Ministerie van Justitie


https://www.justitie.nl

MIN JUST: Brief vrijlating Algerijn

Postadres Postbus 20301, 2500 EH Den Haag

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EH Den Haag Bezoekadres
Schedeldoekshaven 100
2511 EX Den Haag
Telefoon (070) 3 70 79 11
Fax (070) 3 70 79 00
Telex 34554 mvj nl

Onderdeel Ministerie van Justitie
Contactpersoon M.Y. Voslamber
Doorkiesnummer(s) 070-3706723
Datum 10 oktober 2001
Ons kenmerk 5126034/01
Onderwerp Vrijlating illegaal in Nederland verblijvende Algerijn

Inleiding
Hierbij bericht ik u over de gang van zaken rond de vrijlating van een illegaal in Nederland verblijvende Algerijn, naar aanleiding van de berichtgeving in de media op 9 oktober j.l.

Nader onderzoek heeft uitgewezen dat in de media ten onrechte de suggestie is gewekt dat de vrijlating te wijten zou zijn aan gebrekkige samenwerking tussen het OM en de IND, dan wel aan een vormfout van het OM of aan het verstrekken van onjuiste informatie aan de vreemdelingenrechter door de IND.

De feiten
Op 13 september 2001 is de betrokken vreemdeling aangehouden. Op 14 september 2001 is de aanhouding en de inverzekeringstelling voorgelegd aan de rechter-commissaris te Rotterdam. Deze heeft in zijn beschikking van 14 september 2001 geoordeeld dat de inverzekeringstelling niet onrechtmatig was. Op woensdag 19 september 2001 bestonden er onvoldoende ernstige bezwaren tegen de vreemdeling om hem in het kader van artikel 63 Wetboek van Strafvordering voor te geleiden aan de rechter-commissaris. De strafrechtelijke vrijheidsbeneming van de vreemdeling is dan ook beëindigd. Omdat hij illegaal en zonder geldige reis- en identiteitspapieren in Nederland verbleef, is de vreemdeling overeenkomstig bestaande procedure, aan de vreemdelingendienst overgedragen. Hij is direct daarop in vreemdelingen bewaring gesteld. Tegen deze maatregel heeft de betrokken vreemdeling beroep ingesteld. Zoals ook in de uitspraak van de vreemdelingenrechter van 4 oktober 2001 is aangegeven heeft deze op 28 september 2001 ter zitting het onderzoek geschorst teneinde de IND in de gelegenheid te stellen de rechtbank stukken te doen toekomen die betrekking hebben op het strafrechtelijke voortraject. Uit het dossier bleek dat er inverzekeringstelling had plaatsgevonden gedurende 6 dagen. Het bevel tot inverzekeringstelling en de overige gebruikelijke stukken waren in het dossier opgenomen. De procesvertegenwoordiger van de IND was van mening, op grond van het verhandelde ter terechtzitting, dat hij met de overlegging van het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling aan het verzoek van de rechter voldeed. Nadat de procesvertegenwoordiger van de IND het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling van de politie ontvangen had, is dit op 1 oktober 2001 aan de vreemdelingenrechter en de gemachtigde van de vreemdeling toegezonden.

Het toepasselijke recht
De bestuursrechter (i.c. de vreemdelingenrechter) toetst binnen 10 dagen na het opleggen van de maatregel of voldaan is aan de formele vereisten van artikel 5.2 Vreemdelingenbesluit 2000, inhoudende dat de vreemdelingbewaring opgelegd is door een hulpofficier van justitie en de vreemdeling gehoord is, al dan niet in het bijzijn van een advocaat.
De materiële vereisten - de openbare orde vordert de inbewaringstelling - van de vreemdelingenbewaring staan vermeld in artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel eist dat er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich aan een uitzetting zal ontrekken. Dit is onder meer het geval als er sprake is van illegaal verblijf of van het niet melden bij de vreemdelingendienst.
Het toetsingskader is uitgewerkt in artikel 94, lid 4 Vreemdelingenwet 2000, namelijk dat de vreemdelingenrechter toetst of de maatregel in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle belangen gerechtvaardigd is.
Tenslotte toetst de rechter of er voldoende zicht is op uitzetting.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat in het algemeen de rechter in vreemdelingenzaken niet toekomt aan een beoordeling van het strafrechtelijk voortraject aangezien het niet een bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheid betreft. Slechts indien de onrechtmatigheid van die aanwending door de strafrechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de consequenties daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling (ABRS 200102650, dd 26-07-2001).

De uitspraak
De vreemdelingenrechter heeft in de onderhavige zaak in eerste instantie verwezen naar de jurisprudentie van de Raad van State. Volgens de vreemdelingenrechter kan het in die jurisprudentie vermelde uitgangspunt echter uitzondering lijden indien in het strafrechtelijk voortraject sprake is geweest van een dusdanige inbreuk op de rechtsorde dat een behoorlijk handelend bestuursorgaan de daarop volgende maatregel niet had kunnen toepassen zonder in strijd te komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vreemdelingenrechter is, mede gelet op de verklaring van de vreemdeling ter zitting dat hij niet voor de rechter-commissaris geleid was, van oordeel dat zo.n uitzonderingssituatie zich in deze zaak voordeed omdat niet gebleken was dat de vreemdeling op grond van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering aan de rechter-commissaris voorgeleid was, terwijl wel sprake was van een verlenging van de inverzekeringstelling. De vreemdelingenrechter verklaarde op 4 oktober 2001 het beroep tegen de vreemdelingenbewaring gegrond, beval de opheffing van de vreemdelingenbewaring en kende een schadevergoeding toe.

Conclusie
Uit de uitspraak volgt dat de overgelegde stukken door de vreemdelingenrechter onvoldoende zijn geacht om aan te nemen dat de vreemdeling wel was voorgeleid aan de rechter-commissaris. De IND heeft zowel ter terechtzitting als bij het toezenden van het bevel tot verlenging van inverzekeringstelling erop gewezen dat gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad van State, overlegging van deze stukken niet nodig is. De IND is, zoals hierboven is gesteld, van de toereikendheid van het overgelegde stuk uitgegaan. Dat de vreemdelingenrechter meer specifiek bewijs van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris noodzakelijk achtte, is de IND eerst bij de uitspraak duidelijk geworden.

Tegen het licht van voornoemde rechtspraak van de Raad van State bestaat bij mij de indruk dat deze uitspraak van de vreemdelingenrechter daarmee op gespannen voet staat. Om die reden is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Naar mijn oordeel doet zich onverminderd een situatie voor waarin toepassing van vreemdelingenbewaring aan de orde is.

Te betreuren is dat thans ten onrechte de indruk is gewekt dat het OM een vormfout zou hebben gemaakt. De betrokkene is namelijk tijdig voor de rechter-commissaris geleid. Voor verdere verlenging van de strafrechtelijke vrijheidsbeneming bestond voorts onvoldoende grond. De IND heeft zich naar mijn mening terecht gebaseerd op jurisprudentie van de Raad van State.

De Minister van Justitie,

10 okt 01 20:30

Deel: ' Brief Justitie inzake vrijlating illegale Algerijn '




Lees ook