. Conform het huidige beleid in de Vreemdelingencirculaire (A6/4.2.1) zal in het Vb als hoofdregel worden bepaald dat de uitzetting van een vreemdeling tijdens de behandeling van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning achterwege blijft. Met andere woorden: hij mag de beslissing in Nederland afwachten en verblijft dientengevolge rechtmatig in de zin van artikel 8, onder f, van het wetsvoorstel in Nederland. Eenzelfde regel geldt ten aanzien van de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de vergunning of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Deze bepaling kan ten opzichte van artikel 79 van het huidige Vb worden vereenvoudigd. Dit artikel bepaalt dat de uitzetting alleen achterwege blijft indien de aanvraag vier weken voor afloop van de vergunning is ingediend. Deze termijn is bedoeld om de IND in staat te stellen binnen vier weken op die aanvraag te beslissen, zodat een aaneengesloten verblijfsrecht ontstaat. Onder het wetsvoorstel kan dat eenvoudiger worden bereikt, namelijk door te bepalen dat uitzetting achterwege blijft indien de aanvraag tijdig, dus voor afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is ingediend. Uit artikel 8, onder g, van het wetsvoorstel volgt dan dat de vreemdeling rechtmatig verblijft, hetgeen weer tot gevolg heeft dat rechten en voorzieningen doorlopen. Op deze regel zullen uitzonderingen worden opgenomen voor herhaalde aanvragen en indien de Minister van Justitie dit nodig acht in het belang van de openbare orde, nationale veiligheid of veiligstelling van de uitzetting. Ingevolge artikel 9 van het wetsvoorstel zullen de bescheiden waaruit het rechtmatig verblijf blijkt bij ministeriële regeling worden aangewezen. Derhalve behoeft ook dit artikel geen nadere regeling in het besluit. Artikel 10 behoeft evenmin nadere regeling. Aan artikel 11, derde lid, van het wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven in hoofdstuk 8, afdeling 3, van het Vreemdelingenbesluit. Verder zal ingevolge artikel 12, tweede lid, van het wetsvoorstel in deze afdeling de duur van de vrije termijn worden neergelegd. Daarbij geldt artikel 46 van het huidige Vb als uitgangspunt. Ingevolge het gemeenschapsrecht geldt echter een termijn van zes maanden; deze termijn zullen wij, in afwijking van artikel 46 van het huidige besluit in het nieuwe besluit opnemen. Dat komt de inzichtelijkheid ten goede. Tenslotte zal in deze afdeling worden opgenomen dat op de vrije termijn en daarvoor geldende voorwaarden van middelen van bestaan en openbare orde de bepalingen ter zake van hoofdstuk 2 over toegang van overeenkomstige toepassing zijn.

Afdeling 2: de verblijfsvergunning regulier

Paragraaf 1: de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (artikel 13, eerste lid, wetsvoorstel)

Op grond van de artikelen 13, tweede en derde lid, 14, tweede lid, 15, eerste lid, onder g, 16, tweede lid, van het wetsvoorstel kunnen in een aantal paragrafen de artikelen 13 tot en met 17 van het wetsvoorstel met betrekking tot de vergunning voor bepaalde tijd nader worden uitgewerkt. Uitgangspunt zijn de bestaande beleidsregels die in de Vc zijn neergelegd.

In paragraaf 1 zal het mandaat aan de korpschef worden neergelegd. Daarbij wordt de bestaande verdeling, zoals neergelegd in de artikelen 19 tot en met
22 van het VV, tot uitgangspunt genomen.

Paragraaf 2: de beperkingen en voorschriften (artikel 13, tweede lid, wetsvoorstel)

beperkingen Ingevolge artikel 13, tweede lid, van het wetsvoorstel wordt de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd steeds onder een beperking verleend. Wij overwegen om in het nieuwe Vreemdelingenbesluit de bestaande beperkingen waaronder het verblijf kan worden toegestaan op te nemen. Artikel 13, tweede lid, laatste volzin biedt daartoe de grondslag. Daarbij denken wij aan de volgende beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor verblijf wordt gevraagd: a. gezinshereniging of gezinsvorming; b. het verrichten van arbeid in loondienst, c. het verrichten van arbeid als zelfstandi-ge; d. het ondergaan van medische behandeling; e. het volgen van studie; f. verblijf in het kader van uitwisseling; g. verblijf als au pair; h. tijdsverloop asiel; i. de vervolging van artikel 250a Sr.; j. wedertoelating; k. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling; l. verblijf als niet-geprivilegieerd NAVO-vreemdeling; m. adoptief- en pleegkinderen; n. familiebezoek; en

o. voortgezet verblijf. Deze beperkingen zijn thans voor een belangrijk deel uitgewerkt in de verschillende hoofdstukken van deel B van de Vreemdelingencirculaire. Voor alle duidelijkheid; hier gaat het niet om de letterlijke omschrijving va de beperking die op de verblijfsvergunning zal worden aangetekend, maar om een omschrijving van de gevallen waarin een verblijfvergunning kan worden verleend. Op de vergunning zelf kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de vergunning wordt verleend voor het verblijf bij gezinslid x (hetgeen een beperking is die verband houdt met gezinshereniging of gezinsvorming). Bovengenoemde opsomming is niet definitief. De opsomming zal ook niet limitatief worden; een bevoegdheid om andere beperkingen aan de reguliere verblijfsvergunning te verbinden kan in de praktijk niet worden gemist, gelet op het uitgangspunt van de wet dat er steeds een beperking aan de verblijfsvergunning wordt verbonden. Mede gelet op artikel 19 van het wetsvoorstel, zullen wij in het Vb nader bepalen welke van de hierboven genoemde beperkingen van tijdelijke en niet-tijdelijke aard zijn. Overeenkomstig artikel 31 van het huidige VV, zal worden bepaald dat bij de verlening van de vergunning wordt aangegeven of het -de vreemdeling is toege-staan arbeid te verrichten en in welke gevallen op het document de aantekening "beroep op de openbare kas kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht" wordt geplaatst. voorschriften Ingevolge artikel 13, tweede lid, van het wetsvoorstel kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is al aangegeven dat daarbij aan het voorhanden zij van een voldoende verzekering tegen ziektekosten wordt gedacht (MvT, p. 25-26).

Paragraaf 3: geldigheidsduur verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

Ingevolge artikel 13, derde lid, van het wetsvoorstel kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren worden verleend. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de geldigheidsduur.

Overeenkomstig het huidige beleid, zal in het nieuwe Vreemdelingenbesluit als hoofdregel worden neergelegd dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ten hoogste een jaar bedraagt en met telkenmale ten hoogste een jaar kan worden verlengd. Daarbij zal tevens worden bepaald in welke gevallen, in afwijking van de hoofdregel, de vergunning voor langer dan 1 jaar kan worden verleend. Hierin kan het nieuwe besluit afwijken ten opzichte van het bestaande beleid. In de nota naar aanleiding van het verslag (p. 106) zijn de volgende gevallen opgenomen:

voor het verrichten van arbeid in loondienst: de vergunning kan worden verleend voor een duur, die ten hoogste ge-lijk is aan de geldig-heids-duur van de tewerk-stel-lingsver-gun-ning in de zin van de Wet arbeid vreemde-lingen;

na vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel m van de Wet: de vergunning kan met een geldigheidsduur van vijf jaar worden verlengd, tenzij het tijdelijke doelen betreft (vgl. artikel 24 huidig VV).

voortgezet verblijf na gezinshereniging of -vorming: als voortgezet verblijf wordt toegestaan kan de vergunning voor langere duur worden verleend.

Thans wordt bezien of er ook nog andere gevallen kunnen worden aangewezen. Daarbij kan worden gedacht aan verblijf in verband met wedertoelating en op grond van relevant tijdsverloop.

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zal, net als thans bepaald is in artikel 24, derde lid, VV in alle gevallen ten minste één maand korter zijn dan de termijn gedurende welke de vreemdeling op grond van een geldig document voor grensoverschrijding kan terugkeren naar het land door welks autoriteiten het is afgegeven. Deze bepaling geldt niet indien bij de verlening van de vergunning is voorbijgegaan aan het vereiste bezit van een geldig document voor grensoverschrijding.

Paragraaf 4: algemene afwijzingsgronden voor verlening (artikel 14 en
15 wetsvoorstel)
Naast het omschrijven van de beperkingen, zullen wij de afwijzingsgronden van de artikelen 14 en 15 van het wetsvoorstel op hoofdlijnen in het nieuwe Vreemdelingenbesluit uitwerken.
Artikel 14, eerste lid, onder b: paspoortvereiste

Zoals ook aangekondigd in de nota naar aanleiding van het verslag (p. 110) zal, overeenkomstig artikel 28 van het huidige VV, in het nieuwe Vreemdelingenbesluit worden bepaald dat vrijstelling mogelijk is indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aange-toond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onder-daan is niet of niet meer in het bezit is van een geldig docu-ment voor grens-over-schrij-ding.

Artikel 14, eerste lid, onder c: middelenvereiste

De huidige regels over het middelenvereiste zijn opgenomen in de Vreemdelingencirculaire (A4/4.2 en in de verschillende hoofdstukken van deel B van de Vc). In het nieuwe Vb zullen de bestanddelen van deze middeleneis
-voldoende, duurzaam en zelfstandig- worden uitgewerkt. Verder zal worden voorzien in een beperkt aantal vrijstellingen. Bij de bijzondere voorwaarden die verband houden met het verblijfsdoel zullen voor zover nodig aanvullende en afwijkende regels worden gesteld.

Zodra de nota over de positie van vrouwen in het vreemdelingenrecht is uitgebracht, zullen de daarin vervatte voorstellen in het nieuwe Vreemdelingenbesluit worden opgenomen.

Artikel 14, eerste lid, onder d: openbare orde

De bestaande uitwerking van deze weigeringsgrond voor de verlening van een vergunning tot verblijf zoals thans neergelegd in hoofdstuk A4/4.3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire zal zoveel mogelijk worden neergelegd in het Vreemdelingenbesluit (vgl. Nota verslag p.'s 23 en 24 en 111).

Artikel 14, eerste lid, onder e: medisch onderzoek

De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor be-paalde tijd, bedoeld in artikel 13 van het wetsvoorstel, wordt af-ge-we-zen, indien de vreemdeling niet bereid is een onder-zoek naar of behan-deling voor
-tu-ber-cu-lose aan de ademha-lings-or-ga-nen te on-der-gaan -of indien hij daaraan niet mee-werkt. Bij ministeriele regeling worden de na-tio-na-li-teiten aangewezen voor wie deze bepaling kan gelden. Deze regels zijn thans neergelegd in hoofdstuk A4/6.12.2 van de Vc.
Artikel 14, eerste lid, onder g: vreemdeling voldoet niet aan de beperking

Een beperking bestaat in de praktijk uit het verblijfsdoel en een aantal bijzondere voorwaarden. Wij zijn voornemens om de verblijfsdoelen en bijzondere voorwaarden die in de praktijk voldoende uitgekristalliseerd zijn, nader uit te werken in het nieuwe Vreemdelingenbesluit. Het gevolg daarvan zal zijn, dat uit het besluit blijkt of de vreemdeling voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt.

De beperkingen en bijzondere voorwaarden zijn thans in de Vreemdelingencirculaire neergelegd. De voorschriften uit deze circulaire zullen derhalve van beleidsregel worden omgezet in avv's.

Het uitgangspunt zal zijn dat de bestaande voorwaarden in de Vc zoveel mogelijk blijven gehandhaafd.

Artikel 15, onder g, jo artikel 14, eerste lid, onder a: mvv-vereiste

In artikel 15, onder g , van het wetsvoorstel is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur andere categorieën vreemdelingen kunnen worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Deze zullen worden opgenomen in het Vreemdelingenbesluit. Artikel 52a van het huidige Vb, dat nog gewijzigd zal worden zoals aangekondigd in de brief van 31 januari jl. aan de Tweede Kamer, zal daarvoor als basis dienen.

Paragraaf 4 en 5: Afwijzingsgronden voor verlenging en intrekkingsgronden (artikelen 16 en 17 wetsvoorstel)

Voor een belangrijk deel komen deze afwijzingsgronden overeen met de algemene afwijzingsgronden voor verlening zoals hiervoor uiteengezet. Op de volgende onderdelen zal op grond van artikel 16, tweede lid, van het wetsvoorstel, een nadere uitwerking in het nieuwe Vreemdelingenbesluit kunnen worden opgenomen:

Artikel 16, eerste lid, onder a: hoofdverblijf

Deels nieuw ten opzichte van de huidige regelgeving is, dat in het nieuwe Vreemdelingenbesluit kan worden bepaald onder welke omstandigheden vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland kan worden aangenomen. Daarbij denken wij aan de vreemdeling die uit Nederland is vertrokken met gebruikmaking van een remigratieregeling en de vreemdeling die gedurende een ononderbroken tijdvak van meer dan negen maanden buiten Neder-land heeft verbleven. Deze bepalingen komen in de bestaande regelgeving niet voor: de remigratieregeling is nieuw ten opzichte van de bestaande regelgeving gelet op de recente inwerkingtreding van de Remigratiewet; de negen maanden termijn is thans neergelegd in hoofdstuk A4/7 van de Vc voor de huidige vergunning tot vestiging.

Artikel 16, eerste lid, onder c: onjuiste gegevens

Nieuw ten opzichte van de huidige regelgeving is, dat in het Vreemdelingenbesluit kan worden bepaald dat het tegenwerpen van onjuiste gegevens in de tijd is begrensd. Dergelijke gegevens zullen niet meer worden tegengeworpen als inmiddels sedert het verstrekken een periode van twaalf jaar is verstreken. Hetzelfde geldt indien de vreemdeling gegevens niet heeft verstrekt waarvan hij had kunnen of moeten weten dat hij ze diende te verstrekken.

Artikel 16, eerste lid, onder e: openbare orde

Hoofdstuk A4/4.3.2.2. van de huidige Vc zal tot uitgangspunt worden genomen voor de regeling van de verblijfsbeëindiging op grond van openbare orde. Onder verblijfsbeëindiging verstaan wij: het intrekken van een vergunning of het afwijzen van een aanvraag tot verlenging. In die gevallen wordt aan de zogenaamde glijdende schaal getoetst. Deze glijdende schaal wordt in het Vreemdelingenbesluit opgenomen.

Overeenkomstig het huidige beleid wordt deze glijdende schaal niet gehanteerd indien een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voorligt (vgl. nota nav verslag, p. 23 ev).

Paragraaf 6: de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

In deze paragraaf zullen op grond van artikel 19, vierde lid, en artikel 20, tweede lid, van het wetsvoorstel nadere regels worden gesteld over de bevoegdheidsverdeling tussen de Minister van Justitie en de korpschef inzake de verlening en intrekking van deze verblijfsvergunning. De bestaande bevoegdheidsverdeling zoals neergelegd in het Voorschrift Vreemdelingen (artikel 22a) zal daarbij als uitgangspunt dienen.

Verder gaan wij na of nadere regels kunnen worden gesteld over de categorieën vreemdelingen die in aanmerking komen voor deze vergunning. Op grond van het bestaande beleid wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ook verleend aan remigranten, terugkeeroptanten, tweede generatie-migranten en aan ex-geprivilegieerde vreemdelingen. Ingevolge artikel 19 van het wetsvoorstel zal de vergunning niet meer worden verleend aan vreemdelingen die voor een tijdelijk doel in Nederland zijn toegelaten.

Paragraaf 7: procedurele bepalingen

In deze paragraaf zullen op grond van artikel 22 van het wetsvoorstel de bestaande regels met betrekking tot wijze van indiening van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning, het overleggen van relevante gegevens en bescheiden en de wijze van bekendmaking van de beschikking worden opgenomen (vgl. huidige artikelen 52 Vb en verder). In het voorschrift zullen de legesbedragen worden opgenomen (vgl. huidige artikel 29a VV).

Verder zullen regels worden gesteld over de bevoegdheid tot het verlengen van de beslistermijn op grond van artikel 23, tweede lid, van het wetsvoorstel. Als hoofdregel zal de korpschef die bevoegd is de aanvraag in te willigen of af te wijzen, tevens bevoegd zijn om de termijn voor het geven van de beschikking met toepassing van artikel
23, tweede lid, van het wetsvoorstel te verlengen, tenzij Onze Minister die bevoegdheid aan zich heeft gehouden.
Afdeling 3:
de verblijfsvergunning asiel

Paragraaf 1: de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

In deze paragraaf worden enige bepalingen opgenomen op grond van artikel 26, tweede lid, van de Wet over de geldigheidsduur van de vergunning. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag (p. 125, midden) is aangegeven, zal de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel in beginsel steeds voor drie jaar worden verleend. Dit zal in het Vb worden neergelegd.

Tevens zal in deze afdeling worden geregeld in welke gevallen de korpschef bevoegd is een aanvraag tot verlenging af te doen. Het gaat daarbij om een krachtens mandaat uitgeoefende bevoegdheid van de korpschef.

In deze paragraaf zullen enige inhoudelijke bepalingen worden opgenomen over de toepassing van artikel 27 van het wetsvoorstel, voor zover het niet gaat om de toepassing van internationale verdragen. Dat laatste zou immers weinig zinvol zijn, omdat de betreffende verdragsbepalingen altijd boven het Vb gaan en het parafraseren van verdragen in lagere regelgeving risicovol is. De toepassing van verdragen zal, net als nu, in de Vc geregeld blijven. In het Vb zal alleen uitwerking gegeven worden aan beleid dat puur nationaal bepaald is, zoals het traumata-beleid. Dit beleid is thans uitsluitend in beleidsregels neergelegd. Wij zijn voornemens om in het Vb de algemene voorwaarden op te nemen waaraan moet zijn voldaan voordat op die grond de verblijfsvergunning kan worden verleend; de concrete uitwerking blijft in beleidsregels opgenomen.

In het Vb zal ook de afwijzings- en intrekkingsgrond openbare orde worden uitgewerkt. Daarbij is het bestaande beleid uitgangspunt. In het Vb zal, overeenkomstig het huidige beleid, worden ingegaan op de gevolgen van de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag voor de andere gronden van artikel 27 en voor de gezinsleden van de vluchteling.

De in de vvtv-indicatorenbrief neergelegde indicatoren worden tot uitgangspunt genomen voor de regeling van die indicatoren in het nieuwe besluit op grond van artikel 27, tweede lid, van het wetsvoorstel. Het gaat om de indicatoren, die zullen worden betrokken in de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder d, van het wetsvoorstel. Wij denken aan indicatoren zoals de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld. Verder denken wij aan activiteiten van internationale organisaties in het land van herkomst indien en voorzover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst en het beleid in de andere landen van de Europese Unie

Paragraaf 2 de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

In deze paragraaf zullen, op grond van artikel 33, tweede lid, van het wetsvoorstel regels worden opgenomen omtrent de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wegens openbare orde. Uit artikel
32 juncto artikel 30 van het wetsvoorstel volgt dat er ook regels gesteld kunnen worden over het afwijzen van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd omdat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde. Daarbij zal, net als thans het geval is, worden aangesloten bij de regels voor het reguliere openbare orde beleid.
Paragraaf 3: procedurele bepalingen

In deze paragraaf worden, op grond van artikel 35 van het wetsvoorstel, bepalingen opgenomen over het indienen en behandelen van de aanvraag, het onderzoek naar die aanvraag, de gegevens die daarbij verstrekt moeten worden en de bekendmaking van beschikkingen De bepalingen uit het huidige Vreemdelingenbesluit worden in het nieuwe besluit overgenomen. Zo blijft uitgangspunt dat de vreemdeling aan een eerste gehoor wordt onderworpen (vgl. artikel 52c huidige Vreemdelingenbesluit en artikel 28 huidig Voorschrift Vreemdelingen) en pas na zes dagen aan een nader gehoor (vgl. artikel 52c van het huidige Vreemdelingenbesluit). De uitzondering die thans in artikel 52e van het huidige Vreemdelingenbesluit is voorzien voor de AC-procedure blijft gehandhaafd.

De AC-procedure zal, net als thans het geval is, niet in het Vreemdelingenbesluit worden geregeld (nota nav verslag, p.'s 16 en 17).

Voornemenprocedure (artikelen 37 en 39 van het wetsvoorstel)

Nieuw ten opzichte van het huidige besluit zijn de bepalingen inzake de voornemenprocedure. In paragraaf 3 zal, op grond van de artikelen 37, derde lid, van het wetsvoorstel de voornemenprocedure worden uitgewerkt. Een dergelijke procedure ontbreekt onder de huidige wet. In de nota naar aanleiding van het verslag (p.'s 55 en verder) hebben wij uitvoerig toegelicht welke procedure ons voor ogen staat. Daarbij hebben wij aangegeven dat er verschillende situaties te onderscheiden zijn. Wij denken thans aan afzonderlijke artikelen voor de voornemenprocedure:


- over de afwijzing van de aanvraag binnen 48 procesuren (de AC-procedure),

- ingeval een zogenaamde Dublinclaim wordt gelegd,

- ingeval de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen,

- over de afwijzing van de eerste aanvraag buiten de hiervoor genoemde gevallen (de huidige OC-procedure),


- over de afwijzing van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning - - over de intrekking van de verblijfsvergunning.

Ook zullen wij een artikel opnemen over de procedure die gevolgd wordt indien de ACV wordt gehoord.

De reden om verschillende situaties te onderscheiden is dat er verschillende termijnen worden gekozen: van de termijn die (conform de huidige TBV terzake) in de AC-procedure geldt voor de reactie op het rapport van het nader gehoor, tot vier weken in de OC-procedure, en zes weken ingeval van de voorgenomen intrekking van de verblijfsvergunning. De verschillende ontwerp-teksten zijn als bijlage bij deze notitie gevoegd.

Enkele opmerking voorafgaand aan de toelichting op de verschillende situaties.

In het algemeen zal een voornemen worden uitgereikt of worden toegezonden. In het AC en tijdens de bewaring zal alleen uitreiking aan de vreemdeling worden voorgeschreven.

Uit artikel 2:6 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat zowel het voornemen als de zienswijze in beginsel in het Nederlands worden gegeven. Een afzonderlijke bepaling in het Vreemdelingbesluit is niet nodig.

Uit het wetsvoorstel volgt dat in het voornemen ingegaan wordt op alle relevante gronden waarop het voornemen is gebaseerd, zodat de vreemdeling weet waarop hij zijn zienswijze kan baseren. Een uitdrukkelijke bepaling zou weinig toevoegen.

Hoewel het belang van een dossier waarin de standpunten van beide partijen zijn neergelegd evident is, moet ook de voortgang van de procedure worden gewaarborgd. Een beslissing dient immers binnen zes maanden gegeven te worden (voor de AC-procedure geldt een kortere termijn). Omwille van die voortgang betekent overschrijding van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze kan geven, dat het bestuursorgaan voortgaat met de besluitvorming. Geredeneerd vanuit helderheid en eenvoud van de procedure, bestaat er geen recht op het meenemen van te laat ingediende zienswijzen. Daarop wordt een uitzondering gemaakt in het geval waarin de termijnoverschrijding verschoonbaar is en de beschikking nog niet is genomen. In de toelichting op de verschillende artikelen zal worden verduidelijkt, dat het enkele ontbreken van de zienswijze niet tot vernietiging van de beschikking kan leiden. Dit naar analogie met artikel
6:11 Awb.

Indien de zienswijze van de vreemdeling aanleiding vormt voor nader onderzoek door de Minister van Justitie, dan wel anderszins na uitreiking van het voornemen nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden, kan de vraag opkomen of de vreemdeling in de gelegenheid gesteld moet worden zich hier over uit te laten. Hiervoor kan worden aangesloten bij de praktijk inzake het opnieuw horen nadat de vreemdeling reeds op zijn bezwaarschrift is gehoord en naar aanleiding daarvan nader onderzoek heeft plaatsgevonden. De vreemdeling wordt alleen dan opnieuw gehoord, indien na het horen feiten en omstandigheden bekend worden die voor de beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang kunnen zijn (artikel 7:9 van de Awb). In het Vreemdelingenbesluit zal een analoge bepaling worden opgenomen, waarbij evenmin als in de Awb, een termijn zal worden gesteld waarbinnen de vreemdeling kan reageren. Gegeven de tijd die met het nader onderzoek zal zijn gemoeid, zal deze situatie zal zich meestal in het OC voordoen.

De verschillende voornemenprocedures lichten wij hieronder kort toe, waarbij wij beginnen met de kortste termijn voor het geven van de zienswijze. Achtereenvolgens komen aan de orde: de voornemenprocedure in het AC (conform de huidige TBV terzake), de voornemenprocedure in Dublinzaken (de termijn die conform de TBV terzake geldt indien uitreiking in het AC, drie dagen indien uitreiking na AC), voornemenprocedure tijdens bewaring (twee weken), voornemen in OC (twee weken), voornemen bij intrekking of afwijzing aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zes weken). Tot slot wordt de rol van de ACV in de voornemenprocedure toegelicht.

Voornemenprocedure in het AC

Voor de bepaling van de termijn waarbinnen de vreemdeling, wiens aanvraag in het AC zal worden afgewezen, zijn zienswijze naar voren kan brengen, zal worden aangesloten bij de termijn binnen welke de vreemdeling thans ingevolge TBV 1999, 21 kan reageren op het rapport van het nader gehoor. In bedoelde TBV is thans de AC-procedure geregeld; deze TBV blijft uitgangspunt voor de termijnen waarbinnen de voornemenprocedure die in het AC gevolgd wordt afgerond zou moeten worden. Binnenkort wordt een pilot opgestart waarmee wordt bezien hoe de voornemenprocedure in de huidige opzet van de AC-procedure kan worden ingepast, uitgaande van bedoelde TBV. De uitkomsten van deze pilot zullen tijdig beschikbaar zijn om in het nieuwe Vreemdelingenbesluit verwerkt te kunnen worden.

Het moment waarop de termijn voor het uitbrengen van zijn zienswijze voor de vreemdeling aanvangt kan niet in het besluit worden geregeld. In de huidige praktijk, zoals neergelegd in TBV 1999/21, is daarvoor ook geen dwingend moment voorgeschreven. Uit de ervaring met de AC-procedure blijkt dat tot op zekere hoogte ruimte dient te bestaan voor een flexibele invulling van de 48 procesuren. Zo is het niet te voorkomen dat tijd verloren gaat met bijvoorbeeld het regelen van en wachten op een tolk, alvorens daadwerkelijk met de te verrichten werkzaamheden een aanvang kan worden gemaakt. Het moment waarop de termijn voor het geven van de zienswijze aanvangt zal dus, overeenkomstig de huidige praktijk, flexibel ingevuld worden. Dat betekent ook dat, voorzover de AC-procedure langer duurt dan 48 proces-uren omdat de vreemdeling meer tijd benut met rechtsbijstand dan de termijn van drie uren die daarvoor formeel beschikbaar is, conform de TBV, geen doorverwijzing naar een OC plaatsvindt louter op grond van de overschrijding (door rechtsbijstand) van de proceduretijd. Omwille van de rechtszekerheid zal worden voorgeschreven dat het tijdstip van uitreiking en derhalve van aanvang van de termijn op het voornemen wordt aangetekend.

Het voornemen zal in het AC steeds aan de vreemdeling worden uitgereikt; toezending is niet aan de orde.

Voornemenprocedure Dublin-claim

Voor de voornemenprocedure ingeval er een Dublin-claim wordt gelegd zal een afzonderlijk artikel worden opgenomen. Daarbij zullen twee termijnen worden gehanteerd: de termijn die ingevolgde de TBV terzake geldt voor de reactie op het rapport van het nader gehoor (indien de claim al in het AC wordt gelegd) of drie dagen (indien de claim later wordt gelegd).

Wanneer de claimmogelijkheid reeds in het AC, binnen 48 proces-uren, wordt onderkend, zal de claim ook daadwerkelijk in het AC worden gelegd. De vreemdeling zal dan in het AC terzake van de voorgenomen Dublin-claim gehoord worden. Voor een reactie op het Dublin-gehoor krijgt de vreemdeling in de huidige praktijk een termijn die is afgestemd op de AC-procedure. In het voorstel zal de vreemdeling, tegelijkertijd met het rapport van het Dublin-gehoor, het voornemen worden uitgereikt. In aansluiting op de huidige praktijk in het AC ingevolge de TBV bedraagt de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze naar voren kan brengen drie uren.

Het zal niet steeds mogelijk zijn reeds gedurende de AC-procedure tot de vaststelling te komen dat een Dublin-claim wordt gelegd. Wanneer een claim-mogelijkheid pas later in de procedure wordt onderkend, wordt de vreemdeling die reeds in de opvang verblijft, gehoord terzake van de voorgenomen Dublin-claim. Tenzij de vreemdeling tijdens het Dublin-gehoor omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag op zich neemt, wordt het voornemen waarin Onze Minister aan de vreemdeling kenbaar maakt een Dublin-claim te gaan leggen en voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen wanneer een claim-akkoord wordt ontvangen, samen met het rapport van het Dublin-gehoor, aan de vreemdeling uitgereikt. In aansluiting op de huidige praktijk bedraagt de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze naar voren brengt drie dagen. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt.

Het moment van uitreiken van het voornemen valt in het voorstel samen met het moment waarop het rapport van het Dublin-gehoor aan de vreemdeling wordt uitgereikt. Tijdens dit gehoor heeft de vreemdeling gelegenheid te reageren op de voorgenomen overdracht aan een ander Dublin-land. Indien er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag op zich neemt stelt Onze Minister vast dat een ander land om overname verzocht zal worden. Onze Minister reikt vervolgens het voornemen uit waarin hij aan de vreemdeling kenbaar maakt een ander land om overname te zullen verzoeken en voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen, tenzij het andere land het verzoek tot overname onverhoopt niet mocht aanvaarden.

Mocht geen claim-akkoord gegeven worden, dan zal de aanvraag inhoudelijk beoordeeld moeten worden en wordt verder de `gewone' voornemenprocedure in het OC gevolgd. Dit volgt uit het systeem van het Vreemdelingenbesluit en behoeft niet uitdrukkelijk geregeld te worden.

Voornemen tijdens bewaring

In de praktijk komt het voor dat een vreemdeling tijdens de vreemdelingenbewaring een aanvraag indient. Bewaring van een vreemdeling op grond van artikel 57, eerste lid, onder b, van het wetsvoorstel (de vreemdeling in procedure die rechtmatig verblijf heeft omdat hij een aanvraag heeft ingediend) mag in geen geval langer dan vier weken duren, aldus het vierde lid van genoemd artikel. Wij zijn voornemens deze termijn bij nota van wijziging te verlengen met twee weken, zijnde de twee weken waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze kan geven. Wanneer zodoende niet binnen zes weken een beslissing op de aanvraag tot stand is gekomen wordt de bewaring opgeheven. Voor een voornemenprocedure is derhalve aanzienlijk minder tijd beschikbaar dan ingeval de aanvraag in het OC zou worden afgedaan. Om die reden zal de termijn voor het geven van de zienswijze op twee weken worden gesteld. Het voornemen zal steeds worden uitgereikt, de termijn gaat lopen direct na de uitreiking. Dit komt overeen met de afdoening in het AC.

Voornemen niet-verlenen

Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 26 van het wetsvoorstel, niet in het AC wordt afgedaan, vindt doorzending naar het OC plaats. De termijn waarbinnen de vreemdeling zijn schriftelijke zienswijze naar voren kan brengen bedraagt vier weken. Deze termijn komt overeen met de termijn waarbinnen voorheen bezwaar kon worden gemaakt tegen de beschikking.

Anders dan bij de voornemenprocedure in het AC, kan voor de onderhavige voornemenprocedure aangesloten worden bij de bepalingen over het begin en einde van de beroepstermijnen uit de Awb. Hoofdstuk 6 Awb is als zodanig niet van toepassing omdat het bij de voornemenprocedure niet gaat om bezwaar of beroep. De voorschriften van dat hoofdstuk over het begin en einde van termijnen kunnen echter naar analogie worden toegepast op de voornemenprocedure. Het nieuwe Vreemdelingenbesluit zal daarin voorzien. De termijn begint te lopen de dag na uitreiking of verzending van het voornemen (vgl. artikel 6: 8 Awb) en eindigt vier weken later (vgl. artikel 6:9 Awb). De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is de zienswijze tijdig ingediend indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

In het nieuwe Vreemdelingenbesluit zal worden geregeld, dat met een te laat ontvangen zienswijze rekening wordt gehouden indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest. Deze regeling komt deels overeen met de regeling van de Awb ten aanzien van te laat ingediende bezwaar- of beroepschriften (vgl. artikel 6:11 Awb). De bestuursrechtelijke jurisprudentie over de vraag wanneer termijnoverschrijding verschoonbaar is, kan naar analogie worden toegepast op de termijn voor het geven van de zienswijze. De verschoonbaarheid is alleen relevant indien nog niet op de aanvraag is beslist. Indien reeds op de aanvraag is beslist, kan de rechter zo nodig met de zienswijze rekening houden bij de beoordeling van het beroep. De ex nunc-beoordeling van het beroep ingevolge artikel 81 van het wetsvoorstel laat hiertoe ruimte.

Voornemen bij intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning

In het nieuwe Vreemdelingenbesluit zal worden neergelegd, dat de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen zes weken bedraagt, indien de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zal worden afgewezen of de verblijfsvergunning zal worden ingetrokken.

Deze termijn waarborgt, dat de vreemdeling zijn zienswijze daadwerkelijk kan opstellen. De vreemdeling is al in het bezit van een verblijfsvergunning en zal derhalve geen contact meer hebben met een rechtshulpverlener. De vreemdeling zal dan ook eerst een rechtshulpverlener moeten benaderen alvorens hij kan reageren op de voorgenomen afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning of de intrekking ervan. Om die reden is een langere termijn dan bij afdoening in het OC redelijk. In de praktijk blijkt het vinden van een rechtshulpverlener enige tijd te kosten. In de situatie waarin de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal de vreemdeling veelal in de procedure reeds worden bijgestaan door een rechtshulpverlener, die reeds bekend is met het dossier. In geval van een intrekking van de verblijfsvergunning en van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is daarvan meestal geen sprake.

Afgezien van de termijn van zes weken in plaats van vier weken, zijn er geen bijzonderheden ten opzichte van de voornemenprocedure die gevolgd wordt ingeval de aanvraag tot het verlenen zal worden afgewezen.

Voornemenprocedure en ACV

Teneinde onduidelijkheid te vermijden over de vraag op welk moment de ACV wordt gehoord nadat de voornemenprocedure is gevolgd, zal in een afzonderlijk artikel worden neergelegd dat aan de ACV de voorgenomen beschikking en de daarop gegeven zienswijze worden voorgelegd. Dat betekent dat de commissie zelf kan adviseren over de gevolgen die aan de zienswijze kunnen worden verbonden. In welke gevallen de commissie wordt gehoord, wordt in hoofdstuk 2 van het nieuwe besluit geregeld.

Hoofdstuk 4: Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 1: grensbewaking

In deze afdeling zullen op grond van artikel 44, tweede lid, van het wetsvoorstel, vooral bestaande - technische- bepalingen uit het Vb en het VV over de grensbewaking worden opgenomen.

In de toelichting bij het besluit zal worden aangegeven wanneer er sprake is van grensbewaking: daarvan is sprake zolang er een relatie kan worden gelegd met het Nederland in- of uitreizen van personen.

Paragraaf 1: voorzieningen in het belang van de grensbewaking

Overeenkomstig artikel 21 van het huidige besluit en de artikelen 2 en
3 van het huidige VV, zullen in deze paragraaf het instellen van doorlaatposten geregeld en de bediening ervan worden geregeld. De delegatiegrondslag daarvoor is artikel 44, tweede lid, onder b, van het wetsvoorstel.

Paragraaf 2: algemene verplichtingen voor personen in het kader van de grensbewaking

Overeenkomstig artikel 22 van het huidige besluit zal in deze paragraaf de (algemene) verplichting voor personen om zich langs een doorlaatpost te begeven en op vordering de nodige inlichtingen te geven en de nodige documenten aan de ambtenaar belast met de grensbewaking te tonen worden geregeld. Deze verplichting, met de daarop te maken uitzonderingen, vloeit grotendeels voort uit de overeenkomst van Schengen.

In de paragrafen 3 tot en met 5 zijn de meer bijzondere verplichtingen opgenomen afhankelijk van binnenkomst over land, lucht of zee. Zodoende wordt de regelgeving beter gestructureerd.

Paragraaf 3: verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over land

Nu ingevolge de overeenkomst van Schengen er geen personencontrole aan de binnengrenzen meer wordt uitgeoefend, blijft deze paragraaf beperkt tot één artikel, waarin de verplichting van de bestuurder van een voertuig is opgenomen om uit eigen beweging kennis te geven van de aanwezigheid van een vermoedelijk illegale vreemdeling. Dit komt overeen met artikel 26, eerste lid, van het huidige besluit.

Paragraaf 4: verplichtingen met het oog op de grensbewaking bij binnenkomst over zee

Overeenkomstig de artikelen 26, tweede lid, 27 tot en met 32 van het huidige besluit en de artikelen 5 tot en met 9 van het huidige VV, worden in deze paragraaf de bestaande verplichtingen van gezagvoerders van schepen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om kennisgeving van aankomst en vertrek en het afgeven van bemanning- en passagierslijsten aan de ambtenaren belast met de grensbewaking.

Paragraaf 5: verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht

Naast de bestaande verplichting van de gezagvoerder van een luchtvaartuig om bemanning- en passagierslijsten te overhandigen (overeenkomstig huidige artikelen 32a Vb en 9a VV), bestaat er voorshands geen aanleiding nieuwe voorschriften op te nemen.

Afdeling 2: Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

In deze afdeling zullen eveneens bestaande voorschriften uit het Vb en het VV worden neergelegd, zij het dat uit het wetsvoorstel enige wijzigingen voortvloeien.

Daarbij gaat het om nadere regels op grond van artikel 48, zesde lid, van het wetsvoorstel, onder meer over het ophouden van de vreemdeling op de plaats van verhoor. Bijvoorbeeld dat de vreemdeling niet verder in zijn grondrechten wordt beperkt dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en veiligheid van die plaats.

Wij overwegen, ter uitwerking van artikel 49, derde lid, van het wetsvoorstel, in het nieuwe besluit te bepalen dat de in dat artikel bedoelde vordering wordt gedaan door tussenkomst van de luchtverkeersleiding. Een dergelijke bepaling ontbreekt in de huidige regelgeving.

Verder zal in deze afdeling, conform artikel 54 van het huidige Vb, worden bepaald aan welke vreemdelingen een verblijfsdocument worden verstrekt dat dient als document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. De modellen van deze verblijfsdocumenten zullen worden aangewezen in het Voorschrift Vreemdelingen (overeenkomstig bijlage 5 van huidige VV).

Tevens worden nadere regels gesteld over de afgifte en de verlenging van deze documenten door de korpschef en over de gevallen waarin het document kan worden ingenomen of daarin aantekening kunnen worden gesteld.

Afdeling 3: maatregelen van toezicht

Op grond van artikel 52 van het wetsvoorstel zullen in deze afdeling vooral bestaande voorschriften uit het Vb en het VV worden opgenomen.

Paragraaf 1: kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland.

In deze paragraaf zullen op grond van artikel 52, eerste lid, onder a, van het wetsvoorstel voorschriften worden gegeven omtrent de gevallen waarin, de termijn waarbinnen en de korpschef waarbij een kennisgeving moet worden gedaan (overeenkomstig huidig artikel 57 Vb).

Paragraaf 2: het verstrekken van gegevens

In deze paragraaf zullen op grond van artikel 52, eerste lid, onder b, van het wetsvoorstel, voorschriften worden gegeven over de gevallen waarin de vreemdeling uit eigen beweging of op vordering van de korpschef bepaalde gegevens moet overleggen in het kader van het toezicht op vreemdelingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de verplichting van de vreemdeling om de korpschef mee te delen, dat de vreemdeling in Nederland gaat werken of werk zoekt. Tevens zal in deze paragraaf de bestaande verplichting kunnen worden overgenomen voor de vreemdeling die niet rechtmatig verblijft om daarvan mededeling te doen aan de korpschef van de gemeente waar hij verblijft (overeenkomstig de huidige artikelen 58 tot en met 63 Vb en 33a en 34 VV). Paragraaf 3: medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie Net als onder het huidige Vb, zal de vreemdeling op grond van artikel 52, eerste lid, onder c, van het wetsvoorstel verplicht zijn, met het oog op zijn identificatie, op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een goedgelijkende pasfoto ter beschikking te stellen en, indien daartoe naar het oordeel van die ambtenaar in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, zich te laten fotograferen en vingerafdrukken van zich te laten nemen (vgl. de huidige artikelen 64 en 65 Vb).

Paragraaf 4: het verlenen van medewerking aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning;

In deze paragraaf zal, op advies van de Gezondheidsraad, de verplichting om een tuberculoseonderzoek te ondergaan worden opgenomen. Deze verplichting kan op grond van het voorgestelde artikel
52, eerste lid, onder d, van het wetsvoorstel, bij algemene maatregel van bestuur in het leven worden geroepen. In hoofdstuk A4/6.12.2.1 van de huidige Vc zijn al enige regels opgenomen.

De verplichting zal gelden voor de vreemdeling die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden. In het nieuwe VV zal worden voorzien in een vrijstelling voor onderdanen van de EG, Australië Canada, Finland, Israël Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Suriname, de VS, IJsland, Zweden en Zwitserland.

Paragraaf 5: aanmelding na binnenkomst in Nederland

Overeenkomstig de artikelen 66-70 van het huidige Vb en de artikelen
35-38 van het huidige VV, zal deze paragraaf als hoofdregel bevatten, de verplichting voor de vreemdeling om zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland te melden bij de korpschef. Grondslag daarvoor is artikel 52, eerste lid, onder e, van het wetsvoorstel.
De bestaande uitzonderingen, bijvoorbeeld die voor toeristen en EU/EER-onderdanen, blijven gehandhaafd. Uitzonderingen moeten ingevolge artikel 22, derde lid, van de overeenkomst van Schengen aan het Uitvoerend Comité ter kennis worden gebracht.

Paragraaf 6: periodieke aanmelding

Tot periodieke aanmelding bij de korpschef van de gemeente van verblijf is, behoudens door deze verleende ontheffing verplicht de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de feitelijke mogelijkheid tot uitzetting en de vreemdeling die rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder f, g of h, van het wetsvoorstel. Grondslag daarvoor is artikel 52, eerste lid, onder f, van het wetsvoorstel.

Overeenkomstig artikel 70 van het huidige Vb zal deze verplichting niet gelden voor de vreemdeling wiens vrijheid rechtens is ontnomen.

Paragraaf 7: documenten

Overeenkomstig artikel 56 van het huidige Vb wordt in deze paragraaf de verplichting opgenomen voor de vreemdeling wiens document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, om daarvan onmiddellijk in persoon aangifte te doen bij de korpschef der gemeente waar hij woon- is of verblijfplaats heeft. Grondslag is artikel 52, eerste lid, onder g, van het wetsvoorstel.

Daarnaast zijn wij voornemens om de situaties aan te wijzen waarin de vreemdeling verplicht is zijn document bij de korpschef in te leveren, bijvoorbeeld indien het rechtmatig verblijf is geëindigd.

Hoofdstuk 5: Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Paragraaf 1: vrijheidsbeperkende maatregelen

Conform het huidige artikel 71 Vb wordt in deze paragraaf bepaald dat de maatregel van beperking van vrijheid van beweging kan bestaan uit een verplichting om in Nederland in een bepaald gedeelte van het land te verblijven of een verbod om zich in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden. In spoedeisende gevallen kan de korpschef deze verplichting voor de duur van ten hoogste een week opleggen, in afwachting van de beslissing van Onze Minister. Grondslag is steeds artikel 54, eerste lid, van het wetsvoorstel.

Paragraaf 2: vrijheidsontnemende maatregelen

Overeenkomstig artikel 82 van het huidige Vb worden in deze paragraaf voorschriften gegeven die betrekking hebben op het opleggen en opheffen van vrijheidsbenemende maatregelen. Deze maatregelen kunnen slechts door een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is, worden opgelegd of opgeheven. Voordat de vreemdeling in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord, tenzij de vreemdeling reeds op een andere grond in bewaring gesteld is, of het voorafgaand gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht.

Ten aanzien van de omzetting van de bewaring wordt een nieuwe regeling getroffen Zoals ook aangekondigd op pagina 201 in de nota naar aanleiding van het verslag zal in het nieuwe Vb een voorziening worden getroffen voor de omzetting van de bewaring. Van omzetting of wijziging van de grond is in de meeste gevallen sprake indien de vreemdeling tijdens de bewaring een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning indient. Wij zijn voornemens om in het nieuwe Vb op te nemen dat wanneer de bewaring wordt voortgezet op een andere grond er wel een nieuw besluit tot inbewaringstelling genomen moet worden en dit besluit moet worden uitgereikt aan de vreemdeling maar dat de vreemdeling niet hoeft te worden gehoord (dus noch voorafgaand aan de omzetting, noch zo spoedig mogelijk na de omzetting). Reden daarvoor is dat het gehoor in de praktijk weinig toegevoegde waarde heeft. Bovendien ontstaat met de bekendmaking van het nieuwe besluit opnieuw een beroepsmogelijkheid voor de vreemdeling, terwijl de vervroegde periodieke rechterlijke toets al van toepassing is (artikelen 91 en verder van het wetsvoorstel).

Daarnaast zal wijziging van de grond waarop de vreemdeling in bewaring is gesteld niet tot opheffing van de bewaring moeten leiden. Dat zal tot uiting komen in het voorschrift dat de bewaring wordt opgeheven zodra er géén grond meer aanwezig is.

Overeenkomstig het huidige artikel 84 Vb, zal in het nieuwe Vb worden geregeld op welke plaats de bewaring ten uitvoer wordt gelegd. Dit kan zijn een politiebureau, een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 56, eerste lid, van het wetsvoorstel. Indien de tenuitvoerlegging van de bewaring een aanvang neemt op een politiebureau of in een cel van de Koninklijke marechaussee, wordt zodra dit redelijkerwijs mogelijk is, de tenuitvoerlegging voortgezet in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 56, eerste lid, van het wetsvoorstel.

Tevens zal, overeenkomstig artikel 85 van het huidige Vb, worden geregeld, dat gedurende de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel de vreemdeling voor korte duur naar elders kan worden gebracht, wanneer dit redelijkerwijs nodig is voor de toepassing van de Wet. Nieuw ten opzichte van het huidige besluit is de invulling van het begrip `voor korte duur'. Dit zal hooguit 48 uren kunnen zijn. Aan deze invulling blijkt in de praktijk behoefte te bestaan.

De hulpofficier van justitie die tot de bewaring heeft besloten is, overeenkomstig de huidige regelgeving terzake, bevoegd de kortstondige overbrenging te bevelen.

Ten slotte zal worden voorgeschreven dat de korpschef de minister tijdig vóór het verstrijken van de termijn van vier weken in kennis stelt van de bewaring van een vreemdeling, met het oog op de periodieke beoordeling door de rechter. Dit komt overeen met het huidige artikel 87 Vb.

Hoofdstuk 6: Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring

Afdeling 1: verhaal kosten van uitzetting

Het huidige artikel 88 van het Vb over de kosten van uitzetting van een vreemdeling welke op een vervoersonderneming kunnen worden verhaald zal op grond van artikel 64 van het wetsvoorstel worden overgenomen. De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of van andere openbare lichamen kunnen door de Staat, of door het andere openbare lichaam te welks laste zij zijn gekomen, worden verhaald op de vreemdeling en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen (overeenkomstig artikel 89 van het huidige Vb).

Afdeling 2: ongewenstverklaring

In deze afdeling zullen op grond van artikel 66 van het wetsvoorstel voorschriften worden opgenomen over de (aanvraag tot) opheffing van de ongewenstverklaring. Daarbij zal de huidige Vreemdelingencirculaire (A5/6.4) tot uitgangspunt worden genomen. Dit betekent dat de ongewenstverklaring naar aanleiding van geweldsdelicten of opiumdelicten zal worden opgeheven indien de vreemdeling sedert de ongewenstver-kla-ring en het vertrek uit Nederland een onon-derbro-ken pe-riode van tien jaar buiten Neder-land heeft ver-bleven. De ongewenstverklaring naar aan-leiding van an-dere misdrijven zal worden opgeheven indien de vreemdeling sedert de ongewenst-ver-klaring en het ver-trek uit Neder-land een ononderbroken periode van vijf jaar verblijf buiten Neder-land heeft verbleven.

Verder zullen nadere regels worden gesteld over de opheffing van de ongewenstverklaring op grond van op grond van artikel 65, onder a, van het wetsvoorstel.

Hoofdstuk 7: Rechtsmiddelen

In dit hoofdstuk zullen op grond van artikel 69, tweede lid, van het wetsvoorstel de nevenzittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag worden aangewezen. Daarbij worden de bestaande nevenzittingsplaatsen tot uitgangspunt genomen. Op de aanwijzing van Schiphol na, die thans ook als zittingsplaats is aangewezen, zal er geen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om een nevenzittingsplaats buiten de hoofdplaats van een arrondissement aan te wijzen. Vooralsnog zullen geen regels in het Vb worden opgenomen op grond van artikel 94 van het wetsvoorstel inzake het horen van vreemdelingen. Naar het zgn. tele-horen bij vreemdelingenbewaring vindt nog nader onderzoek plaats.

De nadere regels op grond van de artikelen 99 en 100 van het wetsvoorstel worden niet in het Vb opgenomen maar o.m. in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand.

Ingevolge de artikelen 67, tweede lid, en artikel 80, tweede lid, onder a, van het wetsvoorstel zal in dit hoofdstuk van het besluit een bepaling worden opgenomen, waarin het daar bedoelde aantal uren wordt bepaald. Het betreft de aanwijzing van de 48 proces-uren waarbinnen thans de AC-procedure kan worden afgerond.

Hoofdstuk 8: Algemene en strafbepalingen

Afdeling 1: gegevensverstrekkingen

De in deze afdeling op grond van artikel 104, vierde lid, van het wetsvoorstel op te nemen voorschriften worden overgenomen uit het huidige besluit (artikelen 90-90a Vb). Hoofdlijn daarvan is:

de korpschef verstrekt de gegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling die een bestuursorgaan nodig heeft voor de toekenning van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen. De basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen uit het vreemdelingenadministratiesysteem worden door de korpschef verstrekt via de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. De basisgegevens zijn de gegevens betreffende het verblijfsrecht van de vreemdeling, bedoeld in bijlage 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Een bestuursorgaan verstrekt Onze Minister of de korpschef desgevraagd de gegevens omtrent de toekenning of de beëindiging van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen aan een vreemdeling. Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit een aantekening blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat een beroep op publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht, verstrekt een bestuursorgaan uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.

Afdeling 2: afwijking op grond van verdragen

Ingevolge artikel 109 van het wetsvoorstel kunnen de huidige afwijkingen van de wet in het Vreemdelingenbesluit ten gunste van vreemdelingen op grond van verdragen worden gehandhaafd. In het bestaande Vreemdelingenbesluit zijn afwijkingen neergelegd voor Benelux- en EG/EER onderdanen, onderdanen van staten die partij zijn bij het Europees Vestigingsverdrag en voor staatlozen en vluchtelingen.

Het gemeenschapsrecht is thans volledig neergelegd in hoofdstuk B4 van de Vreemdelingencirculaire. Overwogen wordt om het materiele gemeenschapsrecht, dat wil zeggen de verwijzing naar verordeningen en richtlijnen waaraan gemeenschapsonderdanen het verblijfsrecht ontlenen op te nemen in het Vb.

Verder bestaat het voornemen om in het vreemdelingenbesluit ook de andere verdragen op te nemen op grond waarvan ten aanzien van vreemdelingen ten gunste worden afgeweken van de wet. Deze verdragen zijn op dit moment opgenomen in de Vreemdelingencirculaire.

Voor wat betreft de gemeenschapsonderdanen betreft het de volgende verordeningen en richtlijnen:

richtlijn 68/360 (werknemers)

richtlijn 73/148/EEG (zelfstandigen)

richtlijn 73/148/EEG (diensten)

richtlijn 93/96/EEG (studenten),

richtlijnen 90/364/EEG, richtlijn 90/365/EEG (economische niet actieven)

richtlijn 64/221/EEG (openbare orde)

EG-verordening 1251/70 en Richtlijn 75/34/EEG (voortgezet verblijf).

Voor andere vreemdelingen betreft het vooralsnog:

de associatie-akkoorden EG: de nationaliteiten worden opgenomen in het VV.

het associatiebesluit EG-Turkije: uitwerking van artikel 6 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije

het Europees Vestigingsverdrag (Trb. 1957, 20): thans neergelegd in het Vb (103).

Vluchtelingen en Staatlozen: thans neergelegd in 104, 105, 106 Vb.

Nederlands-Duits Vestigingsverdrag (Stb. 1906, 279) Nederland-Zwitsers Tractaat Nederland-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40) Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vesti-ging van wederzijdse onderdanen (Trb. 1975, 133 en 1977, 38). Europees Verdrag betreffende Sociale en Medische Bijstand (Trb. 1954, 200)

Afdeling 3: koppelingswet-artikelen

Hierin zullen de bestaande artikelen van hoofdstuk VIA Vb inzake de ontheffingen en vergunningen waarop het koppelingsbeginsel van toepassing is worden opgenomen.

Hoofdstuk 9: Overgangs- en slotbepalingen

Dit hoofdstuk kan pas worden ingevuld op het moment dat het vreemdelingenbesluit definitief wordt vastgesteld.

Bijlage bij hoofdlijnennotie Vreemdelingenbesluit

Voornemenprocedure

Artikel X (o.g.v. artikel 37, derde lid, Vw) (voornemenprocedure OC)


1. Het schriftelijke voornemen om de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 26 en 31 van de Wet, af te wijzen wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan.

De op de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van inhoud van deze stukken.


2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze binnen vier weken schriftelijk naar voren.


3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.

4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is de zienswijze tijdig ingediend indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.


5. De ontvangst van de schriftelijke zienswijze wordt door Onze Minister bevestigd.


6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet is genomen en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat een vreemdeling in verzuim is geweest


7. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het nemen van de beschikking niet in de weg.

Artikel X,.1 (o.g.v. artikel 37, derde lid, Vw) (voornemen weigering verlenging)


1. Het schriftelijke voornemen om de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 26 van de Wet, af te wijzen, wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan. De op de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van inhoud van deze stukken.

2. Artikel X, tweede tot en met zevende lid, is van toepassing, met dien verstande dat de vreemdeling zijn zienswijze binnen zes weken schriftelijk naar voren brengt.

Artikel X.2 (o.g.v. artikel 37, derde lid, Vw) (voornemen intrekking)


1. Het schriftelijke voornemen om de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 26 en 31 van de Wet, in te trekken, wordt aan de vreemdeling uitgereikt of toegezonden. De op de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van inhoud van deze stukken.


2. Artikel X, tweede tot en met zevende lid, is van toepassing, met dien verstande dat de vreemdeling zijn zienswijze binnen zes weken schriftelijk naar voren brengt.

Artikel X.3 (o.g.v. artikel 37, derde lid, Vw) (voornemenprocedure AC)


1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 26 van de Wet, af te wijzen binnen 48 proces-uren, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt. Artikel X is niet van toepassing. Bij ministeriele regeling wordt het model van het voornemen vastgesteld.

2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze binnen drie proces-uren schriftelijk naar voren.


3. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

4. Het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze worden door Onze Minister vastgelegd.

5. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet is genomen en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat een vreemdeling in verzuim is geweest.

Artikel X.4 (o.g.v. artikel 37, derde lid, Vw) (voornemenprocedure in bewaring)


1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag van een vreemdeling aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 57 van de Wet, tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 26 van de Wet, af te wijzen terwijl de vrijheidsontneming voortduurt, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt.

De op de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van inhoud van deze stukken.


2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze binnen twee weken schriftelijk naar voren.


3. De termijn, bedoeld in het derde lid, vangt aan direct na de uitreiking van het voornemen.


4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

5. Het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze worden door Onze Minister vastgelegd.

6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet is genomen en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat een vreemdeling in verzuim is geweest.


7. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het nemen van de beschikking niet in de weg.

Artikel X.5 (o.g.v. artikel 37, derde lid, Vw) (voornemenprocedure in Dublin-zaken)


1. Indien Onze Minister vaststelt dat een ander land ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 26 van de Wet en uit dien hoofde het andere land om overname zal verzoeken, wordt het schriftelijk voornemen daartoe, vooruitlopend op aanvaarding van het verzoek tot overname door het andere land, aan de vreemdeling uitgereikt. Artikel X is niet van toepassing.


2. Indien Onze Minister het voornemen als bedoeld in het eerste lid binnen 48 proces-uren aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze binnen drie proces-uren schriftelijk naar voren.


3. Indien Onze Minister het voornemen als bedoeld in het eerste lid na ommekomst van de in het tweede lid genoemde aantal proces-uren ---aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze binnen drie dagen schriftelijk naar voren. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt.

4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

5. Het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze worden door Onze Minister vastgelegd. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister bevestigd.

6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet is genomen en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat een vreemdeling in verzuim is geweest.


7. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat niet aan het verzoek om overname in de weg, noch aan het nemen van de beschikking bij aanvaarding van het verzoek tot overname.

Artikel X.6 (o.g.v. artikel 37, derde lid, Vw) (nieuwe feiten en omstandigheden)

Wanneer na het uitreiken van het voornemen feiten of omstandigheden bekend worden die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan de vreemdeling meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

Artikel X.7 (o.g.v. artikel 37, derde lid, Vw) (rol ACV in voornemenprocedure)


1. Indien de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken wordt gehoord, wordt aan de commissie de voorgenomen beschikking en de zienswijze van de vreemdeling voorgelegd.


2. De commissie adviseert binnen acht weken na de dag waarop het advies is gevraagd.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Justitie hoofdlijnennotitie vreemdelingenbesluit '




Lees ook